Column Maffiahoerenkast in De Morgen van zaterdag 10 november 2018

Maffiahoerenkast

 

Het Belgisch voetbal wordt bevolkt door rare specimen. Neem nu zo’n Pierre François, le Houdini du foot belge, ooit ergens omschreven als een gerespecteerd advocaat aan de Luikse balie.

Dat leidt de Pro League nadat hij eerst voor en met drie gangsters heeft gewerkt. Dat weet dat een makelaar eigenaar van een club is. Dat begeleidt clubs naar de uitgang en drijft hen in armen van Russische oligarchen, waarna hij ongehinderd door diezelfde lui wordt gefêteerd. En dat zit nu in de delegatie die ten overstaan van het parlement de voordelen van het Belgisch voetbal moet proberen te redden, samen met Marc Coucke.

Marc en Pierre, Pat en Patachon of Filopat en Patafil, kies maar. Een creatuur als François zou ontslag moeten nemen of minimaal de wacht moeten worden aangezegd in het Belgisch profvoetbal 3.0. Neen, dat blijft zitten waar het zit en als een andere advocaat van een club iets zegt over zijn triest trackrecord zorgt hij er persoonlijk voor dat die monddood wordt gemaakt door de club die hij zelf heeft helpen verkopen aan de rijke Rus.

Nog zo’n advocaat is Johan Timmermans, de vadsige koning van Mechelen. Hij zet een stap opzij als voorzitter. Dat lijkt geen dag te vroeg, want uit de vorige week gelekte telefoontaps blijkt alvast dat Timmermans wist van de gevraagde medewerking van Waasland- Beveren om KV Mechelen niet het vuur aan de schenen te leggen, dus gewoon te laten winnen. “So what? Ik ben alleen ondervraagd door de politie.”

Bij KV Mechelen zijn ze struisvogel, de ene steekt al dieper de kop in het zand dan de andere, maar trainer Wouter Vranken zit het diepst. Hij heeft zijn spelers gezegd: “Wij hebben er niks mee te maken en staan er ver van.” Nu ja, het is moedig, maar wel verre van realistisch.

Het Belgisch voetbal wordt ook bediend door rare specimen. Neem nu federaal parlementslid Luk Van Biesen (Open Vld), die in 2008 mee de (para)fiscale en andere voordelen voor profsporters – lees: vooral het voetbal – door het parlement jaagde en die dinsdag nog eens verdedigde. Is dat van niet beter weten? Is dat volharden in de boosheid? Menen dat je de hele kluit kunt belazeren?

Volgens Van Biesen kwamen de gunstmaatregelen er om zwartwerk en belastingontduiking tegen te gaan. Laat dat even doordringen: een sector die zich misdraagt, krijgt gunstmaatregelen? Vergelijk even met de horeca. Die zat ook vergeven van zwart werk en geld en wat kreeg die? Meer controle en de witte kassa.

Fout gedrag dat wordt beloond, is de regel in voetbal. Neem de zaak-Bellemans in 1984: de omkoping van Waterschei door Standard en de hele zwartgeldaffaire die dan naar boven kwam. Daarna kreeg het voetbal ook een enorm cadeau: de bijzonder gunstige groepsverzekeringen (pas veel later uitgebreid naar alle sporters). Gefiatteerd door Jean-Luc Dehaene, toen minister van Sociale Zaken en Club Brugge-supporter, en toegewezen aan verzekeraar Assubel, dat prompt shirtsponsor werd van Club. Flik zoiets vandaag en je hangt terecht aan de hoogste boom.

De grote sportkenner Van Biesen, aan kop sleurend voor Anderlecht en Coucke, verbindt de gunstmaatregelen in 2008 met “de mooie resultaten in zowat alle ploegsporten: van het vrouwenbasket tot volley en hockey”. Zit daar dan niemand in dat parlement die hem kan uitleggen dat de nationale ploegen – want die haalden die resultaten – niks vandoen hebben met voetballers die gemiddeld 300.000 euro en meer verdienen en daar nauwelijks lasten en belastingen op betalen?

