Column Diskrediet in De Morgen van zat 20 mei 2017

Diskrediet

Ves. Carlien Cavens (30) gaat uit eten met Victor Campenaerts (25). Daten heet dat bij de millennials. Maar niet op zijn Amerikaans, waar daten dan weer betekent dat je minimaal kust en maximaal flikflooit. Nooit seks all the way van de eerste keer want dat is slecht voor je rep. Rep, zoals in reputatie.

Omwille van de professie volg ik de avonturen van Carlien en Victor via de niet-selectieve pers. De selectieve pers bericht daar niet over, maar nu dus wel met dit stukje. Welaan, hier gaat het over: omdat Victor Campenaerts van Team LottoNL-Jumbo de tijdrit reed met opengeritst shirt met op zijn borst in stift geschreven ‘Carlien daten?’ staan de niet-selectieve kranten al dagen vol met hun belevenissen. Die avond van de tijdrit heeft Carlien ja gezegd, maar gewoon om te gaan eten. Want, zo legt ze uit: er is meer nodig opdat ze verliefd wordt.

Kijk eens aan, zoveel assertiviteit behoort te worden geduid en dus volgde donderdag zowaar een portret van Carlien. Ze is amper 30 maar al zo gelouterd door het leven dat ze managers leert deconnecteren van het stressvolle leven. Kijk eens aan, bis.

Het is me een verhaal, maar heeft die brave Campenaerts – een ex-triatleet dus per definitie een licht autistische zonderling – er al één moment aan gedacht welk onheil hij over zichzelf en zijn would-belief heeft afgeroepen? Bijvoorbeeld dat er bij hun eerste date vast een fotograaf in de struiken zal zitten? Dat de boekskes hun vervolgverhaal – hij wil wel, maar wil zij? – zullen overnemen? Of was dat de bedoeling?

Verder wens ik hen alle geluk toe, samen of niet samen, en ik zal het blijven volgen, want het wielrennen kan dat soort nieuws ook gebruiken naast alle dagelijkse treurnis. Van de week las ik nog een ontroerend verhaal opgetekend in Filottrano, de gemeente met de naam als een tranendal waar Michele Scarponi woonde, fietste en verongelukte. Franky de papegaai is al zes dagen niet meer naar huis gekomen. Toen de kinderen van Scarponi voor het eerst terug naar school gingen, zat hij hen nog op te wachten aan de schoolpoort.

Nog meer treurnis van de week in het wielrennen in de Ronde van Californië. Daar smakte de Let Toms Skujins van Team Cannondale in een afdaling zo hard tegen het asfalt dat hij compleet groggy was. Nog voor hij opstond, waren vier motoren bij hem gestopt, waarvan een van de neutrale technische bijstand. Kijkt u het zelf maar na. Surf naar YouTube en tik Tom Skujins in. Begin met de versie vanuit de helikopter en doe daarna die vanaf de grond.

Skujins staat recht, wordt daarbij geholpen door de man van de neutrale moto die zijn fiets opraapt; hij is als een bokser die nog snel vóór de tien tellen recht wil maar weer door zijn knieën gaat. Wat doet de scheidsrechter in een beestige sport als boksen? Hij stuurt de ongelukkige naar zijn hoek, afgelopen met boksen.

Niet in het wielrennen, niet Skujins, en zeker niet die vier motoren. Die lieten Skujins gewoon doen. Terwijl op centimeters het peloton langs hem zoefde, keken ze gefascineerd toe. Zoals de bokser zijn mondstuk zoekt, grabbelde hij naar zijn bril, die hij tussen de lappen opperhuid op het asfalt vond, en weer viel hij, tot hij na drie pogingen toch op eigen benen stond, en alsnog op die fiets sukkelde. Niemand hield hem tegen.

En nu komt het ergste, want dat ziet u niet: Skujins is nog een heel eind verder gereden waarna hij toch moest afstappen. Pech, zijn sleutelbeen was ook gebroken. Wielrennen wordt soms heroïsch genoemd omwille van dat vallen, opstaan en weer doorgaan, maar achterlijke taferelen als deze van Skujins zijn juist het manco van die sport die haar kinderen in sneltempo verslindt.

De motards in de Ronde van Californië, allemaal met een licentie van een of andere wielerbond, zijn niet terechtgewezen. Victor Campenaerts in de Giro wel. Hij heeft een boete van 100 Zwitserse frank gekregen. Omdat hij het wielrennen in diskrediet heeft gebracht, kwam een (Vlaamse) koerscommissaris uitleggen. “Enfin zeg, met stift op zijn blote borst iets schrijven, straks doet iedereen dat.” Misschien wordt het tijd dat ze bij de wielerbonden hun prioriteiten herzien.

Maria en de Meldonium in De Morgen van zat 20 mei 2017

De wraak op Bitchova

Maria is een bitch, verdient te veel en is te mooi. Misschien zijn dat de redenen waarom ze door het tenniscircuit wordt uitgespuwd. Aan dat meldonium alleen kan het niet liggen want dat is geen doping. Maria Sjarapova is onterecht zwaar gestraft.

Toch één die nuchter bleef in de heisa rond haar comeback van de afgelopen weken. Hij heet Steve Simon en is algemeen directeur van de WTA, de Women’s Tennis Association, een associatie van speelsters die het reguliere tenniscircuit aanstuurt.
Het grandslamtoernooi Roland Garros, een van de weinige toernooien die vallen onder de auspiciën van de ITF, de internationale tennisfederatie, had net besloten dat Maria Sjarapova (net 30 geworden) niet welkom was in Parijs, waar volgende week de Franse Open van start gaan. Technisch gezien kreeg ze geen wildcard maar dat kwam op hetzelfde neer als ‘wij willen jou niet’ omdat ze met haar voorlopig nog lage ranking (WTA 211) niet in de kwalificatietabel kan.

Simon was het niet eens met de beslissing en zei: “Een speelster die al is gestraft hoeft niet nog eens te worden gestraft.” Maar Bernard Giudicelli, de voorzitter van de Franse tennisbond – de nationale bonden en koepelbond ITF leveren een voortdurende machtsstrijd tegen de WTA – zag dat anders: “Er zijn wildcards voor speelsters die terugkeren na een blessure, maar niet na een dopingschorsing.”

MaSha (voor de weinige vrienden) liet het niet aan haar hart komen: “Ik zal dat soort spelletjes niet laten verhinderen dat ik mijn dromen verwezenlijk en ik heb nog veel dromen.” Een van die dromen bestond er volgens haar managementbureau in dat ze na haar loutering op de strafbank toenadering zou zoeken tot de collega’s.

De Française Kristina Mladenovic speelde tegen haar in haar comebacktoernooi in Stuttgart, waarvoor ze wel een wildcard kreeg, maar merkte daar niks van. “Toenadering? Vanaf de eerste dag dat ze in de vestiaires kwam, heeft ze tegen niemand goeiendag gezegd. Ze is in haar hoekje gebleven, at nooit in het spelersrestaurant en liet haar eten brengen. Zoals vroeger.” Mladenovic klopte Sjarapova in de halve finales en behalve de obligate handdruk kon er wederzijds geen woord af. Tegen L’Equipe Magazine legde ze uit wat haar had gemotiveerd: “Ze is een bedriegster. Punt. En dat vinden velen met mij. Hoeveel berichtjes ik niet heb gekregen: ‘komaan’, ‘verslind haar’, ‘zet haar op haar plaats’.”

Hartbeschermend middel

Op 7 maart van vorig jaar liet Maria Sjarapova op een persconferentie in Los Angeles een bom ontploffen met de melding dat ze op de Australian Open positief had getest op meldonium, een tot dan compleet onbekend en alleen in Oost-Europa populair middel, dat door het Wereldantidopingagentschap (WADA) voor 2016 op de lijst met verboden middelen was gezet. “Ik had het moeten weten of iemand had het mij moeten komen melden, maar ik neem het al tien jaar ter bescherming van mijn hart. Ik nam Mildronaat en blijkbaar is dat een merknaam van meldonium. Ik nam het in Australië, mij van geen kwaad bewust.”

In eerste aanleg kreeg Sjarapova twee jaar, omgezet op 6 oktober van vorig jaar door het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) in vijftien maanden. Het was een vreemd arrest dat samengevat kon worden als: ze had het moeten weten, was dus nalatig, maar is ook een beetje onschuldig want ze kon het moeilijk weten. Al snel na de veroordeling van de tennisdiva doken de eerste vreemde geruchten op rond de opsporing van dat middel waar niemand in het Westen het bestaan van af wist. Gaat het wel om doping? Is de opsporing wel oké? En wat met de timing?

Om een product als doping te kwalificeren bestaan drie criteria: prestatiebevorderend, tegen de geest van de sport en een gevaar voor de gezondheid. Aan twee van de drie criteria moet voldaan zijn en dan kan het product door het zogeheten lijstcomité van WADA op de lijst worden gezet. Dat gebeurde in het geval van meldonium (merknaam Mildronaat) in september van 2015 en ging in vanaf januari 2016.

Die zomer was in de British Journal of Sports Medicine een artikel verschenen van de hand van professor Wolfgang Schobersberger van het sportmedisch instituut in Innsbruck, gespecialiseerd in alpinesporten, in samenwerking met het Oostenrijks dopinglab in Seibersdorf. Uit dat artikel bleek dat meldonium heel vaak werd teruggevonden in urines: met 2,2 procent (3.625 stalen van 2015 bevatten meldonium) was het meer dan dubbel zo vaak gerapporteerd dan het tweede product in de monitoring. Het artikel ging ook in op de werking van het medicijn dat in Rusland op de lijst is gezet van vitale medicijnen die voor elke Rus toegankelijk moeten zijn. In verband met sportprestaties werd gemeld dat er geen studies voorliggen die bewijzen dat het een effect zou hebben op getrainde atleten.

“Heb ik ook nooit beweerd”, zegt de Letse chemicus-uitvinder Ivars Kalvins die het product op de markt bracht in de jaren 70. “Het verbetert de weerstand en de doorbloeding. Het is een verzekeringspolis tegen hartdood door overbelasting van het hart. Mildronaat zorgt ervoor dat de cellen niet doodgaan.” Dat wordt gestaafd door het BJSM-artikel. “Mildronaat of meldonium heeft een aantoonbaar effect als anti-ischemisch (ischemie is gebrek aan doorbloeding, HVDW) en hartbeschermend middel.”

Russen pesten

Hoe in godsnaam is meldonium dan op de verboden lijst geraakt als het volgens de huidige stand van zaken niets meer is dan een soort antioxidant, weze het dan met een andere chemische structuur? De research komt van de PCC, het Amerikaanse Partnership for Clean Competition, een tot dan onder de radar gebleven onderzoekseenheid opgericht in 2008 door het Amerikaans olympisch comité en de Amerikaanse dopingautoriteit USADA, in samenwerking met – en nu komt het – de Major League Baseball en de National Football League, twee sportcompetities die nota bene vergeven zitten van de doping en die zich van de internationale regels helemaal niks aantrekken.

 

Een olympische bron spreekt uit de biecht op voorwaarde van anonimiteit: “WADA heeft de bevindingen van dat Amerikaanse PCC zomaar overgenomen zonder grondig te checken. Het is duidelijk dat ze veel atleten uit dezelfde landen wilden betrappen, terwijl WADA in eerste instantie een voorlichtende functie heeft. Meldonium staat op de lijst om de Russen te pesten, niks meer en niks minder. WADA kreeg maar geen grip op de Russische autoriteiten nadat ze de fraude in Sotsji hadden ontdekt en alleen dáárom hebben ze dat product halsoverkop op de lijst gezet. Om enkele maanden later met hun rapport te komen over de echte doping en de echte fraude. Maar daar heeft meldonium niks mee te maken, het was een glijmiddel om de publieke opinie voor te bereiden.”

Er was nog meer aan de hand dat erop wees dat het WADA overhaast te werk was gegaan. Het moest toegeven dat de merknaam Mildronaat niet op de lijst stond die naar de atleten was gecommuniceerd, maar wel op de lijst voor de pers. Ook de ITF en de WTA hebben geen melding gemaakt naar hun tennissers van verandering aan de dopinglijst, hoewel meldonium wel was opgenomen in de categorie niet-specifieke substanties. RUSADA, de Russische antidopinginstantie, meldde wel de twee namen, maar RUSADA was eind 2015 geschorst.

