Column Nederland Schaatsland in De Morgen van zat 17 feb 2018

Nederland schaatsland

 

Katie Couric van NBC heeft zich van de week geëxcuseerd bij het Nederlandse volk voor haar ‘beledigend’ commentaar tijdens de openingsceremonie. Daar legde ze uit hoe het kwam dat de Nederlanders zo goed zijn in schaatsen. Ik vertaal het even snel door de bocht: “Nederlanders hebben veel kanalen en die werden van oudsher gebruikt om naar elkaar toe te schaatsen, maar ook om lol te maken. En daarom kunnen ze dat zo goed.”

Ik zie niet in waarom Katie zich moest excuseren. Jaren aan een stuk, en echt niet in de laatste ijstijd, moest ik geregeld in Amsterdam zijn en toen liep ik ook wel eens over een bevroren Amstel de wallen op. Niet naar de hoeren, die zaten een wal verder, maar naar onze hoofdzetel van Weekbladpers.

Nederland hééft meer water dan België, het ís er doorgaans (zeker in het noorden) enkele graden kouder en zodoende ís schaatsen daar een deel van het (verenigings)leven geworden. Wie zich in de zomer in Friesland of het noorden (voor de Belgen: dat is niet hetzelfde) verbaast over die grote vijvers met lichtpalen die je haast in elk dorp ziet, dat zijn plassen die behoren dicht te vriezen om vervolgens te kunnen schaatsen op natuurijs. Later kwamen de grote hallen, gigantische ijskasten, 7 in een land van 17 miljoen inwoners (en 19 als de half-overdekte worden meegeteld).

En zo zit schaatsen in het DNA van heel wat Nederlanders en is de schaats van een transport- een sportmiddel geworden.

Jaloerse kut-Belg

Couric had dus geen ongelijk, maar je hebt als allochtoon beter geen mening over het Nederlandse schaatsen of je wordt tot de orde geroepen. Dat overkwam mij vier jaar geleden na de Spelen van Sotsji, toen ik na het lezen van een interview met de stofjesingenieur van het Nederlandse pak durfde te poneren dat de Nederlanders een technologisch voordeel hadden.

Ik werd naar Hilversum gechauffeerd en vervolgens gegrild. “U beschuldigt Nederland van technologische doping?”, stelde de interviewer. Ik zei: “Niet van doping, maar wel van een technologisch voordeel door innovatie en als dat binnen de reglementen blijft, is daar geen probleem mee. Goed gedaan, Nederland.” Het kwaad was geschied: ik kreeg mails dat ik een jaloerse kut-Belg was.

De les? Nederlanders hebben het alleenrecht van het dubbel gevoel bij hun massale successen in het schaatsen en geen ander – al helemaal geen buitenlander – mag zich daarmee bemoeien. Voortschrijdend inzicht, onder meer na gesprekken met Bart Swings, heeft mij doen inzien dat die pakken zeker hebben geholpen, maar dat er nog wel meer aan de hand was dan een stofje dat 3 procent (aldus de uitvinder) sneller was.

Ze zullen het nooit toegeven, maar wedden dat donderdag bij de Nederlandse schaatsbond een beetje opgelucht werd gereageerd? Na zes dagen schaatsen was de 10.000 meter de eerste race waarin de gouden medaille niet naar Nederland ging. De winnaar was een Canadees, TJ Bloemen. Detail: TJ staat voor Ted-Jan en jawel, hij spreekt een aardig mondje Engels, maar nog veel beter Nederlands.

De 10 kilometer is dus gewonnen door een Nederlander, die leerde schaatsen bij Schaatsclub Gouda en sinds 2014 een ander paspoort heeft. Hij wordt getraind door een Nederlandse coach, Bart Schouten. Woensdag waren bij de vrouwen twee Japansen op twee en drie geëindigd op de 1.000 meter, achter de Nederlandse Jorien ter Mors. De bronzen medaille Miho Takagi wordt getraind door een Nederlander, ene Johan de Wit.

Gisteren ging de favoriete en Tsjechische minder hard dan verwacht, maar ook de Nederlandse schaduwfavorieten lieten het wat afweten. Geen nood, er ging een nieuw blik open en daaruit sprong een jong ding van 1,70 meter: Esmee Visser, olympisch goud in haar tweede internationale race.

Al 11 van de 21 medailles

Nederland is schaatsen en schaatsen is Nederland. En toch is de vergelijking schaatsen/ Nederland en veldrijden/Vlaanderen onzinnig. Veldrijden blijft beperkt tot twee landen, de occasionele Tsjechische uitschieter en een exoot uit een ander land.

Schaatsen dan. In Sotsji wonnen de Nederlanders 23 van de 36 medailles. Dat is belachelijk veel. Drieëntwintig landen schreven schaatsers in, ondanks de relatief scherpe kwalificatiecriteria want schaatsen wordt niet verwend inzake deelnemersaantallen. Die bestaan in het veldrijden niet. Iedere Afrikaan met een crossfiets die Valkenburg had gehaald, had zo een startbewijs gekregen voor het WK.

De kanshebbers op de schaatspodia komen uit West-Europa (Nederland, Noorwegen, Italië), Rusland, de VS, Canada, Japan, China, Zuid-Korea en Nieuw-Zeeland. Welnu, dat doet zelfs de eerste wereldsport voetbal het schaatsen niet na. Schaatsen is een van de meest universele sporten, Winter- en Zomerspelen, op het olympisch programma.

In Pyeongchang zijn we nog even zoet met medailles tellen, maar we kunnen nu al voorspellen dat Nederland die 23 medailles niet haalt. Ze hebben er nu 11 van de 21. Ik gok op achttien. Nog steeds verbazingwekkend.

In die kleine wereldsport heeft het beste kleine sportland van de planeet de wet van de remmende voorsprong aan zijn laars gelapt en profiteert het van het exponentieel voordeel. Meer atleten, meer concurrentie, meer technologie, meer geld, betere atleten, betere trainingsleer, betere technologie: de voorsprong van Nederland is inmiddels haast niet meer te overzien. Dat viel al op in Sotsji, waar de Russen de hele boel belazerden met hun geflikte dopingtests maar er in het schaatsen toch niet aan te pas kwamen.

De 1.000 meter voor vrouwen van de week was dé eyeopener. Dat is het snelste nummer van het hele langebaanschaatsen met gemiddeld 49,9 kilometer per uur bij de vrouwen en 54,2 bij de mannen. Op de 1.000 is de centrifugaalkracht het grootst en bijgevolg – zo dacht men vroeger – ben je op dat nummer gebaat bij een laag zwaartepunt en dus een kleine gestalte.

De winnares van de 1.000 meter in Pyeongchang combineert shorttrack (nog extremere centrifugaalkracht) met langebaanschaatsen. Ze heet Jorien ter Mors, ze is 1,81 meter lang en heeft lange benen. Een land dat zoiets voor mekaar krijgt, heeft zijn dominantie niet gestolen maar dubbel en dik verdiend.

 

Nederland-Schaatsland

Advertenties

Column Olympische spaarkas in De Morgen van zaterdag 11 feb 2018

Olympische spaarkas

De tegenvaller van de week in de Belgische sport is niet de Gouden Schoen van Ruud Vormer, de blunder van Kenneth Vermeer of de overname van KV Oostende, maar het vertrek van Vital Heynen (48) als bondscoach van de nationale mannenploeg van het volleybal. Dat is de ploeg die in 2017 op een haar na een medaille miste op het Europees kampioenschap. Ze werden vierde en dat is het beste resultaat ooit voor een mannenploeg in het volleybal, behaald tegen sterke tegenstanders en met verbazend goed spel.

Vital Heynen was maar een goed jaar bondscoach en is alweer weg. Polen roept en hij verbreekt met plezier zijn contract. Hij is van de week zijn kandidatuur gaan verdedigen tegen twee Poolse kandidaten en heeft het gehaald. Ik las ergens iets over een chocolade medaille die hij meehad voor de Poolse bondsvoorzitter. Jammer.

Heynen heb ik nog gekend als speler en in die rol was hij maar zo en zo: veel praatjes en een dik gat, maar wel vista. Uit die heel gewone spelverdeler is een absolute topcoach gegroeid. Daar hebben we er te weinig van in dit land en nu is hij weg. Zonde. Een contract verbreken is niet 100 procent netjes, ook al betaal je de afkoopsom, maar anderzijds is Polen de wereldkampioen en een medaillekandidaat op het aanstaande WK.

Heynen argumenteert dat trainers worden buitengegooid als de resultaten tegenvallen en hij daarom ook eerder mag vertrekken. Hij leek anders niet bepaald op de wip te zitten. Heynen gaat ook niet voor het geld naar Polen. Zegt hij.

Hij had een parttimecontract als bondscoach bij de Vlaamse Volleybalbond, die voor dat salaris subsidies krijgen van Sport Vlaanderen. Topvolleybal is een haast exclusief Vlaamse aangelegenheid en dat is makkelijk voor de besluitvorming, maar minder gunstig als het om financiering gaat. Hoe het komt dat de Franstalige Belgen niet kunnen volleyballen, op enkele verdwaalde uitzonderingen na, dat is al vijftig jaar een mysterie.

BOIC voor het blok zetten

Behalve Belgisch bondscoach was Vital Heynen ook clubcoach in de Duitse competitie, bij Friedrichshafen. Het is niet duidelijk of hij dat zal blijven combineren, maar mijn gok is dat hij na dit seizoen fulltime bij de Polen aan de slag gaat. Een prima operatie voor zijn bankrekening en voor zijn privéleven en dat is hem gegund.