De realiteit heeft de onzin alvast ingehaald, zo bewees van de week het laatste rapport van het Zwitserse CIES, een universitaire onderzoeksgroep die de migratie, demografie en economie van het voetbal onderzoekt. Door die voordelen, in combinatie met lage salarisdrempels voor niet-EU-spelers, is het Belgisch voetbal verworden tot een import-exportfiliaal. Of een luxueuze conceptstore voor jonge buitenlandse talenten, zo u wil. Al sluit gezien de recente ontwikkelingen luxe maffiahoerenkast misschien dichter aan bij de werkelijkheid.

De gunstmaatregelen moesten de jeugdwerking ten goede komen. Niks van, alleen de mensenhandel is er wel bij gevaren. Met 62,5 procent (dit seizoen alweer gestegen) slaan we alle records. Alleen in Cyprus en in Engeland, maar die hebben de allerbeste buitenlanders, speelt meer import.

Erger nog, de mensenhandel in jonge spelers is toegenomen. Van alle 31 onderzochte UEFA-landen scoren alleen Portugal en Italië minder goed op vlak van club trained players, dat zijn spelers die tussen 15 en 21 drie jaar lang bij hetzelfde team bleven. In 2008-2009 hield België met 13,9 procent nog zeven landen achter zich in die tabel. Nu nog twee. Afgelopen seizoen is dat percentage gezakt naar 8,4. Nederland slaagt erin om bijna 20 procent van de jonge spelers drie jaar lang bij de club te laten opleiden.

Volgens Marc Coucke zou het afschaffen van de fiscale voordelen het failliet van het profvoetbal betekenen. Hoezo, wat is er mis met de tering naar de nering te zetten? Als Anderlecht die voordelen niet zou hebben, dan had het gewoon minder uitgegeven, dit seizoen geen 28 spelers voor 28 miljoen gehaald, maar misschien 25 spelers voor 20 miljoen en zouden Vranjes (3,2 miljoen) en Sanneh (8 miljoen) niet de duurste klungelaars ooit zijn.

Nooit in de geschiedenis van het Belgisch voetbal was de tijd rijper om die foute business voor eens en voor altijd te reguleren tot ze geen kant meer op kunnen.

20181110_De-Morgen_p-19-mail

Advertenties

Interview Weekendmiljonairs, boek over makelaars in De Morgen van dinsdag 6 november 2018

99% van de makelaars zijn zakkenvullers’

Ze hadden hun boek net ingeleverd bij de uitgever, en op hetzelfde moment begonnen de telefoons te trillen: bom onder het Belgische voetbal. Dus kwam er nog een epiloogje aan Weekendmiljonairs, het boek van Voetbal International-journalisten Iwan van Duren en Tom Knipping dat de makelaardij in het internationaal voetbal fileert.

Er loopt een rode draad door de vijf boeken die Iwan van Duren en Tom Knipping schreven: waar ligt de macht in het voetbal?
Ze hadden al langer door dat makelaars de machtigste mensen in het voetbal zijn, machtiger dan de spelers, machtiger dan alle bestuurders. Toen ze in januari een gesprek met FIFA-voorzitter Gianni Infantino hadden, had ook de grote voetbalbaas het wel een uur lang over de makelaars, die hij meteen de oorlog verklaarde.

Tom Knipping: “Infantino legde uit dat per jaar voor 6 miljard euro spelers worden verhandeld, en dat daarvan 4 tot 5 miljard terugstroomt naar de voetbalpiramide. 1 tot 2 miljard verdwijnt in de zakken van makelaars. Hij had het ook over witwassen, fraude, ontduiking, mensenhandel en ga zo maar door. Dat was de aanleiding om te beginnen schrijven.”

Iwan van Duren: “Naarmate je langer in dit wereldje rondloopt, besef je dat je schrijft over de golven, maar niet over de onderstroom die de golven veroorzaakt. Zo zijn wij een aantal van die onderstromen gaan beschrijven. We begonnen met de gokindustrie. Van dat boek werden 40.000 exemplaren verkocht.”

Knipping: “Dat was net voor het EK van 2012. De politie viel binnen in het trainingskamp van Italië en een international werd gearresteerd. Europol kwam daarna met een rapport. Dat heeft ons ertoe aangezet vaker dat soort dingen uit te zoeken.”

