Over de schandalige Champions League in De Morgen van dinsdag 19 sep 2018

Meer geld voor minder clubs

Eén keer gelijkspelen in de Champions League en Club Brugge verdient evenveel als achtstefinalist AA Gent drie jaar geleden. Op het Europees kampioenenbal blijven de Belgische verdiensten evenwel kruimels.

KAA Gent is sinds de editie 2015-2016 de Belgische referentie in de Champions League: het won drie groepswedstrijden en ging er in de achtste finales eervol uit tegen Wolfsburg. De opbrengst voor de Gentenaars bedroeg afgerond 28 miljoen euro.

Zonder één bal goed te raken zit Club drie jaar later al aan 27 miljoen. Het startgeld bedraagt 15,25 miljoen, en daarbij komt
8,86 miljoen euro van de prestatiecoëfficiënt. Dat is een nieuwigheid, waarover verder meer. Samen maakt dat 24 miljoen, te vermeerderen met naar schatting 3 miljoen uit de ‘market pool’. Dat potje afkomstig van de sponsor- en tv-gelden wordt verdeeld aan de deelnemende landen op basis van de lokale waarde van de tv-contracten voor de Champions League.

Gent beurde daar nog 5,1 miljoen euro uit, een recordbedrag voor België, maar Club Brugge krijgt minder omdat het aandeel market pool in de totale pot gedaald is van 40 naar 15 procent. Het is afwachten tot november volgend jaar voor we het juiste bedrag kennen.

Vliegwiel

Stel dat Club Brugge zo stunt dat het niet alleen beter doet dan Gent door vier keer te winnen, maar doorgaat en doorgaat en nog eens doorgaat en de finale haalt en als klap op de vuurpijl wint, pakweg van Real Madrid. In dat geval verdient Club Brugge 62 miljoen euro extra. Die 27 miljoen euro is dan ineens 89 miljoen euro geworden.

En nu Real Madrid. Die hebben ook vier keer gewonnen in hun groep en krijgen 58 miljoen euro extra prestatiegeld. Die 4 miljoen verschil tussen Club en Real zit hem in de premie voor de winnaar. Real start wel met een grotere rugzak dan Club. Het krijgt ook die 15,25 miljoen startgeld, net als elk ander team, maar Real voert de ranking van de prestatiecoëfficiënten aan als best presterende team van de laatste tien jaar.

Real is nummer 1, Club is nummer 25. Elke plaats van onderaan te beginnen is een aandeel van 1,1 miljoen euro waard. Club heeft acht aandelen en krijgt dus 8,86 miljoen euro. Real Madrid krijgt 32 keer 1,1 miljoen, waardoor het al begint met 35,5 miljoen euro.

Opgeteld bij die 15,25 betekent dat een startgeld van meer dan 50 miljoen euro. Maar we zijn er nog niet, want Real heeft ook recht op marketpoolgeld: 20 miljoen extra marktgeld is een conservatieve schatting. Tellen we alles even samen? Club heeft de Champions League gewonnen, was dus de beste, en verdient 89 miljoen euro. Real was de op één na beste en zal net geen 130 miljoen euro verdienen.

Het kan nog absurder. Stel dat Club de finale wint en Real Madrid haalt ternauwernood de achtste finales, waarin het roemloos wordt uitgeschakeld. Dan verdient Real Madrid toch nog 5 miljoen meer dan Club.

Die ongelijke/oneerlijke verdeling is louter en alleen het gevolg van imago, marktwaarde en resultaten behaald in het recente verleden. Uiteraard houden die verband met de sterke positie in de voetbalmarkt, die op zich weer het gevolg is van structureel hogere inkomsten. Dat is het vliegwieleffect van de Champions League: nergens in de sport worden rijke clubs zo snel nóg rijker als in het Europees voetbal.

Ongelijkheid in het topvoetbal – ook binnen België – is simpel voor te stellen door de bestedingen van de clubs. Met het bedrag dat Anderlecht betaalde voor één speler (8 miljoen voor Sanneh) kan KV Kortrijk de hele sportieve werking – spelers, staf en operationele kosten – financieren. Club Brugge gaf 21 miljoen euro aan transfers uit deze zomer, een recordbedrag. Atlético Madrid hield zich rustig en gaf 210 miljoen uit. Monaco 168 miljoen, maar kreeg 234 miljoen binnen (tel uit de winst). En Dortmund, de derde tegenstander van Club, besteedde maar 100 miljoen en haalde en passant Axel Witsel uit China.

Het is niet de bedoeling dat Vormer en co. lang meegaan in de Champions League. De hele competitieformule is erop gericht tegen de lente de grootste Europese clubs tegen elkaar te zien voetballen. Competitief evenwicht is in het Europees clubvoetbal ongewenst. De beste teams zo vaak mogelijk tegen elkaar laten voetballen, dat is de Europese voetbalbusiness.

Superliga

Dat de tien rijkste teams al jaren onveranderd dezelfde zijn, is de schuld van de UEFA. Naarmate de opbrengsten van het Europees kampioenenbal stegen (zie grafiek) – alleen in 2004 zakten ze heel even – hebben de topclubs een steeds groter deel van de koek opgeëist.

Dit is de 27ste editie van de Champions League en het kwaad is geschied. De grote schande begon met de jaargang 1999-2000. In de aanloop naar dat seizoen hadden de grote Europese clubs een voorstel gekregen van enkele rijke Arabieren en Berlusconi om een Europese superliga op te richten. De UEFA deed het in de broek en formuleerde een tegenvoorstel: ineens was drie keer zoveel geld beschikbaar.

De topclubs speelden het hard en eisten dat de helft van het geld sowieso de grote voetballanden moest toekomen. De market pool was geboren: voor de helft van het geld was niet langer winst, verlies of gelijk spelen de verdeelsleutel, maar de waarde van de tv- contracten voor de Champions League per land.

Toen Michel Platini UEFA-voorzitter werd, schroefde hij het aandeel market pool terug van de helft naar 45 procent en uiteindelijk zelfs de laatste drie jaar naar 40 procent. Platini is weg, en nu het prijzengeld met de helft is gestegen, is weer een nieuwe verdeelsleutel uitgedokterd.

Het enige bedrag dat al die tijd solidair werd verdeeld, het startgeld, is nu zelfs gezakt van 30 naar 25 procent van de totale gelden. De prestatiepremies zijn gelijk gebleven, maar het marketpoolgeld is verminderd van 40 naar 15 procent.

In de plaats kwam de prestatiecoëfficiënt, die wordt bepaald door de resultaten van de laatste tien jaar in de Europese competities. Een herhaling van zetten: de grote clubs zijn zo slim om alle clubs een beetje beter te laten worden van elke verhoging van inkomsten, zolang ze er zelf veel beter van worden.

 

 

Champions League

Advertenties

Column over Grote motoren vs. Solexjes in De Morgen van maandag 17 sep 2018

Britse grote motoren versus Vlaamse solexjes

In de Giro stond een Brit op kop, maar hij viel van de kop weg. En toen won een andere Brit. In de Tour stond een Brit op kop die daar niet had moeten staan. Die andere Brit van de Giro had moeten winnen, maar hij won niet. In de Vuelta won een Brit(je) van 1,72 meter. De eerstvolgende Brit was zijn broer, op plaats 45. Net als in de Giro en de Tour deed ook een Nederlander mee om het podium.

De prestatie van de Britten is in die zin uniek dat drie verschillende renners de drie grote rondes domineren. Drie renners met
een andere achtergrond. Chris Froome, die de Giro in extremis pakte ten koste van Simon Yates, is een witte Keniaan die via het mountainbiken op de weg is beland. Geraint Thomas heeft het klassieke Britse wielerbaanmodel doorlopen tot en met olympisch goud. Hij is in die zin de nieuwe Bradley Wiggins, die in 2012 de Tour won.

Simon Yates komt ook van de wielerbaan. Hij was in 2013 wereldkampioen puntenkoers, een bijnummer, en verdween vervolgens uit het Britse opleidingsmodel om bij een Australisch team te tekenen, samen met zijn minder getalenteerde broer Adam.

Eerste quizvraag: wat hebben drie van de vier voornoemde Britten gemeen?

Ze hebben allemaal op de een of andere manier last gehad van astma of allergieën en zijn in opspraak gekomen met het gebruik van geneesmiddelen. Simon Yates miste zo de Tour van 2016 omdat voor zijn terbutaline geen therapeutische uitzondering werd aangevraagd. Alleen Thomas ontspringt hier de dans.

En nu kun je een hele boom opzetten en doorzagen over die al of niet vermeende astma en aanverwante dopingcultuur in het Britse wielrennen, maar dan verval je in simplismen. Het Britse succes in het rondewerk is niet terug te voeren op puffertjes. Hier is meer aan de hand. Hier is doelgericht gewerkt. Hier is talent opgespoord en ontwikkeld. En gescoord.

Tweede quizvraag: welke andere wedstrijden dan kleine en grote rondes hebben Britten gewonnen sedert 2010 in de UCI ProTour of UCI WorldTour?

Antwoord: twee. Geraint Thomas de E3 Harelbeke en Adam Yates de Clásica San Sebastián (allebei in 2015). Eigenlijk maar één want was Greg Van Avermaet niet door een motor overhoop gereden in de finale van de Clasíca, dan was Yates tweede geworden. Daartegenover staat dat de Britten elke meerdaagse wedstrijd al een paar keer hebben gewonnen.