Verdomd jammer dat wij in België niet die ideale voorwaarden kunnen creëren om een toptrainer als Heynen aan ons te binden. Al te vaak luidt de uitleg: er is niet genoeg geld (voor topsport). Dat hoorde ik ook laatst bij de snowboarders, toen ik mij erover verbaasde dat ze geen permanente kinesitherapeut bij zich hadden in de aanloop naar de Olympische Spelen. “Onze bond doet wat hij kan, maar er is geen geld voor.”

Misschien niet bij die bond, maar wordt het niet eens de tijd dat die sportbonden en de gemeenschappen het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) voor het blok zetten? De nationale ploegen en de directe voorbereiding op de Olympische Spelen zijn zo’n beetje de corebusiness van het BOIC, maar als het erop aankomt de portemonnee te trekken, wijzen ze naar de overheid.

Uit een studie van de jaarrekeningen van deze koepelbond blijkt dat ze eind 2016 op een reserve van 15 miljoen euro zaten. De laatste drie olympische jaren (2008, 2012 en 2016), maar ook in de tussenliggende jaren, is zelfs telkens winst gemaakt: 325.000 euro voor Beijing, 1.447.000 voor Londen en 1.902.000 voor Rio.

Vijftien miljoen euro reserves en bestemde fondsen is absurd. Het is een gigantische olympische spaarkas, waar de meeste leden van de raad van bestuur niet van weten en die louter en alleen de eigen structuur dient. Die 15 miljoen staat alvast niet ten dienste van de topsport, want dan had Heynen een contract waar hij niet onderuit zou willen en hadden de snowboarders een vaste kine. Die vaststelling heeft er vorig jaar al toe geleid dat het BOIC onder druk van de overheden zijn bijdrage aan het jongerenproject BeGold heeft moeten verdubbelen van 375.000 naar 750.000 euro, maar daar mag het niet ophouden.

Het wordt hoog tijd dat er meer controle komt op deze zogeheten vereniging zonder winstoogmerk, die meer weg heeft van een fondsenbeheerder dan van een sportbond.

 

 

Olympische spaarkas-mail

Verhaal over de winterspelen in De Morgen van zaterdag 10 feb 2018

Sneller en gevaarlijker,

kleiner en corrupter

 

Voor doden moet je bij de Winterspelen zijn, of voor een smeuïg verhaal over doping of omkoping. En dat zijn lang niet de enige problemen waarmee de olympische beweging te kampen heeft.

Kolonel en ridder Raoul Mollet, voormalig voorzitter van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC), was een man van aanzien in olympische middens. Toch schopte hij het nooit tot lid van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) omdat hij eentalig Frans was en vooral omdat hij het hart wel heel erg op de tong had.

Hij introduceerde mij in de internationale sportpolitiek. Enkele statements: “Ecoute, mon grand, drie van de vier IOC-leden sont des cons en weten niet waarover ze het hebben. En die Winterspelen, daar moeten we zo snel mogelijk van af. Dat is voor toeristen.”

We schrijven 1993, een jaar na de wintereditie in Albertville en de Zomerspelen in Barcelona. Albertville had klauwen vol geld gekost, maar effende wel de weg voor de ontwikkeling van tal van nieuwe skigebieden. Barcelona transformeerde van een gore havenstad tot sexy citytripbestemming. De olympische wereld was in die jaren op haar sterkst en had in 1986 een visionaire beslissing genomen.

In wat leek op een bui van overmoed, had Juan Antonio Samaranch, de sportpaus vóór Jacques Rogge, zijn IOC zover gekregen dat ze de Winterspelen zouden weghalen uit het jaar van de Zomerspelen. Zijn oorspronkelijk bedoeling met die move was de sponsors twee keer waar voor hun geld te geven, gespreid over de olympische cyclus van vier jaar, en tegelijk de wereldvoetbalbond FIFA stokken in de wielen te steken. Voortaan zou in het jaar van de worldcup het eerste mondiaal sportevenement de Olympische Spelen zijn. En zo kregen we twee jaar na Albertville (1992) alweer Winterspelen, in Lillehammer in Noorwegen deze keer.

Daar was ook een verhaal aan verbonden. Samaranch was na de democratisering van Zuid-Korea, waar de junta de macht had afgestaan en verkiezingen uitgeschreven, ervan overtuigd dat zijn Olympische Spelen van 1988 in Seoel de trigger waren geweest van die politieke shift. Het IOC verdiende daarvoor de Nobelprijs voor de Vrede, vond de kleine Spanjaard.

Om Noorwegen, dat de Nobelprijs uitreikt, ter wille te zijn, werd niet toevallig het kansloos geachte Lillehammer gekozen boven het Zweedse Östersund. Die Nobelprijs ging niet door omdat de Noorse pers erachter kwam. Vanaf Lillehammer zouden de Winterspelen tot meer ellende leiden dan de olympische familie lief was en haar tot aan de afgrond duwen.

U denkt allicht dat we een wintersportland zijn geworden met onze 22 atleten onder de 3.000 die in Pyeongchang vanaf vandaag zullen optreden. In Chamonix, bij de eerste Internationale Wintersportweek, postuum tot eerste Olympische Winterspelen omgedoopt, waren we ook al met 18 Belgen op slechts 258 deelnemers.

We brachten in het bobsleeën een bronzen medaille mee naar huis. We, dat waren Charles Mulder, René Mortiaux, Paul Van den Broeck, Victor Verschueren en Henri Willems. Toen mocht je nog kiezen: bobben met vijf of vier.

Probleemspelen

Chamonix 1924 was een folietje van enkele leden van het Internationaal Olympisch Comité. Het dient gezegd dat Antwerpen 1920 het proces had versneld door te allen prijze ijshockey en kunstschaatsen in het programma van de Zomerspelen te willen opnemen. Ook al vonden die wedstrijden in april plaats, ze werden gigantische mislukkingen. Als er al werd geschaatst in het Palais de Glace (later de garage Leopold in de Henri Van Heurckstraat, afgebroken in 2016), was dat op erg koud water maar niet echt op ijs.

In juni 1921 stemde het IOC in met wintercompetities en koos voor Chamonix, gevolgd door zomercompetities in Parijs. 1924 was een succes en werd postuum gepromoveerd van Winterfestival tot de Olympische Spelen-status.

De wintereditie van 1928 kreeg meteen te maken met een fenomeen dat we vandaag ook kennen: het was warm in Sankt-Moritz en heel wat sporten konden niet doorgaan. Van sneeuwkanonnen en sneeuwstockage was nog geen sprake.

Winterspelen stond van dan af gelijk met probleemspelen. In 1936 zou skiën op het programma komen, maar het IOC sloot beroepsskiërs zoals skileraars uit. Sport was volksverheffing voor amateurs, vond het IOC, en heel lang bleven Winterspelen het toneel van de beter begoede toerist met een passie voor snelheid op ijs of sneeuw. Die moeilijke relatie met profsport werd op de spits gedreven in 1972, toen zelfs de Oostenrijkse sterskiër Karl Schranz werd geweigerd omdat hij ooit ergens een keertje startgeld had gekregen.

Inmiddels kregen de Winterspelen steeds meer kritiek omdat ze te gevaarlijk zouden zijn. In Innsbruck in 1964 waren twee doden gevallen op training, een skiër en een Britse rodelaar. Rodelen (sleerijden op de rug) was net toegevoegd aan het programma. Voor de Spelen van 1976 was Denver gekozen, maar die moesten het event teruggeven na een negatief uitgevallen bevraging van de bevolking.

Verzet van de locals zou een constante worden, in zoverre dat voor de Spelen van 2022 alle kandidaat-steden onderweg afhaakten, op Almaty in Kazachstan en Beijing in China na. Uit armoede blijft het olympisch wintercircus na Pyeongchang gewoon in Azië en trekt zowaar voor het eerst in de geschiedenis in de winter naar een stad die ook al eens de Zomerspelen (2008) heeft georganiseerd.

Er is wel nog één klein probleempje: in Beijing ligt haast nooit sneeuw en ook daarbuiten in de heuvels, waar zal worden geskied, valt weinig neerslag. Dat de bergen niet hoog genoeg zijn om een afdaling te organiseren, daar passen de Chinezen straks een mouw aan. De bergen krijgen een verhoging.

 

Klimaat wordt een van de grote uitdagingen om nog goede wintercompetitieplaatsen te vinden. Een ijshal krijg je zelfs in de woestijn koud, maar voor outdoorskicompetities zijn temperaturen rond of onder het vriespunt nodig. Volgens een Canadese studie zou de helft van de locaties waar ooit het wintercircus zijn tenten opsloeg tegen 2050 te warm zijn.

Beijing 2022 zullen pas de tweede Spelen zijn die in een communistisch land worden georganiseerd. Wintersport was/is van de elite en hoorde (net als tennis en golf) niet thuis in een volksrepubliek. De eerste editie achter het toen nog IJzeren Gordijn vond plaats in 1984 in Sarajevo en daar werd de bevolking een decennium later pijnlijk aan herinnerd. Op de olympische pistes werd zwaar gevochten tussen Serviërs en Bosniërs en de heuvel Trebevic naast Sarajevo werd gebruikt om de stad onder schot te houden.

Het absolute dieptepunt was 5 februari 1994, toen de olympische bobbaan werd gebruikt als lanceerplatform voor een Servische mortier die op de groentenmarkt werd afgeschoten: er vielen 67 doden. Het was de opgestoken vinger van de Serviërs als antwoord op het verzoek van het IOC om de olympische vrede – een gebruik dat uit de oudheid stamt – te eerbiedigen.