Van Duren: “We hadden eerst Voetbalmaffia 1 en 2 over de gokindustrie. Die werden gevolgd door Slag om de skyboxen, omdat we begin deze eeuw ineens allerlei vreemd geld in het voetbal zagen komen, met name van de oligarchen en uit het Nabije Oosten. Toen al kwamen we uit bij makelaars die hele clubs bezaten of controleerden. Tussendoor fileerden we de FIFA in een boek, want dat drong zich ook op. En nu dus de makelaars, precies omdat we met die vorige boeken altijd weer die gasten tegenkwamen.”

Was het makkelijk om de betrokkenen te laten praten?

Knipping: “Over matchfixing en clubeigenaars was het moeilijk om mensen on the record te krijgen, maar daarover werd best open verteld. Ons boek is een palet van twintig verhalen die een beeld schetsen van de hele beroepsgroep die wij afschilderen als weekendmiljonairs, wat ook de titel van het boek is geworden.

“We hebben bijvoorbeeld een hoofdstuk over mensen die gelezen hadden dat Mino Raiola (de nummer twee onder de makelaars, in het verleden ook van Romelu Lukaku, HV) 50 miljoen euro verdiende aan één transfer. Dat was toen Paul Pogba van Juventus naar Manchester United ging. Raiola passeerde drie keer langs de kassa: bij ManU, bij Juve en bij Pogba. We hebben gepraat met een investeerder in windmolens, een snackbarhouder en zelfs een onlinecondoomverkoper die allemaal de volgende Raiola wilden worden. Die condoomverkoper heette ook nog eens Big Dick.”

Van Duren: “Er had een interview met Raiola in gekund, maar wil je zijn mooie quotes zoals, ‘Ik ben een hefboomfonds’, of wil je beschrijven wie hij is en wat hij doet? Wij kiezen voor het laatste. We kennen hem, we hebben hem twintig jaar gevolgd, we hoeven hem echt niet meer te spreken.”

Knipping: “We hebben wel andere interviews, zoals met een makelaar die echt uit de school klapt, André Gieling. Die heeft nog samengewerkt met Cor Coster, de schoonvader van Johan Cruijff. Hij vertelde dat als je spelers kwijt wilt, je de clubscouts wat moet toestoppen, zodat zij je speler bij hun club aanprijzen. Hij sprak over een achterlijke wereld zonder ethiek of normen, makkelijk toegankelijk voor criminelen, vol van geldverslaafden. Hij heeft ingezien dat het zaakwaarnemen, het begeleiden van een speler, ondergeschikt is gemaakt aan het handelen in spelers en het verwerven van een club.”

“We spraken ook met een technisch directeur/coach die al bij vijftien clubs en negen verschillende landen zat: Ton Caanen heet hij – hij was tot vorig jaar technisch directeur bij Roda JC. Tijdens onze gesprekken nam hij ons mee naar zijn villa in aanbouw met een zwembad en een keuken waar je bijna een plattegrond voor nodig had. Hij vertelde dat hij nu in dienst was van een Zuid-Amerikaans investeringsfonds en tegelijk trainer was bij een club in Slowakije waar veel spelers van dat fonds waren gestald. Dat is nu de modus operandi, legde hij uit.”

Dat is third party ownership en door de FIFA verboden.

Knipping: “Dat hebben de makelaars omzeild. Ze mochten geen aandeel meer hebben in de speler…”

Van Duren: “… en dan koop je toch gewoon een hele club. Hij zei dat er geen eigenaar meer bestaat die niet verweven is met een makelaar, en dat er achter die makelaars nog eens investeringsfondsen zitten die wij niet kunnen achterhalen.”

Knipping: “Toen hij bij Metallurg Donetsk zat als trainer, is hij van zijn wolk gedonderd. Hij vond Danijel Pranjic, later Kroatisch international, niet passen in zijn team en wilde hem niet. Toen Pranjic voor veel geld naar Bayern München ging, werd hij tot de orde geroepen: niet passen in het team was niet belangrijk, het ging om geld verdienen. Ze degradeerden, maar het was feest in de club want ze hadden acht spelers kunnen verkopen. ‘Na een club of zes had ik het ook wel door’, zei hij.”

