Interview Arthur Van Doren in De Morgen van zaterdag 22 december 2018

‘In hockey laat je je niet vallen om een penalty te krijgen’

‘Uno spelen, dat is een hit bij ons.’ Arthur Van Doren (24) over de hechte band tussen de Red Lions, zijn toekomst en het verschil tussen hockey en voetbal. ‘Morgen ga ik mijn auto halen, een Evoque. Ik had een zwarte gevraagd, ik zie wel wat ze mij geven.’

Als Arthur Van Doren – wereldkampioen en beste speler van de voorbije World Cup, bijgenaamd King Arthur – op ’t Zuid in Antwerpen Kolonel Coffee betreedt, vallen de diensters in katzwijm, grijpen de klanten naar hun iPhones voor selfies en vragen ze handtekeningen op hun intieme delen. Wat een wereldtitel allemaal doet.

Het had gekund, maar Van Doren is geen voetballer. Anderhalf uur heeft de Messi van het hockey afgelopen woensdag zijn uitleg gedaan aan een tafeltje bij het raam. Geen mens keek op, geen passant staarde hem aan en niemand die ook maar aanstalten maakte voor een selfie.

De diensters hadden hem herkend. “Hij komt hier vaker.” Het leven is niks veranderd voor Arthur Van Doren, het 24-jarige zondagskind uit Brasschaat. Misschien is zijn eeuwige glimlach nog breder geworden. En zijn stem is tijdelijk hees.

“Sorry voor die stem hoor. Te veel gefeest, te weinig geslapen, ik wil dit zo intens mogelijk beleven. Gisteren waren Loïck Luypaert, Thomas Briels, Sebastien Dockier en ik op de kerstmarkt en toen we café Den Engel binnenstapten, stond een lange tafel spontaan recht en begon te applaudisseren. Dat zal ook wel voorbijgaan.”

Niet als jullie blijven om goud meedoen en af en toe winnen. Je stond toch op dat balkon dinsdag?

Arthur Van Doren: “Ja, daar kan ik nog steeds niet bij. Dat was niet een groepje supporters zoals op de luchthaven, hoewel we het daar al druk vonden, maar een hele Grote Markt vol met fans die daar speciaal voor ons stonden. Wij hockeyers zijn dat niet gewend. Wat een rollercoaster hebben wij meegemaakt.”

Helemaal onverwacht was die titel niet na vier verloren finales, waaronder de olympische, toch?

“Neen. Wereldkampioen worden was ons doel, maar we hebben nooit stilgestaan bij wat dat kon teweegbrengen. Het toernooi verliep ook voor ons raar. Tussen die eerste twee wedstrijden zaten zes dagen. Je kunt maar zoveel trainen en kaarten, je wilt toch vooral hockeyen en winnen. In het begin liep het ook nog niet zoals we het wilden, maar wij zijn echt gegroeid in het toernooi. In de finale waren we op ons best.”

Kaarten? Ik dacht eerder Netflix kijken.

“Dat hangt van speler tot speler af. Ik heb Peaky Blinders nog eens bekeken, maar kaarten met de groep is toch gezelliger. Vooral Uno is een hit bij ons, zeker als de verliezer opdrachten krijgt. Dertig minuten in de lift gaan zitten, is het meest vervelende. Of ‘opdienen’, de winnaar bedienen. Het leukste is ‘koffie halen’. Als je hebt gewonnen en je zegt nog maar ‘wat heb ik zin in koffie’, dan moet de verliezer koffie halen voor jou. Je niks aantrekken van je opdracht is geen optie in dat team van ons.”

Dat lijkt melig maar wie in een team heeft gefunctioneerd, herkent dat. Het smeedt een band.

“Wij zijn een hecht team. Iedereen die erbij komt, past zich aan. Oudere spelers zullen de jongeren terechtwijzen als die iets doen wat wij niet gewend zijn of niet past. (neemt de fotograaf bij de schouder) ‘Hé maat, dat doen we niet meer, hè?’

“Soms vraagt men mij hoe dat zit met Franstaligen en Nederlandstaligen in onze ploeg. Dat is echt geen issue. Je hebt natuurlijk wel een betere band met de ene dan met de andere, maar iedereen spreekt elkaars taal. Bijna alle Franstaligen spreken perfect Nederlands.

“Onze normale voertaal is Engels omdat de coach Nieuw-Zeelander is, maar op het veld maken we afspraken over hoe we elkaar coachen. Best wel handig. In het Nederlands tegen Fransen, maar in het Frans tegen Nederland en natuurlijk geen Engels tegen landen die Engels begrijpen.”

Waar is jullie psycholoog gebleven?

“Die hebben we niet meer. Shane McLeod, onze coach, neemt dat voor zijn rekening. Een heel inspirerende man. Elk toernooi heeft hij wel iets aparts in petto. Nu ook weer: hij had de zes voornaamste landen voor de wereldtitel in een pokerspel rond de tafel gezet en elke keer paste hij dat aan. Echt heel apart. Hij is Nieuw-Zeelander en coacht ons in de stijl van de All Blacks: proud to wear the shirt. Mijlpalen als vijftig of honderd interlands passeren niet zomaar, dat zijn gelegenheden om de speler en het team te eren.

“Shane is meer coach. Onze veldtrainer is een Nederlander, Michel van den Heuvel. Dat is de man van de oefenstof en van het brullen. Shane zal nooit zijn stem verheffen, echt nooit. Hoewel, één keer hadden we iets gedaan wat hen echt niet beviel – neen, ik zeg niet wat – en toen heeft hij even iets duidelijker gesproken dan anders. Niet luider, gewoon de woorden meer benadrukt. Wij nadien tegen hem: ‘Shane, volgende keer zo hard niet meer roepen.’ Daar kan hij dan even goed om lachen.”

Hard werken creëert een team. Zo hebben jullie de kloof met de wereldtop gedicht.

“Dat klopt. Zo hard zelfs dat de Duitsers en de Nederlanders met wie ik samenspeel in de Nederlandse hoofdklasse bij Bloemendaal vonden dat we overdreven. ‘Jullie gaan overtraind op dat WK toekomen.’ Wij trainen standaard drie keer per week met de nationale ploeg en de laatste voorbereidingsweken zelfs vier keer, van maandag tot donderdagnamiddag. Daarna reed ik naar Bloemendaal en trainde ik daar donderdagavond met de club en op vrijdag ook. Op zaterdag was er wedstrijd. Bij de club vonden ze dat niet leuk, maar ik had dat besproken toen ik mijn contract tekende: het programma van de nationale ploeg ging voor.

“Dat we dan ook nog Duitsland en Nederland inpakten op dit WK deed extra deugd. Er was bij Nederland wel commentaar op onze speelstijl. Laf hockey en zo. Zij deden niks meer dan wij. Onzin, ik heb die speler daarop aangesproken. Op hockey.nl verscheen een artikel dat we mentaal te zwak waren voor een grote prijs. Idem in Australië: gebrek aan leiderschap, daarom winnen ze geen finales. Ze hebben ons onderschat. Dat heeft ons geprikkeld.”

Jullie hebben anders een goeie leider in jullie keeper.

“Vincent Vanasch is een fenomeen, echt waar. Toen we ons, voordat duidelijk werd dat er een voetfout was gemaakt, wereldkampioen waanden en dat aan het vieren waren, stapte Vanasch naar de bank en vroeg er om water. Toen hij terugkeerde, zei hij: ‘Scoren en ik pak de volgende.’ Ik keek toen recht in zijn ogen en ik zag het meteen: wij worden wereldkampioen.

“Vincent Vanasch is de meest professionele hockeyer die ik ken – een machine – en ook een schitterende, bescheiden gast. Die doet en laat er alles voor. Hij zou als kine een mooie praktijk kunnen uitbouwen, maar offert alles op voor zijn sport.”

Als we Arthur Van Doren spreken, is hij net terug van een begrafenisplechtigheid. Tijdens het WK overleed de vader van ploegmaat Simon Gougnard.

Hoe feesten jullie terwijl een ploegmaat aan zijn pas overleden vader denkt?

“We waren deze ochtend bij de begrafenis. Die euforie zit nog in ons en dan dat contrast, dat verdriet bij die familie, heel heftig. De vader van Simon Gougnard was erg ziek en hij overleed in de nacht voor onze halve finale tegen Engeland. Wij wisten niet dat hij was overleden. Simon heeft dat geheimgehouden voor ons. Hij heeft de hele nacht wakker gelegen en vertelde het ons pas bij de meeting voor de wedstrijd. Hij in tranen, wij in tranen.

“Maar dan die wedstrijd. Wat Simon daar heeft gepresteerd, onwaarschijnlijk. En dan scoort hij ook nog eens de belangrijke tweede goal die Engeland knock-out slaat. Ik krijg er nog kippenvel van. Hij scoort, staat daar alleen, kijkt naar de hemel en als hij terug naar beneden kijkt, staat iedereen rond hem, maar echt de hele ploeg. Ik ben bijna zeker dat dit ons dichter bij elkaar heeft gebracht. We waren gelinkt.”

Jullie zijn sterren, de besten van de wereld, maar er zit niks blasé aan. En dat terwijl jullie sport wel dat imago heeft. Dat contrast is zo bijzonder.

“Wij zijn doodnormale mensen. Wij spelen voor ons plezier. Oké, jij zegt mij nu dat het gemiddelde salaris in de Belgische voetbalcompetitie 350.000 euro is. Eigenlijk wilde ik dat niet weten, maar het stoort mij ook niet want ik wil hockey niet vergelijken met voetbal.

“De bedragen in hockey zijn natuurlijk niet vergelijkbaar. De beste West-Europese hockeyer kan misschien iets meer dan 100.000 euro verdienen als hij ook in India gaat spelen. Ik heb het best goed en naast mijn sticksponsor Osaka heb ik onlangs ook een contract getekend met Land Rover en Red Bull. Morgen ga ik mijn auto halen, een Evoque. Ik had een zwarte gevraagd, ik zie wel wat ze mij geven.

“Waarom zou ik klagen? Ik heb een fantastische jeugd gehad, ik ben 24 en reis nu al bijna tien jaar de wereld rond om samen met mijn vrienden te doen wat ik het liefste doe: hockey spelen. Ik kijk nu al uit naar de nieuwe Pro League, die in januari begint.”

Studies schieten er wel bij in met zo’n programma.

“Ja, sommige jongens hebben toch een heel mooi diploma. Ik ben ooit begonnen aan handelswetenschappen, maar ik ben ermee gestopt in het jaar van de Spelen. Mijn vader heeft een betonbedrijf en daar heb ik al wat gewerkt. Vangnet? (lacht) Dat zeg ik niet met zoveel woorden. Misschien begin ik een studie in Amsterdam.”

Waarom woon jij in Amsterdam terwijl je in Den Haag hockeyt?

“Ik woon onder De Pijp (trendy oude volksbuurt in Amsterdam-Zuid, HV). Fantastisch wonen. Oké, op een slechte dag rij je ook langer dan een uur naar Den Haag, maar het bevalt mij daar heel erg. En Amsterdammers vinden het leuk om hun stad te tonen aan wie er zich voor interesseert. Neen, zoals het er nu voorstaat, blijf ik daar nog een tijdje. Ik wil kampioen worden in de sterkste competitie ter wereld.

“Nu primeert de nationale ploeg nog even, maar als de competitie weer begint, zullen de Belgen die in de hoofdklasse spelen best wel wat steken onder water geven, daar kun je van op aan. Maar de Nederlandse sporter kan daarmee om. Die hardheid onder elkaar kan ik waarderen. ‘Verwacht je iets anders van mij? Neen, dan nu uwen claxon dicht.’