De Belgen hebben niet meegespeeld in deze Vuelta, net als in de Tour, net als in de Giro en vermenigvuldig dat gerust met een jaar of veertig. Vaak geprobeerd, vaak ernaast gegrepen, tot Jelle Wallays (Lotto-Soudal) vorige donderdag tegen alle logica in voorop bleef en het afmaakte. Waarvoor hulde en al helemaal omdat hij onderweg gejend werd door een andere Belgische ploeg. Dat zal het oud zeer tussen de rooien en de blauwen geen goed hebben gedaan.

Evenzeer hulde voor Thomas De Gendt, die de bergtrui veroverde. Maar mag/moet het niet iets meer zijn? Vlaanderen is de
wieg van het wielrennen. Waarom sterft elke ronderenner hier de wiegendood? Jazeker, wij presteren beter dan de Britten in eendagswedstrijden (25 overwinningen in de Pro- of WorldTour sedert 2010), maar het een sluit het ander niet uit, zoals Nederland de laatste jaren bewijst.

Als het Vlaams wielermodel nog af en toe een winnaar voortbrengt, is dat puur toeval. De ontwikkeling van talent wordt hier gestuurd door het welbekende mand-met-eierenprincipe. Alle eieren (talenten) in een mand en die mand gooien we tegen de muur. Met het ei dat niet is gebroken, doen we verder en als we geluk hebben komt daar een winnaar uit.

Groot-Brittannië ligt links van ons op drie uur sporen. Nederland ligt ten noorden op een uurtje auto. Nederlanders en Britten verschillen in niets van Belgen, behalve de taal. Aan het genotype (de genetische aanleg) kan het dus niet liggen dat die landen wel groterondewinnaars voortbrengen. Het fenotype (genotype + omgevingsfactoren) is de oorzaak.

In ons Belgisch/Vlaams toevalmodel, waar de wielertalenten aan de bomen groeien, wordt niet doelgericht gewerkt. Wij ontwikkelen geen grote motoren omdat de wielercultuur dat niet toelaat en omdat we vanuit de bonden die archaïsche wielercultuur zelfs hebben gestimuleerd. Wij laten getalenteerde wielrennertjes opgroeien in een milieu dat bol staat van grootmoederwijsheden in plaats van die vroeg op te sporen, bij de hand te nemen en in regionale trainingscentra op te leiden.

Wij ontwikkelen geen grote motoren, maar fabriceren solexjes. Wij promoten geen groterondewerk, maar draaien liever rondjes. In de wei tussen de koeienstront voor het veldrijden, op een wielerbaan van 166,66 meter voor de Zesdaagse en op de kasseien van de Paterberg en Kwaremont voor de Ronde van Vlaanderen.

We moeten oppassen dat we met onze obsessie voor het Vlaamse wielerwerk niet in de marge van het wielrennen terechtkomen.
De overwinning van Tiesj Benoot in de Strade Bianchi (in Vlaamse omstandigheden) dit jaar was een van de eerste ver buiten onze grenzen sinds de Clásica San Sebastián in 2011 van Philippe Gilbert. Overigens is de enige Belg die de laatste jaren grote wedstrijden in het buitenland heeft gewonnen dan nog een Waal.

UCI-voorzitter David Lappartient heeft plannen voor 2020. Hij wil een Champions League van het wielrennen met wedstrijden over de hele wereld en bijgevolg veel minder in Vlaanderen en wijde omstreken. Het Belgische wielrennen gaat dan de weg op van het voetballen: kansloos in de Champions League, af en toe een kruimel in de Europa League, maar wel een grote bek opzetten in de Jupiler League.

Column over Stoffel Van Doorne in De Morgen van zaterdag 15 sep 2018

Exit Stoffel Vandoorne

Formule 1 is een zeer complexe en ook weer een zeer simpele sport. Complex omdat het raderwerk van zo’n team minutieus moet worden afgesteld, iets wat zich uiteindelijk vertaalt in een performante auto, bestuurd door een performante rijder. Als alle puzzelstukjes in elkaar vallen, is die rijder de held.

Of onze Stoffel Vandoorne (26) ooit nog zo’n F1-held wordt, nu Kimi Räikkönen door Sauber is opgevist nadat die weg moest bij Ferrari, daar mag aan worden getwijfeld. Alles kan in de sport, maar de F1 heeft dat alvast voor op voetbal: er is weinig toeval mee gemoeid. Daarom is de complexe F1 tegelijk een simpele sport.

De grootste discriminerende factor is de auto. Ander gesteld: het is vaak de beste auto die wint. Dat de beste auto’s vaak onder de bips van de beste rijders worden geschoven, is ook geen toeval. De formule 1 is constant op zoek naar uniek talent, naar die ene superman die alle andere supermannetjes kan domineren.

Stoffel Vandoorne is zo’n supertalent, maar de kans dat we hem volgend jaar terugzien in de F1 is klein, ondanks al dat talent, ondanks zijn eerdere triomfen in andere categorieën, ondanks de jarenlange investering van McLaren. Ondanks dat alles, is Vandoorne afgeserveerd bij McLaren.

Volgend jaar wordt zijn zitje ingenomen door het Engelse talent Lando Norris. Oorspronkelijk bestond het plan om Vandoorne al na Monza (begin september) te vervangen door Norris, die al een paar testritten had kunnen rijden. Tot McLaren erachter kwam dat ze voor Norris dit jaar geen racelicentie meer konden krijgen.

De fanclub van Stoffel Vandoorne treurt. Er zijn maar twintig sturen om te bemannen in de F1 en daarvan is het merendeel al toegewezen. Vandoorne heeft één groot nadeel: hij brengt geen sponsors mee. Ook dat is de F1: een goeie auto doet wonderen en een goeie bankrekening nog meer. Stoffel heeft geen van beide. Komt daar nog eens bij dat hij in een slecht functionerend team rijdt, met een teamgenoot die hem niks gunt. Ex-wereldkampioen Fernando Alonso is een egotripper van het ergste soort.

Misschien is Vandoorne de juiste man, maar dan is hij wel op de verkeerde plek op het verkeerde moment. Zo wordt het althans voorgesteld, waarna een opsomming volgt van het geknoei aan de te trage auto, de momenten waarop Alonso werd bevoordeeld en wat al niet meer. De conclusie: Stoffel Vandoorne kreeg geen eerlijke kans.

Daar zit waarheid in, maar het is niet de hele waarheid en diep vanbinnen zal Vandoorne dat ook beseffen. De paddock is hard en het circuit is misschien de meest darwinistische omgeving die je in de sport kunt vinden. Die paddock schuift niet – zoals de meeste F1- volgers – de volledige schuld voor het falen van Vandoorne in de schoenen van het disfunctionele McLaren. De paddock wijst evenzeer op de kansen die hij niet heeft gegrepen.

De F1 is eten of opgegeten worden. Vandoorne heeft zich laten opeten. Door Alonso en door de anderen. Hij teerde op zijn immense talent uit de GP2, maar kwam in een voor hem ongewone situatie terecht: niet langer bij het beste team, niet met de beste auto. Ineens zat hij aan de onderkant van de voedselketen en vergat te vechten voor zijn kruimels. In die twee jaar McLaren was Alonso steeds de betere en dan zal het weleens zijn voorgevallen dat die eerst het nieuwe materiaal kreeg, maar niet elke keer, niet elke race.

Vandoorne had nooit wat kunnen winnen in die auto, maar hij had af en toe kunnen verbazen. Hij had zijn immense talent kunnen demonstreren met een inhaalmaneuver, met een superronde, met iets bijzonders, met iets wat de paddock met verstomming zou slaan. Dat wauw-moment is er niet van gekomen.

In de kranten verschenen al veel analyses en na een opsomming van de technische problemen werd daar voorzichtig bij gesuggereerd dat hij misschien wat te braaf is geweest. Het is hoe je het beziet, maar de keiharde conclusie na twee jaar blijft: Stoffel Vandoorne heeft kansen gehad en hij heeft ze niet gegrepen. Op geen enkel moment heeft hij kunnen imponeren, niet binnen het eigen team, niet in de interne strijd tegen teamgenoot Alonso, niet tegenover de paddock.

Als alles normaal verloopt, maar niks is normaal verlopen tot nog toe, heeft Vandoorne nog zeven races om zich te tonen aan de F1.

 

20180915_De-Morgen_p-20-mail

ZWART OUD ZEER, verhaal over Serena Williams in De Morgen van zaterdag 15 sep 2018

Oud zwart zeer

Interessanter dan de discussie of Serena Williams zich al dan niet aanstelde in de verloren finale van de US Open (zonder twijfel), is de vraag waar al die opgekropte woede vandaan komt.

Bij het fileren van Serena Williams deze week, na haar emotionele meltdown in New York, werd graag verwezen naar haar uitbarsting in 2009, tegen Kim Clijsters en ook op de US Open. Ze kreeg een voetfout aangesmeerd en ging helemaal door het lint, wat resulteerde in zoveel straf dat de wedstrijd op slag voorbij was.