Hoewel ze in andere sporten wel bij de les waren, bleven de positieve gevallen vreemd genoeg toestromen. Honderdachtenvijftig waren er tegen begin april al tegen de lamp gelopen, zonder uitzondering atleten uit de republieken van de voormalige Sovjet-Unie waar het middel eerst was gebruikt onder de troepen die Afghanistan waren binnengevallen.

Toen topgymnast Nikolai Kuksenkov ook positief testte, maar beweerde al in geen acht maanden aan de meldonium te hebben gezeten, ging in Montreal bij het WADA een belletje rinkelen. Men keek nog eens van nabij naar de excretiewaarden van het product en jawel hoor, ai Montreal, we hebben een probleempje: meldonium bleef maanden in het lichaam hangen.

“Een fout”, geeft Peter Van Eenoo van het DoCoLab in Gent toe. “De chemische formule wijst op het eerste gezicht op een snelle uitscheiding, maar het blijkt nu dat er maanden nadien nog sporen kunnen opduiken, genoeg om alarm te slaan. Dat had beter onderzocht moeten worden.” Het WADA kon niet anders dan alleen atleten te vervolgen die hadden toegegeven ook na januari nog aan de meldonium te hebben gezeten, zoals de lichtjes naïeve Sjarapova die als enige grote naam toch werd gestraft.

Anderen liepen spitsroeden na die negatieve publiciteit. Zo trok de vrijgesproken zwemster Joelia Jefimova naar de Spelen in Rio en werd daar voortdurend uitgefloten en aangepakt door haar collega-zwemsters. Na haar zilver op de 100 meter schoolslag gaf ze toe dat het huilen haar nader stond dan het lachen.

Nog frappanter was het geval van de twee volleybalspelers van Dinamo Moskou die beiden op meldonium waren betrapt na 1 januari: de Rus Alexander Markin werd uitgesloten van de Spelen in Rio, want geen medelijden met Russen, maar zijn Amerikaanse clubmaat Maxwell Holt trad vrolijk aan voor de Amerikaanse ploeg in Rio omdat het USADA had hem wel gecleard.

Het kwaad is geschied, het zorgvuldig gecultiveerd imago van de tennisdiva Maria Sjarapova is beschadigd en ze zal nog een tijd op de blaren moeten zitten. De nauwelijks onverholen kritiek in het tenniscircuit houdt niet op, ook niet na haar te zware straf te hebben uitgezeten. De Canadese Eugenie Bouchard noemde haar vlakaf een bedriegster toen ze haar klopte in Madrid. “Ik sta daarboven”, glimlachte Sjarapova.

Het is een kunstje, een overlevingstruc: Sjarapova staat al heel haar leven boven alles en iedereen, van de dag dat ze met haar pa vanuit de streek van Tsjernobyl als zevenjarige langpootmug naar de academie van Nick Bollettieri in Florida verhuisde. Al snel leerde ze accentloos Amerikaans en al even snel kreeg ze daar de bijnaam Bitchova van enkele ouders van Amerikaanse collega-talentjes, maar ook dat kon haar niet deren.

‘Unstoppable’

Jaloersheid is haar deel en van de hypocrisie weet ze vandaag op haar dertigste dat die geen grenzen kent. Eergisteren nog vond haar tennissponsor Head het terecht van Roland Garros om haar geen wildcard te geven omdat dopingzondaars geen wildcard verdienen. In dezelfde paragraaf vond de CEO het onterecht dat meldonium op de lijst stond omdat er geen wetenschappelijk bewijs is dat het prestatiebevorderend zou zijn.

In september verschijnt haar biografie en die heet toepasselijk Unstoppable, niet tegen te houden. Haar vastberadenheid om terug te keren aan de top heeft ook te maken met het product en het imperium Sjarapova. Precies wat de concurrentie de ogen uitsteekt. Wie heeft nog contracten met Nike, Porsche, Evian en al die andere bedrijven? Niemand. Wie ziet er beter uit dan Sjarapova in de talloze spots, over alle sporten heen? Niemand. Welke sportvrouw heeft ooit beter verdiend? Niemand. Welke speelster willen alle toernooidirecteurs? Maria Sjarapova.

Sinds 2001 heeft ze 270 miljoen euro bij elkaar getikt alleen aan prijzengeld. Vorig jaar nog berichtte Forbes dat haar jaarinkomen rond de 20 miljoen euro draaide. Ze stond daarmee 88ste op de ranking en was gezakt onder Serena Williams die vorig jaar met 26 miljoen euro naar huis kwam. Al de jaren daarvoor stond Sjarapova netjes eerste met een gelijkaardig bedrag. Haar totale inkomsten worden geschat op een half miljard.

De dopingschorsing heeft haar maar twee contracten gekost: het horlogemerk TAG Heuer en cosmeticabedrijf Avon haakten af. Alle anderen bleven aan boord, zoals Nike met zijn achtjarige deal voor 60 miljoen euro. Zolang het eerste sportmerk er vertrouwen in heeft, zal het wel loslopen voor mooie Maria.

VER-Sjarapova

Column De Bal is Bijzaak in De Morgen van zaterdag 13 mei 2017

De bal is slechts bijzaak

Een man van Anderlecht reageerde van de week op iets wat hij had gelezen over zijn club en wat hem niet was bevallen. Hij vroeg of ik soms ging golfen samen met Michel Preud’homme en Marc Degryse. Gaan die twee dan golfen, vroeg ik mij af? En waar zou dat dan zijn? In Damme wellicht, of sporadisch in Knokke of De Haan misschien, wie weet occasioneel Oostduinkerke. En als ze gaan golfen, zouden ze dan over voetbal spreken? Die kans lijkt groot. Neen, ik golf niet met Degryse en Preud’homme, maar ik weet waarom ik die sneer kreeg. Ik had Anderlecht een bleke kandidaat-kampioen genoemd en dat vinden ze bij Anderlecht niet leuk.

Van de week verscheen in Voetbalmagazine een verhaal over René Weiler en Anderlecht en onder meer over hoe ze omgingen met de kritiek. Toen het voetbal niet om aan te zien was, en (aldus Weiler) de pers Weiler had opgegeven, gaf Weiler de pers op. Sindsdien verschijnt Weiler niet meer standaard op persconferenties voorafgaand aan de wedstrijden. Het is vooralsnog niet duidelijk of we daar veel bij inschieten.

Anderlecht ís een van de slechtst voetballende kampioenen van de laatste jaren, áls ze al kampioen worden, want gerede twijfel daarover is meer dan op zijn plaats. Daartegenover staat dat Anderlecht voorlopig de terechte kampioen is, tenzij Club in de laatste drie wedstrijden, te beginnen morgen, ongenadig uithaalt en Anderlecht alsnog helemaal inzakt. Gezien die stevige uitwedstrijd bij Gent laatst lijkt dat onwaarschijnlijk, maar met het Anderlecht van dit jaar weet je nooit en je krijgt ook niet echt de indruk dat hun sportieve baas René Weiler het weet.

Wie Anderlecht analyseert, heeft er een hele klus aan. Er valt geen peil op te trekken. Het is een rijke verzameling aan talent waar achteraan een stevig slot op staat, met voorin een spits die oorlog maakt. Daartussen doet iedereen maar wat en gezien het overaanbod aan talent komt daar af en toe voetbal uit. Af en toe. Er zit geen enkele lijn in dit Anderlecht, maar er loopt wel een rode draad door de prestaties: tegen goed voetballende ploegen is Anderlecht top, tegen ploegen die zich tactisch slim instellen op Anderlecht, is het bagger. Tegen Zulte Waregem vorige week was het bij momenten dweilen met de kraan open. De linies opereerden zelfstandig, zonder consideratie voor wat de rest van de ploeg van plan was, en de enige verbindende factor was marathonman Leander Dendoncker.

Anderlecht had 40 procent balbezit, op het eigen veld alstublieft. Nu is balbezit geen voorspellende factor voor winst of verlies. De twee Belgische ploegen met het meeste balbezit zijn Genk (niet in play-off I) en Gent (bijna niet in play-off I). De enige statistiek die voor meer dan 90 procent correleert met winst of verlies, is het aantal schoten tussen de doelpalen en daar is Anderlecht dan weer erg goed in. Dat heet efficiëntie. En hun voetbal heet reactievoetbal, géén countervoetbal, wat het natuurlijk wel is. En aan gegenpressing – een fancy woord voor snel, hoog, gegroepeerd druk zetten – doen ze ook al niet echt. De echte gegenpressing heeft één gouden regel: door de tegenstander de bal te gunnen, laat je hem in de waan dat hij aanvalt en dan is hij niet met verdedigen bezig. Die bal onverhoeds weer afnemen, gebeurt bij voorkeur zo hoog mogelijk op de helft van de tegenstander, maar dat doet Anderlecht ook niet (behalve onlangs op Gent). Ze plooien heel gewillig terug en proberen de bal pas vanaf de middenlijn te veroveren om dan razendsnel van de ontstane ruimte gebruik te maken.

Van de week stond in een krant een interessante statistiek. Van alle ploegen in play-off I heeft Anderlecht het minste balbezit in uitwedstrijden: 46 procent. Eén procentje meer dan Club, dat soms een beetje voetbalt als Anderlecht maar meestal twintig meter hoger. Maar, en nu komt het: van alle thuisploegen heeft Club Brugge het minste balbezit: 47 procent. Morgen spelen twee ploegen tegen elkaar die de bal liever bij de tegenstander zien maar die zoveel intrinsiek talent hebben dat er soms geen andere keuze is dan goed te voetballen. Op papier is Club-Anderlecht van morgen opgeteld 93 procent balbezit. Eén, twee, drie, wie wil de bal? Wie zal die 7 procent opeisen?

Verhaal over Leander Dendoncker in De Morgen van 13 mei 2017

VEDETTE ZONDER KAPSONES

Geen tattoo (die we mogen zien). Geen hamster of inkeping op zijn hoofd. Geen Facebook, Twitter of Instagram. Leander Dendoncker (22) uit Passendale ging kapot van heimwee, maar werd hét talent van Brussel.

Het minste wat je kunt zeggen, is dat ze danig waren geschrokken op de boerderij van de Dendonckers. Van Passendale – la Flandre très très profonde – naar Roeselare was al een beetje een cultuurschok en dan lijkt de Club van Brugge het volgende veilige station voor een West-Vlaams voetbaltalent. Leander, de middelste van drie zonen, koos de andere weg. “Ze zijn allemaal geweest: Standard, Club Brugge, Genk, maar ik wilde naar Anderlecht. Die ene training met Romelu Lukaku op die school met daarnaast dat voetbalveld en ik was verkocht.”

Vanuit de varkenshouderij van Dirk Dendoncker zie je de contouren van Tyne Cot Cemetery, de grootste begraafplaats van soldaten van het Gemenebest op het Europese vasteland. “Ik ben er maar één keer geweest”, zegt zoon Leander. “Natuurlijk weet ik wat er is gebeurd honderd jaar geleden. Ooit kwam een Australische filmploeg zoeken naar skeletten onder onze boerderij.” Historie was in die beladen omgeving voor de broers Dendoncker nooit de prioriteit nummer één, wel het voetbal. Veel belangrijker is, dus: promoveert KSV De Ruiter van Andres, pakt Leander zijn eerste titel en hoe vergaat het kleine Lars?

Alleen die laatste vraag kreeg al een antwoord: Lars (16) tekende zijn eerste profcontract. Bij Club Brugge. Dus wordt hij angstvallig in de luwte gehouden. Andres greep naast de titel in tweede provinciale, maar zit nog verwikkeld in een eindronde. Ook hij doet er liever het zwijgen toe. En Leander had met Royal Sporting Club Anderlecht een paar weken geleden de titel voor het grijpen, maar moet nu nog vol aan de bak bij Club Brugge. Hem lijkt het allemaal niet zo heel veel te doen. Omdat het beste nog moet komen?