Speeltuin voor ontwikkelaars

Binnen de familie van mondiale sportevents zijn de Winterspelen het achterkomertje met leer- en gedragsproblemen. Toch kandideerden ooit tot wel tien steden of regio’s om het witte circus over de vloer krijgen. Amerikaans senator John McCain, het voorbije jaar de nagel aan de doodskist van zijn Republikeinse partijgenoot Donald Trump, analyseerde destijds de olympische facelift die zijn buurstaat Utah onderging. Zijn conclusie: “De Winterspelen zijn ideaal om waardeloos land in te ruilen tegen waardevol land, een pracht van een speeltuin voor ontwikkelaars. Ze hebben alles te maken met het rijker maken van miljardairs.”

Die miljardairs, zo blijkt uit de reconstructie, zorgden voor minimaal twee gearrangeerde verkiezingen. De editie van 1998 werd verrassend toegewezen aan Nagano op de olympische sessie in Birmingham in 1991. De IOC-leden kwamen handen en taxi’s tekort om hun Japanse vazen en andere geschenken naar hun holen te slepen.

Grote verliezers van die verkiezingen waren de mormonen van Salt Lake City. Ze hadden hun ogen de kost gegeven, maar openlijk cadeaus uitdelen kon na Birmingham niet meer omdat de wereldvreemde asceet en Opus Dei-lid Samaranch het ervan op zijn heupen had gekregen. Salt Lake nodigde bijgevolg alle leden uit zo vaak ze wilden en peilde tussen vier muren naar hun verzuchtingen. Die tactiek loonde: in 1995 kreeg het de Winterspelen van 2002.

Vier jaar later bleek hoe het er in die één-op-ééngesprekken was aan toe gegaan. Salt Lake had opnieuw het beste dossier en kon rekenen op heel wat steun, maar kon zich geen verlies veroorloven. Het kocht veiligheidshalve een twintigtal IOC-leden om. Het SLC- schandaal kostte de kop van tien onder hen; vier stapten zelf op en zes werden uitgesloten.

Al bij al was het grappig, zoals de Afrikaanse IOC-leden die zich tot twee keer toe lieten uitnodigen om te leren skiën en zich en passant ook een nieuwe knieprothese lieten aanmeten of een studiebeurs voor hun kinderen regelden. Jean-Claude Ganga uit de Republiek Congo (Brazzaville) was het inhaligst. Hij kocht en verkocht ter plekke villa’s, met winst, kreeg geld op zijn rekening om de Afrikaanse sport te ontwikkelen en was zich van geen kwaad bewust.

Die SLC-affaire zweerde uit in 1999 omdat een Zwitsers IOC-lid het niet langer kon aanzien. De olympische beweging stond aan de rand van de afgrond, maar de dopingperikelen na de Festina-Tour een jaar eerder waren net iets acuter en zorgden op tijd voor afleiding.

De Spelen van Salt Lake 2002 zelf waren prima georganiseerd, maar werden om totaal andere redenen de meest controversiële, al hadden we toen Sotsji 2014 nog niet gehad. Voor het eerst – niet toevallig onder het pas verworven voorzitterschap van Jacques Rogge – werden gouden medailles afgenomen nog tijdens de Spelen zelf. Nog wel vijf: drie van de Duitse Spanjaard Johan Mühlegg en twee van de Russinnen Larisa Lazoetina en Olga Danilova. Drie langlaufers, drie keer positief op Aranesp, de lang werkende vorm van de bloeddoping epo.

Poetin bemoeit zich

Het dieptepunt beleefde de kersverse IOC-voorzitter in Salt Lake met het kunstschaatsen, toen een Frans jurylid bekende dat ze zich had laten omkopen door een Russische zakenman om het Russische paar ten nadele van de Canadese favorieten op één te zetten. De Canadezen Jamie Salé en David Pelletier kregen later die week alsnog hun goud. Het werd de eerste maar niet de laatste keer dat Vladimir Vladimirovitsj Poetin zich met het IOC zou bemoeien, toen hij zijn telefoon nam en zijn “ongerustheid” over de anti-Russische houding in de wereldsport aan Rogge kenbaar maakte.

Het schandaal van Salt Lake in 2002 was een akkefietje vergeleken bij Sotsji, vier jaar geleden, toen de olympische beweging door het diepste dal ooit moest. Nooit in de geschiedenis van de sport werden uitslagen op een dergelijke massale schaal vervalst en zijn achteraf zoveel medailles afgenomen. In een fel verbeterd dopingklimaat fraudeerden de Russen er duchtig op los met de hulp van de geheime dienst en het sportministerie. Ze wonnen een recordaantal medailles, maar van die 33 moesten ze er al 13 teruggeven. Na een recente uitspraak van het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) ontsnapt een aantal atleten aan de straf, maar er is nog beroep mogelijk door de sportbonden.

Toch is doping een minder groot probleem dan het belabberde imago van die Winterspelen. Salt Lake bleek achteraf een eyeopener, vooral dan voor het IOC zelf, dat na analyse van de kijkcijfers in zijn grootste (thuis)markt, de VS, had vastgesteld dat de interesse tanend was. Huiszender NBC schreeuwde al langer om meer spektakel en een moderner programma. Skeleton mag dan gevaarlijk zijn voor wie met 135 kilometer per uur met het hoofd vooruit veilig en snel naar beneden probeert te komen, stokstijf op een plank liggen sprak de Amerikaanse jeugd niet aan. De concurrerende X Games van ESPN daarentegen postten kijkcijfers die de Spelen degradeerden tot een soort live Keno vanuit het bejaardenhome.

In 1992 werd shorttrack toegevoegd aan het programma en in 1998, onder druk van NBC, snowboarden. Beide sporten hebben zich al grenzeloos belachelijk gemaakt. Het shorttrack in Salt Lake werd gewonnen door een Australiër, Steven Bradbury, die in de halve finale was gesukkeld omdat andere deelnemers waren gediskwalificeerd. Vervolgens overleefde hij de halve finale omdat drie andere atleten voor hem vielen en hij als laatste toch tweede werd. In de finale kon hij uiteraard niet volgen, maar omdat deze keer alle vier de andere finalisten vielen, werd hij olympisch kampioen. En in het snowboarden vier jaar later in Turijn deed de gedoodverfde winnares met de eindstreep in het zicht nog een showjump en crashte. Weg goud.

In Vancouver in 2010 kwamen nog twee nummers de jonge kijker plezieren: snowboardcross en skicross. Vier mannen of vrouwen die elkaar in een smalle pijp de loef proberen af te steken en in een rotvaart naar beneden zoeven. Spektakel en valpartijen gegarandeerd. In Vancouver crashte een Canadees zo zwaar dat men aan het ergste dacht. Er kwam maar een beetje kliniek aan te pas.

Dood van een rodelaar

Vancouver had het genoegen de laatste dode van de Winterspelen in het eindrapport te mogen opnemen. De Georgische rodelaar Nodar Koemaritasjvili stierf tijdens een trainingsrun op de dag van de openingsceremonie. In de 41 Zomerspelen vielen maar twee doden: een loper in 1912 kreeg het aan zijn hart en de Deen Knud Enemark Jensen viel van uitdroging van zijn fiets in 1960 en stierf aan een hersentrauma. In veertien Winterspelen sinds 1964 vielen vijf doden.

Winterspelen draaien meestal om snelheid, vaak ook gevaar. Bij ijshockey komt daar nog eens geweld bij. Sinds Sotsji staan ook de slopestyle en halfpipe op het programma en bij deze editie viert de big air zijn entree, weer drie uiterst gevaarlijke disciplines. De Winterspelen herdoopten de olympische leuze in hoger, sneller, gevaarlijker. De enige uitzondering is curling, schaken op glad ijs. Geen sport, dat klopt, maar van het spannendste en veiligste dat er de volgende twee weken te zien is.

 

 

Winterspelen, sneller, gev…, kl…, corr…-mail

Interview Seppe Smits in De Morgen van vrijdag 9 feb 2018

‘Mijn sport is een levensstijl’

Of het een goed idee was om vanavond de openingsceremonie niet te skippen en ook nog eens de vlag te dragen, zal morgen moeten blijken. Dan begint freestyle snowboarder Seppe Smits aan de slopestyle. Herkansing volgt op 21 februari in de big air.

Voor de avonturen van de jonge shorttrackers Jens Almey en Ward Pétré zult u moeten wachten tot de lunch, maar het allereerste wat u zaterdagmorgen in de ochtendshow van de VRT zult kunnen zien van onze Belgen zijn de prestaties van Seppe Smits, Sebbe De Buck en de jonge Stef Vandeweyer in de kwalificaties van de slopestyle.

Om 2 uur ’s nachts Belgische tijd werken die hun runs in de kwalificatie slopestyle af. Seppe Smits, de enige ervaringsdeskundige in het gezelschap, kreeg vier jaar geleden ongewild de hoofdrol in een horrorscenario. Als grootste kanshebber op de eerste Belgische wintersportmedaille sinds de genaturaliseerde Bart Veldkamp was hij al vóór de lunch op de eerste dag van de Spelen klaar. “De grootste ontgoocheling in mijn carrière. Ik moet dit mijzelf aanrekenen, maar het meest frustrerende is de vaststelling dat we slecht hadden ingeschat wat de jury verwachtte.”

Ben je toen uitleg gaan vragen bij de jury?

Smits: “Jeanval (Jean-Valère Demard, bondscoach, HV) is gegaan. De trainers hebben het contact met de jury. Met die uitleg konden we niet veel. Het was een en al frustratie, want de runs die ik in gedachten had, heb ik haast perfect uitgevoerd. Ik geef niet graag de jury de schuld, want ik heb ook al geprofiteerd van een goede jurering, maar ik weet nog steeds niet wat ze toen in Sotsji hadden willen zien.”