IJverige journalisten gingen terug tot de editie 2004, naar haar verloren kwartfinale tegen Jennifer Capriati, weer op de US Open. Umpire Marina Alves gaf call na call in haar nadeel en overrulede enkele beslissingen van lijnrechters in haar voordeel. Serena Williams, toen nog maar 22, maakte beleefd duidelijk dat ze het er niet mee eens was, maar speelde verder, duidelijk van slag.

Mariana Alves is net als haar collega Carlos Ramos een Portugese umpire die in het bezit is van de golden badge van de International Tennis Federation (ITF). Ze werd na die wedstrijd naar huis gestuurd. Vragen over wat er toen precies speelde, zijn nooit beantwoord door de tennisinstanties. Sindsdien leeft bij de Williamsen de overtuiging dat de (overwegend blanke) scheidsrechterij een grondige hekel aan hen heeft.

En in 2011, op de US Open natuurlijk, kreeg ze in de verloren finale tegen Sam Stosur ook een waarschuwing, toen om te luid te kreunen tijdens de rally.

Dramaqueen

Serena Williams lijkt de controverse aan te trekken, meer dan welke speelster ook. Eerder dit jaar was er de melding dat ze haar catsuit, spannende leggings en dito spannend shirt, niet meer mocht dragen op Roland Garros – de Parijse pendant van de US Open – want ‘niet gepast’.

Williams argumenteerde nog dat ze een compressiebroek moest dragen om medische redenen, om bloedklonters tegen te gaan, want dat ze verdorie vorig jaar bijna in de bevalling van haar dochtertje Alexis Olympia was gebleven, enzovoort en zo verder.

Ze droeg die catsuit al in 2002 op de US Open en speelde dit jaar in New York haar halve finale in een soort van tutu. Genoeg voorbeelden om aan te tonen dat La Serena de wereld graag naar haar pijpen wil laten dansen en als dat niet lukt, in een blinde woede ontsteekt. Een dramaqueen, noemde Dominique Monami haar, omdat ze de hele heisa had gerelateerd aan haar vrouw-zijn. Later kwam daar ook nog eens het raciale thema bij.

18 miljoen dollar sponsoring

In de VS werd in commentaren gewezen op de lijst die Forbes een paar weken voor de US Open publiceerde. “Een belachelijke gedachte dat ze het gewicht van een achtergesteld geslacht of ras draagt. Ze verdiende 18 miljoen dollar (15,5 miljoen euro) zonder een klap te doen.”

Het zakenblad gaf over Serena Williams deze toelichting bij de jaarlijkse lijst met topverdieners: “Tussen juni 2017 en juni 2018 won de bestbetaalde vrouwelijke sportster maar 62.000 dollar (53.000 euro) prijzengeld. Ze had een goed excuus nadat ze in januari 2017 bekendmaakte dat ze een kind verwachtte. Toch blijft ze de nummer één onder de vrouwelijke atletes met 18,1 miljoen dollar.”

Die 18,1 miljoen haalde Williams in 2017 op bij sponsors als Nike, Intel, Audemars Piguet, JPMorgan Chase, Lincoln, Gatorade en Beats. Zonder te spelen: op de hele planeet verdienen maar zestien atleten (m/v) meer dan Williams met zogeheten endorsements.

Desondanks zit Williams er warmpjes bij. Als zij, vrijgevochten zwarte vrouw en ook nog eens getrouwd met een steenrijke blanke ondernemer, niet mag klagen over erkenning door de sponsormarkt, wat is dan het probleem? Twee woorden: oud zeer. Bij de Williamsen – vader Richard, moeder Oracene, zus Venus en maar liefst tien halfzussen en -broers – sluimert dat altijd onderhuids.

Er is eerst en vooral de afkomst. Venus en Serena groeiden op in Compton, een voorstad van Los Angeles, vooral bekend van rappers als Coolio, Dr Dre en Kendrick Lamar, maar evengoed van een disproportioneel aantal doden door gang-geweld.

Op haar negende verhuisde het hele gezin naar Florida, naar West Palm Beach, om de zussen op de tennisschool van Rick Macci bij te spijkeren. Een jaar later verbood vader zijn dochters nog langer in toernooien te spelen. Ze wonnen alles en de commentaar van de andere ouders was te kwetsend.

Je kunt de zussen uit Compton halen en succesvol de wereldtop laten bestormen, maar je haalt Compton niet uit de zussen. Toen hun personal assistent en halfzus Yetunde Price in 2003 per toeval werd vermoord in een drugsoorlog, in Compton, kwam de realiteit weer akelig dichtbij. In 2016 zouden Venus en Serena hun zus eren met de oprichting van een community center gericht op het verlenen van hulp aan slachtoffers van zinloos geweld. Eerder al mocht er geen goed doel passeren of Serena schreef zich in en doneerde geld, tot de bouw van scholen in Kenia en Jamaica toe.

Om haar emotionaliteit wat te kaderen: toen Serena Williams afgelopen zomer hoorde dat de moordenaar van haar zus voorwaardelijk vrij was, verloor ze op slag haar eerstvolgende wedstrijd met 6-1, 6-0 van de matige Britse Johanna Konta. Ze gebruikte dat niet als excuus.

Niet langer zwijgen

Veel van haar woede heeft Serena meegekregen van haar ouders. Beiden zijn opgegroeid met de gesegregeerde sport, met racisme in alle domeinen en dus ook in de sport. Veel van die woede kan men catalogeren onder zwarte woede, black anger, die altijd al sluimerde maar de laatste jaren springlevend is.

Het tenniswereldje heeft niet geholpen om hen milder te stemmen, wel integendeel. In maart 2001 speelden de twee zussen op Indian Wells, een toptoernooi net onder de grand slam, en het onvermijdelijke dat vader Richard tot dan altijd had vermeden, gebeurde: inde halve finale moesten ze tegen elkaar. Vier minuten voor de wedstrijd meldde Venus zich af met een knieletsel. Twee dagen later tijdens de finale werden Venus en haar vader in de tribune en Serena op het veld uitgejouwd door het bijna geheel witte publiek. Serena, toen 19, zou die finale winnen, van Kim Clijsters.

Richard sprak tegen USA Today van racistische commentaren zoals “was het 1975, we hadden je kunnen villen” en scheldwoorden als “nigger”, maar die zijn nooit bevestigd. Slotsom: de zussen hebben dertien edities lang – ook al waren ze daartoe verplicht – geen voet meer op Indian Wells gezet.

In 2015 kwam Serena Williams terug op haar boycot, en nam zelfs een filmpje op, te zien op YouTube (youtu.be/YE_xaNziaf4), waarin ze het zo fantastisch vond om terug te zijn en hoe ze dat ene slechte moment wilde vergeten. Pure hypocrisie, maar toch met een bijzondere uitsmijter: of de aardige surfers niet meteen in één moeite 10 dollar wilden doneren voor Equal Justice Initiative, een non- profitorganisatie die advocaten toewijst aan wie dat niet kan betalen.

Dramaqueen, kapitaliste, en ook activiste. In 2016 postte ze op Facebook haar steun voor de Black Lives Matter-beweging. Dat deed ze naar aanleiding van een situatie waarbij haar neefje met haar SUV reed en zij ernaast zat te mailen terwijl plots een politiewagen opdook. “Stel dat ze hem gewoon doodschieten: een jonge gast met een dikke auto?” Ze quootte Martin Luther King: “Soms wordt stilzwijgen verraad. Ik zal niet meer stil zijn.”

‘Ik wilde iemand zijn’

Stil past niet bij haar. Bovendien heeft ze lange tenen en wie in de buurt van die tenen komt, zal het geweten hebben. Enige context doet wonderen. In een ESPN-artikel, niet toevallig over tennis, dook de term mysogynoir voor het eerst op. Zwartevrouwenhaat mag dan een licht overtrokken begrip zijn, tennis is samen met golf wel de meest archaïsche van de grote sporten en heeft niet de grote getallen zwarte atletes van bijvoorbeeld het basketbal.

Het was en is nog steeds geen pretje om zwart te zijn in tennis. Zwarte vrouwen worden over het algemeen niet geacht veel praatjes te hebben. Als een zwarte vrouw een blank circuit gaat domineren op basis van onmiskenbare skills en al even onmiskenbare fysieke capaciteiten, volgen daar vaak nare commentaren op waarbij de fysiek het ruimschoots haalt van de skills.

De Williamsen hebben illustere voorgangsters, elk met hun verhaal. Evonne Goolagong won in de jaren 70 zeven grandslamtoernooien. Zij groeide op in Australië als dochter van een aboriginal schaapscheerder en nadat ze op een dag samen
met de blanke dochter van haar trainer twee oudere vrouwen van de club had ingemaakt, kreeg ze felicitaties van een van de tegenstandsters, die over de derde persoon sprak. “Het is voor het eerst dat ik tegen een negerin heb gespeeld, ik heb ervan verloren en ik heb haar zelfs een hand gegeven.”

De grote wegbereidster in tennis heet evenwel Althea Gibson, ‘de Jackie Robinson van het tennis’, zo genoemd naar de legendarische zwarte honkballer die de rassenbarrière doorbrak in die sport. De Amerikaanse Gibson deed hetzelfde in tennis door al in 1956 de Franse Open te winnen en een jaar later ook Wimbledon.

Gibson groeide op in Harlem, toen nog een zwarte middenklassewijk, en kreeg pas in 1950 toestemming om tegen blanke vrouwen te spelen. Dat was vaak een probleem omdat die wedstrijden plaatsvonden op clubs waar zwarten niet welkom waren, en ook slapen in hotels was in die tijd een hele opdracht.