Hoe dit ook afloopt, aan de middelste Dendoncker zal het alvast niet liggen als Anderlecht de titel nog uit handen geeft. Hij is dé speler van het jaar bij paars-wit. Vergeet al wie al is vertrokken uit dit plots zo vruchtbare voetballand – op Kompany, Hazard en De Bruyne na misschien – en vergeet wie nog zal vertrekken, met alle respect voor de Tielemansen van deze wereld, maar Leander Dendoncker en niemand anders is ’s lands volgende uithangbord.

“Het grootste Belgische talent. Zeer intelligent, zeer sober, sterk, die heeft alles. Als hij speelt, draaien de anderen rond hem beter en niet omgekeerd. Leander Dendoncker van Anderlecht kan die nieuwe grote Belgische speler worden.”

Dat waren tegenover deze krant eind vorig seizoen de woorden van de Waregemse wijze man Mbaye Leye en hij heeft sindsdien alleen maar gelijk gekregen. Leander Dendoncker is uitgegroeid tot de stabiele factor en het enige altijd brandende lichtpunt in misschien het lelijkste Anderlecht van de laatste vijftig jaar, op de periode van Ivic na dan. Bij de vreselijke thuisoverwinning tegen Zulte Waregem van vorige zondag liep hij zich voor de 55ste keer dit seizoen de ziel uit het lijf, gaten dichtend, bijsturend, ploegmaats coachend, ballen afpakkend, aanjagend en als het even kon ook nog gevaar creërend, al leek het alsof zijn coach hem uitdrukkelijk had verboden te ver over de middenlijn te komen.

Net 22 geworden, is hij nu al de aorta van Anderlecht. Bij leven en welzijn zal hij in de mogelijke kampioenenclash bij Club bij de rust aan zijn 5.000ste minuut in zijn 56ste wedstrijd van dit seizoen komen, en in elk van die wedstrijden startte hij in de basis en werd nooit gewisseld.

Zonder EK of WK kan Dendoncker uitkomen op 60 wedstrijden in één seizoen als hij in de twee volgende competitiewedstrijden en ook bij de twee interlands met de Rode Duivels in actie komt. Lionel Messi, om maar even buiten categorie te gaan, speelde dit seizoen 53 wedstrijden, en 400 minuten minder. In meters gelopen met en zonder bal zal middenvelder Dendoncker ongetwijfeld aan het dubbele zitten.

“Leander is een genetisch fenomeen. Hij recupereert zo makkelijk dat hij drie wedstrijden per week aankan, zelfs op zijn veeleisende positie.” Dat zegt Jochen De Coene, hoofd van het medisch departement van Anderlecht. “Wij zien op onze data tijdens de wedstrijd dat hij enorm snel herstelt van hoogintensieve inspanningen na elkaar en daags na de wedstrijd is hij bij wijze van spreken al weer klaar voor de volgende.”

Wat heb jij speciaal?

Leander Dendoncker: “Ik heb altijd al goed kunnen lopen. Ik denk dat het aangeboren is. Ik loop graag, dat helpt. Ik voel mij ook nooit zo vermoeid. Vorig jaar had ik wat last van de heupbuigers, maar dat probleem is verholpen door oefeningen. En door liggend te spelen op de PlayStation. Ik speel elke dag en ik deed dat zittend op een stoel, voorovergebogen. Ze dachten dat het daar van kon komen.”

Hoe verklaar je dat Anderlecht de ene week super is en er de andere week totaal niks van bakt?

“Totaal niks vind ik overdreven. We hebben onze mindere momenten. Het dieptepunt vond ik in de eerste ronde het verlies thuis tegen Westerlo, 0-2 nog wel. Vreselijk. Ik pieker daarover, maar ik heb geen verklaring, behalve misschien dat we niet genoeg leiders in de ploeg hebben die opstaan en de zaak op scherp kunnen zetten.”

Ben jij een leider?

“Dat denk ik wel. Misschien dat je het niet merkt, maar ik praat voortdurend. Ik probeer altijd positief te zijn, maar als iemand in de fout gaat, zal ik er toch iets van zeggen. Ook op mijzelf kan ik sakkeren en dat blijft nog wel even doorwerken, zodat ik nooit kan slapen na de wedstrijd. Ik hoef die ook niet terug te zien. Al mijn acties heb ik in mijn geheugen geknipt en achter elkaar gezet. En dan ga ik nadenken: dit had beter gekund, dit had ik zo moeten oplossen, waarom heb ik daar dat niet gedaan? Ik ben best wel zelfkritisch.”

Heb je jezelf verbaasd met wie je nu bent en wat je presteert?

“Ja en neen. Ik bedoel: je komt naar Anderlecht met de hoop in het eerste elftal te geraken en ze zagen het wel in mij. Neen, omdat ik het in het begin wel lastig had. Ik kwam in 2009 bij de U15 en na een maand trainen of zo kwam Jean Kindermans (jeugdopleider, HV) bij mij en zei: de trainer (Yannick Ferrera, nu KV Mechelen, HV) verwacht wel wat meer van jou.

“Doodongelukkig was ik en bang. Ik heb dat nog nooit aan mijn ouders verteld. Toen zeker niet, omdat ik hen niet nog meer pijn wilde doen. Ze hadden het al zo lastig om mij te laten gaan en er was ook zo veel werk op de boerderij waar ze al genoeg kopzorgen over hadden. Ik zag het toch een beetje als mijn luxeprobleem.”

Maar je was echt ongelukkig?

“Behoorlijk. Ik was een moederskind en ineens was ik ver van huis. We reden naar Brussel om mij weg te brengen en dat was het dan: ik móést daar blijven slapen en het leek wel voor altijd. Die eerste maand kon ik echt niet aarden. Er waren dagen dat ik drie keer per dag naar huis belde met tranen in de ogen. Ik wist dat ik mijn moeder pijn deed, maar ik kon niet anders. Ma zag daar echt van af. Mijn pa ook wel, maar die verborg dat meer.

“Dat lag niet aan het gastgezin, want dat waren hele warme mensen, en ook niet aan de omgeving. Ik was veertien en alles kwam in één keer bij elkaar: nieuwe club, nieuwe stad, nieuwe school, nieuwe taal, nieuwe spelers. De oefenwedstrijden waren ook niet te best en mijn pa had dat gezien toen hij kwam kijken: jij kunt beter, zei hij. Toen was het nog vakantie en het is eigenlijk beginnen beteren toen ik naar school ging. Dat was een openbaring, hoe ze mij daar meteen aanspraken en opnamen in de klas. Zo open, helemaal niet zoals in West-Vlaanderen, waar ze eerst weken de kat uit de boom kijken in een nieuwe omgeving. Iets wat ik natuurlijk wel doe en nog steeds.” (lacht)

Had je vooroordelen?

“Wat dacht je? Ik was gewend van met de bus van Passendale naar Roeselare te rijden om bij de broeders naar school te gaan. Daar zat één zwarte jongen, één zwart meisje en één Turk. In Brussel was het omgekeerd. Je leert heel snel hoe je daarmee moet omgaan, ook met de verschillende godsdiensten en met bepaalde groepjes jongeren. Zoals? Soms moet je oogcontact absoluut vermijden, want anders krijg je gegarandeerd ruzie, maar dat zal wel aan de grootstad liggen. Brussel, een urban jungle? Een beetje wel, maar inmiddels voel ik mij hier thuis.”

Werd jij aanvaard met je West-Vlaams accent?

“Er werd vaak iets over gezegd. Niet echt uitgelachen, maar wel lacherig gedaan: zo van, wat heb jij een apart accent. Ik ben dan maar dat Brabantse taaltje gaan aannemen dat ik nu spreek als ik interviews geef, maar zodra ik met West-Vlamingen praat, of thuis kom, draai ik de knop onmiddellijk om en is het plat-West-Vlaams.

“Op school ging het best. De eerste vier jaar deed ik aso, maar ik was vaak met de nationale ploeg weg en voor wiskunde, chemie en fysica kreeg ik problemen. Hoewel ik een A-attest haalde, raadde men mij toch aan om technisch onderwijs te volgen en zo kwam ik op Sint-Guido terecht. Of de school van Lukaku.

“Toen was ik al een beetje ingeburgerd en bekend met andere culturen en rassen, maar Sint-Guido was nog een stap verder. Ik was de enige blanke Belg in de klas; we waren op die hele school misschien maar met tien. Maar het was een gouden tijd. Ik had ook geen enkel probleem met de studies: ik was weer vaak weg, maar ik was altijd de eerste van de klas.

“Alleen waren mijn ouders toch weer ongerust, want die hadden natuurlijk De school van Lukaku op televisie gezien en nu zat hun zoon daar. Die ook ineens zo raar sprak. Ik gaf rond die tijd een interview voor de tv na een wedstrijd en mijn moeder begreep er niks van. ‘Waarom spreek jij geen West-Vlaams?’, vroeg ze.”

Tja, waarom niet?

“Omdat je integratie dan een stuk makkelijker verloopt natuurlijk. Ma vond het toch lastig hoor. Zij is erg gesteld op West-Vlaanderen en het boerenbestaan. Wij hebben varkens thuis en bij haar thuis waren het kippen.

“Ruiken, zeg jij? (lacht) Neen hoor, varkens en kippen stínken, allebei, maar ik heb het niet anders geweten en ik ben ook trots op mijn afkomst. Mijn vader werkt dagen van meer dan twaalf uur en vooral de laatste jaren zijn heel moeilijk geweest voor boeren met varkens. Ik heb een eindeloos respect voor mijn ouders. Ik ben blij dat ik wat heb kunnen terugdoen.”

Bedoel je materieel?

“Ook. Het is bekend dat tekengeld vaak naar de ouders gaat. Maar ik heb hen ook fierheid en een bepaalde rust gegeven. Ik ben nu een vaste basisspeler terwijl ik onder John van den Brom maar moeilijk in de ploeg geraakte. Dat was vooral lastig op familiefeesten. Wanneer ga je spelen? Zou je niet beter worden uitgeleend? Daar word je op den duur gek van, ook als ouder.”

Je pa legde ooit een voetbalveld aan en daar zijn jullie alle drie groot geworden.

“Ik mag drie wedstrijden in een week hebben gespeeld, als ik nog eens thuis kom en een van mijn broers is er ook, trek ik andere kleren aan en ga ik sjotten. Op dat veldje heb ik uren getraind. Samen met mijn oudere broer en nog een buurjongen, die bij Passendale doelman is. Hele dagen heeft die in de goal gestaan voor ons. Ik ben hem daar erg dankbaar voor. Neen, ik denk niet dat hij al is komen kijken en ik vraag het hem ook niet, omdat hij niet zal willen. Hij is een hevige Club-supporter. Nu ik bij Anderlecht speel, zegt hij: ik supporter nooit voor Anderlecht, maar wel voor jou. Toch chique. Ik heb veel aan hem te danken.”

Zou jij naar je broer Lars gaan kijken in Brugge?

“Ik ben vorig jaar nog eens geweest. Sommige mensen kijken dan raar op, maar ik heb geen nare reacties gekregen. Waarom ook? Ik probeer normaal te doen. Voetbal is bijzaak. Ik word straks ook liever herinnerd als een goed mens dan als een goed voetballer.”

Dat is mooi, maar voetbal is vooral business en in jouw geval big business.

“Kan zijn, maar ik weet daar het fijne niet van. Mijn ouders trekken zich dat aan, samen met mijn management. Eerlijk, tegen mijn pa zeg ik: ik hoef niet te weten hoeveel ik meer ga verdienen en ik hoef daar ook niet bij te zijn als het wordt besproken. Als jullie denken dat het oké is, dan kom ik wel af om te tekenen.

“Dat materiële, ik heb daar niks mee. Dat zal dan wel mijn afkomst zijn, maar dure horloges, een Porsche of een Ferrari, dat zegt mij allemaal niks. Ik leef gewoon goed, maar zonder overdrijven. Als ik met een witte Porsche Cayenne in Passendale zou aankomen, je zou mijn ouders nogal horen. Ik rij met een Audi Q5 van de club en dat is al een heel mooie auto.