“Toen onze bar in ons hotel sloot, de nacht na de finale, zijn we naar het hotel van de Nederlanders getrokken en hebben we daar nog wat doorgevierd. Dat kan hoor, wij kennen die jongens allemaal en we hebben respect voor elkaar. Toen de mensen die gingen ontbijten vroegen waarom wij al in de bar zaten, dachten we: misschien is het tijd om naar huis te gaan.”

Hoe word je hockeyer?

“Door te gaan hockeyen. Ik deed alles: tennissen, voetballen, pingpongen. Mijn vader heeft heel kort gehockeyd, mijn oom deed het bij Dragons in Brasschaat waar ik ben opgegroeid. Pa en ma zijn zelfstandige, pa met een betonbedrijf en mijn mama is schoonheidsspecialiste.

“Ik was een redelijke tennisser. Toen ik 14 was, had ik net mijn B-klassering en moest ik kiezen. Het werd hockey omdat ik dat het liefste deed en ook het beste kon, maar eigenlijk liggen alle sporten mij waarin oog-handcoördinatie een grote rol speelt. Ik was 15 en stond in de eerste ploeg van Dragons. Twee jaar later zat ik bij de nationale ploeg.”

Hoe word je de beste hockeyer ter wereld en dan nog als verdediger?

“Je mag hockey niet te veel vergelijken met voetbal. De opbouw van het spel lijkt op het eerste gezicht op elkaar, maar in hockey heb je als verdediger veel meer invloed op het spel dan in het voetbal. Het begint bij de onmogelijkheid van de doelman om de bal uit te trappen. De centrale verdedigers bepalen het tempo van de wedstrijd en van mijn vijftiende heb ik daar gespeeld. De lange harde inspeelpass is mijn specialiteit, daar kan ik echt van genieten.”

Je werd bewierookt in de kranten. Hier, lees mee: ‘De slimste hockeymens ter wereld’. En nog uit de Volkskrant: ‘De man met een magneet in de hockeystick’.

“Ach zo. Die heb ik niet gezien. (leest aandachtig en een gelukzalige glimlach verschijnt) Mooi als ze dat over jou zeggen, maar ik overdrijf echt niet als ik zeg dat ik maar zo goed ben als de ploeg waarin ik speel. Als ze met mijn diepe ballen niks aanvangen voorin, dan kan ik niet opvallen. Ik speel met de beste spelers van de wereld en daardoor kan ik ook uitblinken.

“Die magneet in mijn stick, dat is een metafoor, voor alle duidelijkheid. Het mooiste compliment dat ze mij hebben gegeven, is: jij hebt die wedstrijd al gezien en nu speel je die voor de tweede keer. Ik kan het ook niet helpen dat mijn spel zo lijkt. Ik zie vaak wat er moet gebeuren en waar de gaten zijn, hoe we het kunnen oplossen.”

Jullie spreken over normen en waarden in het hockey. Leg nog eens uit wat dat inhoudt.

“Dankbaarheid. Omdat het land ons heeft gesteund. Wij proberen dat ook terug te geven. Jij vraagt een interview, ik ben daar blij om. Wij zijn echt normale mensen. Ik hoor ook wel dat wij een elitesport zouden beoefenen, maar daar is niks van aan. Ik ga daar zelfs niet meer tegenin.

“In hockey draait alles om onderling respect. Zo’n finale tegen Nederland is best wel intens, bikkelen tot het eind, maar altijd in respect. Bij ons zul je nooit een tik tegen je schouder krijgen en neergaan alsof ze je net hebben onthoofd. Er zal ook nooit een speler zich laten vallen in de hoop een penalty te krijgen.”

Worden de Red Lions vanavond verkozen tot team van het jaar?

“Laten we dat hopen. Wel mooi dat de stemming is heropend. Het zou prachtig zijn. Maar als het niet zo is, dan zijn we niet minder blij.”

 

Interview Arthur Van Doren

Advertenties

Column Sport zonder matennaaiers in De Morgen van zaterdag 22 december 2018

Sport zonder matennaaiers

Er is een filmpje dat u móét zien. Zoek op Steven Adams en Mason Plumlee, het gaat om basketbal: de Oklahoma City Thunder staan bij de Denver Nuggets met nog enkele minuten te spelen op zes punten achterstand als Steven Adams vrij naar de ring kan.

Mason Plumlee van de thuisploeg ziet dat en springt. Adams houdt in, waardoor Plumlee voor niks in de lucht hangt. In het zwerk kantelt zijn lichaam en hij landt vervaarlijk ondersteboven op de gebukte Adams. Die zou zich niks van Plumlee kunnen aantrekken, dunken en een fout meekrijgen. Maar neen, hij houdt in, dunkt niet en probeert Plumlees val te breken en hem te behoeden voor een potentieel ernstige blessure.

Was Adams een voetballer geweest, hij had meer dan waarschijnlijk gedunkt en zich dan pas (misschien) iets aangetrokken van de tegenstander die dreigt op zijn hoofd terecht te komen. Of misschien had hij gedunkt en vervolgens geprobeerd om bij het neerkomen even zijn voet in een teer deel van Plumlee te zetten. Of had hij al het voorgaande gedaan, waarna hij zich zou laten vallen voor dood en om een rode kaart vragen.

Na veertig jaar in dit vak blijft de vraag mij fascineren: waarom is van alle sporten voetbal tegelijk de meest amorele en immorele sport? Waar matennaaien, mensen verkopen en tegenstanders verwonden tot de dagelijkse gang van zaken behoren. Waar men de handen vol heeft met zwart geld, witwaspraktijken, omkoping en matchfixing.

Waarom haalt voetbal het slechtste in de mens naar boven, zowel op als naast het veld? Het is een raadsel. Het heeft met geld te maken, zegt de ethicus. In de NBA – zie dat filmpje – bedraagt het gemiddelde salaris dit seizoen 6,5 miljoen euro. Vriend Adams zit daar dik boven met ruim 21 miljoen euro, Plumlee zit net niet aan 11,5 miljoen euro en daarmee zijn zij beiden naar NBA-maatstaven meelopers.

Geld haalt zelden het beste naar boven in de mensen, maar het is niet dé factor of een sport al dan niet immoreel is. Voetbal is de sport die zich halfweg de 19de eeuw van het zedenverwilderende en verruwde rugby heeft afgescheurd. Honderdvijftig jaar later is rugby het toonbeeld van sportiviteit, met duidelijke regels en met een topscheidsrechter die zich heeft geout als getrouwde homo.

Recent hebben we nog zo’n keurige – niet pejoratief bedoeld – sport leren kennen. Lezers en collega’s vonden dat ik al te enthousiast reageerde op de wereldtitel van de Red Lions en maanden mij aan om dat ‘vreselijke all white hockey’ toch maar eens goed af te branden.

Sorry, maar ik heb het hele voorbije WK met verbazing en bewondering naar dat hockey gekeken, onder meer naar de etiquette tussen de lijnen. Eén keer heb ik een speler een wegwerpgebaar zien maken. Het ging om veel, om een wereldtitel, maar op overtredingen volgden meestal excuses en heel zelden gemor. Een duwtje te veel en de ref, die alles keurig uitlegde aan het publiek, trad prompt op.

Ik kan hockey onmogelijk een foute sport vinden om die ene simpele en simplistische reden dat het de sport is van de witte middenklasse, het spijt mij zeer. Ik heb niks tegen de witte middenklasse, en al helemaal niet zoals ze zich gedraagt op de hockeyvelden. Ik kan onmogelijk tegen een sport zijn met een nationale ploeg van onderbetaalde vedetten zonder vedetteallures, samengesteld in perfecte symbiose tussen de gemeenschappen en die ook nog eens goud winnen.

De mores van een sport maken deel uit van de algemene cultuur van een sport en hebben niks te maken met afkomst, religie of ras, maar met stijl of gebrek aan stijl. Had ik nog jonge kinderen, dan schreef ik hen met veel plezier in bij die keurige, desnoods volledig witte hockeyclub. Maar nooit ofte nimmer in zo’n opgenaaide voetbalclub.

Hockey verdient het niet om als ondemocratisch en elitair te worden bestempeld. Voor een tiende van de investering van een aspirant- wielrennertje en evenveel lidgeld als in een voetbalclub, kan een kind gaan hockeyen. In de rijkenstolp Brasschaat zal het lastig zijn om de minder gegoede kinderen te bereiken, maar in Gent wenkt een interessant sociaal experiment.

La Gantoise, ooit een elitaire club waar nog steeds een mondje Frans wordt geparleed, is recent verhuisd naar de Watersportbaan. Naast La Gantoise, gescheiden door een oude arm van de Leie, ligt de sociale volkswijk Eiland Malem (waar ik ben opgegroeid). Malem en hockey zijn twee totaal verschillende werelden, gescheiden door tien meter water maar verbonden door een brug. Het zou La Gantoise sieren om over het water te rekruteren bij de allochtone gemeenschap van Malem. Alle kleuren kunnen hockeyen, ze moeten elkaar alleen vinden.

 

Sport zonder matennaaiers

Column de keerzijde van de Medailles in De Morgen van zaterdag 22 december 2018

De keerzijde van de medaille(s)

Philippe Muyters is aan zijn laatste maanden toe als Vlaams minister van Sport. Hij heeft zijn best gedaan: tien jaar lang zorgde hij voor continuïteit – een unicum op sport – en hij liep niet in de weg zoals sommige voorgangers. (Vervelend, maar hem alsnog vergeven, waren die ergerlijke foto’s met medaillewinnaars.)

Muyters verzette zich niet tegen een efficiëntere besteding van de overheidsmiddelen voor topsport, saneerde het bondenlandschap en liet Bloso/Sport Vlaanderen toe bepaalde sporten op de subsidieladder te korten. Waar hij tekort schoot, was in het op peil houden van de financiering van topsport, maar daarvoor zat hij bij de verkeerde partij (N-VA) en in de verkeerde regering.

Aanvankelijk vond men her en der nog wel een miljoentje extra, maar de voorbije jaren bleven de budgetten dezelfde of gingen niet noemenswaardig omhoog. Meer topatleten die prijzen pakken, betekent minder geld voor betere atleten. Betere atleten zouden op papier ook meer eigen sponsoring moeten kunnen genereren, maar dat gaat slechts ten dele op. Ze lopen niet dik, de atleten die het zonder veel overheidssteun kunnen. Voetballers, tennissers en wielrenners hebben doorgaans wel een privéstructuur die hen (over)betaalt. Voor tijdrijder Victor Campenaerts springt de wielermarkt in – al is de Nationale Loterij natuurlijk ook overheidsgeld – maar heel wat andere sporten worden door de sponsormarkt niet opgepikt en hebben de overheid nodig.

Zelfs het hockey. Die hebben mooie sponsors zoals Belfius (overheidsbank, dat wel), Audi, Jupiler, Candriam, Auping en nog andere, maar die zullen nooit opbrengen wat de overheden de nationale hockey-topsportwerking toestoppen.

Voor de Franstalige sportadministratie Adeps is dat 700.000 euro en enkele tewerkstellingscontracten, het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) geeft 650.000 euro, BeGold (geld van de gemeenschappen, het BOIC en de Nationale Loterij voor talentontwikkeling) stopt 450.000 euro toe en Sport Vlaanderen is de grootste hockeysponsor met 1,2 miljoen euro en zes halftijdse tewerkstellingscontracten.