Vooral in de VS kreeg ze veel tegenstand, maar in 1957 werd ze toch de eerste zwarte atlete van het jaar. Een jaar later bracht ze haar biografie uit, met een titel die voor de meeste grote zwarte sportvrouwen de lading dekt: I always wanted to be someone.

Gibson plaveide de weg voor Zina Garrison (veertien WTA-titels), die leerde spelen in een publiek park in Houston, en Arthur Ashe (drie grandslamtitels), die opgroeide in Richmond, Virginia, in de portierswoning van een publiek park voorbehouden voor zwarten.

En toen kwamen de Williamsen. Samen dertig grandslamtitels gewonnen, het succesvolste zussenpaar in de geschiedenis van de sport, miljonair, wonend in de villawijken van West Palm Beach en dan denk je: zijn die nu nog niet ontvoogd?

Bosapen

Katrina Adams is voorzitster van de Amerikaanse tennisbond én zwart én opgegroeid in de West Side van Chicago. “Elke keer dat wij op een tennisveld stappen, dragen we het gewicht van een hele groep mensen en proberen we iets te bereiken voor hen. Er is een glazen plafond en als we dat willen doorbreken, moeten we twee keer zo hard werken.”

Niet alleen in tennis zijn zwarte sportvrouwen minderbedeeld. Dat staat in schril contrast met hun sportieve prestaties: op de podia van de Olympische Spelen of andere grote toernooien zijn zwarte vrouwelijke atletes oververtegenwoordigd.

Heel lang is hen een stem ontzegd, ook door hun rasgenoten. Toen de zwarte socioloog Harry Edwards in 1967 zijn Olympic Project for Human Rights oprichtte, bedoeld om de zwarte atleet te engageren voor de rassenstrijd en uitmondend in een gedeeltelijke boycot van de Spelen, dacht hij geen moment aan de zwarte vrouw. De Amerikaanse olympische ploeg bulkte nochtans van het vrouwelijk talent met een donkere huidskleur dat een karrenvracht aan medailles zou winnen.

Een vergissing, zou hij later volmondig toegeven. “Als een vrouw goed is in sport, heeft ze een grote kans dat ze wordt geprezen om haar onvrouwelijk atletisch vermogen. Als die vrouw bovendien zwart is, zal ze worden geprezen om haar dierlijke, mannelijke capaciteiten.”

Dat is wat ook Serena Williams is overkomen, maar evengoed alle andere zwarte atletes sinds hoogspringster Alice Coachman als eerste zwarte ooit in 1948 olympisch goud won.

Althea Gibson, die nog uit de exclusief zwarte American Tennis Association stamde, moest al optornen tegen het beeld dat ze mannelijk tennis speelde. Serena Williams werd ooit door haar generatiegenote Maria Sjarapova omschreven als iemand om bang van te zijn. “Met haar dikke armen en dijen is ze erg intimiderend. Ze is zo sterk en zo lang.” Sjarapova is misschien minder sterk, maar ze is 13 centimeter langer dan Serena Williams.

Alle racistische en seksistische verwijten opnoemen aan het adres van Serena Williams is onmogelijk. Een greep uit het aanbod. Tennislegende Illie Nastase: “Het is te hopen dat die kleine van haar zwart met melk is.” Of IOC-lid Sjamil Tarpitsjev: “Ik zou niet graag tegen de broers Williams spelen.”

Een Amerikaanse sportcommentator vond dat Venus en Serena te dierlijk waren voor Playboy en beter zouden passen op de cover van National Geographic. Toen hij daarop werd aangesproken, sprak hij tegen dat het om racisme ging: de commentaren waren biologisch.

Ook in ons land waren de Williamsen het voorwerp van kwalijk taalgebruik. Radiopresentatoren Sven Ornelis en Erwin Deckers (die laatste is intussen CEO bij De Persgroep-Medialaan, uitgever van deze krant) vergeleken in 2003 de tenniszussen met “bosapen” in hun ochtendshow op Qmusic na hun overwinning in de Australian Open op Kim Clijsters en Justine Henin. Een luisteraar, zelf iemand met een donkere huid, diende daarop een klacht in bij het toenmalige Centrum-Leman. De klacht werd gegrond verklaard en in de D&O Ochtendshow moesten de presentatoren middels een voorgeschreven boodschap publiekelijk door het stof.

Twee jaar eerder werd een journalist van de Franstalige zender Radio Contact de laan uitgestuurd omdat hij live in de ether Venus Williams, tijdens haar finale in Wimbledon tegen Justine Henin, had vergeleken met een aap. Radio Contact kreeg een boete van 1.000 euro en bood in het openbaar zijn verontschuldigingen aan.

 

20180915_De-Morgen_p-54_Oud-zwart-zeer-all-mail

Column over Serena Williams in De Morgen van maandag 10 sep 2018

Hopelijk pakt Serena Williams snel haar 24ste grandslam

Serena Williams heeft haar 24ste grandslamtitel nog niet binnen. Ze verloor van de Japanse Naomi Osaka (6-2, 6-4). Omdat de Japanse beter was en ook – het eerste is mede de oorzaak van het tweede – omdat ze haar zenuwen niet meer onder controle had. Zo kun je de vrouwenfinale van zaterdag op de US Open samenvatten.

Er was wel iets aan de hand. Nadat ze de eerste set had verloren, kreeg Williams in het begin van de tweede een waarschuwing omdat haar coach Patrick Mouratoglou zat te coachen. Daarop ging ze verhaal halen bij de umpire Carlos Ramos, maar kreeg nul op het rekest.

Volgend bedrijf in het drama was toen ze haar racket kapot sloeg na het verlies van een game. Tweede waarschuwing en automatisch een punt voor de tegenstander. Ten slotte noemde ze in die set de umpire ook nog eens een dief en kreeg een derde waarschuwing, wat haar meteen een heel game kostte. De coaching violation kwam er na een duidelijk handsignaal van haar coach dat ze dieper in het veld moest spelen en prompt kwam ze meer aan het net. Williams argumenteerde dat ze niet had gekeken, dat ze een kind had en daarom nooit zou bedriegen.

Dat soort bestraffingen in tennis betreffen de coach, maar de straf gaat in het boekje van de speler. Mouratoglou heeft toegegeven dat hij zat te coachen. Dat mag niet in tennis en hoewel het niet meer van deze tijd is om je speler of atleet of wielrenner onderweg niet meer te mogen bijsturen, zijn dat de reglementen.

Ze zei dat haar bestraffing a gender thing was. Omdat in het mannentoernooi de hele tijd wordt gecoacht en niemand wordt bestraft. Daarop sleurde ze er Alizé Cornet bij, die in de eerste week haar speelshirt had omgedraaid op het court en daarvoor een warning kreeg. Dat laatste is nog belachelijker dan wat Serena Williams is overkomen, en het klopt dat mannen de hele tijd hun shirt mogen uittrekken en dat daarbij zelfs levensechte tepels te zien zijn, terwijl die maliënkolders van sportbeha’s niks onthullen.

De volgelingen van Williams vonden het a race thing. Niet slim en dat kun je ook zeggen van de gedragingen van Williams. Williams is een van de gezichten van de 30 Years Just Do It-campagne van Nike, samen met Colin Kaepernick, de footballspeler die weigert te knielen voor het volkslied. Een kleine 400 kilometer naar het zuiden zal die met zijn rood haar in dat witte huis in zijn vuistje hebben gelachen en met hem alle white supremacists, toen de Rosa Parks van de Amerikaanse sport zichzelf tot scheldend viswijf degradeerde.

Het is Serena’s goed recht om dingen oneerlijk te vinden en het is nog meer haar goed recht om als een vulkaan uit te barsten, maar ze zou beter een voorbeeld nemen aan de basketbalsterren LeBron James en Stephen Curry. Bewonderenswaardig hoe die zich in alle omstandigheden in dat rare land van hen boven alle drama en herrie verheffen, telkens de goede beslissing nemen, de juiste woorden gebruiken en de tegenstand geen argumenten geven.

De vergelijking met Curry is lastig want die is de zoon van een ex-profspeler. Toen Stephen in de play-offs zijn cool verloor na een ruime overwinning riep hij “this is my fucking house”, waarop moeder Curry hem adviseerde zijn mond te wassen. Met zeep. Dat mag je van vader noch moeder Williams niet verwachten.

Als je vrouw bent én zwart is tennis bovendien niet de meest voor de hand liggende speelplaats. Inzake archaïsche zeden, gewoontes en moraliteit is dit ongeveer de meest foute sport. Daarom wekt het (soms) sprookje van de Williamsen zoveel verbazing: zussen uit het rauwe Compton die de beste speelsters ooit zijn geworden.

Het enige wat Serena ontbreekt om in alle lijstjes bovenaan te staan, is die 24ste grandslamtitel. Daarmee zou ze op gelijke hoogte komen van Margaret Court. Behalve van die overwinningen op de vier grote toernooien is de Australische vooral bekend als pastor van de conservatief evangelische gemeenschap in Perth en haar racisme en homofobie.