“De grote valkuilen liggen in de jeugdreeksen: ik heb veel jongens gezien met heel veel talent die vandaag in vierde klasse spelen of geen ploeg meer hebben. Gefaald op mentaliteit. En het blijft altijd oppassen dat je jezelf niet verliest, want wat gaat het ongelooflijk snel. Ik kijk soms naar mijzelf en dan kan ik het niet geloven: het is alsof ik gisteren ben vertrokken uit Passendale en ineens woon ik in een villa in Groot-Bijgaarden. En ik ben net 22 geworden.”

En nu, het buitenland? Jij bent Barcelona-fan, welnu, ze kunnen je daar goed gebruiken.

“Ik denk dat Barcelona niet eens weet wie ik ben. Denk je van wel? Ach ja, we zien wel. Spanje, Engeland, Duitsland, dat zijn voor mij de mooiste competities. FC Barcelona is natuurlijk de mooiste club en dat vind ik al van toen ik met de Balbalschool uit Ieper op stage ging naar Barcelona. We bezochten toen Camp Nou en ik was meteen verkocht.”

Verhaal over de gevaren van de gekke Giro in De Morgen van zaterdag 6 mei 2017

Niets is te gek in de Giro

Het weer is slechter, de hellingen steiler, de toppen hoger, het parcours gevaarlijker. De Giro d’Italia omarmt veel wat het wielrennen niet meer zou moeten zijn. Dit jaar werd een dieptepunt bereikt met de inmiddels afgevoerde prijs voor de snelste daler.

“L’impressione più viva l’è che me brüsa tant ‘l cü.” De eerste winnaar van de Giro, de Lombard Luigi Ganna, kon als eerste indruk niks anders verzinnen dan dat zijn gat zo vreselijk brandde.

Het was 30 mei 1909, de dwangarbeiders van de weg waren na 2.448 kilometer terug waar ze op 13 mei van start waren gegaan, in Milaan, thuisbasis van de organiserende krant La Gazzetta dello Sport.

De eerste van toen nog acht ritten ging meteen over net geen 400 kilometer naar Bologna. De Fransman Lucien Petit-Breton, die de Tour had gewonnen in de twee jaren daarvoor, stond ook aan de start – samen met 126 anderen – en was de favoriet. Tot hij zich in een gevaarlijke afdaling naar het Gardameer verslikte in het dalen en tegelijk eten van een stuk kip. Hij kwam ten val en stapte uit.

De Tourwinnaar van 1905, Louis Trousselier, was daarop de favoriet en maakte dat ook waar in de tweede rit, alvorens als de grote bedreiging voor een thuiszege in rit vier te worden gesaboteerd door jaloerse Italianen die spijkers hadden gestrooid. Idem in rit vijf en toen hij ook nog eens ten val kwam, zou ook hij bij zoveel vijandigheid de handdoek gooien.

De Giro d’Italia was van in het prille begin door en voor de Italianen en zou dat honderd edities lang blijven. Tot 1950 won nooit een buitenlander. Geen wielerwedstrijd in de wereld is vaker gewonnen door Italianen dan de eigen Ronde van Italië: 69 keer in totaal. De Ronde van Lombardije, die al in 1905 voor het eerst werd gereden, heeft 68 Italiaanse winnaars, Milaan-San Remo 50.

In de top-10 van de etappezeges staan maar twee buitenlanders: Eddy Merckx en Roger De Vlaeminck. Merckx is wel recordhouder in het aantal roze truien met 77 (of 78 of 79, afhankelijk van de bron), en deelt samen met Alfredo Binda en Fausto Coppi het record van vijf eindoverwinningen.

Zoals Henri Desgrange als oprichter van de Tour de France te boek staat, heet Armando Cougnet de man te zijn zonder wie er geen Giro d’Italia zou zijn. Hij was in 1898 als 18-jarige in dienst gekomen van La Gazzetta dello Sport, die net met het gespecialiseerde wielertijdschrift Il Ciclista e la Tripletta was gefuseerd, en werd door zijn krant, waar hij zelf ook een beetje mede-eigenaar van was, in 1906 en 1907 uitgezonden naar de Tour om verslag uit te brengen.

Cougnet schreef enthousiast en meeslepend over de zwaarste sportwedstrijd ter wereld die de menselijke limieten aftastte. Weze het in autorijden, vliegen met de eerste vliegtuigen, poolexpedities of op de fiets, de moderne wereldburger was in het begin van de 20ste eeuw mateloos geïnteresseerd in hoever de mens durfde te gaan.

De Tour achterna

In de hele westerse wereld was de fiets, het vervoermiddel van de gewone mens, ineens een vehikel voor extreme sport geworden. In de zomer van 1908 bereikte Milaan het gerucht dat de Romeinse krant Corriere della Sera dacht aan een Italiaanse versie van de Tour. De Milanese Gazzetta kon dat niet laten gebeuren, stak in één dag de eerste Giro in elkaar en kondigde de wedstrijd meteen aan.

Milaan had Rome afgetroefd: in een ietwat stoute move trokken ze naar de hoofdstad en vroegen de Corriere om 3.000 lire sponsoring voor de eerste prijs. De krant die haar idee had zien gekaapt worden, hapte toe. Later zouden beide kranten in dezelfde uitgeverij terechtkomen.

Van bij de conceptie liep de Giro de Tour achterna. In 1919 introduceerde L’Equipe de gele trui, naar de kleur van het papier waarop de krant toen werd gedrukt. In 1931 zou de roze Gazzetta met de roze trui beginnen voor de klassementsleider.

Door de minder goede staat van de wegen duurde het zeventien jaar voor een eerste zware Alpenetappe in het Giroparcours werd opgenomen, terwijl in de Tour de eerste Pyreneeënetappes met meerdere cols al in 1913 werden bedwongen. Uitzondering daarop in de Giro was de eindklim naar het bergdorp Sestrière, die in 1911 voor het eerst een wielrenner boven de 2.000 meter bracht, toen een wereldprimeur. Twee jaar later zou de Tour met de Tourmalet volgen. In die jaren hadden de fietsen nog geen derailleur.

Ook toen de eerste versies op de markt kwamen met drie tandwielen achteraan, bleven de Italiaanse passen of eindklimmen, die doorgaans steiler dan de Franse waren, te zwaar. Pas na de Tweede Wereldoorlog zouden de bekende Italiaanse Dolomieten en Alpenpassen, zoals de Stelvio (1953) en Tre Cime di Lavaredo (1967), de renners nog hoger voeren. De Mortirolo, Gavia of Zoncolan zijn pas de laatste decennia vaste prik.

Sommige journalisten vinden de Giro d’Italia een plezantere wedstrijd dan de Tour de France om te volgen. De verse pasta al dente, de doorgaans iets betere hotels en minder drukte hebben daar alles mee te maken. Maar de Giro staat meer dan de Tour symbool voor het oude wielrennen, de heroïek van het betere sloopwerk, waarbij zo veel mogelijk renners uitgemergeld en uitgewoond over de eindmeet moeten komen.

Heroïsch, maar onverantwoord

 

De ongelijke concurrentiestrijd met de Tour die in de zomervakantie wordt gereden, heeft de Italianen altijd gefrustreerd. Daarom zoekt de Giro elk jaar naar speciallekes. Een start in Noord-Ierland bijvoorbeeld, of in Nederland tot drie keer toe. Lastig is dat niet, over Ierse of Nederlandse wegen rijden, maar de reis heen en terug is dat natuurlijk wel.

In een wanhopige zoektocht naar een eigen identiteit werden al snel extremen opgezocht, ook geholpen door het parcours en het tijdstip van organiseren. Wie het in mei boven de 2.000 meter zoekt, vraagt om sneeuw en afgelaste etappes. De Giro is kouder, steiler, hoger, natter en mistiger dan welke wedstrijd ook. In 1968 eindigde een etappe voor de tweede keer boven op de Tre Cime of Drei Zinnen in de Dolomieten. Merckx reed er het hele peloton naar huis in wind, sneeuw en hagel. Wel heroïsch, maar evengoed onverantwoord, evenals de etappe van 1989 die in ijssneeuw over de Gavia moest, waarna de renners ook nog eens de gevaarlijke afdaling naar Bormio op besneeuwde wegen moesten nemen.

Ook in de recentere Giro’s kunnen de aankomsten ongemeen lastig zijn, tot soms op hellingen waar je normaal alleen maar met een mountainbike kunt komen, zoals een klimtijdrit op de onverharde weg naar het skigebied Kronplatz, waar de zwaardere renners met een triple (drie tandwielen) naar boven reden. Of de Colle delle Finestre in 2005, ook onverhard. Uiteraard ontbraken ook de strade bianche van Toscane niet.

De Giro, die gisteren van start ging op Sardinië met een Grande Partenza (copy-paste van de 100ste Grand Départ van de Tour in 2013 op Corsica), is de enige grote ronde die over 24 dagen gepland staat en die drie rustdagen heeft tegenover twee voor de Tour en de Vuelta. Verplaatsingen tussen de etappes kunnen dan weer ongemeen lang zijn en van gevaar zijn ze ook niet bang: aankomsten beneden in een dorpje na een gevaarlijke brede afdaling die ineens overgaat in een smal steegje, de Giro draait er zijn hand niet voor om.

Namens sponsor Pirelli een prijs voor de beste daler in het leven roepen (en na protest afvoeren), het zegt alles dat niemand bij de organisatie zelfs maar op de gedachte kwam dat dit een fout signaal is. De Giro heeft in honderd edities drie doden op het donkere palmares, twee daarvan in een afdaling.

En dan is er nog de staat van de wegen, vaak slecht en in het zuiden zo vies dat de minste regenbui ellende veroorzaakt. In 2008 was de Giro in Napels. Het begon plots te regenen en een half peloton ging onderuit, zelfs de aansnellende mecaniciens vielen over de glibberige oliewegen.

Foute symboliek

De Giro heeft niet noodzakelijk meer hoogtemeters dan de Tour, die vaak in tussenetappes ook het middengebergte of de heuvelachtige regio’s aandoet. In de Giro wordt ook doorgaans minder nerveus gereden van bij het begin, maar uiteindelijk valt die zwaarder uit dan de Tour door de opeenvolging van bergetappes in de laatste week. Dat heeft dan weer te maken met een meteorologische logica: hoe later in mei, hoe beter het weer in de bergen en minder kans op sneeuw.

Al mocht Nederlander Steven Kruijswijk vorig jaar van geluk spreken dat hij in de afdaling van de Colle dell’Agnello tegen een royale sneeuwmuur crashte en niet tegen een rotswand.

De Giro heeft niet de uitstraling van de Tour, en daarom heeft men van spektakel de unieke verkoopstrategie gemaakt. ‘Extremer, gekker, gevaarlijker’, werd het devies. Aanvankelijk ook langer, als in langere etappes.

De zwaarste wielerwedstrijd ooit moet de Giro van 1914 zijn geweest, een paar maanden voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. Maar liefst vijf etappes waren langer dan 400 kilometer. De winnaar was gemiddeld zeventien uur onderweg. Slechts één op de tien gestarte renners haalde de eindstreep.

Drama en spektakel voorop, sport is als opera in Italië. Het was een ex-journalist, Angelo Zomegnan, die daar als Giro-directeur deze eeuw nog een schep bovenop deed. Zijn hoogte- en vervolgens dieptepunt beleefde hij met de Giro van 2011, waarin niet minder dan acht aankomsten bergop en drie tijdritten waren opgenomen. Het was de editie waarin Wouter Weylandt overleed na een zware val in een afdaling.

Dat drama kan niet direct gelinkt worden aan de zwaarte van de Giro, maar had wel veel, zo niet alles te maken met het ondergeschikte belang van de veiligheid. In die editie stond de afdaling van de Monte Crostis gepland. Niet alleen moesten daarvoor meer dan duizend bomen worden omgehakt, maar de hele afdaling werd ‘beveiligd’ met honderden meters skinetten en driehonderd matrassen. Na de dood van Weylandt wilde het peloton de Crostis niet meer.

Zomegnan moest na die Giro ontslag nemen en werd opgevolgd door Michele Acquarone. Die ging de Giro moderniseren, maar het eerste wat hij deed, was in de kleinere rittenwedstrijd Tirreno een aankomst leggen op een helling van 27 procent op gladde middeleeuwse stenen. In 2014 is ook Acquarone ontslagen, na een financieel schandaal.