Jurysporten zijn gebaat bij strenge afspraken zoals in het gymnastiek: hoe een beweging of een trick moet worden uitgevoerd en hoeveel dat waard is.

“Ze krijgen het blijkbaar niet voor mekaar om dat te standaardiseren. Dat ongedwongen karakter is tegelijk de charme van de sport, maar het moet niet te ver doorschieten. Als topsporter weet je graag wat je kunt verwachten als je een bepaalde oefening goed uitvoert. Bij ons is dat lang niet zeker.

“Er is ook behoefte aan een andere manier van jurering die de evolutie naar meer en gevaarlijker tegenwerkt. Wij zijn vragende partij om een andere richting in te slaan: beter uitgevoerde tricks of combinaties in plaats van meer rotaties. Freestyle snowboard is geen acrogym. Als we dat kunnen verwezenlijken, kan ik misschien tot mijn dertigste doorgaan.

“Slopestyle is al de goeie richting ingeslagen. Je kunt dan wel een quad (vier rotaties, HV)springen, maar als de rest van de sprongen en de rails niet goed is, of je neemt je board verkeerd vast in de lucht, kun je het vergeten. Ik ben vorig jaar wereldkampioen geworden zonder triple cork, dat is het beste bewijs.”

Hoe zijn de laatste weken verlopen qua training?

“Slecht, maar dat geldt voor elke slopestyler. We hebben sinds de kerstvakantie echt de dagen eruit moeten pikken om te gaan springen. Wekenlang hadden we hooguit twee halve dagen redelijk weer. De rest van de tijd zaten we in de fitness of deden we rails. We hebben heel zelden kunnen springen. Laax (Zwitserland), waar ik op het laatst voor afreizen naar Korea verbleef, was prachtig met al die sneeuw, maar wij hadden er niks aan. Gelukkig geldt dat voor elke concurrent.

“De Amerikanen die waren teruggekeerd hadden in hun gebieden dan weer geen sneeuw. Daar zijn zelfs competities afgelast. Ideaal was het niet voor ons. We hebben geen enkele referentie met betrekking tot wie wat kan en in welke vorm is.”

Heb je al een idee wat je wilt doen en hoe je de jury wilt verleiden?

“Ik heb enkele opties, maar alles zal afhangen van hoe ik het parcours ervaar. Het is wel vooraf bepaald hoe dat moet worden gebouwd, maar elk park is anders. Van dag tot dag kan het afhankelijk van het weer verschillen. Pas als je weet hoe het park erbij ligt, beslis je over de beste tricks. Ik heb het plan opgevat om in mijn runs altijd één moeilijke en één zware techniek en tussendoor creativiteit te steken. Daar kunnen ze dan alle kanten mee uit.”

Deze extreem belastende sport kun je niet eeuwig blijven doen en je ingenieursstudies heb je stopgezet. Wat zijn de opties voor hierna?

(lacht) “Dat weet ik niet onmiddellijk. Snowboarden is mijn lang leven. Het hoeft niet altijd met triple corks en andere waaghalzerij te zijn. Gewoon glijden van een helling is ook al mooi. Mijn sport is een levensstijl, dat klopt, maar het is wel topsport.

“Ik heb een vriendin, maar die is fotografe en is al even graag in de bergen, dus dat treft. En ik heb een flat gekocht in Gent. In Gent, omdat ik dat de meest aangename stad in Vlaanderen vind om in te leven. We zijn verhuisd met kerst en ik heb er misschien vijf keer geslapen.

“Wat ik hierna wil doen? De job van Jeanval heeft wel wat. We hebben een hele lichting jonge snowboarders die via de topsportschool worden klaargestoomd en dat is best uniek voor een laagland als Vlaanderen. Die jonge talenten naar de top brengen, dat lijkt mij wel wat.”

 

Die vlag dragen aan de vooravond van je belangrijkste competitie, dat is eigenlijk not done in de Belgische ploeg. Als dat maar goed afloopt de dag nadien.

“Ik denk dat het kan. We hebben het scenario bekeken met de chef de mission Gert Van Looy en hij ziet geen probleem. Ik moest het natuurlijk ook zelf willen, maar dit vind ik zo’n eer dat ik het wel wil doen. Het stadion ligt naast het olympisch dorp, waar ik verblijf, dus ik schat dat we hooguit anderhalf uur in de weer zijn. Dat kan ik wel hebben en de boost die ik ervan zal krijgen, is ook niet min.”

 

20180209_De-Morgen_p-22

Column Vluchtgedrag over Mathieu VDP in De Morgen van 5 feb 2018

Vluchtgedrag

Adrie: “Van Aert ademde niet na een halve ronde. Hij reed gewoon rond. Het verschil was vandaag gigantisch groot. Dat het gat vrij snel twee minuten was, is ook niet normaal. Dan mag je nog iets slechter zijn.”

Met dat ‘hij ademde niet’ kun je alle kanten uit. Met dat ‘niet normaal’ ook. Adrie van der Poel is dan ook van het oude wielrennen, van het achterste van de tong niet laten zien, eerst de ander zijn bord leegeten, wat niet weet niet deert en wat al niet meer. Ik weet niet of hij vermoedt dat er in het Van Aert-kamp iets onoorbaars is gebeurd, maar het zou kunnen dat hij dat bedoelt. Hij ademt niet was alvast in zijn tijd – het begin van de epo – een regelrechte beschuldiging. Als hij dat niet heeft bedoeld, even goeie vrienden, maar gelieve in het vervolg iets minder cryptisch te zijn.

Van Aert-Van der Poel van gisteren leek een beetje op Cancellara-Boonen op de Muur in de Ronde van Vlaanderen in 2010. De eerste reed toen zo hard weg van de tweede dat de entourage van de tweede het nog steeds niet kan verkroppen en al die tijd tot vandaag de geruchten over een motortje heeft warm gehouden. Objectieve waarnemers hebben toen die fase geanalyseerd. Ze kwamen tot de vaststelling dat Fabian Cancellara niet uitzonderlijk hard de Muur opreed, maar wel dat Tom Boonen beduidend trager was.

Diezelfde objectieve waarnemers zouden gisteren hebben kunnen concluderen dat Wout van Aert niet slecht reed – dat zou er nog aan mankeren wanneer je als rasatleet wereldkampioen wordt – maar wellicht ook niet uitzonderlijk goed, al sprak hij zelf wel over een van zijn beste dagen op de fiets. Kan best dat hij dat gevoel had, maar er is meer aan de hand dan zelf een goeie dag hebben als Mathieu van der Poel wordt geklopt door Michael Vanthourenhout godbetert. De jongen die hij normaal goeiedag zegt bij de start en pas terugziet als hij in de tent is opgefrist, eindigde nu voor hem.

Tijd om man en paard te noemen: in het veldrijden wordt al langer gesuggereerd dat de clan Van Aert-Albert niet vies zou zijn van corticosteroïden. Was Mathieu van der Poel met een dikke minuut voorsprong op het hele veld gearriveerd en dáárvoor nog eens Wout van Aert met een extra minuut op Van der Poel, dan was wantrouwen op zijn plaats geweest. Met Mathieu derde, vechtend tegen kneusjes als Vanthourenhout en Aerts om dat bronsje te pakken, heeft niemand een poot om op te staan.

Wat als geen wondermiddel maar de psyche de doorslag heeft gegeven? Alles lijkt erop te wijzen dat Wout van Aert bijzonder goed naar een kampioenschap kan toeleven, in elk geval beter dan Mathieu van der Poel, die tegen een paaltje reed en vervolgens niet meer vooruit geraakte. We stellen het allemaal erg op prijs dat hij zich overal en altijd wil amuseren op de fiets en dat hij presteren er maar bij neemt, maar dat is een pose. Mathieu van der Poel doet er echt alles aan om te winnen, misschien zelfs te veel.

Zijn interviews vooraf gaven al aan hoe groot de druk was om als allerbeste veldrijder ooit – daar bestaat geen twijfel over – een tweede wereldtitel te pakken. Een evenaring van Wout van Aert, die hij al een heel jaar van het kastje naar de muur rijdt. Maar die wereldtitel hoefde niet, want hij was dit jaar toch liever overal de beste. Of nog: het kan dat ik een mindere dag heb en hij een goede dag. Dat is precies wat er gebeurde en dat moet te denken geven bij de clan-Van der Poel.

Mathieu wil geen trainer hebben, wil niet te veel testen en ook aan schema’s heeft hij een broertje dood. Hij wil zich amuseren als hij een wedstrijdje rijdt, hij wil spelen, maar wat als dat zorgvuldig gecultiveerd imago van speelvogel gewoon een excuus is voor als het misgaat? Vluchtgedrag, heet dat. Misschien heeft Mathieu van der Poel gewoon last van faalangst. Hij is daarmee helemaal geen uitzondering in de topsport. Alle begrip dat hij geen trainer, geen professor of geen coach in zijn buurt wil, maar misschien moet hij eens een sportpsycholoog proberen.

 

Vluchtgedrag

Verhaal over Mathieu VDP in De Morgen van zaterdag 3 feb 2018

De speelvogel van de fiets

Vraag hem niet de wereld te verbeteren. Of waarom hij wat, wanneer doet. Vraag hem niks, geef hem twee wielen en een fietskader om zichzelf en ons te vermaken. Mathieu van der Poel (23) is misschien het grootste wielertalent sinds Eddy.

Voor een mening fris en fijn, moet je op de wielerfora zijn.