Zuid-Afrika pakt het rassenprobleem beter aan dan de VS, zei ze in volle apartheid. Oké, laat dat een slip of the tongue in onvermoede tijden zijn. Maar vorig jaar legde ze nog uit dat het overaanbod van lesbiennes in het tennis een soort besmetting was door zeldzame lesbische koppels die andere jonge meisjes hebben meegesleurd in hun (quote) perversiteit. Transgenders zouden dan weer best een duiveluitdrijving krijgen.

Geen enkele weldenkende sportvolger die niet hoopt dat Serena Williams alsnog die 24ste wint en tegelijk wanhoopt als ze weer eens door het lint gaat en een kans verknalt. De tijd dringt. Op 26 september wordt ze 37.

 

20180910_De-Morgen_p-20-mail

Column over Nations League in De Morgen van zaterdag 8 sep 2018

Nations League

Waarom ik niet warm ben geworden van die maand in Rusland, tijdens de voorbije worldcup, is niet helemaal duidelijk. Tenslotte was de derde plaats van de Rode Duivels historisch, althans binnen de context voetbal. Het kan aan het logies hebben gelegen. Misschien lag het aan het land. Wellicht ook aan de journalistiek die daar moest worden bedreven.

Speler 1 dient zich aan op de persconferentie. Krijgt vragen. Antwoord: meu. Speler 2 komt. Krijgt vragen: meu. Dan komt de coach. Krijgt twee keer zoveel vragen en antwoordt: meu, meu. Dat alles nadat de pers welkom was om de intrede op het oefenveld en de opwarming vijftien minuten lang te volgen. Vervolgens houden de mooie jongens van de tv stand-ups en zeggen: meu, meu, meu.

Misschien was dit een beetje een lange intro om u mee te delen dat ik het heb geprobeerd, maar dat het weer niet is gelukt: warm worden. Deze keer van de Nations League, die helemaal nergens om gaat, toch niet als je België bent. Tenzij we ons niet gewoon kunnen plaatsen voor het EK van 2020, dát zou pas een verhaal zijn.

Let nu goed op, want het wordt een beetje ingewikkeld. Er worden de volgende maanden twee Europese competities door elkaar gespeeld: die Nations League en vanaf de nieuwe lente beginnen ook de kwalificaties voor het EK 2020. Daar doen 55 landen aan mee, net als aan de Nations League.

De Nations League heeft de 55 onderverdeeld in zeer goede voetballanden (divisie A), goede, minder goede en slechte (divisie D). Alleen de twaalf landen uit divisie A (waaronder België) kunnen de Nations League winnen. De rest doet mee om te promoveren of te zakken. Zo zakken de vier slechtste van divisie A naar B en de vier beste van B gaan volgend jaar naar A.

O ja, ook dat nog: elke divisie is onderverdeeld in vier groepen. België speelt in zijn groep twee keer (uit en thuis) tegen IJsland en Zwitserland. De winnaars van de vier groepen van divisie A spelen in juni van volgend jaar in een final four om de eindwinst en die levert niks op, behalve geld voor de bond (en dus voor de spelers).

Met die groepsfase zijn we al klaar in november van dit jaar en in maart van 2019 gaat alweer de kwalificatie voor het EK van start en die duurt tot maart 2020. Nu wordt het helemaal ingewikkeld: twintig landen kunnen zich hiervoor plaatsen en wie daar niet is in gelukt en toch goed zijn best heeft gedaan in de Nations League (dat is wat kort door de bocht, op Wikipedia vindt u de hele uitleg) mag nog eens een gooi doen naar de resterende vier EK-tickets in de Nations League play-offs, die in maart 2020 worden gespeeld.

“Wij willen de Nations League winnen”, zei recordinternational Jan Vertonghen van de week. Dat is de meu waar ik het over had. Eigenlijk had hij willen zeggen: “Zijn ze gek geworden, nóg een toernooi met inzet erbij, worden we al niet genoeg belast?” En nog: “Als we niet oppassen en we winnen te veel, mogen we nog eens in juni opdraven voor een stage en die final four, waar we niet eens het beleg op onze boterham mee verdienen.”

De Nations League is een amechtige poging van de Europese voetbalbond UEFA om grip te krijgen op een serie vriendschappelijke landenwedstrijden waar ze tot nog toe zelf niet beter van werd. Mooi meegenomen: de Nations League is een tegenzet tegen de FIFA, die vindt dat één WK elke vier jaar niet volstaat en denkt aan formules voor meer mondiaal interlandvoetbal, waar zij beter van worden. Niet onbelangrijk misschien, van de Nations League worden de voetballers niet beter.

Gezapige oefenpartijtjes tussen twee landen die afspraken maken over hoeveel spelers ze zullen wisselen (en soms hoeveel goals er mogen vallen) zijn nu vervangen door wedstrijden met inzet, weze het dan voor kruimels. Coaches zullen die willen winnen omdat ze daarop worden afgerekend, en daarom zullen coaches ook niet onvoorbereid aan de start willen komen. Dat kon je donderdag al zien bij Duitsland-Frankrijk: saai, gesloten voetbal. Löw mag niet meer en Deschamps wil nooit meer verliezen in een wedstrijd met inzet. Dus: 0-0.

Neem nu de Rode Duivels. Behalve vier keer tegen Zwitserland en IJsland deze herfst in die Nations League spelen ze ook nog
eens vriendschappelijk tegen Nederland in oktober. En omdat Roberto Martínez graag nog eens een troepenschouw hield voor die levensbelangrijke maar bepaald onzinnige Nations League, die dinsdag voor de Rode Duivels van start gaat met IJsland-België, werd gisteren vriendschappelijk gevoetbald in Schotland. Verliezen was geen optie. En zo houdt het nooit op.

 

 

Nations League

Interview Robert Martínez in De Morgen van vrijdag 7 sep 2018

 

‘Wij willen geen one time wonder zijn’

Een aardige man, die er ook nog wat van kan. Dat is bondscoach Roberto Martínez meer dan ooit, ook na het succes van de worldcup, ook na de zeldzame kritische vragen aan het eind van een slopende interviewdag.

Zelfs de Japanners waren geland op de mediadag die er geen was. Het was een concentratie van allerlei interviewaanvragen op zijn verzoek. De korte pijn als het ware, zoals je naar het ziekenhuis gaat voor een resem onderzoeken, de ene na de andere, zo kwam Roberto Martínez (45) die vrijdag naar het oefencentrum in Tubeke.

De Japanners, die wilden alles weten over die laatste dramatische seconden van België-Japan. Over the fourteen seconds that shocked Japan, aldus hun journalist: opgezet door Courtois en De Bruyne, voortgezet door Meunier, afgewerkt door Lukaku en Chadli. Het doelpunt dat de worldcup voor België verder zou bepalen, is de officiële lezing.

De officieuze is: in geen honderd jaar valt die kaars van Jan Vertonghen nog eens over het hoofd van Eiji Kawashima binnen. Dat was bij een desastreuze 0-2 en bij verlies was België in de achtste finales gesneuveld, waarmee het slechter had gedaan dan in Brazilië vier jaar eerder.

Roberto Martínez: “Het doelpunt van Jan was een onmogelijke goal, maar het tweede doelpunt van de Japanner, van Takashi Inui, was dat evenzeer. Dat wij een bal op de paal hadden, dat wij als enige ploeg sinds 1966 een 0-2-achterstand hebben opgehaald, dat wij dat deden met twee wisselspelers die scoorden, dat we ons derde doelpunt scoorden met dank aan het hele team, te beginnen bij een aanvallende doelman die weet wat onze kwaliteiten zijn, dát is voor mij België-Japan. Ja, we hadden wat geluk nodig om te winnen. En dan nog?”

Tegen Brazilië had u weer het geluk aan uw kant. Dat het geen 1-0 stond na vijf minuten met die bal op de paal.

(blaast en schudt het hoofd) “Zij hadden geluk dat het geen 3-0 voor ons stond na een halfuur. Wij hadden meer kans op die 3-0 toen het al 2-0 stond voor ons. Dat ze 25 keer op doel schoten en wij 11? Met statistieken kun je alles bewijzen. Sergio Busquets had vorig jaar 6 assists: 6 keer de bal naar Messi, die er dan 6 dribbelde en scoorde. Dat kun jij ook.

“Wij hadden in de halve finale meer balbezit tegen Frankrijk nadat ze hadden gescoord, omdat zij dat toestonden. Dat de Brazilianen acht keer tussen de palen schoten en wij maar drie keer, neen, dat zegt mij ook niks. Je moet shots on target differentiëren: was het een echt open shot of lagen er zes man tussen de bal en het doel?”

Agree to disagree, dan maar. Alle credits wel: jullie zijn het geluk gaan zoeken en hebben het gevonden.

“Juist. Maar zo gelukkig was het ook weer niet: iedereen reageerde volgens plan en het plan werkte.” Wat ging er dan mis met het plan in de halve finale tegen Frankrijk?

“Er ging niks mis. Dit was typisch voetbal, waarin de ploeg die het eerste scoort de wedstrijd ook gewoon wint. Ik heb de wedstrijd nadien vier keer teruggezien en ik blijf bij dat standpunt. Recent heb ik niet meer gekeken. Ik kijk alleen functioneel. Die vier keer was om de wedstrijd tegen Engeland voor te bereiden. Wat ik heb gezien? Dat we het eerste kwartier de Fransen achteruit drongen, dat ze heel veel respect hadden voor ons en dat we twee kansen hadden om zelf te scoren.”