Hockey en alle andere sporten die een stap hebben gezet, hebben voortaan meer geld nodig willen ze hun nieuw verworven status en niveau behouden. Concreet: gymnastiek waagde de sprong naar de wereldtop, is daarin geslaagd, maar om Nina Derwael en de rest van die topsportvlieger in de lucht te houden, is meer geld nodig.

Idem voor de nationale ploegen in teamsporten, die tot voor een paar jaar verwaarloosbare prestaties leverden maar nu op het ene na het andere kampioenschap om de prijzen spelen. Prima presteren staat gelijk aan het draaien van dure programma’s met EK’s, WK’s, Olympische Spelen en navenante voorbereidingen.

Jammer dat de verkiezingen in een preolympisch jaar vallen. Een nieuwe Vlaamse regering zou perfect een verdubbeling van het topsportbudget kunnen inschrijven als doelstelling. Ze zou het nog niet eens voelen in de begroting want twee keer peanuts blijven peanuts.

Het is een even demagogische als flagrante vergelijking, maar zit het met de subsidiëring niet serieus scheef als de Vlaamse cultuursector tig keer meer krijgt dan de Vlaamse topsport. Hoeveel keer tig? Welnu, in 2014 werd de cultuursector 5 procent gekort en dat kwam overeen met 33 miljoen euro. De 5 procent die cultuur moest inleveren en waarvoor moord en brand werd geschreeuwd, is anderhalve keer het totale Vlaamse topsportbudget.

Alleen al De Munt, één (federale) instelling met bezoekers die gerust een meervoud kunnen betalen voor hun vermaak, krijgt de helft meer subsidiegeld dan de hele Vlaamse topsport. Geen enkele opera- of balletvoorstelling komt in de buurt van wat de prestatie van de Belgian Cats op het recente WK basketbal bij de bevolking heeft losgemaakt, evenmin als het gaat om wat de Cats hebben verwezenlijkt voor de emancipatie van de (sportende) vrouw.

Alle gekheid, het kot zou te klein zijn als we aan het geld van de culturo’s zitten en dat aan de sportdombo’s uitdelen. Dat was om ze in de elitaire tempels in de gordijnen te jagen, dus om te lachen. De Belgische topsport kan het geld beter zoeken waar dat te vinden is: bij het voetbal bijvoorbeeld. Die krijgen 130 miljoen euro korting op hun belastingen en sociale lasten per jaar en dat om hun voetballend personeel gemiddeld 350.000 euro salaris te betalen.

Belast en hef lasten zoals op elke andere werkende Belg en geef wat je uitspaart in het voetbal aan de topsport, die het nodig heeft. Niet om buitensporige salarissen te betalen, maar gewoon om de werking te garanderen en een leefloon uit te keren.

Supersportjaar 2018

Supersportjaar 2018 in De Morgen van zaterdag 22 december 2018

(alleen tekst, voor graphics ea. info, onderin zit PDF)

Supersportjaar 2018

Met 29 ‘olympische’ medailles heeft België nooit beter gepresteerd dan in 2018. Zowel de Vlaamse, Franstalige als nationale topsport piekt. Een trendbreuk, of toch een beetje met dank aan de inflatie van kampioenschappen?

De Red Lions – inmiddels weet iedereen om welke sport het gaat en wie die gasten zijn – zijn in Bhubaneshwar in India wereldkampioen geworden. België sluit het memorabele sportjaar 2018 af met een nooit gezien aantal van 29 medailles in sporten of disciplines die in Tokio 2020 op het olympisch programma staan. In de sportstatistiek zijn olympische events de norm, een afbakening die misschien afbreuk doet aan mooie medailles in andere grote sporten maar internationaal is aanvaard.

De Belgische sportprestaties hebben een vlucht genomen. Vier jaar geleden behaalden we in een gelijkaardig sportjaar (2014) maar vijf podiumplaatsen, een dieptepunt, net als 2011 en 1989. In 2018 werden weliswaar opvallend veel kampioenschappen georganiseerd, maar dit is niet de enige verklaring voor de stijging. Wellicht is ook een doelgerichte subsidiepolitiek in combinatie met een buitengewoon getalenteerde generatie mee verantwoordelijk.

Neem daarbij in overweging dat kleine getallen grote schommelingen kunnen vertonen en je krijgt het verschil tussen 5 en 29. De 5 podia in 2014 werden gepuurd uit 42 topachtplaatsen. De 29 van 2018 uit 55 topachtplaatsen. Dat is uitzonderlijk efficiënt want een normale verhouding medailles/topachtplaatsen is één op drie. De toekomst zal uitwijzen of 2018 een toevalstreffer was, dan wel dat de sportwoestijn België stilaan vruchtbare sportgrond wordt.

Wellicht is het wat van alles. De stijging lijkt alvast structureel: sinds 2015 presteert de Belgische sport jaar na jaar beter. De topsportindex (zie grafiek), die rekening houdt met topachtplaatsen en aan elke prestatie een gewogen score meegeeft, staat op een nooit gezien hoogtepunt van 1.252 indexpunten. Vier jaar geleden stond die op 657, ongeveer de helft.

Uit analyse van die index blijkt dat de Belgische stijging vooral op rekening komt van de Vlaamse sport en de nationale ploegen. Alleen de Vlaamse index is van 300 indexpunten eind 2012 gestegen naar 714 vandaag. Reken daarbij de nationale teams, die in de index voor de helft over Vlaanderen en de Franstalige gemeenschap zijn verdeeld, en Vlaanderen verdubbelt van 430 eind 2014 naar 860 vandaag.

Ook de Franstalige sport steeg in die voorbije vier jaar van 226 naar 321, maar heeft die stijging bijna alleen te danken aan de punten afkomstig van de nationale ploegen. In Vlaanderen leeft al langer de ergernis dat de Franstalige gemeenschap te vrijblijvend subsidieert, al spreekt marathonloper Koen Naert, die er onderdak vond en Europees kampioen werd, dat wellicht tegen.

Het Vlaamse overwicht blijkt ook uit de negentien ‘olympische’ medailles die zijn behaald. Franstalige atleten haalden vijf medailles en de nationale ploegen ook vijf.

Mannenmedailles halen de bovenhand: 16 tegenover 12 vrouwenmedailles en 1 gemengd team (triatlon). Kleur en kwaliteit van de medailles zijn ook belangrijk met het oog op Tokio 2020. Medailles op wereldkampioenschappen bieden meer kans op olympisch succes dan plakken van Europese kampioenschappen. Acht van de 29 medailles zijn mondiaal behaald. Twee daarvan, de Rode Duivels en schaatser Bart Swings, komen niet in aanmerking voor de Zomerspelen. Van de resterende zes vallen de drie wereldtitels op die zijn behaald door vrouwen.

Toch zijn de mannenmedailles zoals het goud van hockeyers en het brons van Victor Campenaerts misschien iets meer een garantie op een olympische prijs dan de wereldtitels van Nicky Degrendele en Emma Plasschaert, die een beetje uit de lucht kwamen vallen. Gouden gymnaste Nina Derwael is wel een certitude voor Tokio 2020.

Niet beter dan 1995

In alle euforie moeten we een slag om de arm houden. 1995 blijft het beste sportjaar ooit met negentien medailles. Van alle 29 medailles van 2018 waren er maar achttien ‘olympisch’ in 1995. Swings zijn massastart, de triatlonmedailles, de Europese wielermedailles…: of de kampioenschappen bestonden nog niet, of de disciplines stonden niet op het olympisch programma.

In 1996 waren 843 medailles te verdienen op de Spelen. Over anderhalf jaar in Tokio zijn dat er 1.073, een stijging van 27 procent. Om even goed te doen als de zes medailles van Atlanta in 1996, hadden we in Rio minimaal zeven medailles moeten halen en moeten we in Tokio op acht uitkomen. Rekening houdend met bnp en bevolking, zou België op Olympische Spelen altijd de tien stuks moeten overstijgen.

Anderzijds scoorde België in 1995 vooral goed op de judokampioenschappen: acht van de negentien medailles kwamen van de bende van Dedecker. Een jaar later zouden ze vier van de zes olympische medailles mee naar huis nemen. In de breedte is Belgium er wel op vooruitgegaan. Het aantal topsporters dat de limiet haalde om met een salaris te worden ondersteund, is in vier jaar tijd verdrievoudigd.

We zijn ook geen land meer van veel uitblinkers in één sport met her en der een supertalent in een andere sport, aangevuld door meelopers zoals twintig jaar geleden. Judo pakt nog wel af en toe medailles, maar is niet meer de grote slokop. De verschillende wielerdisciplines apart genomen, zijn de 29 medailles van 2018 behaald in twaalf verschillende sporten.

Supersportjaar 2018

Column Mini-Tank over Lukaku in De Morgen van zaterdag 15 december 2018

Mini-tank

Manchester United stelt zich vragen over het gewicht van Romelu Lukaku. Die had ik van de zomer ook toen ik volgens de officiële spelersdata op de World Cup las dat hij 94 kilo woog. Ik dacht toen: als die niet tussen 105 en 110 weegt, dan weet ik het niet. Ja maar, zei een collega, er hangt weinig vet aan.

Ik argumenteerde tegen de collega: spieren wegen zwaarder dan vet. Dat is onzin natuurlijk: een kilo weegt een kilo. De achterliggende waarheid is dat een gespierd en slank lichaam zwaarder kan wegen dan een dikker en plomper lichaam omdat het soortelijk gewicht van de spier groter is dan van vet. Het is dus anders: een liter spier weegt meer dan een liter vet, dát klopt dan weer wel.

Vet of spieren, dat Lukaku forser en dus zwaarder is geworden de laatste jaren, en vooral sinds zijn transfer naar Manchester United, staat als een paal boven water. De vraag is nu hoe dat komt. Ik heb zo’n idee. In april 2011 had ik een afspraak met Vincent Kompany in zijn woonplaats. Bij de obligate welgemeende knuffel schrok ik: zijn bovenlichaam was een en al spier. Waar heb je dat voor nodig, vroeg ik. Hij antwoordde: “Dit is Engeland, de meest fysieke van alle competities. Sommige trainingen zijn hier oorlogen, erger dan de wedstrijd.”

Op de meeste professionele sites stond Kompany vermeld als 1,91 meter en 84 kilogram, terwijl hij op de weegschaal zeker dicht bij de 100 kilogram uitkomt. Heeft dat hem de das omgedaan? Te veel, te vaak, een te getraind lichaam en de pezen en spieren daardoor overbelast? Of is dit zijn genetisch lot en gaat Lukaku zijn grote broer achterna?

Zowel Kompany als Lukaku is van Congolese origine. West-Afrikaanse topsporters hebben doorgaans meer snelle vezels en meer spiermassa. Wat betekent dat aan de top van de gespierde snelkracht-atleten meer zwarten zitten dan blanken. “White men cán jump and run fast, but móre black men will jump higher and run faster”, weten de Amerikanen.

Ik zit haast niet in het krachthonk, argumenteert Lukaku. Dat kan ik niet geloven. Definieer dan ‘haast niet’, en wat doe je daar dan? Beetje bovenlichaam en meer benen? Dan moeten ze voetballers toch eens wijsmaken dat benen trainen een enorm effect heeft op groeihormoon en dus op de spieraanwas in het lichaam in het algemeen. Bodybuilders weten dat als geen ander.