De eeuwige Ronny C. was met congé. Geen nood, André V. kon na de generale repetitie in Hoogerheide evenmin zijn ergernis verbergen. ‘Zou men niet eens zijn apparatuur nazien ? Ik vind dit alles niet meer normaal ……! Ge kunt er bovenuit steken, maar zo ??????’

En Linda, geen fan van leestekens, hoofdletters of de dt-regel, hield het ook niet meer: ‘is daar nog iets spannends aan die VDP maakt alles kapot zoals die rond rijd”.

Hij of VDP, dat is dezelfde: Mathieu van der Poel. Hij is Hij of Hem, 23 jaar oud geworden op 19 januari, de godheid onder de crossers, de maat der dingen in de kleinste wielerniche en als eerste van dat wereldje ook ver daarbuiten. Als Wout van Aert gevraagd wordt door sportjournalist Christophe Vandegoor hoe zijn wedstrijd is verlopen, luidt de vraag: “Hij reed snel weg, je zag hem rijden, (en dan nog wat…)” Wout antwoordde met: “Hij was sterk, maar ik was ook niet slecht”. Of zoiets. Maar altijd ‘hij’.

In Hoogerheide zijn vorig weekend de laatste teerlingen geworpen. Crossminnend België zal zich moeten optrekken aan de relatief kleine voorsprong, althans vergeleken bij eerdere wedstrijden, van Mathieu van der Poel op zijn eeuwige rivaal Wout van Aert.
Ter herinnering, vorig jaar daar op die Grote Prijs van zijn vader werd Van der Poel maar 24ste, en dat op een week voor het wereldkampioenschap in Bieles.

Voor dat WK werd hij door de grote Sven Nys zelf getipt als kanshebber buiten categorie en dat leek hij ook te gaan waarmaken, tot hij vier keer lek reed en Wout van Aert op een stel hele oude maar lekbestendige tubes vlot naar de overwinning snelde. Het werd het WK van het mysterie van de groene tubes, van het parcours dat was aangelegd door pa Van der Poel (ook dit jaar in Valkenburg) en een beetje van het mysterie van de slechte knie van Wout en – aldus kwatongen – de daarbij horende corticosteroïdebehandeling.

Een jaar eerder in Zolder had Mathieu van der Poel – die op zijn 20ste in Tabor wereldkampioen bij de profs was geworden – ook al Wout van Aert moeten laten voorgaan. Het mysterie van de tubes speelde toen niet, wat niet belet dat er wel animo was. Toen beide protagonisten vroeg in de wedstrijd in elkaar haakten, werd Mathieu na het ontwarren van de knoop de hele wedstrijd lang uitgescholden. “Opeens was ik een vuile Hollander.” Hij, geboren en getogen in de Kempense bossen boven Antwerpen en gezegend met het lokale Vlaamse accent, was er van aangedaan en zijn moeder nog meer. Vader Adrie, gepokt en gemazeld in de koers in Vlaanderen en zelf een wereldkampioen en winnaar van klassiekers, trok de schouders op. “Daar moet je door.”

Vervanging voor Albert

En zo staat Wout van Aert, de man die nog dit voorjaar zijn ambities op de weg wil uittesten, op twee tegen één in de wereldtitels tegen Mathieu van der Poel, de man met als enige ambitie overal en altijd lol maken op twee wielen. Alles wijst erop dat op deze editie in Valkenburg de sportieve hiërarchie zich wel zal doorzetten, hoewel mechanische pech altijd een factor kan zijn.

Op de dominantie van de Nederlander uit Kapellen staat dit jaar geen maat. Pech, lek, materiaalpost gemist, gevallen, niet tijdig in de pedalen, niks kan hem deren. Een gat van een halve minuut rijdt hij zo dicht om er in één moeite een halve in zijn voordeel achteraan te plakken. Ter verschoning van Van Aert: diens lange duurtrainingen met het oog op de klassiekers hebben zijn vermogen om in het rood te gaan afgebot. Anderzijds is het geen toeval dat we nu pas echt het wonderkind in Mathieu van der Poel zien. De zomers van 2015 en 2016 gingen op aan knieoperaties; 2017 was de eerste keer dat hij als prof zonder ongemak een volledige zomerbasis kon leggen.

Mathieu van der Poel rijdt voor Corendon-Circus, het commercieel samengaan van een Nederlands-Turkse touroperator en een gokkantoor, gemanaged door de broers Christoph en Philip Roodhooft, twee intelligente, non-conformistische gamechangers in dat wereldje van modderlaarzen en verschaald bier.

De broers waren op zoek naar vervanging voor hun door hartproblemen afgehaakte Niels Albert toen ze besloten al hun eieren in het mandje van hun jonge Nederlandse belofte te leggen. Het werd het begin van een intense samenwerking die de jonge renner in 2016 al het tweede duurste contract uit het veldrijden opleverde (toen na Sven Nys). Dat contract is eind vorig jaar opengebroken en verlengd tot 2020, voor een niet nader genoemd bedrag, maar dat gaat richting het miljoen euro.

Christoph Roodhooft kende vader Adrie van in het café van Roland Liboton, waar hij als junior trainingsschema’s kwam halen. De crosser op retour Adrie kwam daar ook en stond hem met raad en daad bij. Jaren later kwamen ze elkaar tegen in Gieten en zag Christoph David van der Poel aan het werk. “Ik heb hem toen materiaal gegeven en Adrie zei: ‘Ik heb er nog een rondlopen en die wordt nog beter’.”

Sindsdien werkt Adrie voor de jeugdploeg van de Roodhoofts en worden zijn zonen David (25) en Mathieu (23) in de watten gelegd bij de profs. Mathieu, dat wist iedereen, was het zondagskind. Startte hij bij de profs, hij legde hen het vuur aan de schenen. Twee keer reed hij tegen de ongenaakbare Niels Albert als eerstejaarsbelofte. Hij eindigde op vijf seconden in Antwerpen en de week daarna in Sint-Niklaas moest Albert er al om sprinten.

 

De verstandhouding met broerlief David is optimaal en dat ligt niet voor de hand. David was thuis de norm, tot Mathieu doorbrak in het seizoen 2012-’13 met 30 crossoverwinningen op 30 starts en in september 2013 ook nog eens een wereldtitel op de weg in Firenze, behaald op een lastig parcours. “Ik heb nooit van Mathieu kunnen winnen”, geeft David toe. “Ik heb altijd geweten dat hij zeer jong al beter was dan ik ooit zou worden.” Mathieu is het mannetje, thuis en in de ploeg, en dat is hij graag.

Vermogensmeters

Te goed voor het incestueuze, navelstaarderige veldrijden luidde al snel de conclusie, ook in deze krant. Terwijl Wout van Aert dat beledigd afzwoer, trok Mathieu van der Poel de schouders op. Anderen, met eieren in het crossmandje, formuleerden het voorzichtiger maar ook mooi, zoals VRT-analist Paul Herygers: “Geef hem lucht in zijn tubes en een ketting en hij rijdt er iedereen af.”

De prima website cyclingtips.com omschreef hem als het grootste wielertalent van het moment. Cyclingtips is een Australische site nota bene. Ze overdrijven geenszins. Het potentieel van deze jongen op zijn fiets is fenomenaal. Fysiologische waarden kennen we niet of nauwelijks, omdat hij dat niet wil. Er wordt ook gegrapt dat hij niet weet hoe hij moet trainen en dat hij een broertje dood heeft aan testen. Dat is deel van het imago, maar de realiteit is anders. Mathieu is als Peter Sagan, wat je ziet is allesbehalve wat je krijgt.

Philip Roodhooft zei het twee jaar geleden zo tegen deze krant: “Nu traint hij gestructureerder. De tijd is voorbij dat hij mocht doen wat hij wilde en toch won. Het overleg tussen hemzelf, de dokter, Christoph en zijn vader is nu optimaal.”

Christoph: “Denk je nu dat hij dat niveau kan halen door zomaar wat rond te rijden? Natuurlijk zit er structuur in. Wij werken ook met de software TrainingPeaks en op al zijn fietsen staan vermogensmeters. Stationaire testen doen we wat minder, omdat hij daar een broertje dood aan heeft. We proberen zijn trainingszones te bepalen in het bos.

“Er zijn dagen dat ik zeg: ‘Als je in de buurt van die tijden en waarden komt, is het al goed’. Hij doet meer als hij voelt dat het kan en minder als hij voelt dat het zijn dagje niet is. Dat vind ik slim.

“Ik hoop dat hij geen pech heeft en dan wordt hij wereldkampioen. Hij weegt nu 74 kilo in plaats van 76, met 8 procent vet, minder hoeft ook niet. Hij zegt wel dat hij elke zondag frieten eet, maar ik ben zeker dat hij dat de laatste zes weken niet meer heeft gedaan. Zijn watts per kilogram lichaamsgewicht waren nooit beter. Zijn hartslag nooit lager in verhouding tot het geleverde vermogen.”

Futur gagnant du Tour

De broers Roodhooft schermen hun wonderkind af. Christoph: “Ik weet dat er veel zijn die Mathieu graag naar de weg willen halen, maar daar zijn wij niet bang voor.”

Philip: “Omdat geen van die ploegen hem betaalt wat wij hem betalen.”

Christoph: “Er was nooit een echte aanbieding. Servais Knaven van Sky zei wel eens wat en toen heb ik Sky-manager Dave Brailsford gebeld. Ik vroeg hem wat het plan was en hij zou terugbellen. Niks meer gehoord. Mathieu wil helemaal niet naar de weg. Die amuseert zich rot in het veld. Het is een speelvogel.

“Crossen is zijn lange leven en niet zeven uur op een racefiets zitten door berg en dal in een wedstrijd waarin niks gebeurt. Ik denk ook dat die jongen gewoon graag thuis is. Adrie reed ook altijd graag in het veld.”