Frankrijk was de enige ploeg die zijn spel heeft kunnen opdringen aan de Rode Duivels.

“Ook daar ben ik het niet mee eens. Het waren twee ploegen met gelijkaardige kwaliteiten en dan hangt het van details af. Iedereen heeft gedaan wat hij kon en alles verliep volgens plan. Wat ze wel goed hebben gedaan, de Fransen, was vechten om de wedstrijd dood te maken. Die grinta hadden ze nog op overschot van hun verloren finale tegen Portugal op het EK in 2016.”

Bepaald impressionant was de verbetenheid waarmee uw ploeg die bronzen medaille ging halen.

“Ik denk dat we in maart de basis hebben gelegd voor de goesting en de frisheid die aan het eind van het toernooi overbleven. We hebben onze zwaarst belaste spelers rust gegeven en we hebben de voorbereiding op het WK hier in Tubeke gehouden. Iedereen kon elke avond na het werk naar huis. In Rusland hebben we de families geregeld ingevlogen zodat ze nooit langer dan negen dagen zonder hun vrouw of kinderen waren. Dat, en het besef dat ze toch iets unieks konden presteren: beter doen dan de vierde plaats van 1986. Ik heb geen peptalk moeten houden, het kwam vanzelf.”

De perceptie die u achtervolgde vanuit Engeland was deze: aardige man, speelt leuk voetbal, jullie zullen veel goals zien, jammer genoeg ook aan de verkeerde kant.

“Weet je, na zeven jaar in de Premier League en 260 wedstrijden ben je wel gewoon dat er van alles over jou verschijnt. Ik voel geen behoefte om daar tegenin te gaan, omdat het niks uithaalt en omdat ik dit vak niet doe om mij te bewijzen. Ik ben niet egocentrisch: het enige wat ik wil, is talent binnen een juist teamkader laten renderen. De dag dat ze in voetbal zeggen hoe goed je wel bent, is het wachten op de dag dat je hoort dat je er niks van kunt. En omgekeerd.”

Volgde u de media tijdens het WK?

“Als het om de inhoud ging, werd mij weleens wat voorgehouden. Stefan (Van Loock, perschef en bij het interview aanwezig, HVDW) was de beste perschef van het WK.”

Wij zijn een land van twijfelaars, maar neem ons dat eens kwalijk na al die jaren van belabberde sportresultaten.

“Dat van die twijfel had ik al meegekregen en heb ik snel ondervonden: we gingen in Griekenland winnen, maar de eerste vraag ging over die ene slechte speelhelft. En in Bosnië wonnen we ook, met 3-4, maar ging het vooral over drie goals die we tegen hadden gekregen.

“Aan deze generatie en haar talent mag niet worden getwijfeld. Wie dat nu nog doet, heeft een probleem. Jullie van de media hebben de keuze: believers worden in waar we mee bezig zijn – en zo de volgende generatie inspireren voor grootse prestaties – of blijven doemdenken dat het slechtste nog moet komen.”

Is uw leven veranderd, nu u zo succesvol was op het wereldtoneel?

“Er zijn wat meer mensen die mij herkennen op straat en die mij komen feliciteren, vooral dan met de wedstrijd tegen Brazilië. Wij waren dé ploeg van de neutrale kijker. Wie geen team meer had op het WK koos voor België. De worldcup is 3 miljard kijkers, 7,5 miljard interacties op sociale media en 500 miljoen huishoudens die ons hebben zien winnen van Brazilië. Dat is wat en wat mij het meest pleziert, is dat mensen kozen voor ons omdat we moedig en aanvallend speelden.”

Waarom blijft u in België?

“Omdat ik mij heb geëngageerd om te blijven. Geïnteresseerden moeten zich nu wenden tot de voetbalbond. Waarom ik niet bij voorbaat neen zeg tegen een aanbieding? Dat is niet aan de orde, maar ik weet wel dit: als ik drie wedstrijden verlies, lig ik misschien buiten.”

U hebt meer krediet dan drie missers.

“Dat is goed om te horen.” (lacht)

Uw grootste verwezenlijkingen waren, niet in volgorde van belang, geen lekken, geen woord over Nainggolan, noch over het samenspel tussen De Bruyne en Hazard en we zijn verder geraakt dan de kwartfinale.

“Dat vind ik een hele mooie samenvatting, maar dat is ook de realiteit. Kleur, religie, opinie over hoe voetbal wordt gespeeld, we hebben het allemaal in één ploeg met één doel kunnen onderbrengen en we hebben gepresteerd. Of ik een betere coach ben dan een trainer? Ik ben soms meer coach, soms meer trainer, soms meer tacticus. Ik denk dat een moderne voetbaltrainer alles een beetje moet kunnen toepassen naargelang de gelegenheid.”

U hebt de voetballers-nv’s in een joint venture kunnen laten functioneren.

“Dat is een andere manier om het te stellen. Veel landen op de worldcup waren geen teams, dat kon je zo zien. Wij wel en dat hebben we toch te danken aan de aanpak van de spelers. Ik blijf erbij dat het geografisch voordeel van België, die compactheid, een rol heeft gespeeld. De rust bij de spelers, die telkens naar huis konden, was enorm.

“Wat die nv’tjes betreft, ik heb dat zien komen. Tien jaar geleden, toen ik begon te coachen, had een speler een zaakwaarnemer. Nu draaien er rond die toppers minimaal zes man. Dat betekent zes ongelukkigen als de speler niet mag spelen en vermenigvuldig dat nog eens met de families. Het pleit echt voor onze spelers dat ze altijd het hogere doel, de ploeg, hebben vooropgesteld.”

Er wacht u nog een mooie uitdaging: zorgen dat Romelu Lukaku ophoudt met zijn aandachtzoekerij.

“Neen, daar ga ik niet in mee. Het enige wat Romelu hiermee bewijst, is zijn authenticiteit. Hij is triest dat we niet hebben gewonnen, laat hem maar zeggen dat hij misschien over twee jaar stopt met de nationale ploeg. Het maakt niet uit of hij dat meent of misschien wat anders bedoelt – ik vermoed het wel, maar ik weet het niet zeker. Ik wil hem zo betrokken zien geraken bij de nationale ploeg dat hij ook nog na 2020 blijft.

“Romelu moet scoren en scoort hij niet, dan ziet men hem als lui. Dat klopt niet. Neem dat derde doelpunt tegen Japan: hij trekt twee keer de verdediger weg en de tweede keer laat hij ook nog eens de bal door. Hij heeft geen bal geraakt, maar hij was bepalend.”

U hebt in één toernooi de hele perceptie rond de Rode Duivels omgegooid: een traditioneel saai team werd een van de spannendste en mooiste ploegen.

“Of ik daarmee een gamechanger ben, moet nog blijken. We kunnen het niet bij deze ene prestatie laten en vanavond vriendschappelijk verliezen van Schotland en gelijkspelen voor de Nations League tegen IJsland. De lat ligt hoger dan ooit, we moeten daarmee aan de slag en we kunnen ons niet veroorloven een one time wonder te zijn.

“Er is nog meer nodig om het tot mijn erfenis te maken. We hebben nu een prestatiecultuur in het voetbal en we weten wat winnen is. Het bestendigen van die win-cultuur en op grote toernooien aanwezig zijn is het voornaamste doel.”

Tot slot: het was brons met een gouden randje, maar de viering was overdone. Typisch voor de kleindenkende Belgische sportcultuur, niet gewend om een prijsje te pakken.

“Ik zou deze opmerking snappen als er iets kunstmatigs aan die viering was, zoals Barcelona en Real Madrid, die elkaar willen overtreffen in het op de been brengen van mensen. Dit was echt. Je had op onze bus moeten staan en je had de gezichten moeten

zien van die kinderen die langs de weg stonden, hoe ze opkeken naar Thibaut, Eden, Kevin en al die anderen. Die blijdschap was oprecht.

“Dit was de viering van een ploeg die 0-2 achterstaat en in de laatste minuut een heel veld overloopt en met een halve ploeg in de box verschijnt om de 3-2 te maken. Dezelfde ploeg die na een halfuur met 2-0 voorstaat en Brazilië verslaat. Wat de mensen vooral hebben willen vieren, is de manier waarop we ons door dat toernooi hebben geknokt. Als je niet eens de beste prestatie ooit op een worldcup met het koningshuis en daarna met de fans mag vieren, wanneer dan wel?”

De eerste wedstrijd thuis is op 12 oktober tegen Zwitserland voor de Nations League. Loopt het daar niet naar wens…

“… dan wordt er gefloten. Niet erg. Als dat alleen in België zou zijn, zou ik mij zorgen maken. Maar dat heb je overal, zelfs in Bernabéu voor Real Madrid. Dat is voetbal.”

Bent u na bijna twee jaar al een beetje meer Belg?

(lacht) “Ik voel mij al Belg hoor. Ik woon hier en ik heb zo’n kaartje. Geen identiteitskaart, neen, maar ik mag hier belastingen betalen en dan ben je automatisch aanvaard.”

 

DE UITVERKORENE

Chris Van Puyvelde is technisch directeur van de Koninklijke Belgische Voetbalbond en de eerste baas van Roberto Martínez. Hij is lovend over de bondscoach.