Inzake foute symboliek kunnen ze er daar wat van. Dat de beklimming van de Mortirolo dit jaar opgedragen wordt aan ex-winnaar Michele Scarponi die twee weken geleden bij een verkeersongeval het leven liet, daar valt geen mens over. Maar in 2014 werd de aankomst naar Plan di Montecampione één groot eerbetoon aan Marco Pantani, omdat hij daar in 1998 had gewonnen. Er was en is nog steeds geen reden om op het graf van de arme drommel te spuwen, maar een bescheiden hommage was meer op zijn plaats geweest. Alleen de Giro zet een cocaïneverslaafde en hardleerse dopinggebruiker op een piëdestal.

Column over dopingrecords in De Morgen van zat 6 mei 2017

Dopingrecords

Stefka Kostadinova is boos. Nu vraagt u zich af: wie is Stefka? Voorzitter van het Bulgaars olympisch comité, 52 jaar oud en, belangrijker, wereldrecordhoudster hoogspringen met 2,09 meter. Inderdaad, 2,09 meter. Als de beste hoogspringsters van het moment naar een lat op 2,09 meter kijken, barsten ze in huilen uit. Stefka sprong die 2,09 meter op het WK in Rome, in 1987, dat is van de zomer dertig jaar geleden. De bronzen medaille ging toen over 1,99 meter. In Rio op de Olympische Spelen vorig jaar sprongen goud, zilver en brons 1,97 meter hoog.

Van die 2,09 meter van Kostadinova denkt iedereen meteen: hmmm, verdacht, doping … Het belangrijkste in de vorige zin is niet het begrip doping, maar het werkwoord denken. Wie denkt, weet niet. Wie denkt, heeft vermoedens en kan daar geen staalharde conclusies aan vastknopen. Daarom is het schrappen van de atletiekrecords van vóór 2005 een lichtjes van de pot gerukte, onrealistische en arbitraire maatregel.

Tegelijk alle begrip voor wie het idee heeft geopperd, want er is wel degelijk een probleem met die oude records. We zitten dus met een klassiek dilemma: een probleem waarvoor geen oplossing is, althans geen goede.

Enerzijds heb je die records en die zijn op zijn zachtst gezegd verdacht. Zoek op YouTube naar Marita Koch, Canberra, 1985. Kijk, geniet en trek grote ogen. Je ziet de Oost-Duitse Koch in baan twee. In baan één loopt namens de USSR de coming woman Olga Vladikina. In baan zeven loopt de toenmalige wereldrecordhoudster Jarmila Kratochvilova uit Tsjecho-Slowakije. Veel wordt verwacht van Vladikina, maar het is Koch die doorkomt aan de 200 meter in 22.4, twee tienden boven het Belgisch 200 meterrecord van Kim Gevaert, en finisht in 47.6 waarmee ze drie tienden van het vorige wereldrecord haalt. Waarop ze drie keer diep ademt, in haar handen klapt en aan een ereronde begint. Dat allemaal in oktober aan de andere kant van de planeet. In Rio vorig jaar liepen de drie medailles in de 49 seconden.

Doping? Ik denk het wel, met de nadruk op denk. Want net zoals over Stefka Kostadinova, over Florence Griffith-Joyner en over al die andere records uit de jaren 80 in kracht- en snelheidsnummers kan je niet met zekerheid zeggen dat bij Marita Koch doping in het spel was. Is er dan een andere reden waarom de prestaties vooral bij de vrouwen zo zijn achteruitgegaan na 1988, behalve de trainingscontroles op anabole steroïden die zijn ingevoerd na Ben Johnson?

Misschien. Jawel, de DDR, de USSR en alle die andere Oostbloklanden waren bewezen structureel met doping bezig, maar ze hadden ook een doorgedreven sportmodel gericht op selectie en veel training. Bij goed presteren volgde beloning, onder meer in de vorm van sociale promotie. Dat systeem klapte na de val van de Muur in elkaar.

Doping en de verbeterde controles zijn niet de enige verklaring voor de fantastische prestaties en evenmin voor de terugval in de laatste kwarteeuw. Men heeft in Duitsland tijdens de DDR-processen de Oost-Duitse prestaties tot doping proberen te herleiden, maar de boemerang kwam terug toen nadien ook bleek dat in West-Duitsland evenveel werd gedopeerd, maar alleen minder genoteerd.

Een argument dat ook een prestatieval kan verklaren, is het verminderde aanbod aan toptalent. Het communistisch sportmodel is samen met het politiek model gecrasht en in de westerse wereld kiest atletisch talent niet meer automatisch voor een klassieke sport als atletiek, maar vaker voor andere sporten waarin meer geld en roem te behalen valt. Nog een aspect dat vaak onderbelicht blijft: wetenschappers wijzen al langer op de nefaste invloed van sedentarisme op sportprestaties. Wat als dat effect zich eerder heeft gemanifesteerd bij de vrouw dan bij de man?

Overigens is het onzin te beweren dat vooral de vrouwenrecords een probleem zijn. Van de 24 olympische atletieknummers komen zowel bij de mannen als de vrouwen dertien records van voor 2005 in aanmerking voor schrapping. Maar dat jaartal 2005 slaat werkelijk nergens op. Als men bedoelt dat dan ongeveer is begonnen met het biologisch paspoort, dan is ‘ongeveer’ een juiste omschrijving. Het is een fabeltje dat vanaf 2005 alle stalen zijn bijgehouden. De huidige dopingcontrole, die beter is dan ooit en van jaar tot jaar verbetert, zit pas vanaf 2008 op volle kruissnelheid toen voor het eerst in de aanloop naar de Spelen van Peking heel wat sporters werden geschorst.

Supertijden van Bolt

Begrijpelijk dat het heel vervelend moet zijn voor Dafne Schippers en anderen om tegen die 10.49 van Florence Griffith-Joyner aan
te kijken, maar ze zullen er toch mee moeten leren leven. ‘Fast Flo’ is nooit betrapt. Ze is ook dood, dus zij zal niet meer protesteren als de recordlijsten op nul worden gezet. Andere atleten wel. Zo zou Paula Racliffes fenomenale marathonrecord van 2u15 uit 2003 niet voor erkenning in aanmerking komen. Als één afstandsrecord verdacht is, dan wel dat van Radcliffe. Het enige argument om haar te geloven en al die anderen niet, is haar keurige Engels en haar Brits paspoort. Ook dat andere Britse wereldrecord van Jonathan Edwards op de hink-stap-sprong zou bedreigd zijn, waardoor de Britten ook al op hun achterste poten staan.

Een grens in de tijd impliceert dat men een hele periode als verdacht labelt, terwijl daar ook weleens een zuiver record zal tussen hebben gezeten, en omgekeerd de laatste twaalf jaar als maagdelijk clean. Maar wat dan te denken van de supertijden van Usain Bolt, nu we weten dat in de aanloop naar de Spelen van Londen in Jamaica geen enkele dopingcontrole is gebeurd? En van de Kenianen, na alle recente onthullingen over epo-ziekenhuizen?

Copyright © 2017 gopress. All rights reserved

Een tweede lijst hanteren zou een tussenoplossing kunnen zijn; records op nul zetten niet. De dreiging van verspringer Mike Powell – de Amerikaan die 8,95 meter sprong in 1991, dus in verdachte tijden – om de atletiekbobo’s een proces aan te doen als ze records gaan schrappen, zou moeten worden gesteund door iedereen die iets van sport begrijpt.

Verhaal over dé stoutste recordpoging ooit: de marathon onder de twee uur in De Morgen van zaterdag 29 april 2017

42,195 km Star Trek

Lopen waar niemand heeft gelopen, harder dan ooit tevoren… Een marathonrecord onder de twee uur zal niet worden erkend, maar Nike neemt de kop in de grote sportschoenenwedloop.

Ze zijn met drie en ze zijn zwart. Ze wegen licht en lopen hard. Ze komen uit drie Oost-Afrikaanse landen en doen het namens het sportmerk Nike. Op 6, 7 of 8 mei zullen ze op aangeven van de klimatologen van het Breaking2-project worden gewekt met de melding “This is the day. We beginnen er aan over drie uur. Start fueling.”

Ze zullen vanuit hun hotel in de buurt van de Autodromo Nazionale in Monza, ten noorden van Milaan, met busjes naar het autocircuit worden gebracht. Busjes, jawel in het meervoud, want samen met de drie toplopers is ook een keurgroep van hazen samengesteld die de toppers uit de wind moeten zetten. Eenmaal de trein vertrokken, in hun geval een elektrische auto met een reuzegrote klok die in het tempo rijdt waarop ze moeten lopen, hebben ze 120 minuten om de mythische 42,195 kilometer af te haspelen op het racecircuit, 17,5 keer de 2,405 kilometer van de zogeheten junior track. Lukt het niet, dan zal hoongelach hun deel zijn en zullen de puristen opgelucht een glas drinken. Lukt het wel, dan heeft het grootste sportmerk ter wereld de grootste stunt ooit in de sport verwezenlijkt. De recordbreker zal meer dan één miljoen euro betaald krijgen, hoewel hij in geen tabel zal terug te vinden zijn want de internationale atletiekbond aanvaardt alleen tijden in reguliere wedstrijden en niet in privéloopjes, weze het dan in erg versnelde vorm.

“Het is alsof we naar Mars moeten, we weten alleen niet wanneer”, grapte olympisch kampioen Eliud Kipchoge, speerpunt van het project. Mars is wat overdreven, een reis naar de maan is een betere vergelijking voor een marathon onder de twee uur. In tegenstelling tot wat eerder werd aangenomen, zijn sportwetenschappers er nu wel van overtuigd: in ideale omstandigheden, als alles meezit en de toplopers hebben een goeie dag, dan wandelt Kipchoge samen met misschien nog een collega eind deze week op de maan. Op schoenen met een swoosh, het Nike-symbool.

Drie strepen vs. de swoosh

Breaking2 is meer een marketingproject van een merk dan van individuele atleten, luidt de kritiek. Dat zou kunnen, maar dat maakt de onderneming niet minder interessant. Afstandslopen wordt al dertig jaar geregeerd door iele zwarte mannetjes, met lange benen en een klein rompje waarin een flink hart en nog flinkere longen zitten. Prachtatleten, voor wie van die types houdt, maar die verder helemaal niks te vertellen hebben.

De strijd tussen Kipchoge en Kimetto is minder beklijvend dan die tussen adidas en Nike. De laatste vier wereldrecords op de marathon zijn allemaal gelopen op adidas. De huidige wereldrecordhouder heet Dennis Kimetto en hij liep zijn besttijd van 2u02’57 in Berlijn in september 2014. Op drie strepen en dus niet op de swoosh.

Nike zet als marktleider in de sportgoederenbusiness ruim de helft meer om dan adidas en is van huis uit een merk van loopschoenen. Wie zijn ijzersterke reputatie van schokdemping in de stratenlopen opbouwde, heeft ook op de marathon een eer hoog te houden. Adidas had wel zelf vage plannen om de sprong naar minder dan twee uur te wagen – getuige daarvan de in februari gepresenteerde schoen adidas adizero sub2 boost. Ook de bekende Engelse sportfysioloog Yannis Pitsiladis heeft een eigen Sub2hour-project maar is nog samen met de Ethiopiër Kenenisa Bekele voorlopig vruchteloos op zoek naar 30.000 dollar. Adidas had geen datum en Pitsiladis dacht aan 2019 en toen waagde Nike de sprong in het diepe en selecteerde een keurgroep aan lopers. Iets later werd de datum bekend: tussen vrijdag 6 en zondag 8 mei zou ideaal zijn. Op een windstille ochtend, bij minder dan 12 graden op een circuit zonder haakse bochten. Monza, here we come.