Adrie deed het wel andersom: eerst de weg en later het veld. Eerst de Ronde van Vlaanderen, de Amstel en Luik-Bastenaken- Luik winnen en vervolgens op zijn 36ste wereldkampioen veldrijden worden. Mathieu komt nog niet aan de enkels van Adrie, hoe blasfemisch is het dan wel niet om hem in één adem te vernoemen met Eddy Merckx, de nulmeridiaan van het cyclisme?

De kans dat Mathieu van der Poel een tiende van het palmares van Merckx bij elkaar rijdt, is klein, maar er is iets aan deze jongen op zijn fiets dat stoute voorspellingen uitlokt. Zijn papi Raymond Poulidor (vader Adrie is getrouwd met de dochter van de ‘eeuwige tweede’) ziet in hem un futur gagnant du Tour. Mathieu verslikte zich, een van de weinige keren dat hem dat overkwam. “Nou, papi vergist zich. Ik denk toch dat ik meer een eendagsrenner ben.”

Dat heet zelfonderschatting. Mathieu van der Poel is een alleskunner. Wie zou in één seizoen in drie verschillende wielerdisciplines kunnen winnen? De ex-crosser en zelfverklaarde mountainbiker Peter Sagan? Zelfs die niet.

Dat bodemloze vat passe-partouttalent demonstreerde Van der Poel vorig jaar. Daags na de laatste cross pakte hij een paar dagen vakantie, haalde nog snel een BMW M op, zijn derde al, en begon dan aan het zomerprogramma. In mei reed hij voor het eerst wat op de mountainbike. “Ik trainde een week of twee om die specifieke houding gewend te worden.”

Hij startte in de World Cup in Nove Mesto als 93ste en eindigde als 8ste. In de eerste ronde reden ze zijn derailleur nog in de prak en die moest nog worden gerepareerd voor hij aan zijn inhaalrace begon. En dat op een parcours met heel veel single tracks waarop inhalen lastig is. Kenners trokken grote ogen.

Christoph Roodhooft: “Het is het strafste wat ik hem ooit heb zien doen. Zo hard dat hij die dag rondreed, niet normaal.”

Daarop startte hij in de Belgium Baloise Tour op de weg en vier dagen na Nove Mesto raakte hij met dertien man voorop in een erg lastige rit. Hij won de sprint en Wout van Aert was derde. De tweede op de foto was Philippe Gilbert: een van de meest dodelijke finishers van het wegpeloton had de duimen moeten leggen.

“Echt waar, dat had hij voorspeld”, zegt zijn manager. “Hij zou die rit op donderdag winnen, dan zouden ze het niet zo erg vinden dat hij uitstapte om naar Albstadt te gaan.” Waarop de kleine Van der Poel het wegpeloton gedag zegde en naar zijn tweede World Cup mountainbike afreisde. Op zondag 28 mei toonde hij zijn grote klasse door na een val in de eerste ronde de ongenaakbare Nino Schurter – de Mathieu van de mountainbike zeg maar – op de hielen te zitten. Weinigen eindigden dichter bij Schurter in 2017 dan

 

Mathieu van der Poel in Albstadt op die 28ste mei, de dag dat hij zijn toekomst uitgetekend zag. “Ik wil in 2020 als mountainbiker naar de Spelen van Tokio. Daarna ga ik naar de weg. Misschien.”

Die voorwaardelijkheid hangt af van zijn eigen ingesteldheid. Zondagskinderen zien geen donkere wolken, al hangen die er. Zo is er geen jaar voorbijgegaan of er ging iets serieus mis. Als junior reed hij eens vol op een boom en had hij dood kunnen zijn: hij kneusde zijn borstbeen. Hij brak een sleutelbeen, maar welke renner niet? Daarnaast kwam hij veelvuldig ten val op zijn beide knieën, wat hem een abonnement bij dokter Toon Claes in Herentals opleverde.

In 2015 werd daar een ontsteking weggenomen boven de kniepees na een zware val en een jaar later crashte hij een paar keer met de mountainbike – een technischer onderdeel dan de cross. Dat koste hem ook een dubbele knieoperatie. Op 12 november vorig jaar leek het weer van dat na een val in Gavere, maar het kon volstaan met het uitzuiveren van de wonde en dichtnaaien. Een week later reed hij zonder training weer naar de overwinning.

Vol gas

Is hij na 2020 nog steeds de speelvogel die op een rustdag met een dirt bike de waaghals uithangt, dan is de kans groot dat offroad zijn kernactiviteit blijft. Zijn manager zou er niet rouwig om zijn. “Mountainbike is mondialer en groter dan wegwielrennen, maar dat beseffen we hier niet.”

Mathieu zelf heeft ook zo zijn redenen om de weg als noodzakelijk kwaad te zien. “Liever een goed uur knallen dan zeven uur in het zadel zitten met een groepje dat voorop rijdt en waarvan iedereen weet dat ze op vijf kilometer voor het einde worden ingelopen. Laat mij maar vol gas gaan, van bij het begin. Geen beter gevoel dan alleen voorop raken en de rest afhouden. Als ik sport, wil ik dat de beste wint. In het veld-rijden en mountainbiken is dat vaker dan op de weg.”

20180203_De-Morgen_p-48_De-speelvogel-van-de-fiets-all-mail

Column Villa des Mauves over RSC Anderlecht in De Morgen van zaterdag 5 feb 2018

Villa des Mauves

Vanaf afstand lijkt Anderlecht op een mooie stijlrijke villa in een klassevolle omgeving: een beetje oplapwerk nodig, maar een stevig gebouw, goed gelegen. Maar naarmate je dichterbij komt, zie je hoe de gevel is afgebladderd, het schrijnwerk vermolmd, de oprit met putten en dan denk je, ach, het huis zelf zal wel deugen.

Binnen slaat de eerste deur uit de hengsels, vallen er een paar lijken van achter een andere deur, zak je op de eerste verdieping door het plafond en komt nergens nog water uit de kraan, laat staan dat de verwarming werkt.

Betonrot. Houtmolm. Doorsijpeling. Achter de façade is RSCA anno 2018 een bouwval, uitgeleefd door de vorige bewoners, geen Roma maar heren van stand. Wie er pas is ingetrokken, weet zich met zijn verbazing geen blijf. Wie er al een tijd zit, wil er zo snel mogelijk weg.

Later, in het grote geschiedenisboek van dit seizoen, zal men in het hoofdstuk RSCA een paragraaf wijden aan de spitsen: … Anderlecht had een paar spitsen maar die scoorden niet. Waarop ze een uitgeleende spits terughaalden die bij zijn nieuwe club niet speelde en uiteraard scoorde die ook niet. Toen vonden ze een spits die geen spits was maar drie keer scoorde en die verkochten ze een dag later. En zo werden ze vicekampioen…

Marc Coucke wordt geroemd om zijn timing. Geen beter moment om de club over te nemen, want het aandeel RSCA bodemt als nooit tevoren. Maar wat als er met dat gevoel voor timing van Coucke voor het eerst iets mis is? De aankoop van de Villa des Mauves hangt samen met de verkoop van de Karnavals Vereniging Oostende. Slimmeriken zullen zeggen dat hij dat geld niet nodig heeft en dat klopt, maar Marc Coucke mag geen eigenaar zijn van twee clubs. Hij mag hooguit ergens 10 procent bezitten – soms zegt men 7, dan weer 9 procent – én daarnaast de meerderheid van de aandelen bezitten op een ander, maar hij moet KV Oostende verkopen, verplicht en vóór 1 maart.

Het is te hopen dat de Profliga en de voetbalbond of welke instantie ook totale transparantie eisen in dat eigenaarschap. Verder moet de voetbalbond zo snel mogelijk werk maken van een reglement dat verbiedt dat clubs van eigenaar veranderen midden in het seizoen en dat meervoudig aandeelhouderschap tot 0 procent herleidt. Hét Kán Níét dat je belangen hebt in twee clubs.

Het Belgisch voetbal beleeft een nooit geziene vaudeville. Dat de vorige eigenaars van de Villa des Mauves al te laat tot het besef kwamen dat ze beter snel van hun clubje af waren, kan geen reden zijn om tussen december en maart een competitie te gijzelen met een overnamesoap. Net zomin als het plots opstekend besef van zijn eindigheid bij een andere minderheidsaandeelhouder.

Laat die eigenaars op de blaren zitten en dat geldt ook voor Coucke, die zijn KVO aan de straatstenen niet kwijt kan, althans niet voor het bedrag dat hij voor ogen heeft. Een spelersgroep die tussen 35 en 54 miljoen euro waard is, zou daar echt iemand intuinen?

Weireldploegsje, het enige wat daaraan klopt is het verkleinwoord. KV Oostende is Schuldenberg XL. Is het niet aan derden, dan
aan Coucke zelf, die natuurlijk graag zo veel mogelijk wil recupereren maar voorlopig bot vangt. Chinezen wilden Roeselare, Franse Russen kochten Cercle Brugge en Japanners landden in godbetert Sint-Truiden, maar niemand vindt de weg naar Oostende. Zelfs de grootste businesscommunity van het land (aldus Coucke) kan/wil niet de nodige fondsen bij elkaar brengen om deze ballon in de lucht te houden.

Men dacht even aan een vestzak-broekzakoperatie tussen Anderlecht (al van Coucke) en Oostende (nog steeds van Coucke). Antonio Milic en Knowledge Musona werden genoemd. Wie daar de stekker heeft uitgetrokken, is niet duidelijk. Gelukkig, want dat had de bodem nog wat dieper uit de ethiek van het voetbal geslagen en stond gelijk aan zowat de grootste belangenvermenging in de geschiedenis van het Belgisch voetbal.