Lukaku zit nu in een doodlopend straatje waar hij dringend uit moet, maar hoe? Hij moet vermageren en dat kan alleen door gewicht en dus spiermassa te verliezen. Dat kan ook door wat duurtrainingen, maar daar houden spitsen niet van, want dan denken ze snelheid en kracht te verliezen.

In de VS weten ze al langer dat ze moeten opletten met opbulken van hun zwarte sporters. Op sommige posities is dat geen probleem. Een nose tackle in de NFL (American football), die mag vreten en ijzer duwen wat hij wil, zolang hij er maar uitziet als een vervaarlijke rots is het allang goed en is bewegen bijzaak. Power forwards en centers in het basketbal hebben de laatste decennia ook kilo’s bijgewonnen.

In de VS trekken de teams zich ook niets aan van het eten van hun topsporters. Daar wordt niet ontbeten voor een training, daar wordt ook niet samen geluncht, met uitzondering van het honkbal op wedstrijddag als de big macs worden aangesleept. In het voetbal hebben ze de laatste jaren voedingsdeskundigen aangenomen om voor de spelers te koken na een training. Visje, kipje, groentje, beetje koolhydraten, allemaal afgewogen. Ik zag laatst zelfs een videootje van enkele spelers van een eersteklasser die een kookcursus ‘gezond eten bereiden’ kregen.

Allemaal leuk, maar ik onthoud toch vooral van Vincent Kompany dat hij zich bij zijn komst naar Manchester verbaasde over de eetgewoonten. “Na elke training pizza, niet te geloven. Ik heb gelukkig thuis iemand in dienst die voor ons gezond kookt.”

Ik ken de ins en outs niet van het eenmansgezin Romelu, maar het zou mij verwonderen als daar een kokette kokkin of kok zou inwonen om hem gezond te voeden. Misschien dat hij op de club zijn broccoli met kippenwit krijgt, maar thuis met de homeboys en de familie zal er geregeld wat ongezonds ingaan.

Dat Lukaku zelf niet heeft ondervonden dat hij door een fout eet- en trainingsregime nu veel te zwaar staat, kun je hem moeilijk verwijten. Die jongen leeft in een bubbel. Trainen, eten, thuiskomen, spelletje spelen op de PlayStation, iPhone tokkelen, junkfood eten waarvan hij niet beseft dat het junkfood is voor zijn lijf, en heel veel NBA kijken.

Zijn grote voorbeeld onder de wereldtoppers is basketballer LeBron James – een small forward van 2,03 meter en 113 kilogram in
het lijf van een power forward, een tank. Sinds zijn baard kan Romelu, een mini-tank, doorgaan als de kleine broer van ‘King James’. Iemand had hem er moeten op wijzen dat hij eerder Stephen Curry is: 1,91 meter, 90 kilogram, ook een hele goeie basketballer en net iets minder baard.

 

 

Lukaku-mail

Interview Johan Bruyneel in De Morgen van zaterdag 15 december 2018

‘IK KOM TERUG.

IN HET WIELRENNEN.

JA’

Zijn vrouw was al weg toen hij in oktober levenslang werd geschorst. Zijn kinderen hoort of ziet Johan Bruyneel (54) voorlopig niet meer. De ex-ploegleider van Lance Armstrong ging in survivalmodus en haalde in zijn woonplaats Madrid de fiets van stal. ‘Ik kom terug. In het wielrennen, jawel.’

Johan Bruyneel rijdt over de M-40 van het restaurant in La Moraleja richting de wijk Barajas, waar mijn hotel ligt. “Ik ben veranderd”, heeft hij een paar keer gezegd in de afgelopen zes uur dat we zijn leven hebben gefileerd. “Ik weet hoe ik vroeger was: niet altijd de aardigste.”

Ik stel hem gerust. Dat hij altijd respect heeft betoond en dat een discussie op niveau aan hem wel was besteed. Hij glimlacht. Zeven en een half jaar geleden zaten we samen op Sloane Square, waar hij tussen de riches of London resideerde, en ik vroeg hem bij wijze van afsluiter hoe groot de kans was dat de hemel op zijn hoofd zou vallen. Hij antwoordde eerlijk: “Die kans bestaat, maar moeten ze nu echt koeien van tien jaar geleden uit de gracht halen?”

Was het maar bij de hemel gebleven. Inmiddels is ook de grond onder hem weggespoeld. Ooit was Johan Bruyneel de onbetwiste heerser bovenaan de voedselketen van de koers. In 2012 werd hij op non-actief gezet en na de Oprah Winfrey-bekentenissen
eind 2013 van zijn kopman/vriend Lance Armstrong werd hij een outcast in zijn sport. In oktober van dit jaar heeft hij in een zelf aangespannen beroepsprocedure alsnog levenslang gekregen. De grote dopingheks – die hij níét was, voor alle duidelijkheid – moest op de brandstapel.

We rijden Barajas binnen en stoppen aan een verkeerslicht ter hoogte van de Melía Barajas. “Hier in dit hotel sliepen soms renners van ons als ze…”. Ik maak zijn zin af: “…bij Fuentes (de Madrileense dopingdokter, HV) kwamen?” Een inside joke. We lachen. “Serieus, dat hotel waar hij zijn bloedtransfusies deed, dat was hier ook ergens in die buurt, dicht bij de luchthaven. Handig, met renners die van overal kwamen. Maar wij gingen niet bij Fuentes, dat weet jij wel.”

Wat weten we van die onzalige tijd? Veel inmiddels, te beginnen met al die federale onderzoeken van de Amerikaanse belastingen. Nog meer, met dank aan al die gedetailleerde getuigenissen van collega’s van Lance Armstrong. Haast alles, toen ook de last man standing – Lance himself – bij Oprah overstag ging. ‘Did you?”Yes, I did.’

We weten dat Armstrong, naast wie Bruyneel als renner in het peloton had gereden, hem had gevraagd om zijn sportdirecteur te worden. We weten dat Armstrong in 1999 zijn eerste Tour won. Een voormalig kankerpatiënt won de zwaarste sportwedstrijd ter wereld, een wonder was geschied.

We leerden nadien uit publicaties van de Franse sportkrant L’Equipe dat dit gebeurde op epo, het fameuze, toen nog onopspoorbare hormoon dat het bloed van meer zuurstof voorzag. In 2004 al lazen we in L.A. Confidentiel van David Walsh en Pierre Ballester dat er van alles fout was aan Armstrong; naasten hadden getuigd.

We zagen hem zeven Tours op rij winnen, de ene al makkelijker dan de andere, de laatste twee in 2004 en 2005 met de vingers in de neus. En toen stopte de beste ronderenner uit de geschiedenis en kon een hoofdstuk worden afgesloten. Of toch niet, want hij kwam terug in 2009 en iedereen dacht: ai, hybris, als dat maar goed afloopt. Die uitkomst is gekend.

Geen interview, had Johan Bruyneel eerst gezegd. “Ik werk aan een boek.” En toen, out of the blue: “Kom toch maar af, maar ik ga niet alles vertellen. Er moet ook nog wat in mijn boek. Ik heb geen mooi verhaal, maar probeer het positief op te schrijven. Meer vraag ik niet.”

Ik begin met een grapje. Je hebt je vandaag nog niet boos gemaakt op Twitter?

Johan Bruyneel: “Toch wel. Daarnet nog heb ik Antoine Vayer (ex-wielertrainer en consultant van ‘Le Monde’, HV) van antwoord gediend. Ze hebben een video gemaakt van Lance Armstrong en linken daarin het feit dat hij aan zijn broek trekt aan het bestaan van een motortje. Hoe bestaat het? Lance had een tic nerveux en trok inderdaad aan zijn broek, maar wel om dat zeemvel op zijn plaats te houden.

“Lance zegt net als jij dat ik beter niet reageer, maar het is sterker dan mijzelf. Dat is het enige voordeel aan een levenslange schorsing: ik kan zeggen wat ik wil. Wat kunnen ze doen? Mij twee keer levenslang schorsen?”

De Amerikaanse dopinginstantie USADA is ook je favoriete schietschijf.

“Zij wilden de kop van Armstrong en co, en al de rest was bijzaak. Hun reasoned decision waar ze zo graag naar verwijzen, is sensatie en zeker niet objectief. De getuigen is beloofd dat ze geen straf zouden krijgen als ze ons maar aan de galg praatten. Een aantal heeft gezegd hoe het echt ging. Anderen hebben overdreven en sommige getuigenissen zijn verdraaid. Wat mijn zaak betreft, waren de zwaarste beschuldigingen verjaard. In een normale rechtspraak, zeggen mijn advocaten, is er geen zaak, of krijg ik hooguit een lichte straf. Maar sportrechtspraak is anders, en de regels worden geïnterpreteerd à la tête du client.”

De omschrijving ‘most sophisticated doping program’ klopte alvast niet…

“Dat was het ook niet. We deden minder dan onze dichtste concurrenten.” …maar misschien logistiek het beste georganiseerd, door de controlefreak in jou.

“Zo ben ik. Maar wij gingen niet naar Fuentes om bloed te laten invriezen en in een bank te bewaren. Van de zaak-Fuentes is nog niet alles geweten. Ik weet wie bloedzak 22 is (een van de 211 zakken die zijn gevonden bij Fuentes, HV) en ik ken nog een paar andere namen die niet zijn uitgekomen. Als die bekend worden, hebben er toch een paar een groot probleem.”

In de Dauphiné van 2006 vond jij het onbegrijpelijk dat ik niet geloofde dat Armstrong clean was. Na twee flessen wijn zijn we tot een vergelijk gekomen: Lance reed niet op betere brandstof dan de rest.

(lacht) “Dat weet ik niet meer. Zo was het: dezelfde brandstof. Het is simpel: elke kampioen van zijn generatie heeft de middelen gebruikt die voorhanden en niet opspoorbaar waren. Greg LeMond zegt dat hij een fysiologische uitzondering is, ik geloof hem niet. Een VO2max (maximale zuurstofopnamevermogen, red.) van 92, allee zeg. Ik heb een test van hem en die geeft een waarde aan van 75, niet meer.

“Ik ga niet goedpraten wat er is gebeurd, maar wij hebben doping niet uitgevonden en na ons is doping ook niet gestopt. In 2008 kwam er wel een kentering, en vanaf mijn jaren bij Astana gebeurde niets. Ik was daar blij om en had daar niet de minste moeite mee, want de besten blijven de besten, met of zonder doping.

“Het is hypocriet hoe wij zijn verraden door een stel laffe Amerikanen, hoe al het vuil in onze hoek is geveegd. Europeanen zijn toch anders, ze klikken minder snel. Ik heb ook getuigd, maar ik heb meteen gezegd: ik praat over mijzelf en over niemand anders. Het is nog hypocrieter hoe wij zijn behandeld, vooral als je ziet wie er nog rondloopt in dat peloton en een grote mond opzet.

“In 2014 kreeg ik tien jaar en ik ben in beroep gegaan, hopend op strafvermindering. Vorige zomer kreeg ik een aanmaning van het TAS (Arbitragetribunaal voor de Sport, HV) in Zwitserland. Snel 36.000 Zwitserse francs (32.000 euro) overmaken, want het beroep had zo lang aangesleept (vier jaar, HV) dat ze niet meer uit de kosten kwamen. Ik heb niet betaald en dacht toen: in het allerslechtste geval blijft het tien jaar schorsing.