De drie geselecteerde toplopers zijn Eliud Kipchoge uit Kenia, Lelisa Desisa uit Ethiopië en Zersenay Tadese uit Eritrea. Kenners waren niet verrast van de eerste naam, wel van de andere twee. Ze zijn zorgvuldig gekozen door de NXT Generation-groep in het Nike Sports Research Lab, niet op basis van hun prestaties. Zo is ex-wielrenner Tadese wereldrecordhouder op de halve, maar op de volle marathon liep hij nooit sneller dan 2u10. De lopers zijn gekozen op basis van hun fysiologische potentie. Over Tadese schreef de British Journal of Sports Medicine in 2007 dat hij over de laagst gemeten loopeconomie beschikte. In mensentaal: niemand kon zo hard lopen en zo weinig energie verbruiken.

Van de drie is Eliud Kipchoge op papier de beste. Hij wordt gecoacht door ex-topper Patrick Sang en heeft een pr van 2u03’05, de op twee na beste tijd ooit in een stratenmarathon. Hij liep die nota bene in het bochtige en alles behalve snelle Londen. In zijn acht marathons heeft hij nooit ontgoocheld en in Rio liep hij vorig jaar onbedreigd naar het goud. Hoewel geen wereldrecordhouder wordt hij algemeen beschouwd als de beste marathonloper ooit.

Fysiologische rek

Kipchoge mag dan nog mentaal en fysiek sterk zijn, ook hij begint aan een 42,195 kilometer durende Star Trek-reis. Dit wordt een wedstrijd zoals hij die nog nooit heeft gelopen: zonder tegenstander, zonder tactiek, waarbij een auto zal bepalen hoe hard er wordt gelopen en de lopers zullen proberen volgen. De drie lopers zullen in het vierde kwart van de wedstrijd een fysiologisch gebied betreden waar geen mens ooit is geweest.

Een marathontijd onder de twee uur is een 5.000 meter in 12’17 en een 10.000 meter in 25’36 waard. De huidige wereldrecords op die afstanden zijn 12’37 en 26’17, twee keer op naam van Kenenisa Bekele van het Sub2hour-project. Het betekent acht keer 5 kilometer in 14’13 en dan nog 2 kilometer alles uit de kast halen. De enige die ooit een tussentijdse 5 kilometer liep in minder dan 14’13 is huidig wereldrecordhouder Dennis Kimetto, vorig jaar tussen de 30ste en 35ste kilometer, in zijn geval een onwaarschijnlijke tussenspurt

van 14’09. Kipchoge kwam nooit in de buurt. Hij liep zijn snelste 5 kilometers tussen 0 en 10 kilometer in Londen, maar nog altijd drie en acht seconden trager dan gewenst. Per seconde zullen Kipchoge en co. 14 centimeter moeten inwinnen op Kimetto. Het betekent arriveren in de tijd waarmee je in je beste marathon ooit nog een kilometer moest lopen.

Vanwaar toch dat optimisme en het geloof dat die kloof van bijna drie minuten nu ineens in drie jaar kan worden geslecht, terwijl men er normaal dertig jaar over doet? Omdat wetenschappers beweren dat het kan en omdat heel wat variabelen waar tot nog toe geen aandacht aan werd besteed, deze keer wel zijn onderzocht. Het loopoppervlak, de bochten, de kortste afstand volgen, het uit de wind houden (drafting), de voeding onderweg, de aangepaste training, de schoenen en ten slotte de afstelling van de motor van de atleet: alles samen moet dat drie minuten winst opleveren.

Ongezien? Neen, want 2,5 procent van een record halen, is al een keer vertoond en niet toevallig in de marathon, toen de Engelse Paula Radcliffe in 2003 2u15’25 liep, weliswaar gegangmaakt door onder meer mannen. Dertig jaar geleden beweerde de Amerikaanse arts Michael Joyner in een wetenschappelijke studie dat de menselijke limiet op de marathon bij 1u57’58 lag. Hij baseerde zich daarvoor op waarden als maximale zuurstofopname (VO2max), het percentage van de VO2max dat inzetbaar is en de zogeheten loopeconomie.

Hoeveel rek zit er nog op de fysiologie van de ideale marathonloper? Aangezien deze recordpoging toch op een autocircuit plaatsvindt, is een vergelijking met een auto op zijn best. Een auto kan een grote motor hebben, maar toch geen power ontwikkelen en ook nog eens te veel benzine verbruiken. Een atleet heeft maar zoveel brandstof in de tank en moet daar zuinig mee omspringen. De zuinigste onder de grote motoren zal de meeste kans maken om te winnen. Om het helemaal ingewikkeld te maken: een recordverbetering van 2,5 procent kan volgens sportfysiologen alleen als het energieverbruik met 2,8 procent afneemt. Dus sneller lopen en toch minder verbruiken.

Tanken onderweg

Een onderbelicht aspect waar de lopers zullen moeten aan denken, desnoods onder dwang zoals de ganzen van de gelijknamige lever, is de voeding onderweg. Oost-Afrikanen zijn het niet gewend om onderweg te drinken en te eten. Nochtans is dat de sleutel om aan het eind nog even hard te lopen als in het begin, of harder zelfs, de uiteindelijke bedoeling van deze recordpoging. Kipchoge was al geëvolueerd: hij was het gewend om 40 gram koolhydraten per uur tot zich te nemen. De anderen deden het op zijn Afrikaans: ze namen niks, dronken amper een slok.

Studies hebben uitgewezen dat je best minimaal 60 gram koolhydraten per uur inneemt en mits wat training van maag en darmstelsel kun je dat oprekken tot 90, hoewel een lichaam in theorie maar 70 gram per uur zou kunnen verteren. Elke gram koolhydraten levert 4 kilocalorieën energie, het spreekt vanzelf dat je er met 280 kcal (70gr x 4) niet komt als je er 2.000 per uur verbrandt. Dus moet ook vooraf juist en genoeg worden gegeten.

Maar er is meer dan alleen eten en koolhydraten. Eén naam onder begeleidende wetenschappers doet alvast een belletje rinkelen over de pre-race fueling-strategie. De Engelse fysioloog Andy Jones kreeg als bijnaam Andy Beetroot omwille van zijn obsessie met de bewezen prestatiebevorderende of -beschermende eigenschappen van rodebietensap. Wees er maar zeker van: de Oost-Afrikanen van Breaking2 zijn nu al rodebietensap aan het drinken. Bij de test op 7 maart over een halve marathon, waarbij alle lopers redelijk comfortabel de gewenste tijd onder het uur liepen, is de voedingsstrategie al eens toegepast. En nadien ongetwijfeld aangepast.

Vaporfly: energiewinst 4 procent

Een wetenschappelijk artikel in maart van dit jaar van de hand van de Nederlandse sportwetenschapper Wouter Hoogkamer (ex-KU Leuven) die les geeft en werkt in het Locomotion Lab van de University of Colorado in Boulder, kwam ook tot de conclusie dat een tijd onder twee uur mogelijk moet zijn. Nog voor de details van de recordpoging bekend waren, combineerden zij drie factoren.

De belangrijkste bleek de aerodynamica, waarbij ze rekening hielden met twee of/of-scenario’s: wind mee of drafting (het achter elkaar lopen) die elk drie minuten konden besparen maar niet konden worden opgeteld.

Een tweede element was de schoentechnologie waarmee één minuut kon worden bespaard. Een derde factor was het bergaf lopen waardoor 30 seconden konden worden bespaard. Dat laatste element viel weg omdat op een circuit wordt gelopen, net als het ‘wind in de rug’-scenario. Wat overbleef waren de drafting en de schoenen.

Wouter Hoogkamer: “Het drafting-scenario dat wij doorgerekend hebben, gaat uit van vier lopers die na de eerste helft achter de hazen te hebben gelopen, vervolgens om de beurt de kop nemen (als in het wielrennen). Nike heeft het tot nu toe over drie atleten gehad, en daarbij denken velen dat enkel Kipchoge een echte kans maakt. Dus op basis daarvan denk ik dat er maar weinig winst gehaald zal worden uit drafting in de tweede helft.

“Wel denk ik dat Nike met hun V-formatie (zij spreken over lopen in een diamantvormig pelotonnetje, HV) en de vele hazen in de eerste helft, nog de nodige winst kunnen boeken ten opzichte van een gewone stadsmarathon met slechts drie of vier hazen, en een kopgroep van zes tot acht kanshebbers. Hier zal het eerder andersom zijn met veel hazen in dienst van weinig kanshebbers.”

Ook wat betreft de schoenentechnologie deed men in Colorado onderzoek en berekende men dat ten opzichte van de relatieve adidas adios boost 2-schoenen, die Kimetto droeg tijdens zijn wereldrecord in Berlijn, een 100 gram minder zware schoen ongeveer een minuut winst zou kunnen opleveren. Maar tussen het verschijnen van de paper en de marathon maakte Nike bekend dat hun atleten de nieuwe Vaporfly Elite-schoenen zullen dragen.

Hoeveel die precies weegt is nergens te achterhalen maar de Vaporfly Elite is superlicht (150 gram per schoen, wordt beweerd). Hij maakt geen gebruik van de normale tussenzool, ook niet van het Boost-materiaal dat adidas in zijn ultralichte schoen stopte, maar van een licht gebogen tussenzool in carbon. Daar was heel wat om te doen toen de details van de schoen uitlekten. Sportwetenschappers die niet in the loop waren gehouden door Nike, spraken meteen van een Pistorius-effect omdat de springveren van geamputeerde atleten ook uit carbon zijn gemaakt. Maar carbonzolen zijn helemaal niet nieuw: ze bestaan al in wedstrijdspikes.

“Alsof je de hele tijd bergaf loopt”, liet Nike hun research director verklaren. Dat kan natuurlijk niet. De crux zit hem in de energiereturn door de zool. Daardoor verbruik je minder energie en loop je economischer, wat misschien lijkt op licht bergaf lopen. Omdat er geen oneigenlijk voordeel mag zijn door toepassing van een product of een materiaal waar de markt geen toegang toe heeft, brengt Nike nog dit jaar twee versies van de Vaporfly op de markt. De Elite-versie is weliswaar niet te koop, die is op maat gemaakt voor de… elite.

De Universiteit van Colorado deed in opdracht van Nike een externe studie naar deze schoenen. Hoogkamer: “We hebben het energieverbruik gemeten tijdens hardlopen in enerzijds gangbare marathonschoenen van Nike en anderzijds in een prototype van de nieuwe Vaporfly-schoenen. De Vaporfly-schoenen besparen 4 procent energie. De nog onbeantwoorde vraag is hoe die energiebesparing zich vertaalt naar tijdwinst.

“Ik durf te voorspellen dat je met die schoenen minimaal 3 minuten van de marathontijd kunt afhalen. Vervolgens heeft Nike de schoenen nog meer geoptimalizeerd voor de lopers in hun Breaking2-project, dus nog meer tijdwinst. Ze maken echt een heel goede kans om de twee uur te breken.”

Column Zwakke Kampioen in De Morgen van zaterdag 29 april 2017

Zwakke kampioen

It ain’t over till the fat lady sings. Soms wordt die vaak gebruikte zin in de sportverslaggeving toegewezen aan een commentaar bij de Walkure van Wagner als een vogel ten tonele verschijnt, ook maar iets wat ik heb van horen zeggen. Bepaald uniek is de theorie dat Al Capone ooit tegen zijn lijfwachten zei dat ze moesten blijven zitten. Pas als de dikke madam zou beginnen zingen, dan was het bijna gedaan.

In de sport zou de uitdrukking voor het eerst zijn gebruikt meer dan veertig jaar geleden door ene Dan Cook, commentator voor de lokale tv in San Antonio bij het basketbal. Hij waarschuwde bij een voorsprong de Spurs voor voorbarig optimisme. De wedstrijd moest helemaal voorbij zijn. Hij kreeg gelijk: de Spurs verloren alsnog en hun illustere coach Dick Motta nam de zin over. En zo geraakte een waarheid als een koe in de sport aan het befaamde zinnetje: een wedstrijduitslag is pas zeker als de wedstrijd is afgelopen – in tijd of in score – en een competitie is voorbij als de achterstand mathematisch niet meer in te halen is.

Tot donderdagavond zo rond een uur of halfnegen was de kampioen bekend en ging het in Play-off 1 alleen nog over wie tweede zou worden en wie derde en vierde en ook een beetje wie met een kater in het gekkenhuis zou achterblijven. Elke vraag of Anderlecht nog kon worden ingehaald werd door de FC Analisten weggelachen. On-mo-ge-lijk. Zo hebben we het graag: geen politici die rond de pot draaien, maar sportmannen met ballen die zeggen waar het op staat.