Een meervoudige eigenaar die zijn ene club financieel uit de nood helpt door tegelijk zijn andere club sportief een handje toe te steken, kan het nog gekker? Het is bijna te vergelijken met het ogenschijnlijk belangeloos pleiten voor meer darmkankertesten (zoals Coucke) terwijl je tegelijk eigenaar bent van een bedrijf dat die testen produceert (zoals Coucke).

 

Villa des Mauves

Verhaal over medicatie bannen in het wielrennen in De Morgen van zat 27 jan 2018

Als grijs no go wordt

De roep klinkt steeds harder om alle vermeende dopingsubstanties te bannen, ook als therapeutische uitzondering. ‘Het is het kind met het badwater weggooien, maar in wielrennen zijn uitzonderingen altijd verdacht.’

Een wielrenner mailde ooit met zijn dokter en vroeg: “Hey, wanneer zou ik dan best die cortisone nemen? Morgenvroeg of donderdag?”

De dokter: “Donderdag, hoe korter bij de wedstrijd, hoe beter.”

Dit mailverkeer komt uit een verhoor door de gerechtelijke politie die de dokter daarmee confronteerde en vroeg wat hij hierop te zeggen had. De dokter: “Hij zal dat wel gemeld hebben aan zijn ploegdokter zeker, hij moet daar toch een attest voor hebben.”

Met deze mooie case kun je alle kanten uit. Non-believers hebben gelijk als ze zeggen dat de renner zich in de grijze zone bevindt, en misschien zelfs bewust flirt met donkergrijs tot zwart. De cortisone in kwestie was – zo bleek uit de boekhouding van de arts – diprophos d.s., waarbij de d.s. staat voor “disposable syringe”, een ampul met wegwerpbare spuit dus. Het tijdstip – het mailverkeer dateert van 12 april 2012 – is op zich problematisch want een jaar eerder heeft de internationale wielerbond UCI de “no needle policy” ingevoerd. Spuiten mag alleen nog bij hoge uitzondering, met attest, en zelfbediening zoals bij deze renner is helemaal uit den boze.

Vergeten we de “no needle”, dan hebben believers evengoed gelijk, als ze ter verdediging aanhalen dat cortisonegebruik hier een therapeutische noodzaak betreft, want de atleet in kwestie lijdt aan een chronische ontsteking die in een drukke wedstrijdperiode alleen kan worden gecounterd met corticosteroïden. Dat die diprophos – nonkel Pros in het jargon – al decennia bekend staat als een middel om je op scherp te stellen voor een koers, is puur toeval. Of mooi meegenomen, afhankelijk van hoe je deze zaak bekijkt.

Maar als de renner een attest heeft, een TTN of toestemming wegens therapeutische noodzaak, en die had hij, dan is er toch niks aan de hand. Of wel? Rolf Aldag is tegenwoordig Performance Manager bij Team Dimension Data. Hoewel als Telekom-renner een kind van de epo-jaren 90 is hij na zijn eigen dopingbiecht in 2007 steeds in discussie gegaan over doping en de destructieve gevolgen ervan op zijn sport. Anno 2018 is hij tegen de TTN, of TUE (therapeutic use exemption) zoals die internationaal worden benoemd.

“Ik dacht vroeger: een blessure moet je kunnen behandelen, een ziekte ook. Ik ben erachter gekomen dat we dit beter niet doen. De TUE afschaffen, is het kind met het badwater weggooien, maar het kan niet anders. In wielrennen zijn uitzonderingen altijd verdacht.”

Froome en Wiggins

Het debat over al of niet toestaan van medicatiegebruik en het afschaffen van de TTN of TUE is niet helemaal hetzelfde. De meeste TTN’s worden toegestaan voor corticosteroïden en wel voor ontstekingen, banale verkoudheden of acute allergische problemen. Dat is de affaire-Bradley Wiggins die, gedekt door een TTN, tegen zijn pollenallergie een spuit kenacort kreeg net voor de Tour van 2012, die hij zou winnen.

Voor heel wat andere populaire geneesmiddelen is geen TTN nodig en die zijn vrij in gebruik: denk hierbij aan ontstekingsremmers. Niet steroïdale anti-inflammatoire middelen (NSAID’s zoals diclofenac of ibuprofen) worden in de sport bij kilo’s geslikt en kunnen hart, maag en darm- en nierproblemen veroorzaken. In de VS zijn atleten nieren kwijt geraakt ten gevolge van overdreven medicatie.

Op de keper beschouwd zou het Wereldantidopingagentschap ook de NSAID’s op de lijst moeten zetten want ze voldoen aan twee van de drie dopingcriteria: ze zijn prestatiebevorderend en ze zijn gevaarlijk voor de gezondheid. Over het derde criterium ‘tegen de geest van de sport’ kan worden gedebatteerd.

Vervolgens worden sommige geneesmiddelen in beperkte mate toegestaan door de dopingcode. Dit is de zaak-Chris Froome. Het meeste wat hierover in de pers is verschenen, houdt geen rekening met de feiten en gaat in tegen de stand van de wetenschap.

Froome heeft erg veel salbutamol gebruikt, een middel dat helpt tegen astma. Hoewel inmiddels meerdere keren uit dubbelblinde tests is gebleken dat zelfs een hoge dosis salbutamol niet de prestatie bevordert bij gezonde mensen, moest voor salbutamol tot 2010 een TTN worden aangevraagd en waren bijkomende testen nodig bij de pneumoloog. Na 2010 verviel die voorwaarde en werd salbutamol toegestaan tot een limiet van 1.200 nanogram per milliliter urine. Froome zat aan 2.000 maar werd niet uit koers genomen, omdat salbutamol een specified substance is, een stofje waarvan het WADA al lang weet dat het geen dopingmiddel is, maar dat op de lijst blijft staan om massaal gebruik tegen te gaan.

WADA is doof

De hamvraag waarrond in de komende maanden het debat zal draaien, is deze: is gecontroleerd medicatiegebruik dat de gezondheid niet schaadt, toegestaan om een atleet in competitie te houden? Geen zinnig mens die daar neen op zal antwoorden, ware het niet dat geneesmiddelen in bepaalde sporten de (soms onterechte) reputatie hebben dat ze genezen en meteen de prestatie bevorderen.

Voor de nieuwe UCI-voorzitter David Lappartient is het zonneklaar: wie in behandeling is voor om het even wat, hoort niet thuis op de fiets. Zijn diensten hebben opdracht gekregen een en ander uit te zoeken tegen volgend jaar. Ongelukkig voor hem is het niet de UCI die de dopingreglementen bepaalt, maar het Wereldantidopingagentschap WADA en dat is al tien jaar doof voor de vraag om corticosteroïden te bannen uit de sport.

 

Wielerartsen schermen soms met de argumentering dat als een sport te veel vraagt van de atleet waardoor die zich blesseert of ziek wordt, de sport diezelfde atleet niet kan bannen als hij zich moet verzorgen. “Als je alle zieken, gevallen renners en halve geblesseerden uit de koers weert, hou je niet veel over.” Dat mag worden veralgemeend: je kunt een World Cup voetbal organiseren voor corticogebruikers naast die voor niet-gebruikers.

Al zijn er weinig cijfers beschikbaar, toch vallen de aanvragen voor TTN’s al bij al mee. Voor de laatste Olympische Spelen in Rio zijn alleen cijfers voor de Amerikaanse olympische ploeg gevonden: 15 van de 558 atleten hadden een toestemming voor therapeutische noodzaak. Het Amerikaans dopingagentschap meldt dat ongeveer 5 procent van zijn atleten een TTN heeft gevraagd. Vlaanderen heeft alleen cijfers voor niet-topsporters en die zijn niet relevant.

Wantrouwen

Toen salbutamol en aanverwante middelen nog op de lijst stonden, vroeg ongeveer 7 procent van de atleten op de Zomerspelen en 11 procent op de Winterspelen een TTN aan. Daarna is dat cijfer gezakt, maar het WADA geeft geen uitsluitsel over het aantal uitzonderingen en voor welke producten.

Sindsdien wordt de overgrote meerderheid TTN’s gevraagd voor corticosteroïden. Andere middelen zijn uitzonderingen. Uit een studie van 2012 blijkt dat een op 1.000 tot 1.500 atleten op de Spelen tot 2012 een TTN had voor insuline, omwille van suikerziekte. In de jaren 90 zijn twee TUE’s gegeven voor testosterongebruik aan atleten zonder testikels. De VS hebben wel een ander probleem, vindt Peter Van Eenoo van het Docolab in Gent. “Ik merkte tot mijn verbazing dat ze in de VS soms ADHD behandelen met amfetamine, waar ze dan ook een TTN voor krijgen, en amfetamine is toch al wat zwaarder dan rilatine bij ons.”

Als er al misbruik van de TUE/TTN wordt gemaakt, weet Van Eenoo, gaat het om corticosteroïden. “Het systeem is niet waterdicht. Je kunt toestemming krijgen voor een Sofrasolone spray en rustig een tablet prednison slikken, wat verboden is. Wij zullen het verschil tussen een spray en systemisch gebruik alvast niet merken.”

Cortico’s en hoe ze te gebruiken/misbruiken is elk jaar weer rond deze tijd een hot item in het veldrijden. Een doordacht gebruik van het juiste middel kan wonderen doen, weten soigneurs die de goeie oude tijd nog hebben meegemaakt. In het bijzonder in
een sport waarin het erop aan komt om een half uurtje boven je theewater te gaan om de wedstrijd in de juiste plooi te leggen. De verdachtmakingen over en weer – in het bijzonder als Mathieu van der Poel niet wint – zullen net als andere jaren niet van de lucht zijn.