“Mijn advocaat belde: levenslang. Een mokerslag. Ik ben een paar dagen down geweest. Gelukkig was ik toen zwaar aan het trainen, compleet met ketogeen dieet (gericht op vetverbranding, HV), allemaal met het oog op een lange mountainbikewedstrijd die ik met mijn broer zou rijden, de Sierra Norte Bike Challenge, 217 kilometer. Ik heb nog een keer of twee goed getraind en kort daarna arriveerden mijn broer en moeder ook in Madrid. Dat heeft mij geholpen om de zinnen te verzetten. De wedstrijd zelf was zwaar – 4.500 hoogtemeters – maar ik wilde die absoluut uitrijden. Dat heeft mij boven water gehouden.”

In je eigen getuigenis in het 104 pagina’s tellende vonnis, leg jij uit hoe je zelf als renner met doping in aanraking bent gekomen.

“Staat dat daar ook in? Heb jij ze alle 104 gelezen? Moedig. Sorry, ik niet. (bitter lachje) De conclusie levenslang volstond. Ik heb epo zien komen, en hoe. Ineens reden sprinters mij bergop voorbij en liep het halve peloton met frigoboxjes rond. Epo werd de doodnormaalste zaak van de wereld. Of je deed aan epo, of je kwam er niet aan te pas.”

Wat als je niet in beroep was gegaan?

“Dan was het tien jaar gebleven en had ik geen klein fortuin kwijtgespeeld aan advocaten.”

Is dat de reden voor je scheiding?

“Alles kwam bij elkaar. Van vandaag op morgen was ik altijd thuis in plaats van altijd weg. Kort daarna brak ik mijn been met het skiën. Mijn scheenbeen was net onder de knie versplinterd door een torsiebreuk. Ik kon een tijdlang helemaal niks. Ik zag toen hoe mijn vrouw leefde, hoe ze haar gang ging. Enfin, van het een komt het ander. En nu is het oorlog.

“De kinderen zijn na de breuk een jaar bij mij geweest. Mijn vrouw heeft mij altijd verweten dat wij uit Londen zijn vertrokken. Zij was daar graag, ik niet. Bovendien was het te duur en we hadden dit mooie huis in Madrid, waar ik nu nog woon. Zij is nu terug naar Londen en ze heeft de kinderen mee. Ik weet niet van wat ze daar leeft.

“De laatste maand hoor of zie ik mijn kinderen niet. Victoria is 14, zij en ik waren twee handen op één buik, maar nu ben ik de slechte. Via Victoria sprak ik vroeger met Cristian, mijn zoon van 9. Dus nu ook niet meer. Ooit komen ze terug, daar troost ik mij mee.

“Ik heb altijd alles voor mijn kinderen gedaan, maar terugkeren naar Londen vond ik erover. Londen is fiscaal interessant als je, zoals ik destijds, geen Engels inkomen hebt en een niet-gedomicilieerde resident bent. Dat voordeel was weg, maar niet het nadeel: het leven is er enorm duur. Bovendien wilde ik al na een jaar weg uit Londen, maar voor mijn vrouw ben ik gebleven.”

Van de zomer werd mij gesignaleerd dat je failliet was gegaan.

(haalt de schouders op) “Dat faillissement ging om één bedrijf. Ik ben zelfstandige en ben met dingen bezig. Ik kan daar niet te veel over kwijt omdat ik tegelijk in een complexe financiële situatie zit die nog eens wordt bemoeilijkt door een zeer moeilijke scheiding. Niemand hoeft zich zorgen te maken om mij. Het is niet meer zoals vroeger, ik pas iets beter op. Vooral voor mijn ex, die is zeer inhalig. Ze heeft al een zaak aangespannen tegen mij voor een Britse rechtbank, maar die vonnissen zijn hier moeilijk uitvoerbaar.”

Zeg nu eens hoe het echt met je gaat?

“Je zei dat je op sociale media zag dat het goed met mij ging, maar dat is niet de werkelijkheid. Met alles wat ik de laatste zes jaar op mijn kop heb gekregen, is het een wonder dat ik nog rechtsta. Ik heb veel nachten wakker gelegen: gewoon de slaap niet kunnen vatten van het piekeren. Ik ben grijzer geworden en mijn haar is dunner, allemaal van de miserie.

“Steun? Van de familie wel, natuurlijk. Ik train de zoon van mijn zus, die bij de beloften rijdt. Ik mag geen wielrenners trainen, familie uitgezonderd. Vrienden in België hoor ik ook geregeld. België is mij niet vergeten. Anderen uit de wielerwereld? Bijna niemand, zelfs niet de mensen die ik van straat heb geholpen. (Midden in het gesprek krijgt hij berichtjes, onder meer van Bradley Wiggins, HV)

“Bradley verzamelt shirtjes. Ik verzamel fietsen, een dure hobby. Ik heb oude originele fietsen van alle renners die op mij indruk hebben gemaakt en die laat ik restaureren. (toont een foto op de iPhone) Hier, de Faema-fiets van Merckx, perfect nagebouwd door Masi, de originele fietsenbouwer. Ooit komen ze van pas in mijn plannen.”

Vlucht jij in tranen, vrouwen, therapie, wijn?

“Ik drink graag wijn, maar nooit alleen thuis. Vrouwen? (lacht) Even genoeg van, maar ik heb vriendinnen. Tranen? Neen, ik ben een West-Vlaming. Therapie hoef ik ook niet. Of toch wel: met de velo rijden.”

Eens een renner, altijd een renner.

“Door die beenbreuk. Fietsen, zei de chirurg. Fietsen in Madrid is levensgevaarlijk, althans op de weg. Dus werd het mountainbike en dat beviel mij buitengewoon. Ik fiets soms met veel beter getrainde atleten dan ik, maar bergop doe ik met die gasten wat ik wil. Raar vind ik dat.”

Ik hoop dat je je hematocriet niet controleert?

“Neen, echt niet. Ik rijd wel op hartslag en als ik ga fietsen – drie, vier keer per week – dan is dat met een trainingsdoel. Pedaaltred, coördinatie, hart, longen, als je van jongs af aan hebt gekoerst, dan heb je dat en dat hou je. Deze ochtend ben ik met wat weekendrijders op pad geweest. Een beetje traag, maar wel goed gezelschap om wat te babbelen. Morgen ga ik alleen en dan gaat het sneller.”

Geen zin om met Lance Armstrong te gaan rijden in Colorado, of is dat te link? Ze willen daar nog 1,6 miljoen dollar van jou.

“Ik denk wel dat ik de VS binnen geraak. Wat er nog speelt, is een burgerrechtelijke procedure, maar ik heb geen ambitie om dat uit te proberen. Lance heeft gezegd dat hij weleens mijn kant uitkomt. Nu gaat het goed met hem. Hij heeft ook zware problemen gehad. Onderschat niet wat zo’n zaak met een mens en zijn gezin doet. Onder meer die schadevergoeding hing als een zwaard boven zijn hoofd, maar hij heeft in mei kunnen settelen voor 6 miljoen. Nog veel geld, maar geen 100 miljoen meer.”

De eerste keer dat het bij jou is gaan dagen dat de hemel op jullie hoofd zou kunnen vallen, was dat met dat boek L.A. Confidentiel in 2004, van Walsh en Ballester?

“Daar stond al een en ander in: mensen die van alles wisten hadden hun mond voorbijgepraat. Maar de trigger voor alles is de comeback van Lance geweest in 2009. Zonder die comeback zouden wij vandaag niet spreken. En was Lance geen Amerikaan, dan zou er ook niets aan de hand zijn. USADA baseerde zich op een federaal onderzoek in de VS om actieve sporters onder druk te zetten. Wat eigenlijk niet mag.

“Toen Lance over een comeback sprak, heb ik hem gewaarschuwd: alles is veranderd, niks is nog toegelaten, en Alberto Contador rijdt zeer rap omhoog. Ik wist dat hij Contador in 2009 niet aankon. Ik vind zijn derde plaats in die Tour van 2009 nog altijd een hele knappe prestatie.”

In de film The Armstrong Lie zie je hem vloeken als Contador hem klopt in die proloog in Monaco.

“Die film heb ik nooit gezien. Ik heb ook nooit één van die boeken gelezen. Ik weet wat er echt is gebeurd en als ik dan zie hoe het allemaal zo eenzijdig, zonder context wordt voorgesteld, laat maar…

“Ik heb mijn verhaal gedaan bij TAS. Zeer nederig, jawel. Ik had de indruk dat ze mij begrepen. Ik ben in 1999 sportdirecteur geworden. Ik was 34 en wist hoe het peloton rondreed. Ik heb gekozen voor controle en voor de gezondheid. Hematocriet hoger dan 48: niet starten. Tom Danielson kwam in bloedvorm toe voor de Ronde van Catalonië, maar had 48,5. Naar huis, kniepijn was de reden. Ik heb nooit geweten dat bij iemand van ons het hematocriet kunstmatig naar beneden is gehaald. We hebben ook nooit een fuck-up(bedoeld wordt: een dopinggeval, HV) gehad. En dan maar zeveren dat wij op voorhand waren ingelicht… Bullshit.”

Armstrong was een superatleet en dat heeft hij bewezen als age grouper tegen de wereldtop in het triatlon.

“Hoe die nu nog tekeergaat. Op zijn 21ste werd hij al wereldkampioen. Dat was in 1993, hij zonder epo tegen een peloton dat wel op epo reed. Weet je wat zijn en onze sterkte was? Niet onze doping, maar zijn mentaal overwicht. Wat hij deed in koers, grensde aan het onmogelijke.”

Niet dat jullie fraudeerden was het probleem, maar dat jullie zo véél wonnen. En vooral de manier waarop.

“Dat klopt. Wij creëerden een mythe die er helemaal niet was. Lieten wij uitschijnen tegen een plaatselijke journalist dat Armstrong op training zes keer achter elkaar l’Alpe d’Huez naar boven was gereden, dan stond het in alle kranten. In het echt was hij de tweede keer niet eens boven geraakt, zo slecht was hij uit de VS gearriveerd.

“Die speciale tijdritfiets, weet je dat nog, de one million dollar bike? Smaller aan de cranks om beter door de wind te snijden, enfin, een heel verhaal. Wat was de realiteit? Lance was uit vorm naar Murcia gekomen, raakte geen meter vooruit, en al helemaal niet op die fiets. Hij wilde er niet mee rijden. Trek, Nike, Giro, Oakley waren bij dat project betrokken en hadden een hele campagne opgebouwd. Ze waren in alle staten. Dus reden wij gewoon níét met die fiets maar hielden wel het verhaaltje levendig. En iedereen trapte daar in.

“Jan Ullrich zag ons en hij was al geklopt. Soms lachten we daarmee. Aan die overmoed zijn we ten onder gegaan, en door foute inschattingen, zoals de bekentenis van Lance bij Oprah. Blijft hij daar weg, dan is er geen sprake van die spijtoptantenzaak die Floyd Landis tegen hem heeft aangespannen namens de Amerikaanse staat, en die Landis bijna een miljoen dollar heeft opgebracht. Die show bij Oprah is in zijn aangezicht ontploft, dat weet Lance inmiddels ook.”

Je betuigde onlangs je spijt, maar heb je niet vooral spijt dat jullie zijn ontmaskerd?

“We hebben geen spijt over de prestaties. Lance hééft zeven keer de Tour gewonnen. Wat de doping betreft, heb ik spijt dat we deel uitmaakten van die generatie die niet zonder epo kon. Ik kan ook geen spijt hebben over de aanklacht dat ik renners tot doping heb aangezet, want dat heb ik nooit gedaan. Die renners wisten heel goed waar de mosterd werd gehaald. Dave Zabriskie, die nu samen met Landis cannabisolie verkoopt, hing een heel verhaal op over hoe ik hem aan de doping heb gebracht. Welnu, dat is compleet verzonnen. Hij heeft er zelf om gevraagd. De vraag kwam altijd van de renners. Ik zou daar niet over liegen als het anders was.”