Al in maart van dit jaar sprak Van Puyvelde de gevleugelde woorden “we zouden Martínez moeten kunnen verlengen” en werd daarvoor gekapitteld in de media omdat het leek alsof hij voor zijn beurt sprak.

Enkele maanden later was het zover. Nog voor de voorbereiding van de worldcup van start ging, tekende Martínez bij tot 2020. Van Puyvelde was een blij man en werd tijdens het WK nog blijer, al was er die ene wedstrijd waarbij de grond onder zijn voeten leek weg te zakken. “Tegen Japan heb ik bij 0-2 een kwartier lang al ons werk van de voorbije twee jaar zien passeren en vroeg ik mij af of het dan echt allemaal voor niks was geweest. En toen kwam de kentering, met de gelijkmakers en de derde goal.”

“We hadden na Marc Wilmots een profiel opgesteld, Mehdi Bayat, Bart Verhaeghe en ik, en daar stonden een aantal dingen in waar we niet wilden van afwijken. Uiteraard moest de nieuwe bondscoach tactisch van wanten weten, dat spreekt vanzelf. Al iets minder logisch was dat we ook verwachtten dat hij zich integreerde in het Belgisch voetbal, dus dat hij hier kwam wonen en ons voetbal leerde kennen. En nóg minder logisch was onze eis om zich ook te integreren in de bondswerking.

“Martínez heeft meer gegeven dan we hem hebben gevraagd. Hij is wekelijks op onze velden te zien, opende zelfs een nieuw veldje bij een provincialer, gaat praten als we hem dat vragen en is bij elke vergadering met trainers als het enigszins kan. Vraag aan het personeel van de bond hoe goed hij hen kent en omgekeerd. Hij kent iedereen bij naam en is echt geïnteresseerd in onze werking.

“Ook tijdens de worldcup heeft hij de staf optimaal aangestuurd. Ik kan niet zeggen of hij een betere coach, dan wel een betere trainer of betere tacticus is. Hij is van alles en hij is bezeten van het voetbal. Praat met hem over tactiek en je oren tuiten. Hij heeft ook oefenstof te koop, weet met verschillende karakters om te gaan en heeft een heel gedurfde visie op voetbal.”

20180907_De-Morgen_p-22-23-mail

Column Hofleverancier uit Slowakije in De Morgen van zaterdag 1 sep 2018

De hofleverancier uit Slowakije

Een Engelse voetballer die in Engeland niet aan de bak kwam, en ook niet in Nederland, en die hartproblemen heeft (gehad), is door Royal Sporting Coucke Anderlecht in de Slowaakse solden op de kop getikt voor 400.000 euro. Toegegeven, kort door de bocht en een beetje onrespectvol voor de speler in kwestie, maar met de aangehaalde feiten is niks mis.

Waar is de tijd dat Emmanuel Sanon, de sensatie van het WK 1974, nadien lekker voor Beerschot kwam voetballen en dat twee van de beste spelers van het beste voetballand van de jaren 70 gewoon in België speelden?

Voor de jongere collega’s: de Haïtiaan Sanon scoorde op dat WK tegen Argentinië en tegen Italië, waarmee hij het legendarisch record van Dino Zoff van 1.142 minuten zonder tegengoal aan flarden schoot. En die Nederlandse dubbele vicewereldkampioenen heetten Arie Haan en Rob Rensenbrink, respectievelijk tussen 1975 en 1983 en tussen 1969 en 1980 te bewonderen in België bij Anderlecht en Standard (Haan) of Club Brugge en Anderlecht (Rensenbrink).

Waar die tijd is? Die tijd is voorbij. Voor eeuwig en altijd. En al langer dan vandaag. Toen hadden sommige clubs maximaal drie buitenlanders in hun basiself staan, vandaag nog gemiddeld drie Belgen.

Gisteren sloot de transfermarkt in België voor inkomende spelers en van de week hebben Belgische clubs nog snel inkopen gedaan. Behalve de overgang van Timothy Derijck van Zulte Waregem naar KAA Gent, betrof het bijna onveranderlijk buitenlanders die instroomden of die binnen België van club veranderden.

Even wat namen: Leon Bailey, Moses Simon, Haris Hajradinovic, Wesley Moraes, Ibrahim Rabiu, Kingsley Madu, Aliko Bala, Samuel Kalu, Rangelo Janga, James Lawrence en Philip Azango. En dan een quizvraag: wat hebben deze spelers gemeen?

Neen, niet dat ze zwart zijn, want Hajradinovic was een hele bleke (ook als speler, maar dat is een ander verhaal) en Lawrence is een Engelsman met rasecht eiland-DNA. Ook niet hun nationaliteit. Juist: de club van herkomst, AS Trencin. Een subtopper in Slowakije met als eigenaar de Nederlander Tscheu la Ling, een sierlijke winger bij Ajax en Oranje in de jaren 80.

De eerste die van Trencin overkwam, was meteen de beste: Leon Bailey, het egootje uit Jamaica, dat van Racing Genk naar Bayer Leverkusen verhuisde voor 13,5 miljoen euro. Hij was de duurste van alle Trencinners maar heeft het meest opgebracht want hij werd gekocht voor tien keer minder. Bailey kwam officieel pas in augustus 2015 in Genk aan, maar eind 2014 was het al duidelijk dat hij die richting uit zou komen. Hij was daar eerder al gepasseerd maar kon niet blijven omdat hij te jong was. In het dossier-Bailey zijn de grenzen van het wettelijke opgezocht en/of opgerekt, laten we het daarop houden.

Begin 2015 landde ook ene Moses Simon in Gent. Om juist te zijn in Spanje, waar Gent op trainingskamp was en hij op het veldje van La Nucia vriend en vijand verbaasde met zijn kwiekheid en passeerbewegingen. Hij zou mee Gent kampioen maken. Simon was niet zo duur als Bailey, maar bracht ook niet zoveel op. Gent had voor Simon in 2015 10 miljoen en meer kunnen krijgen, maar wilde het dubbele. Ze hebben hem deze zomer verkocht voor minder dan de helft. Timing is everything in voetbal: voor de goal én op de kamelenmarkt.

Wesley Moraes van Club Brugge is een Braziliaan, maar komt ook uit Slowakije vandaan. Die moet nog opbrengen en dat zou weleens meer kunnen zijn dan Bailey als hij nog wat vorderingen maakt. Al bij al zullen Belgische clubs tussen januari 2015 en augustus 2018, dat is drieënhalf seizoen, een heel Trencin-elftal hebben getransfereerd.

De hofleverancier uit Slowakije heeft een geprefereerde afnemer: de Koninklijke Atletiek Associatie uit Gent. Azango is de zesde Trencin-speler die in Gent neerstrijkt. Voor de eerste vijf Trencin-spelers heeft Gent 4,15 miljoen neergeteld, als we de kranten en de site Transfermarkt mogen geloven. Die vijf, van wie twee miskleunen, zijn al allemaal weer weg en hebben volgens dezelfde bronnen bij de verkoop 17,1 miljoen opgebracht.

Dat is het Trencin-model ten voeten uit: goedkoop of gratis halen, opleiden en doorverkopen. En dat is ook het Belgisch model: niet al te duur halen en zo duur mogelijk doorverkopen, waarbij Trencin en uiteraard nog wat figuren in de coulissen een stukje van de koek krijgen. Maar van de kleine lettertjes over wie meeprofiteert van transfers mogen wij doorgaans het fijne niet weten.

Ik begrijp de Belgische clubs niet. Als je ziet welke spelers ze zelf gaan halen voor gruwelijk veel geld en soms moeten afserveren met verlies, is het vrij duidelijk dat de meeste clubs niet al te best zijn uitgerust om talent op te sporen, en laat dat een understatement zijn. Trencin heeft dat netwerk blijkbaar wel.

Tip aan de Belgische clubs: stop met spelers van Trencin te kopen, maar haal er de hele scoutingstaf en wat van hun opleiders weg. Waarom niet de hele club kopen? Een duurdere investering dan een speler, maar wel een die lang rendeert. Tel uit je geld: een handvol kraaltjes voor de lokale Afrikaanse voetbalvoorzitter en je bent zelf eigenaar van het nieuwe zwarte goud, zonder tussenpersoon of Slowaaks tussenstation.

 

 

20180901_De-Morgen_p-18-19-2-mail

Column over indicatieve tabel in De Morgen van maandag 28 augustus 2018

Pappen, nathouden, aanmodderen

Weet u wie nu ongelooflijk baalt na zaterdag? Laurent Denis. Hij heet een topadvocaat te zijn, maar hij kon niet beletten dat Christophe Diedhiou van Moeskroen eind juli vier speeldagen schorsing aan zijn broek kreeg voor een rode kaart. Bij die zitting lag de veelbesproken indicatieve tabel ook al op tafel. Geen Waalse haan die er toen naar kraaide.

Jammer voor Moeskroen en Diedhiou, maar Laurent Denis was vergeten te checken of die was goedgekeurd van Oostende tot Virton en van Doornik tot Maasmechelen en of daarbij de juiste werkwijze was gevolgd. Hij pleitte geen procedure, maar de inhoud en wie doet dat nu nog? Hij pleitte klassiek: dat het allemaal zo niet was bedoeld en dat het veel erger leek dan het wel was en dat zijn cliënt een engel was op en naast het veld en veel blablabla.