Dat is nu net het probleem voor Rolf Aldag. “Ik zou medicatie toelaten als het wielrennen er op een normale manier zou mee omgaan, maar dat kan deze sport niet. Niet met de medicatie zelf, maar ook niet met de atleet die ze neemt, want die wordt altijd geacht een voordeel te hebben. Zou er een sport zijn waarin de atleten elkaar meer wantrouwen?

“Daarom zeg ik nu: heb je astma door in de koude te trainen, jammer, maar dat is de beperkende factor van je lichaam. Heb je een ontsteking door in de bergen te gaan klimmen bij vrieskou of heb je het aan je hiel? Jammer maar helaas, dan moet je van de fiets want jouw lichaam kan deze prestaties niet aan. Ik ben heiliger dan de paus zolang deze sport niet kan omgaan met vrijheden. We zijn godbetert januari en het enige wat ik hoor zijn geruchten over misbruikte TUE’s en motortjes in de fiets.”

 

Grijs – Nog Go

Column over Elise Mertens in De Morgen van zaterdag 27 jan 2018

Elise

Van de week viel iedereen in de media – selectief, voor een breed publiek, kwaliteit of populair – over elkaar heen om het meest originele verhaal te brengen over Elise Mertens, Belgiës nieuwste tennisster, met de nadruk op stér.

Ze had een mama die nerveus was, een hangertje met haar overleden grootouders die ze groette na elke overwinning, ze sprak Limburgs, trainde op de Kim Clijsters Academy, had handtekeningen verzameld van Clijsters en van Henin en o ja ze had ook een lief van 24 en die was gemakshalve ook haar trainer. Hun samenzijn was de sleutel voor hun succes, naast haar talent en haar werkkracht uiteraard, maar het was toch vooral dat lief Robbe Ceyssens geweest.

Ze vond het plezant dat hij er zat, daar in die box. Tja, het tegendeel had verwonderd en was pas een probleem geweest. Stel dat je daar aan de andere kant van de wereld zit met een man in je box en in je bed met wie je het niét fijn vindt samen te zijn, dan lijkt het mij dat je onmogelijk goed kunt tennissen. Hoewel, je wilt de kost niet geven aan de vrouwen die met een tiran aan hun zijde ook de wereldtop hebben bereikt.

Knap hoor wat die Elise Mertens heeft gepresteerd, daar niet van. Ik heb het netjes herbekeken nadat ik de uitslag al had gehoord op de radio. Dan gaat het ook een pak sneller, als je weet waar je op moet letten.

Neen, we doen deze jonge vrouw geen plezier door haar zo op te hemelen. Wat goed is, komt snel, is een klassieke uitdrukking van wie in de talentenbusiness zit, in de sport maar ook daarbuiten. Wat snel komt, verdient bevestiging, is al evenzeer waar. Nu komt het erop aan voor Elise en Robbe om te bewijzen dat zij geen one time wonder is/zijn.

Ze is een speelster voor de top 50 werd eerst gezegd. Later werd dat bijgesteld tot top 20, zelfs top 10. De laatste berichten luiden: ze kan een grand slam winnen. Dat is genoteerd. Zoals Kirsten Flipkens in deze krant een paar weken geleden zei, zijn er maar een paar echte toppers in het vrouwentennis en is de rest redelijk aan elkaar gewaagd.

Laten we toch maar een afwachtende houding aannemen. Yanina Wickmayer speelde in 2009 ook de halve finale van de US Open, verloor ook van Wozniacki overigens, en stond acht maanden later twaalfde. Ze werd in 2009 tot Most Improved Player gekroond. Ze staat vandaag 112de, na veel blessureleed en een trouw weliswaar. Resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Elise Mertens is tot nader order niet de erfgename van Kim Clijsters en al helemaal niet van Justine Henin.

Er is meer dan één valkuil. Afgezien van de punten die ze volgend jaar in januari te verdedigen heeft, zal Mertens door haar nieuwe status verplicht in andere toernooien moeten aantreden, en meteen moeten knallen. Elise Mertens is ook niet langer dat Belgische meisje dat vorig jaar op dat achterafeiland Hobart een WTA-toernooitje won (en dit jaar weer) en op wie niemand lette. Er bestaat nu bewegend beeld van haar en elke concurrente met een beetje juiste instelling zal onderhand wel weten waar haar zwakheden zich situeren.

Volgens Filip Dewulf – ooit halve finalist in Parijs en nu journalist, dus het loopt niet altijd goed af na zo’n halve finale (grapje) – is er tennistiek nog wat werk aan de winkel. Mertens is mentaal en fysiek sterk, kan van alles wat, heeft een goeie backhand, maar daartegenover staat een onnatuurlijke forehand, minder netspel en mindere return, aldus de conclusie van Filip.

Elise Mertens is 22, zit op een wolk en hoeft zich van dit alles niets aan te trekken. Wie dan wel? Tennis Vlaanderen misschien, want er is inmiddels die constante dat wie in Vlaanderen de tennistop haalt, vaker niét dan wel via de topsportstructuren van de tennisbond is gepasseerd. Tennis Vlaanderen heeft Elise Mertens op haar veertiende niet toegelaten tot de topsportschool waarna ze op eigen kosten (van ma en pa) aan een lange exodus begon die haar achtereenvolgens in Maaseik, Parijs en Florida en uiteindelijk in de Bonenput in Bree bracht. Op eigen houtje naar de top 20, dan heb je verdomd veel karakter.

 

DM-COL-Elise

Football Money League 2018 in De Morgen van woensdag 24 jan 2018

Premier League nooit dominanter

De Deloitte Football Money League editie 21 is uit en wat algemeen werd gevreesd, is ook uitgekomen. De top consolideert zichzelf en elk land levert wel wat in ten voordele van Engeland.

Voetbal trekt zich van de wereldeconomie geen bal aan. Terwijl de stijging in de meeste sectoren groter is dan de jaren ervoor, is die in het voetbal relatief bescheiden, met de nadruk op relatief. In economische crisisjaren werden in het voetbal soms Chinese groeicijfers opgetekend, maar in 2016-2017 stegen de gezamenlijke omzetten van de top twintig ‘slechts’ met 6 procent.

Geen enkele economische sector presteert beter of het zou die van de smartphone moeten zijn: in twintig jaar tijd is de voetbalbusiness met 500 procent gestegen, dus verzesvoudigd. De meest kapitaalkrachtige clubs zagen acht keer meer euro’s op de rekening verschijnen.

De Football Money League van Deloitte is geen rangschikking van rijkste clubs. De focus ligt op de omzetten die worden gegenereerd inzake televisierechten, Europees voetbal, ticketing en commerciële activiteiten. Dat geeft een prima beeld van de waardeverhoudingen tussen de clubs.

Als clubbesturen vervolgens veel meer geld uitgeven dan ze ophalen, kunnen ze in de problemen komen met de financial fair play van de Europese voetbalbond UEFA. Dat Paris Saint-Germain in twee jaar tijd van de vierde plaats naar de zevende is teruggezakt, met een omzet die met 10 procent is gedaald, geeft aan dat de rek er inzake inkomsten uit is.

Grote kloof

Manchester United voert de rangschikking voor de tiende keer aan en dat ondanks een gedaalde omzet. Die daling is het gevolg van de waardevermindering van het pond tegenover de euro, naar aanleiding van de brexit. Cruciaal voor Man United om nog steeds eerste te staan, was de winst in de Europa League in Stockholm, in mei 2017.

Er zijn drie nieuwe clubs in de top twintig vergeleken met vorig jaar, maar alleen Southampton is een echte nieuwkomer die voor het eerst met de grote jongens meespeelt. Het is een van de tien Engelse clubs, die de helft van de top twintig uitmaken. Daarna houdt het overigens niet op, want ook de top veertig bestaat voor de helft uit (alle) Premier League-clubs.

In 1996-1997, het eerste jaar van de Football Money League, werd de tabel bevolkt door clubs uit acht verschillende landen. Zelfs Ajax Amsterdam stond er nog tussen, samen met een Braziliaans team. Engeland had toen vijf clubs. Vandaag wordt de dienst uitgemaakt door clubs uit de vijf grote voetballanden: naast de 10 Premier League-clubs zijn er 3 uit Duitsland, Spanje en Italië en 1 uit Frankrijk. De kloof met andere voetbaleconomieën was nooit groter.

Aan de top verloor Barcelona een plaatsje door minder sportieve resultaten, maar het zal dat volgend jaar wel goedmaken. Er zit overigens maar 1,7 miljoen euro verschil tussen de eerste twee clubs.

Italiaanse malaise

Voor het eerst zijn de tv-rechten de grootste inkomstenbron. Vorig jaar haalden de topclubs nog 43 procent uit commerciële bronnen en 39 uit tv-rechten. In 2016-2017 was die verhouding 38-45 procent in het voordeel van de tv-rechten. Die evolutie is niet te stoppen. In Duitsland is dit seizoen een lucratiever contract ingegaan en Engeland onderhandelt alweer voor de jaargang 2019-2020 en verder. Tv-rechten zijn ook de oorzaak van de terugval van Paris Saint-Germain. Zeventien ploegen doen op dat vlak beter dan de miljardenclub uit het Parc des Princes.

Italië presteerde nooit slechter. AC Milan is voor het eerst niet bij de eerste twintig in deze Money League en ook AS Roma – samen staan ze op 22 en 24 – zette een stap terug. Alleen Napoli kwam hen vervangen. Er wordt niet meteen beterschap verwacht voor de Italiaanse voetbaleconomie.

 

FML2018