Is een genuanceerde erfenis Armstrong-Bruyneel onmogelijk?

“Het is erg dat UCI-voorzitter David Lappartient Bradley Wiggins onder zijn voeten geeft omdat die Armstrong als een icoon ziet.
Nog erger: Christian Prudhomme die zegt dat Armstrong voor hem niet bestaat. Wie denk je dat de Tour commercieel groot heeft gemaakt? Niets tegen Alberto Contador – fantastische coureur en goeie gast – maar hij is ook een Tour kwijt door doping en vandaag is hij ambassadeur van de Tour. Hoe hypocriet is dat?”

Wat brengt de toekomst?

“Lance en ik hebben plannen om iets samen te doen, maar daar kan ik echt niets over kwijt. Ik werk ook aan een boek. Pokerface is de titel. Tegen de Tour moet het er liggen. Ondertitel: ‘De ongemakkelijke waarheid van het profwielrennen’.

“Ik mis de wielersport niet. In 2007 wilde ik er al uit. Ik had wel liever zelf besloten hoe en wanneer ik was gestopt. Maar ooit kom ik terug. In het wielrennen, jawel. Ik zou graag een tiende Tour winnen. In welke hoedanigheid, dat vertel ik pas als het concreet is.

(denkt na en geeft wat geheimen prijs) “Mooi plan, niet, om al die ellende achter mij te laten? Sinds 1999 draai ik mee in een mallemolen en nogmaals, ik heb veel fouten gemaakt, veel mensen afgesnauwd, ben arrogant geweest, maar het is wat het is. Zelf heb ik ook vaak diep gezeten. Ik moet ook verder.”

BIO Johan Bruyneel, de renner

geboren op 23 augustus 1964, in Izegem opgeleid als baanwielrenner, werd prof op de weg tussen 1987 en ’98.

won twee Touretappes in 1993, waaronder toen de snelste ooit

zevende in de Tour van 1993

derde in de Vuelta van 1995

raakte wereldwijd bekend om zijn val in een ravijn in de afdaling van de Cormet de Roselend in de Tour 1996, waar hij zelf meteen uit klauterde

reed voor SEFB, Lotto-SuperClub, ONCE, Rabobank en weer ONCE BIO

De ploeg-leider/ manager:

vanaf 1999 ploegleider van Lance Armstrong bij US Postal (1999-2004), Discovery Channel (2005-’07), Astana (2008-’09) en RadioShack (2009-’12)

Won zeven keer op rij met Armstrong als kopman de Tour leidde ook Alberto Contador naar twee Tourzeges

in oktober 2012 door de Amerikaanse dopinginstanties beschuldigd van het organiseren, faciliteren, aanzetten tot en vervoeren van doping.

in 2014 voor tien jaar verbannen uit de sport, omgezet in oktober 2018 in levenslang

Column over Importtalent in De Morgen van maandag 10 december 2018

Importtalent

Filip Ingebrigtsen (25) uit Noorwegen is in het Nederlandse Tilburg Europees veldloopkampioen geworden. De Ingebrigtsen-broertjes uit Sandness bij Stavanger, die door hun vader worden getraind, zijn fenomenen. Filip is de middelste. Hij was regerend Europees kampioen op de 1.500 meter, maar die titel kon hij deze zomer niet verdedigen omdat hij was gevallen in de halve finale.

Op slag werd zijn oudere broer Henrik (27) de nieuwe favoriet voor de finale. Daarin werd hij geklopt door zijn 17-jarige broer Jakob, die een dag later de 5.000 meter zou winnen. Filip Ingebrigtsen hield gisteren een vloot genaturaliseerde Kenianen en andere Afrikanen af.

Het kan niet anders of het EK veldlopen moet het favoriete sportevent van Theo Francken zijn. Tot gisteren waren de laatste tien edities acht keer gewonnen door Afrikaanse migranten. Ingebrigtsen is een ras-Europeaan, maar toch vooral een ras-loper uit een ras- sportland.

Afrikaanse importvoetballers kennen we al langer. Importlopers zijn een vrij recent verschijnsel en ze verschillen van de voetballers omdat ze zo snel mogelijk van nationaliteit veranderen. Waarvoor overigens begrip, want in hun geboorteland zouden ze er nooit aan te pas komen.

Het EK wordt sinds 1994 gelopen en de eerste twaalf edities zijn door geboren Europeanen gewonnen, waarvan de helft door Sergei Lebid uit Oekraïne. In 2006 in Italië kwam de eerste Afrikaan piepen: Mo Farah won, Somalië boven. Farah was een genaturaliseerde Brit, de enige wereldtopper die ooit op een Europees crosspodium stond. Later zou Farah de olympische titels aan elkaar rijgen als kraaltjes en vandaag loopt hij marathons.

Na Farah was het weer twee keer de beurt aan Lebid, die ook in 2010 nog eens zou winnen. Zijn zegereeks werd onderbroken door een Ethiopische Spanjaard, Alemayehu Bezabeh. In 2011 was het de beurt aan een andere Ethiopiër, Atelaw Bekele, namens België nog wel. 2011 was zijn topjaar en nadien verdween hij in de anonimiteit.

In 2012 won nog eens een bleke Europeaan, de Italiaan Andrea Lalli, opgevolgd door Bezabeh. Daarna won vier jaar op rij een Turkse Keniaan. Op Mo Farah na, zijn de nieuwe Europeanen geen A-Afrikanen, althans wat lopen betreft, zelfs geen B- of C-Afrikanen, maar een genetisch doorslagje van de beter gemotoriseerde versies die in Kenia en Ethiopië zijn gebleven om daar hun lopende boterham te verdienen.

Isaac Kimeli (24) bijvoorbeeld, die voor België gisteren zilver won, is een geboren Keniaan die er op wereldniveau voorlopig niet aan te pas komt. Hij kwam met zijn ouders naar België, niet om te lopen maar voor een beter leven.

Dat geldt ook voor de in Ethiopië geboren Dame Tasama (31 al), die al veertien jaar in België was voorleer hij gisteren voor het eerst in een Belgisch shirt aan de start van een loopwedstrijd stond. Hij eindigde op een kleine minuut van de winnaar, op de 21ste plaats. Tasama werd al in 2017 Belg, maar de Internationale Atletiekfederatie (IAAF) doet er lang over om atleten van nationaliteit te laten veranderen, tenzij je als land kunt lobbyen of – zoals in het verleden – de IAAF-top omkoopt.

Gelukkig zijn wij zijn geen Bahrein aan de Noordzee. Wij kopen geen talent. Bahrein won zijn eerste olympische gouden medaille ooit in juli 2012 in Londen met de Ethiopische Zenebech Tola op de 1.500 meter. Vier jaar won de Keniase Ruth Jebet de 3.000 meter steeplechase. Zij was al op haar zestiende omgepraat/ omgekocht om naar Bahrein te komen nadat ze een loopwedstrijd op school had gewonnen.

Bahrein reisde met 35 atleten af naar de Spelen in Rio. Meer dan de helft van de sporters was genaturaliseerd en kwam uit Ethiopië, Kenia, Marokko, Rusland en Nigeria. Het land heeft in totaal drie medailles behaald in tien Olympische Spelen, alle drie door import- Afrikanen.

Ook Turkije is een land dat actief rekruteert in Afrika. Of in Bulgarije, als ze nood hebben aan gewichtheffers. Een extra voorwaarde om genaturaliseerd te geraken in Turkije is afstand doen van de geboortenaam. Afbleken hoeft nog net niet. Gisteren streed Isaac Kimeli met Aras Kaya en Kaan Kigen Özbilen. Twee donkere jongens, zo donker maken ze die niet in Turkije. Ze komen uit Kenia en heetten ooit Amos Kibitok en Mike Kipruto Kigen.

De Belgische sport koopt geen buitenlanders, maar omarmt migranten die zich in de sport bewijzen en ondersteunt hen in hun ambitie net zoals ze identitaire Vlamingen, Walen of Brusselaars zou steunen. En we noemen ze ook geen Janssens of Dubois. Het is maar een suggestie: de winnaar van het rondje Maximiliaanpark voorrang geven bij het Klein Kasteeltje, is dat geen idee?

 

Importtalent

Column over de Sportprijzen in De Morgen van zaterdag 8 december 2018

Prijzentijd

In Nederland was er heel wat te doen de laatste weken over het Sportgala, waar onder meer de Sportman, Sportvrouw en Sportploeg van het Jaar worden bekroond. Het is, aldus columnist Thijs Zonneveld, appels met peren vergelijken en of ze daar niet beter mee ophielden.

Ik denk dat hij een beetje pissed was dat er opmerkingen kwamen over Tom Dumoulin. Domme opmerkingen, zoals dat die terecht niet de laatste drie had gehaald want dat hij toch niks had gewonnen en zo. Andere kritiek viel te beluisteren over de Sportvrouw van het Jaar. Haar coach was namelijk wel genomineerd (Raemon Sluiter), maar tennisspeelster Kiki Bertens niet. Bepaald vreemd.

Wat die appels en peren betreft, dat klopt helemaal en dat maakt het juist boeiend. In Nederland zelfs extra boeiend omdat de prijzen grotendeels worden toegekend aan de atleten dóór de atleten. Daar doen wij in België niet aan. De hoofdmoot van de stemmen komt bij ons van de sportjournalisten – houders van een sportperskaart is af en toe een betere omschrijving – en die stemmen soms voor iemand uit hun sport of van hun taalrol. Door koppigheid, heilige overtuiging of oogkleppen.

Het Belgisch Sportgala is op 22 december.

Eden Hazard, Koen Naert, Bart Swings. Bij de mannen.

Nina Derwael, Emma Meesseman, Nafi Thiam. Bij de vrouwen.

Zijn de supergenomineerden, in alfabetische volgorde, maar als ik de stemming onder de collega’s een beetje kan peilen, zou dat ook weleens de echte volgorde kunnen zijn. Ik zou dat jammer vinden want ik heb een andere tiercé.

Ik had Bart Swings op één, Victor Campenaerts op twee en Thibaut Courtois op drie. Waarom geen Koen Naert? Omdat ik die andere drie hoger inschat op de mondiale meetlat. Een Europese titel op de marathon is niet niks, het is zelfs heel wat, maar een derde plaats op een WK en een Europese titel, telkens in tijdrijden, dat zijn gewoon betere prestaties. Naert zal nooit derde van de wereld worden op de marathon en dat weet hij als geen ander.

Nog een geluk dat de prestatie van Campenaerts van de week door zijn biotoop wel correct was ingeschat – al was de voorsprong op Yves Lampaert in de Kristallen Fiets niet zo groot. Die wielerwereld heeft zich trouwens van zijn moderne kant getoond door bij de mannen een tijdrijder te bekronen die nog nooit een wegkoers heeft gewonnen en bij de vrouwen met Nicky Degrendele een baanwielrenster die wereldkampioen is geworden in een discipline die bij ons nooit wordt georganiseerd (keirin). Voorwaar hulde.

Het probleem met dat soort verkiezingen is het benchmarken. Sinds onze beroepsgroep in 1999 de winnares van het toernooi van Luxemburg, in de finale tegen een andere Belgische (Dominique Monami), enkele maanden later tot Sportvrouw van het Jaar bombardeerde, heb ik niet al te veel vertrouwen in de benchmark die de collega’s hanteren.