Hij haalde zijn slag niet thuis. De strafmaat, weet u wel: zo’n overtreding, zo’n straf, geen willekeur meer.

Bij Standard waren ze slimmer. Daar hadden ze geen zin om Mehdi Carcela te missen. Hij was nu net terug in het nest en het was nog wel zo’n brave jongen en die schorsing van drie speeldagen volgens de nieuwe tabel was overdreven. Standard wist dat er procedureel iets te rapen viel. Onder meer omdat hun voorzitter als enige de tabel niet had goedgekeurd per mail, zoals half augustus was gevraagd door de nieuwe Profliga-voorzitter Marc Coucke. Wat overigens niets te betekenen had, want er bestaat geen vetorecht in de Profliga.

Eigenlijk was die tabel er wel, goedgekeurd en al, en verschenen in Sportleven. Dat heeft Didier Detollenaere van de geschillencommissie hoger beroep voor het profvoetbal niet belet zijn rechterlijke almacht te laten spreken – en ook een beetje zijn buikgevoel: hij blies het boeltje op. Aanslagplegers gingen vrijuit. Dat was niet in het belang van het voetbal, nog minder in het belang van eerlijke rechtspraak in het voetbal, maar wie geeft daar nu nog om?

Uitkomst: voorlopig kunnen de geschillencommissies nog recht spreken zoals ze dat in het verleden hebben gedaan, arbitrair. En op het veld: twee psychopaten – de ene met twee benen vooruit en de andere weeral met een slag in het aangezicht – speelden gisteren vrolijk voetbal tegen elkaar en veertig kilometer verder zat Vadis Odjidja in de tribune zijn straf uit omdat hij vorige week twee keer op een voet van een Eupenaar had gestaan.

Terug naar hoe het begon. In januari van dit jaar besloten de profclubs dat het gedaan moest zijn met die strafbepalingen à la tête du client. Voortaan zou het gaan zoals met verkeersovertredingen: voor elke overtreding een vast tarief. Een werkgroep werd geformeerd: daarin onder meer de CEO van de voetbalbond, Pierre François (de directeur van de profliga) en ook Johan Timmermans en Joseph Allijns, voorzitters van KV Mechelen en KV Kortrijk.

De CEO werd ontslagen, Timmermans stapte uit de werkgroep na de degradatie van zijn KV Mechelen, Allijns zagen ze niet meer maar wel in Rusland bij de Rode Duivels, en zo kwam al het werk op de nek van Pierre François terecht. Hij finaliseerde het voorstel en zorgde ervoor dat het in Sportleven verscheen.

Toen op 13 augustus bleek dat de algemene vergadering van de Profliga nog haar goedkeuring niet had gegeven, stuurde Marc Coucke die bewuste mail rond, die door elke voorzitter werd goedgekeurd, behalve door Bruno Venanzi van Standard.

De conclusie van deze vaudeville kan alleen maar zijn dat het Belgisch voetbal er in prestaties misschien op vooruitgaat, maar dat het management is blijven steken in de vorige eeuw: eeuwige amateurs, schreef ooit een collega. Toch is er meer aan de hand, want hier spelen andere achtergronden dan een puur procedurele kwestie.

Met Detollenaere manifesteert zich het vleesgeworden Napoleon-complex. De man houdt niet van indicatieve tabellen omdat die zijn rechterlijke macht (lees: willekeur) beperken en heeft het hele zootje dan maar kort door de bocht onreglementair verklaard. De andere Napoleons van de voetbalbond zijn Marc Coucke en Bart Verhaeghe, maar die hebben met uitzondering van de mail van Coucke ook geen poot uitgestoken om de klus te klaren zoals het hoorde.

De enige actie die Bart Verhaeghe heeft ondernomen in de drukke zomer, waarin hij op de worldcup voetbal goud won in de discipline ‘opvallen voor bobo’s’, was Pierre François kapittelen dat hij zich niet mocht bemoeien met de disciplinaire commissies.

Zou Pierre François, de enige die deze zomer zijn werk heeft gedaan, het nu eindelijk hebben begrepen dat de Napoleons hem eruit willen? En zouden de andere clubs het hebben begrepen dat het Belgisch voetbal volgens de topclubs gewoon het best wordt beheerd zoals in het verleden: pappen, nathouden en aanmodderen?

Column over Maarten van der Weijden in De Morgen van zaterdag 25 augustus 2018

Martelaar van Nederland

 

Maarten van der Weijden is de Nederlander die 200 kilometer door Friesland ging zwemmen en tot 163 kilometer is geraakt. Onderweg heeft hij 3,5 miljoen euro opgehaald. Voor de Vlamingen: dat is een derde van De Warmste Week. Met één actie, door één man.

Ik ken Maarten van der Weijden uit mijn vorig leven in Nederland. In januari 2008 had ik het voorrecht bij het trainingskamp van de Nederlandse nationale zwemploeg aanwezig te zijn. Dat was op Isla Margarita, een eiland voor de kust van Venezuela. We zaten daar voor een 50-meterbad annex een mooi hotel, dat voornamelijk bevolkt was door vrouwen die kwamen voor borstvergrotingen en niet voor het olympisch bad.

Soms stond je in de lift met een pas geopereerde, ondersteund door haar man en paracetamol of zwaarder, en dan zag je het onevenwicht, want wie ineens een te grote vergroting wil, kan niet allebei de borsten samen laten doen. Ik vertel maar wat de zwemmers mij vertelden. Die hadden gezien hoe mijn ogen uit de kassen rolden. Ik kreeg meteen een crash course ‘hoe valse borsten herkennen’ want die kregen zij geregeld in handen. Andere generatie, ik hield het daar op.

Dat wilde ik even kwijt, maar nu gaat het weer over Maarten van der Weijden. Die was daar ook, als jongeman met de ambitie olympisch kampioen te worden op de 10 kilometer openwaterzwemmen. Hij was daar samen met zijn trainer – de illustere Marcel Wouda, zelf wereldkampioen en olympisch gemedailleerde – en met een Belg als trainingsmaat, Tom Vangeneugden. Die zwom ook bij PSV in Eindhoven, had ambities op de 1.500 meter en moest veel kilometers maken.

Het verhaal van Maarten was gekend. Als tiener leukemie overwonnen en daarna was geen berg hoog genoeg om hem tegen te houden. Hij werd later dat jaar olympisch kampioen met een waanzinnige finish. Dat leverde legendarische beelden op die nog op YouTube te vinden zijn en let vooral op cocommentator Pieter van den Hoogenband, die zijn ploegmaat en vriend naar de overwinning schreeuwt.

Ik heb op Isla M. Maarten van der Weijden de basis zien leggen voor zijn prestatie. Op een dag kwamen we zo rond een uur of halfelf bij het bad aan voor de ochtendsessie van de zwemploeg en toen lag Van der Weijden al een uurtje in het water te weken. Hij ging door tot één uur. Die middag deed hij nog wat en die avond ook. Ik kan er 5 kilometer naast zitten, maar ik geloof dat hij toen een trainingsdag van 30 kilometer had. Dat vonden wij met zijn allen toen buitengewoon en dat was het ook.

Laat er geen misverstand over bestaan, alleen maar respect en bewondering voor Maarten van der Weijden, toen in Venezuela, later in Beijing en op een dag na nog eens tien jaar later toen hij in Friesland meer dood dan levend uit het water werd gehaald. Dat was afgelopen maandag, in het plaatsje Burdaard, net voor Dokkum. De elfde stad in de Elfstedentocht haalde hij net niet.

Van der Weijden weet wat extreem lang zwemmen is. In 2017 deed hij in Amsterdam een poging het wereldrecord 24 uur zwemmen te breken. Hij kwam uit op 99,5 kilometer, het record bleef staan op 102 kilometer. Met zijn sportieve prestatie haalde hij toen 8.500 euro op ten behoeve van kankeronderzoek. In 2017 deed hij ook nog eens een dubbele Kanaal-oversteek in 19 uur en 4 minuten en begin dit jaar lukte het hem toch: 102,8 kilometer zwemmen in één dag in een 25-meterbad.

In De Volkskrant verscheen na zijn Elfstedenzwemtocht een brief met een pleidooi om hem maar alvast sportman van het jaar te maken. Respect ja, bewondering ja, verwondering nog meer, maar sportman van het jaar? Zijn ze daar echt de weg kwijt boven en onder de Moerdijk?

Dat ze in de beste krant van Nederland die brief überhaupt afdrukten, is al vreemd. Net als het collectieve hoera van de media. Waar was die kritische geest van de Nederlandse journalistiek? Stelde niemand zich dan vragen bij het waanzinnige van Van der Weijdens helletocht?

Dit was geen sport; dit was een kei van een sportman en een groot kampioen die de chemische, hormonale en biologische grenzen van zijn lichaam heeft afgetast en ruim overschreden. Maarten, martelaar van Nederland, die helemaal doorweekt, alle vocht-, zout- en andere balansen in zijn lichaam verstoord, als een halve dode uit het water werd gevist en op een vlot gelegd, was de negatie van sport. Het is te hopen dat het geen navolging krijgt en dat hij zelf als eerste met die waanzin ophoudt.

Jawel, het is dus dubbel: je vindt hem compleet geschift en tegelijk wil je hem proficiat wensen.

 

DM-COL-Maarten-mail