Donderdagavond rond een uur of halfelf luidde het anders: de kampioen is nog niet bekend. Het ligt wijd open, sprak Aad de Mos stellig. Zo hebben we het graag: niet rond de pot draaien, gewoon zeggen waar het op staat. Die analisten toch: bijna allemaal kleine Trumpjes, die van overdrijven hun verkoopargument hebben gemaakt, maar vooral hun huik naar de wind hangen in een poging air time te verzamelen. Bijna allemaal, want een Gert Verheyen bijvoorbeeld, zul je nooit op zo’n helemaal zeker-stelling betrappen. “Dat zullen we dan wel zien”, is een veelgebruikte zin die hij vergezelt van een meewarige glimlach alsof hij wil zeggen: mij krijg je zo zot niet dat ik hier dingen ga verkondigen, die ik een week later moet herroepen.

Het grote voordeel van analisten tegenover politici, is dat ze nooit worden geconfronteerd met eerdere groteske uitspraken. Zou het niet mooi zijn om aan het eind van het seizoen al die gedurfde tussentijdse stellingen achter elkaar te zetten? Wie zou zich daar aan durven wagen? De sportjournalist? Die leeft zelf van De Overdrijving en De Ophemeling – blader maar eens terug in de tijd in de kranten en je lacht je te pletter – en voor wat die zelf niet durft te schrijven, gaat hij bij De Analist te rade. Die geeft maar wat graag van jetje, want er zijn meer analisten dan analyses. Wat goed bekt, krijgt een mooie kop en of het ook ergens op slaat, doet er niet toe.

Weet u wat de waarheid is, die zoals altijd in het midden ligt? Dat het donderdag om halfnegen nog niet helemaal voorbij was. Gezien de problemen die Anderlecht al het hele seizoen heeft om zelf het spel te maken tegen een stugge tegenstander, was de kans reëel dat Charleroi wel eens twee punten kon komen pikken uit het Astridpark. Welnu, het werden er drie. En dat donderdag de titelstrijd om halfelf evenmin weer wijd open lag.

Anderlecht heeft op Gent en Club nog steeds vijf en zes punten voorsprong met nog vijftien punten te verdienen. Club en Gent moeten nog tegen elkaar. Anderlecht moet nog naar Gent en naar Club. Dat kan allemaal wel heel erg moeilijk klinken, maar Anderlecht presteert tegen voetballende ploegen buitenshuis beter dan in eigen stadion omdat Anderlecht reactievoetbal speelt. Als Anderlecht morgen in Gent weer onderuitgaat, maar meestal winnen ze daar, dan pas zijn de kansen van de concurrentie gestegen. Wie het ook wordt, één stelling kan alvast niemand betwisten: dit seizoen krijgen we een toevallige en dus een zwakke kampioen.

Column van een zevende knoopsgat-wielertoerist over de dood van Scarponi op demorgen.be van 24 april 2017

Ik kan de dood van Scarponi niet uit mijn hoofd zetten. Het heeft er behoorlijk ingehakt

 

Bij het fietsgekke geslacht Declercq zag ik voor het eerst het Youtube-filmpje van Michel Scarponi met zijn papegaai Frankie. Ze hebben bij de Declercqs ook een papegaai, vandaar hun interesse voor Scarponi die op training zijn Frankie op zijn schouder had zitten, liet wegvliegen en dan terugriep. Zoek het maar even op: mens en papegaai die één worden, allebei blauw en geel.

Een plezante mens, die Michele Scarponi, dat zie je zo. Een renner die blij was renner te zijn, zoals de meeste renners want anders kan je dat vak niet beoefenen. In de necrologieën werd dat gelukkig benadrukt. Ten overvloede werd ook vermeld dat hij wel eens een donkere periode heeft gehad en bij Fuentes en Ferrari patiënt was. Dat had er nu eens niet bij gemoeten.

Vroeg of laat liggen we allemaal tegen de grond, heel af en toe door onze schuld, maar meestal door de schuld van iemand in een stalen doos op vier wielen die zich oppermachtig voelt

Michele Scarponi is 37 jaar geworden en is dit weekend morsdood gereden door een auto die hem niet had gezien en/of een stopteken had genegeerd. Wie zal het zeggen wat de ware toedracht is en wat doet het er toe? De dood van Michele Scarponi is niet zo maar een ongeval, dit is ook het noodlot niet. Iedereen die fietst, herkent de wetmatigheid. Vroeg of laat liggen we allemaal tegen de grond, heel af en toe door onze schuld, maar meestal door de schuld van iemand in een stalen doos op vier wielen die zich oppermachtig voelt.

Nog maar eens is een wielrenner gestorven op training en deze helemaal alleen tijdens een losrijritje van niemendal tegen een kleine dertig per uur. Neen, geen wielerterrorist in een groep van gelijkgezinde fietshunnen. Evenmin een student die met doodsverachting tussen de auto’s laveert. Neen, een bijzonder handige solitair die één is met zijn machine, werd zaterdag genadeloos van de weg gemaaid en weet u wat de eerste bedenking is bij iedereen die wel eens fietst? Dat had ik kunnen zijn.

Eén zin is bijgebleven van alle interviews die Tom Boonen heeft gegeven net voor hij de fiets aan de haak hing. “Wat ik niet zal missen, is het gevaar. Elke dag, elke training was er wel dat moment dat ik overhoop had kunnen worden gereden als ik niet had opgelet.” Ik ben een ongetalenteerde wielertoerist van het zevende knoopsgat, maar recent maakte ik samen met een fietsmaat tijdens een tochtje net dezelfde bedenking. Kunnen wij nu echt geen enkele keer buiten komen zonder ons minstens één keer onwaarschijnlijk boos te moeten maken op een chauffeur die ons uit onkunde of onwil in de kant wil rijden, de pas afsnijden, geen voorrang geeft of wat al niet meer?

Iemand vijf meter voor jou zien opschept worden en bloedend op de asfalt gekwakt worden, dat beeld raak je nooit meer kwijt

 

Na twee zware ongevallen van een naaste, het tweede zag ik voor mijn ogen gebeuren, ben ik nog meer angsthaas op de fiets. Voortdurend wordt gepraat en gedirigeerd: pas op, auto voor, auto achter, vluchtheuvels, geparkeerde auto’s, putten en gaten in de weg aanwijzen. En nog ging het die ene keer finaal fout. Een auto met gierende banden uit een zijstraat zien komen, iemand vijf meter voor jou zien opschept worden en bloedend op de asfalt gekwakt worden, dat beeld raak je nooit meer kwijt.

Ik fiets zo defensief als maar kan. De richtsnelheid is een goeie 30 bij windstil weer, iets meer bij wind in de rug en pompen tot 30 bij wind op kop. Ik rij vaak alleen, ook soms met twee, één keer per week in een kleine groep. Ik rij nooit zo maar gratuit een kruispunt op, ook niet als ik voorrang heb, in elke geparkeerde of rijdende auto vermoed ik een aanslagpleger, ik rij heel zelden met twee naast elkaar.

Ik heb een bel, op de koersfiets, die blasfemie neem ik erbij. Ik draag altijd een helm die ik vroeger afzette in een lange, hete klim in een warm land, maar zelfs dat durf ik niet meer. En toch, elke rit – lang of kort – gaat het minstens één keer fout en zou ik de autobestuurder uit zijn/haar auto willen halen, de sleutels afnemen, een oorveeg geven en verder rijden.

Fietsers zijn niet de verkeersagressoren, het spijt mij zeer. De auto’s zijn de moordenaars en ik heb er zelf twee van

Fietsers zijn niet de verkeersagressoren, het spijt mij zeer. De auto’s zijn de moordenaars en ik heb er zelf twee van. Rij ik anders met de auto als ik een fietser zie? Ja, en ik herken ook de autobestuurders die zelf weten wat fietsen is. Zij houden in als ze een fiets kruisen, vertragen als ze een fiets inhalen, houden afstand, toeteren nooit en de echt begripvolle geven een rijdende fiets zelfs voorrang waar die eigenlijk zou moeten stoppen.

Ik kan de dood van Scarponi niet uit mijn hoofd zetten. Het heeft er behoorlijk ingehakt en mij gesterkt in mijn voornemen. Ik zal nog defensiever rijden, nog meer waarschuwen, maar mij nóg agressiever gedragen tegen wie mijn leven in gevaar brengt. Tot ze het leren.

Verhaal over Feyenoord, Rotterdam en de angst voor de titel in De Morgen van 22 april 2017

FEYENOORD

Het lijden van de allermooiste rotstad

De ‘ij’ is uit Feyenoord verdwenen, maar niet uit lijden, het eeuwige lot van de fans van de legendarische club. Hoewel hij op kop gaat in de Nederlandse Eredivisie, is de Feyenoorder er helemaal niet gerust op. ‘Nu dreigen we zowaar kampioen te worden.’

Laat me je de stad tonen, waarvan ik ben gaan houden

Zwerf mee over ’t Weena, met zijn hoge flatgebouwen

Zie je daar aan ’t einde al ’t prachtige Hofplein

Als Feyenoord heeft gewonnen, duik je zo in de fontein

 Meer dan elf jaar in de wijde omstreken van Rotterdam gewerkt, ettelijke keren over de Van Brienenoordbrug gereden en de ook bij regen immer blinkende skyline – een mix van torenflats, businessgebouwen en havenindustrie – bewonderd, vaak Rotterdam in gereden langs de Maasboulevard, maar in ‘Rotterdam, de mooiste rotstad die er is’, het Rotterdams volkslied van Paul de Nooy, heb ik mij nooit kunnen vinden.

Tot ik er enkele weken geleden terug was voor dit verhaal en door de wijken Crooswijk en Kralingen cruisede op weg naar restaurant Vicini voor een afspraak met een collega en diehard Feyenoordfan. Toen overviel mij de plots verworven schoonheid van een stad die in tien jaar een metamorfose had ondergaan. Ineens begreep ik de Amsterdamse vrienden en collega’s die op zoek naar een betaalbare woning hun statige P.C Hooftstraat hadden ingewisseld voor de stalinistische Koopgoot.

Even tevoren was ik bij de Bloklandstraat in de volkswijk het Oude Noorden uitgestapt. Te midden van de voorbijwandelende hidjabs, kaftans en djellaba’s had ik foto’s genomen van een nieuw gemetseld bakstenen muurtje, plompverloren neergepoot in een sociale woonwijk met prefab doorzonwoningen. “Het muurtje van Coen Moulijn, Feyenoord”, kwam een behulpzame tiener uitleggen toen ik van dichtbij een foto in het schrijn bekeek. Natuurlijk Moulijn, maar je herkent in een elftalfoto ook de jonge, mooi gebeeldhouwde kop van Jan Boskamp, een kind van de volksbuurt Crooswijk en nog steeds Feyenoorder in hart en nieren mét een eigen zitje in De Kuip.

Voor de citytripper ligt het Muurtje van Moulijn een beetje ver af van het Museum Boijmans Van Beuningen, de haven en Hotel New York – je hebt al een huurfiets nodig om er te geraken – maar het Muurtje is een begrip voor alle Feyenoordfans. Tegen die bakstenen, zo wil de legende, heeft de legendarische linksbuiten van de jaren 60 en 70 zijn een-tweetjes en passeerbewegingen vervolmaakt.

De Hollandse School

Het Muurtje en Moulijn waren de hoekstenen van het Feyenoord van eind jaren 60 dat het beste voetbal van de wereld speelde en als eerste team een aanvallend ingestelde 4-3-3 hanteerde. Jawel, nog vóór het grote Ajax onder Rinus Michels en Johan Cruijff. Die zou in het seizoen 1983-’84 heel even uit rancune tegenover Ajax een succesvol Feyenoorder worden toen hij daar zijn laatste seizoen op noppen beleefde en de club haast in zijn eentje een landstitel bezorgde. Het is een passage waarmee de harde Feyenoorder nog steeds niet klaar is: was dit nu een diepte- dan wel een hoogtepunt, een Rotterdamse titel behaald door iemand uit 020, zoals Amsterdam via het kengetal wordt aangeduid? (Rotterdam heeft 010, en daar zijn ze apetrots op.)