De eerste vraag die we ons moeten stellen: wat is het hoogste podium waarop een sportman kan presteren? Voor alle sporten zijn dat de Olympische Spelen, voor voetbal is dat de worldcup. Aangezien we geen wereldkampioen hebben bij de mannen, is de tweede plaats van Bart Swings in het schaatsen de hoogst aangeschreven prestatie.

Wie wil vergelijken tussen grote en kleine sporten begeeft zich op glad ijs. Voetbal is een grotere sport dan schaatsen, maar in de finale van Swings deden vier werelddelen mee. In de kwartfinale van de worldcup zaten nog twee werelddelen en bij de laatste vier bleven alleen nog Europese landen over.

Brons in een ploegsport kan voor een individuele prijs nooit hoger worden ingeschat dan zilver in een individueel nummer en toch wordt Eden Hazard wellicht Sportman van het Jaar, wat dan weer te maken heeft met de communautaire stemmen. Bovendien heb ik Thibaut Courtois op drie gezet, gevolgd door Kevin De Bruyne en dan pas Eden Hazard. Die nam een halve snipperdag toen we hem het meest nodig hadden, tegen Frankrijk, maar Courtois keepte een heel toernooi op erg hoog niveau.

Bij de vrouwen heb ik de drie wereldkampioenen op één-twee-drie gezet: Nina Derwael (gymnastiek), Emma Plasschaert (zeilen) en Nicky Degrendele (keirin). Eenvoudiger kan toch niet?

Wereld- en Europees kampioene aan de brug Nina Derwael heeft al alle mogelijke prijzen gewonnen, maar dat was een juryprijs van kenners (Trofee voor Sportverdienste), een puur Vlaamse prijs (Sportjuweel) en ook nog de Vlaamse Reus. Voor Sportvrouw van het Jaar moet ze voorbij de chouchou van de Franstalige pers, Nafi Thiam. Het zou een godgeklaagde schande zijn als een wereldkampioene in een van de sterkst bezette en meest mondiale olympische nummers het zou moeten afleggen tegen een Europese kampioene in een van de zwakst bezette atletieknummers van de laatste twintig jaar.

 

 

Prijzentijd

Verhaal over de jeugd in het voetbal in De Morgen van zaterdag 1 december 2018

Alle macht aan de jeugd

Anderlecht trekt voluit de kaart van de jeugd: afgelopen weekend stuurde paars-wit tegen Sint-Truiden een half elftal tieners het veld op. Maar niks is moeilijker dan voorspellen óf en wanneer wie klaar is voor het echt grote werk. Niet elk talent groeit uit tot een kampioen.

Hans Vandeweghe

Jonkies zijn het, snotneuzen die de ballen moeten dragen. Ze mogen met het eerste elftal meetrainen, met de klemtoon op mógen. Als ze te veel praatjes krijgen, of een gevestigde waarde dollen, krijgen ze van een stamoudere een beuk. De Bruyne die Januzaj torpedeert op training tijdens de World Cup, dat werk.

Wie zijn voet zet bij de groten en zich in actie bewijst, kan rekenen op wijde waardering van medespelers, de staf, het bestuur en het publiek. Niet te vergeten in het voetbal, ook het clubmanagement dat zich in de handen wrijft: weer eentje met meerwaarde, weer eentje om te verkopen.

Royal Sporting Club Anderlecht heeft dit weekend een record gevestigd voor een kandidaat-kampioen: vijf tieners in de basis en een zesde ingebracht in de slotfase tegen STVV. De jonkies deden het prima, het waren oudere, ervaren spelers van 29 en 24 die in de fout gingen. Er werd verloren, maar winst had ook gekund.

Onthou de namen: Sebastiaan Bornauw, 19 jaar, Albert Sambi Lokonga, 19, Alexis Saelemaekers, 19, Francis Amuzu, 19, Yari Verschaeren, 17. Werd ingebracht: Jérémy Doku, 16. ‘In Youth We Trust’ was ooit de slogan van Anderlecht, tot het een handelshuis werd voor de import en export van spelers op wie snel winst kon worden gemaakt. Die politiek ging ten koste van de aanwezige talenten. Nicolas Raskin, kapitein van de U17 die afgelopen zomer de halve finale van het EK speelde, verruilde in mei 2017 het grote Anderlecht voor AA Gent, precies omdat hij geen kans zag om zich bij paars-wit in de eerste ploeg te spelen.

Ajax en PSV achterna

Dat wilde het nieuwe Anderlecht niet meer laten gebeuren en toen Marc Coucke er arriveerde, was een van de eerste beleidsdaden het vastleggen van de grootste talenten. Coucke: “We hadden er dertien op het oog. Twaalf hebben getekend. Eliot Matazo is de dertiende en hij ging naar AS Monaco. De tijd zal uitwijzen of dat verstandig was.”

De recente koerswijziging van Anderlecht, vertaald door kersvers sportief directeur Michael Verschueren in zijn eerste persconferentie deze week, is deels te verklaren door opportunisme. Waren er geen tien geblesseerden, dan stonden die zes tieners vorig weekend niet tussen de lijnen. Zo’n opmerking krijgt Hein Vanhaezebrouck op zijn paard.

(blaast) “Zeker vergeten dat ik destijds bij KV Kortrijk al de negentienjarige Sven Kums heb gebracht? En de even oude Cheikhou Kouyaté? Ik hoor dat de trainers van Anderlecht twee talenten per seizoen moeten brengen. Ik ben hier een jaar en heb er al tien of elf gehaald. (lacht) Ik ben hier goed voor vijf jaar.

“Ge-haald, ze zijn mij niet gebracht. Toen ik hier aankwam en naar de beloften ging kijken, deed Saelemaekers niet mee, zat Bornauw op de bank, speelde Sambi ergens hoog op rechts en zat Amuzu ook op de bank. Twee maanden later zaten ze bij mij.”

Anderlecht wil Ajax en PSV achterna, wil ook de talenten langer aan zich binden in de hoop prijzen te winnen, maar doet het historisch beter dan zijn concurrenten als het op doorgroeien van eigen jeugd aankomt. Zowel Club Brugge als Anderlecht lieten de voorbije vijftien jaar dertig talenten uit de eigen jeugd debuteren in het eerste elftal. Bij Anderlecht slaagden er zeven, met Vincent Kompany (nu Manchester City) en Romelu Lukaku (Manchester United) als boegbeelden. Bij Club Brugge drie: van hen is Björn Engels van Reims de bekendste. Ook KRC Genk deed beter dan Club en heeft met Kevin De Bruyne en Thibaut Courtois ook twee sleutelspelers van de Rode Duivels.

“West-Vlamingen hebben wat meer tijd nodig”, beweerde hoofd opleidingen Pascal De Maesschalck van Club Brugge deze zomer. Een iets logischer uitleg zou kunnen zijn dat de speelstijl van Club Brugge – no sweat, no glory – lastiger is voor een jonge speler om in door te breken dan in het paars-witte (zelfverklaarde) champagnevoetbal. Dat was de laatste jaren helemaal weg en tot dit jaar waren Youri Tielemans en Leander Dendoncker van de klas van 2013 de laatste grote namen. Al is Dodi Lukebakio ook aardig op weg na zijn hattrick met Fortuna Düsseldorf tegen Bayern München.

Om het concept ‘jeugd’ en ‘jong’ te bepalen, is het van belang om de ideale leeftijd voor elke sport te kennen. Internationaal zijn er studies over de Olympische Spelen die uitwijzen dat je op je best bent op je 19de in vrouwengymnastiek, het ene uiterste, en 32,6 jaar in het schieten, het andere uiterste. Van de fysieke sporten zijn beachvolleybal en zeilen, sporten waarin ervaring het altijd haalt van de jeugd, uitschieters met gemiddeld dertigplussers.

In het voetbal beperkt men zich vaak tot het gemiddelde van de selecties. Als we er mogen van uitgaan dat op een World Cup de beste spelers per land worden geselecteerd, dan weten we dat Panama de oudste ploeg had met 29,4 jaar gemiddeld. IJsland en Costa Rica kwamen ook aan 29 jaar. België stelde een elftal op van gemiddeld 27 jaar. Frankrijk bleef altijd onder de 25 jaar. Nigeria had dan weer de jongste ploeg met 24,9 jaar gemiddeld.

In de Champions League van dit jaar stelde Ajax het tweede jongste elftal op met 23,8 jaar. Maar Real Madrid zit dan weer al jaren dicht bij de 30 en won de laatste edities. Er is geen correlatie tussen leeftijd en resultaat, dat is duidelijk.

Het onderzoeksinstituut CIES Football Observatory stelt in een van zijn rapporten: “Een performante jeugdacademie is geen garantie op succes. Het is hooguit een bewijs dat de club nadenkt over de toekomst en vooral van belang om het beeld van de club als een instituut te bevestigen.”

Dries Mertens

Anderlecht wil een instituut zijn en stelt het ook net iets mooier voor dan het is. Zo pakken ze straks internationaal uit met de zeven Anderlecht-producten die de kern haalden van de Rode Duivels, nummer één van de FIFA-ranking. Daarbij wordt ook Dries Mertens geteld, die op zijn zestiende door de paars-witte jeugdacademie werd afgeserveerd en naar Gent trok, om vervolgens een odyssee langs Eendracht Aalst en diverse Nederlandse clubs te beginnen. Het was Nederland dat hem erbovenop hielp.

Stijn Indeherberge, twee jaar teamarts van PSV en eerder van KRC Genk, kan de twee landen vergelijken. “In Nederland wordt nog meer gemonitord, zijn nog meer mensen bezig met de opvolging van de beloftevolle jonge spelers, maar de basisfilosofie van Genk en die van PSV verschillen weinig. Wat wij in Nederland wel vóór hebben op België, is dat onze belofteploeg in de Nederlandse tweede klasse meespeelt. Dat komt de intensiteit ten goede.

“Het voetbal is in Nederland ook meer op techniek gestoeld dan in België, dat beeld klopt ook. Als die jonge talenten bij de eerste ploeg komen, verschilt alleen de handelingssnelheid. Fysiek zijn ze zo goed als klaar.

“Nog een verschil met België: bij ons is het normaal dat ze drie dagen per week van 8 tot 5 op de club zijn. Dat wil niet zeggen dat ze altijd twee keer trainen – of toch wel, maar dan een ander soort training, zoals visualisatie, kracht of zelfs yoga. Als je dat in België vraagt, in de namiddag trainen, krijg je gemor. In Nederland is ook nooit een speler te laat.”

Opleiding als alibi

Er zijn uitzonderingen, maar over het algemeen is België een alibi-opleidingsland. In een studie die negen seizoenen omvatte,
vond CIES Football Observatory dat België van alle 31 onderzochte Europese landen op plaats zeven stond in de categorie leeftijd. Gemiddeld waren de voetballers van de Belgische eersteklassers 25,3 jaar oud, maar de spelers die minuten kregen waren gemiddeld 26,3 jaar. Kroatië spande de kroon als jongste competitie met 24,3. Cyprus was dan weer de oudste competitie met 27,5, maar de oudste ploegen vind je doorgaans in Italië.

AS Trencin uit Slowakije was de jongste kampioen ooit in Europa met een gemiddelde leeftijd van 21,7 jaar in 2014. In de winter van 2014 was ene Moses Simon daar geland en hij maakte Trencin mee kampioen. In de winter van 2015 verkaste Simon naar België en hij maakte ook AA Gent kampioen.