FeIJenoord – toen had het de naam nog niet geïnternationaliseerd naar FeYenoord – zou geen kampioen worden in 1970, wél Ajax, maar zou als eerste Nederlandse club de Europacup voor Landskampioenen winnen tegen Celtic Glasgow en later de Wereldbeker tegen Estudiantes de la Plata uit Argentinië.

En toen kwam het grote Ajax: drie keer op rij werd de Europacup 1, de voorloper van de Champions League, door de Amsterdamse grachten gevaren. Ajax zou de geschiedenis ingaan als de grondlegger van de zwierige Hollandse School, Feyenoord als de club van ‘je poot zetten’ en ‘weigeren te verliezen’.

Een historische misvatting, zoals collega Mark Lievisse Adriaanse op de website VI Catenaccio uitlegt.

“Feyenoord speelde als eerste 4-3-3 onder Ernst Happel (later furore makend bij Club Brugge, HV) en Ajax speelde tot 1970 4-2-4 met Rinus Michels. Pas na een wedstrijd dat seizoen waarin Ajax werd overklast door Feyenoord, heeft Michels de tot dan Rotterdamse 4-3-3 bij Ajax geïntroduceerd.”

Kortom, de Hollandse School – verzorgd positiespel in 4-3-3-formatie, brutaal aanvallend – is uitgevonden in Rotterdam en maakte voor het eerst wereldfaam in de Europese achtste finale van Feyenoord in november 1969 tegen AC Milan. Snelle passing, hoog druk zetten op de tegenstander én hard werken werden voor het eerst gecombineerd door een elftal. Het beslissende doelpunt in die wedstrijd was een voorzet vanop links door Coen Moulijn, ingekopt door Wim van Hanegem, de twee grootste Feyenoorders ooit. Feyenoord was eind 1969 en heel 1970 dé referentieclub in de wereld.

Rotterdam, geen flauwekul stad, Rotterdam de geen gelul stad

Rotterdam, stad zonder franje, zonder goud, zonder champagne

Benelux en Brienenoordstad, Rotterdam dat is mijn moordstad

Al die havens en fabrieken, en die stinklucht uit Pernis

Maakt Rotterdam de allermooiste rotstad die er is

Die status werd al snel tenietgedaan door een nog indrukwekkender Ajax en dat kenmerkt de geschiedenis van de Rotterdamse club: mooie naar korte hoogtepunten, afgewisseld met nog meer en langer durende dieptepunten. De schaduw van Amsterdam reikt in de donkerste voetbaldagen altijd tot Rotterdam. Het gevolg is een latente frustratie tegenover de aartsvijand.

Verwende Amsterdammers

“Ajax-supporters zijn verwend door het succes en door het leven”, legt Joost de Jong uit. Hij was mijn collega in Nederland en woont nu al jaren in Rio, van waaruit hij geregeld de oversteek waagt. Ook nu hoopt hij op een lentetrip naar het thuisland en in één ruk door naar de Coolsingel, waar elke Feyenoordtriomf wordt gevierd. De voorbereidingen daartoe verlopen in alle bescheidenheid, om de voetbalgoden niet op de zenuwen te werken. Een echte Rotterdammer is op zijn hoede voor al te veel optimisme, want het gaat al te vaak fout als het goed moet gaan.

“Amsterdammers hebben dat niet”, zegt De Jong. “Die zijn verwend: ze hebben De Nachtwacht van Rembrandt, het Van Gogh, de Wallen, de koffieshops, het is ze allemaal in de schoot geworpen. In het voetbal: Cruijff, Keizer, Swart, Michels, ze waren er ineens
en ook nog eens allemaal samen. In 1995 (toen Ajax de Champions League won, HV) ook weer: Kluivert, de De Boertjes, Rijkaard, Seedorf, Davids en een supercoach met Van Gaal. Voor Ajax-supporters is winnen de norm. Als het slecht gaat, komen ze niet meer.”

Dat zal in De Kuip – méér voetbalstadion dan deze tempel vind je niet in Europa – niet snel gebeuren. In oktober 2010 liep Feyenoord een 10-0 nederlaag op bij PSV en tekende daarmee eens te meer voor een Eredivisierecord in negatieve zin. Dan zou je verwachten dat de fans, gedegouteerd door zoveel onkunde, voor de volgende thuiswedstrijd verstek geven, maar neen: drie dagen later was De Kuip weer tot de nok gevuld met 50.000 toeschouwers en dat nog wel voor het bezoek van het onooglijke VVV-Venlo. Feyenoord zou dat jaar als tiende eindigen na een seizoen dat begon met een Europese uitschakeling door AA Gent.

Het kan altijd fout gaan

De frustratie van Feyenoord is die van een stad, een traditieclub en fans over het hele land, die al achttien seizoenen wachten op een landstitel. Weeral een clubrecord, de oorlogsjaren niet meegeteld. Er zijn wel wat bekers gewonnen in die tijd en per ongeluk in 2002 zelfs een Europacup. Op 8 mei pakte Feyenoord in het eigen stadion, tegen de Duitse kampioen Borussia Dortmund, na 28 jaar voor de tweede keer in zijn historie de UEFA Cup. Het werd een groot volksfeest maar met een zwart randje, want twee dagen eerder was de Rotterdamse volksheld Pim Fortuyn vermoord.

Lijden als norm, dat is het Feyenoordgevoel tot zijn essentie herleid. Denk in Belgische termen aan de frustratie van de Blue Army van Club Brugge tot het veroveren van de titel vorig jaar, gecombineerd met de lijdzaamheid van de Antwerp-aanhang die eindelijk promoveert maar – ook als alles goed gaat, kan het nog fout gaan – nu problemen heeft met de licentiecommissie.

Overigens gaat die vergelijking ook op voor de fans. Als u opwellende sympathie voelt voor Feyenoord, hou dan toch maar een slag om de arm. De harde kern van Feyenoord is de meest gewelddadige van heel Nederland met trieste dieptepunten als de moord op Ajax-fan Carlo Picornie (dit jaar twintig jaar geleden bij afgesproken rellen in Beverwijk), het slopen van de binnensteden van Bremen, Mönchengladbach, Düsseldorf, Leverkusen, Basel en ten slotte Nancy in 2006. Daarna ging het tien jaar goed tot de Europese uitwedstrijd in Rome, toen de Feyenoordfans de Fontana della Barcaccia bij de Spaanse Trappen beschadigden. Te vergelijken met de plundering van Rome in 1527, sprak de Romeinse burgemeester.

Niets vergoelijkt dat gedrag, dat door de jaren heen versterkt werd door een toenemende ergernis. Nadat Feyenoord de UEFA Cup had gewonnen in 2002, ging het alleen maar bergaf met de club. De Feyenoordfan weet hoe dat komt: slecht beleid. Elk succesje werd gevolgd door een reuzenederlaag, minkukels werden gepresenteerd als wereldspelers, maar groeiden – ook echt Feyenoord – ondanks hun onbeholpenheid soms uit tot publiekslieveling.

Jarenlang werd met het faillissement geflirt en dat is een kunst voor een club die elke twee weken moeiteloos 50.000 man naar het stadion lokt. Al meer dan tien jaar wordt er gepalaverd over een nieuwe Kuip, dichter bij de Maas, een nieuwe landmark voor Rotterdam. Recent kwam een financieringsmodel gebaseerd op aandelen weer bovendrijven, Feyenoord City genaamd. Economen maakten meteen brandhout van de plannen waarvoor de stad Rotterdam – die zichzelf wel profileert als sportstad – een belangrijke bijdrage zou moeten leveren. De Kuip zal zichzelf wel nog een jaar of tien overleven.

Niks gaat vanzelf in Rotterdam en dat is ook een beetje het beeld van de stad die zich ziet als het hardwerkende hart van Nederland, met die grote haven en al dat werkvee dat ooit als Brabantse boeren werd geïmporteerd en zich óp Zuid gingen vestigen. Later zou Rotterdam nog eens zwaar worden getroffen toen de haven – en de stad als collateral damage – van de kaart werd geveegd door Duitse bombardementen. Weer moesten de noeste Rotterdammers hun stad en leven opbouwen.

Als, als, als…

“Wij cultiveren het lijden”, zegt Robert van Brandwijk, ex-chef sport bij het Algemeen Dagblad en samensteller van een te verschijnen boek over het Feyenoordgevoel. Hij zucht, want dit zijn harde tijden. Is er iets erger dan zo helemaal bovenaan de Eredivisie staan? “Ja, nou ja, nu dreigen we zowaar kampioen te spelen.”

Hij lacht en is zich meteen bewust van het schizofrene in zijn statement. Dat is nu typisch Feyenoord, vindt de eerder al geciteerde Mark Lievisse Adriaanse. “Zo’n cultus van het lijden is nergens voor nodig en dreigt zelfs antiproductief te werken. Op den duur ga je de mislukking koesteren als een zelfvervullende voorspelling. Hetzelfde met die harde werkers. Feyenoord heeft nu veel meer talent lopen dan welk elftal in Nederland ook, maar Het Legioen (koosnaam voor de fans in De Kuip, HV) ziet liever een speler die kilometers doelloos loopt dan een verfijnde actie die net mislukt.”

Schei toch uit over die Moffen, hou toch op over die bommen 

Rotterdam, stad zonder hart, mijn hart ligt er wel, verdomme

Wat een ander ook mag zeggen, die slaat de plank maar mis

Rotterdam, de mooiste rotstad die er is

Door al dat lijden heeft de hunkering naar succes wel elk jaar grotere vormen aangenomen en is het geloof in een goede afloop uitgebodemd. Daarom is de blijdschap om een titel altijd groter in Rotterdam dan in het verwende Amsterdam. Of in het Brabants- bourgondische Eindhoven, waar het – aldus de Feyenoorder – niet zoveel uitmaakt of ze winnen dan wel verliezen, zolang de bierpomp maar draait.

 

Stad, club en duizenden fans over het hele land hunkeren naar een nieuwe triomf, wat nog een spannend verhaal wordt. Laten we u tot slot de sportieve contouren schetsen, zodat u het een beetje kunt volgen. Hoewel ze in Nederland geïnteresseerd lijken in een adoptie van onze play-offs, voetballen ze daar voorlopig nog zoals in onze prehistorie: aan het eind van een heen- en terugronde met alle achttien eersteklassers wint de club met de meeste punten. Voorlopig is dat Feyenoord uit Rotterdam.

Voorlopig, jawel, want de kloof was een paar weken geleden zes punten. Toen werd verloren bij naaste achtervolger Ajax en was de bonus op slag gehalveerd. Een week later werd gelijk gespeeld bij het lullige PEC uit Zwolle, en Ajax won, en toen bedroeg de voorsprong nog maar één punt. Afgelopen weekend wonnen beide ploegen – Feyenoord schudde het lastige Utrecht (vierde in de stand) van zich af. Dit weekend moet Ajax bij PSV (de derde) op bezoek en als de Amsterdammers daar verliezen en Feyenoord wint bij Vitesse (de vijfde), dan moet het nog maar een van de twee resterende wedstrijden (tegen de ‘kleintjes’ Excelsior en Heracles) winnen om kampioen te worden.

Als, als, als… daar heeft de Feyenoordfan niets aan. Vorig jaar leek het elftal van Giovanni van Bronckhorst goed op weg om zich te mengen in het titeldebat, maar verloor toen zeven wedstrijden op rij, een nieuw record in de Eredivisie voor een ploeg uit de top drie. Later dat jaar werd wel de beker gewonnen, maar dat was hooguit de pleister op het houten been.

Een titel en een triomftocht op de Coolsingel, dat wil Feyenoord en bij uitbreiding Rotterdam. Dan zal niemand hen zoals bij de laatste in 1999 de ‘kampioen van de armoede’ kunnen noemen, want ze hebben de meeste doelpunten voor (81) en de minste doelpunten tegen (21). De beste van Nederland, dat is de stand van zaken met betrekking tot Feyenoord op 22 april 2017.