In de top tien van jonge Europese kampioenenteams springen er twee in het oog: Ajax Amsterdam in 2012 en PSV Eindhoven in 2014. Van Belgische teams en hun jeugd geen spoor. De Nederlandse kernen zijn gemiddeld niet eens een jaar jonger dan de Belgische. Het grootste verschil is evenwel de stabiliteit van de clubs, het verloop van de spelers: in België tekenen de club trained players
(drie jaar bij de club tussen 15 en 21 jaar) voor amper 6 procent van de gespeelde minuten. In Nederland is dat drie keer meer. Daar worden de speelminuten door 33 procent buitenlanders volgemaakt. In België is dat 64,6 procent.

Fiscaal steuntje

België heeft een heel gunstige belastingregeling voor voetballers en meer in het bijzonder voor jonge spelers. Op een salaris van 14.000 euro bruto per maand (de helft van het gemiddelde in het Belgisch voetbal) moet 6.610 euro bedrijfsvoorheffing worden betaald. Van die 6.610 euro moet een professionele sportclub slechts een vijfde doorstorten. De rest blijft voor de club. Voor spelers ouder dan 26 moet de helft van het teruggestorte bedrag naar de jeugdwerking gaan. Daarmee kunnen ook de lonen van jonge spelers worden betaald, vaak goedkope buitenlanders, door de bijzonder lage instap voor niet-EU-voetballers. In de praktijk is de controle daarop zo goed als onbestaande.

De gemiddelde leeftijd van de Belgische kampioen is met 24,98 jaar de vijfde jongste van heel Europa en die ligt nauwelijks boven die van Nederland: 24,19. Wil dat zeggen dat onze kampioenen rolmodellen zijn in het geven van speelkansen aan jonge spelers? Neen. Dat wil zeggen dat de jonge talenten in Nederland volop kansen krijgen terwijl onze ploegen uiterst geslepen zijn in het samenstellen van een kern die jong genoeg is om van alle voordelen te profiteren en waarmee toch een deftig, stevig en ervaren basiselftal tussen de lijnen kan worden gebracht. De alibi-jeugd kan later worden doorverkocht.

Loopgravenoorlog

In de jeugdopleiding komt het erop aan het talent op het juiste moment te brengen, goed te omkaderen zonder te pamperen, niet te zwaar te belasten. Maar wanneer is een talent klaar voor het grote werk? Gert Verheyen, voormalig trainer van de U19 van de Rode Duivels en nu aan de slag bij KV Oostende: “Bij de U19 hebben wij Bornauw getest. Die presteerde als een 25-jarige, in dat geval moet je niet twijfelen. Ook niet als ze in zware wedstrijden tegen de jeugd van Frankrijk en Spanje bijvoorbeeld het voortouw nemen. Dan weet je: dat zit goed. Dat is het fysieke aspect.

“Vervolgens komt de rest. Let die speler op bij de tactische bespreking, stelt hij vragen, of is hij nog een speelvogel? Dat ze voetbal nog als een spelletje zien, heeft ook voordelen. Die onbevangenheid, daar kun je als coach wel wat mee, maar dat ze hun positiespel niet verwaarlozen en hun verdedigend werk doen, is in het moderne voetbal al even belangrijk.”

Voor Hein Vanhaezebrouck is het een mix van alles. “Ik vraag de testresultaten, bekijk hun loopafstanden en vooral hun meters
aan hoge intensiteit. Als dat oké is, neem ik hen bij de A-kern. Het helpt natuurlijk ook dat ze bij Anderlecht de laatste jaren hebben gekozen voor beloftetrainers die eerder eersteklassers hebben getraind. Emilio Ferrera vorig jaar en Jonas De Rouck dit jaar, samen met René Peeters die al die gasten al jaren volgt: zij weten mij perfect te vertellen of iemand mentaal klaar is om in de eerste ploeg mee te draaien.

“Anderlecht heeft de laatste jaren in de jeugd wel wat eenzijdig gerekruteerd: kleine jongens, snel, dribbelaars die in de bal komen. Geen snelle sterke jongens en al helemaal geen lange sterke voetballers als Kompany en Vanden Borre. Alleen Barcelona kan het met twee lange jongens en allemaal kleintjes.”

 

Jongeren die in het Belgisch voetbal hun streng trekken, hebben bewezen dat ze hun poot kunnen zetten, zoals dat heet. Of dat volstaat om door te groeien, is daarmee nog niet bewezen. De Belgische competitie is de spelversie van een loopgravenoorlog, heel moeilijk en heel fysiek. Buitenlanders schrikken van de intensiteit waarmee duels worden aangegaan en van de tactische discipline, vooral dan op verdedigend vlak. Ook de competitieformule leent zich niet tot veel frivoliteiten in het hoofd van de coach. Met de opdeling in play-offs zijn haast alle wedstrijden na Nieuwjaar belangrijk geworden. Op het moment dat in Nederland de helft van de wedstrijden belangeloos is, en kan worden geëxperimenteerd, wordt in België gebikkeld tot in mei. Het jonge, soms frêle talent in zo’n loopgravenoorlog sturen, is een risico.

“Jeugd brengen in onze competitie is niet evident”, vindt ook Gert Verheyen. “Ik speel nu met Wout Faes (20 jaar, ex-Anderlecht, HV) in de verdediging en die trekt zijn streng tegen de zware jongens, maar ik wacht echt op een moment om Indy Boonen (jeugdspeler van Genk die drie jaar bij Man. United speelde en nu bij KV Oostende, HV) te kunnen brengen. Ik hoop dat we zo snel mogelijk gered zijn en Play-off 2 spelen. Dan kan ik eindelijk aan de talentontwikkeling doen die mijn club voorstaat. Tot dan heb ik punten nodig.”

 

20181201_De-Morgen_p-78_Alle-macht-aan-de-jeugd-all-mail

Column over Vranjes in De Morgen van zaterdag 1 december 2018

Clubcultuur

 

Toekomstige spelers van Anderlecht zouden voortaan op voorhand worden gescreend en bij aankomst in de club worden doordrongen van de clubcultuur. Met andere woorden, ze zouden een uitleg krijgen over de lijntjes, waar die liggen en waarbinnen ze moeten kleuren en bij voorkeur met welke potloden.

De aanleiding voor dat statement van afgelopen woensdag was het gedrag van de Kroaat Ognjen Vranjes, de dure verdediger die deze zomer is gehaald van AEK Athene voor 3,2 miljoen euro, terwijl de site Transfermarkt 2 miljoen al ruim voldoende vond. Vranjes vond er niet beter op het gooien van een molotovcocktail door AEK-hooligans naar de Ajax-fans deze week te verheerlijken op Instagram. De verontwaardiging was groot. Die is ook vreemd. Vranjes is in Griekenland al eens veroordeeld tot een voorwaardelijke acht maanden gevangenisstraf voor het aanmoedigen van supportersgeweld. Ik wist dat niet, maar ik moet dat niet weten, Anderlecht wel.

Bijvoorbeeld dat Vranjes het best kan worden omschreven als een randdebiel op noppen. Bovendien is hij een Bosniër, een Servische Bosniër, die rondloopt met de afbeelding van een veroordeelde oorlogsmisdadiger op zijn arm. Daar is nu ook weer van alles om te doen, maar dat is bijzaak: de Balkan was altijd al een fout wespennest, is dat nog steeds en zal dat in lengte van jaren blijven.

Het beste bewijs is de landkaart van de Republika Srpska die hij… Als u die zin mag afmaken, zegt u ongetwijfeld… altijd op zak heeft… of iets van die orde. Maar neen, hij heeft de landkaart laten tatoeëren, op zijn arm. Het is maar een klein stukje land en hij heeft een brede arm, dus dat lukte net.

Moraal van het verhaal: zo’n gestoorde (veertien keer veranderd van ploeg in elf seizoenen) hebben ze bij Anderlecht binnengehaald en op een voetstuk geplaatst als hun defensieve leider. Behalve een passage in Turkije en het Spaanse Gijon heeft hij altijd in orthodoxe landen gevoetbald, waar Afrikanen – en dat is dat zacht uitgedrukt – niet altijd welkom zijn.

Naast die Bosnische Serviër met fascistische sympathieën heeft Anderlecht een timide zwarte jongen uit Denemarken gezet, die ze voor tweeënhalf keer het bedrag van Vranjes hebben gehaald. En nog wat donkere en blanke kinderen uit eigen kweek voor en naast hem, en dan vragen ze zich af waarom de mayonaise niet pakt.

Zo’n Vranjes-verhaal kwam je weleens tegen in het basketbal van de jaren 80. Ik herinner mij een fenomenale zwarte Amerikaan die bij Damme kwam spelen. De naam ben ik kwijt, maar die avond speelde hij de tegenstander helemaal zoek. Een nieuwe sensatie voor de Belgische basketbalzalen? Niet echt, een paar weken later was het al minder: hij had zijn eerste centen gekregen, eindelijk een dealer gevonden en het zot in zijn kop, waardoor hij het in de VS niet had gemaakt, was terug.

Elke voetbalclub heeft haar verhalen van spelers die met geen tien paarden in toom zijn te houden. Meestal hoor je dan: dat wisten we niet. Jammer, maar helaas, met een beetje meer inspanning had je dat moeten weten. Zo gek als Tottenham moet het ook niet natuurlijk. Die verstopten scouts in het struikgewas om Jan Vertonghen bezig te zien op training, en vooral op de momenten dat
de trainer niet keek. Het rapport zei: werkethiek voorbeeldig, geen tattoos, geen rare kapsels, stabiele relatie met vriendin uit de kunstensector. En o ja, hij kan voetballen maar dat wisten we al. Advies: halen.

Oké, de Premier League, dat is de top van de voedselketen. Die kopen in de betere designerzaken terwijl wij onze spullen/spelers halen in de soldenbakken van de Zeeman. Daar zijn af en toe goede zaakjes te doen, maar ook goedkope spullen keer je best drie keer om. Vranjes en andere beschadigde goederen uit de snelverkoop laat je best liggen.

Nieuwkomers moeten worden doordrongen van de clubcultuur, van de normen en waarden van de club. Het was niet exact in die bewoordingen dat daar van de week werd aan gerefereerd, maar het was iets van die strekking. Lovenswaardig initiatief, voorwaar. Ik zie het zo gebeuren. Moussa Subsahara of Dejan Ikannic die op het trainingscentrum van Neerpede, maar evengoed in Oostakker of Westkapelle of in de Genkse bossen arriveren en die in een bad clubcultuur worden gedompeld.

Moussa, Dejan, dit zijn de waarden van onze club, zo gaan wij met elkaar om, wij zijn één grote familie, wij beledigen niemand, we respecteren onze medemens. We zetten geen nieuwe tattoos zolang we hier zijn – de oude mag je houden. We rijden niet te snel. We passen op voor groupies. We doen het met condoom en we eten altijd en overal met mes en vork. Japanners zijn vrijgesteld (van vork en mes).

We doen ons best, luisteren naar de trainer. Die heet trainer of coach en de voorzitter heet voorzitter. De clubmanager kijken we niet in de ogen want dat loopt slecht af. Als je braaf bent en lang geblesseerd geraakt, zetten we je niet op de ziekenkas. Anders wel. Maar als puntje bij paaltje komt, is onze enige cultuur die van de kamelenmarkt: we hebben je gekocht en we willen je zo snel mogelijk met winst verkopen.

 

Clubcultuur