Van Duren: “Er is geen dienst die al die geldtrajecten en bewegingen van spelers kan volgen. Dat geld gaat naar Cyprus, naar de Kaaimaneilanden en komt dan terug. Alleen in Nederland zijn meer makelaars actief dan er spelers in de Eredivisie zijn. Jullie hebben in België 220 politiemensen ingezet. Nou, diepe buiging hoor, maar op een dag zal de politiek zich afvragen of het wel al die inzet van middelen waard is. Jij als Belg weet ook dat alleen de pechvogels straks de dans niet ontspringen. Eric Gerets regelde de omkoping van Waterschei en werd later de held hier in Nederland, pronkte nog met de Europacup I bij PSV.”

Knipping: “Paul Put, die wedstrijden verkocht in opdracht van die gokchinees, is later nog wel vijf keer of zo bondscoach geweest. En de advocaat van jullie gokchinees Ye, Laurent Denis, zat er nu ook weer tussen.”

Opvallend in de recente affaire is de verwevenheid van de journalistiek met de makelaarswereld. Sommige grote makelaars waren eerst journalist.

Knipping: “Rodger Linse is een goed voorbeeld. Was freelancejournalist, zette zijn eerste stapjes bij een makelaar, bivakkeerde in een VW-busje en ging in Deventer naar een speler kijken. Ene Nistelrode, dacht hij. Dat was Ruud van Nistelrooij. Hij begeleidde hem tot in PSV, Manchester United en Real Madrid en werd multimiljonair. Maar Linse heeft Ruud wel echt begeleid. Ze zijn nog steeds bevriend en hebben nooit een contract gehad.”

Van Duren: “Pini Zahavi, de illustere makelaar die bij Moeskroen achter de schermen aan de knoppen draaide, was ook eerst journalist. Hij zat vaak bij Liverpool, kende Kenny Dalglish en al die spelers en nodigde die ook uit naar Israël, waar hij wedstrijdjes organiseerde. Nog later heeft hij Roman Abramovitsj aan Chelsea geholpen. Hij had heel snel door dat je niet in spelers moet handelen, maar dat je clubs moet controleren, waarna je zo veel je wilt spelers kunt verhandelen. Daar gaat zijn hoofdstuk in ons boek ook over. ‘Makelaar in de mist’ heet het.

“Wij vinden het erg vreemd dat in dat recente voetbalschandaal bij jullie Moeskroen niet wordt genoemd. De schijnwerpers staan nu op KV Mechelen, maar Pini Zahavi had belangen in Moeskroen, had belangen in Paris Saint-Germain, waar hij Neymar heeft ondergebracht, en die club is dan weer in handen van Qatari. Eupen is in handen van dezelfde Qatari. En Moeskroen verliest vorig jaar op onwaarschijnlijke wijze van Eupen, dat daardoor gered is. Kan daar een Qatarees lijntje lopen of vergis ik mij?”

Wij Belgen staan nu in die schijnwerpers, maar hoe zit het in Nederland?

Knipping: “Precies hetzelfde. Hier zijn journalisten voor hun mooie interviews ook afhankelijk van goede relaties met makelaars. En wat de makelaars zelf betreft…”

Van Duren: “… Luister vijf nummers af en je hebt hier ook een zaak.”

Knipping: “Het systeem is internationaal. We hebben bij FC Twente gedoe gehad met Doyen Sports, een Maltees bedrijf waarvan de topmakelaar Jorge Mendes mede-eigenaar was. Op de wedstrijdomkoping na was dat precies hetzelfde verhaal als bij jullie in België, met witwassen via allerlei rare constructies. Dat heeft de belastingdienst opgelost en Twente kreeg een boete. Ze hadden evengoed met de politie kunnen binnenvallen, zoals bij jullie.”

De malafide makelaars zijn een groter gevaar voor het voetbal dan dat marginaal gerommel van die gokindustrie waar zoveel om te doen is.

Van Duren: “Dat zeg je goed: malafide makelaars. We wilden ons boek eerst Maffia in maatpak noemen, maar toen bedachten we: er zijn ook bonafide makelaars die eerlijk zaken doen.”

Knipping: “99 procent zijn toch zakkenvullers. Tot nog toe beperkten de verhalen over de makelaars zich tot hoe ze een speler in de etalage wilden zetten, maar neem nu de grootste makelaar ter wereld, de Portugees Jorge Mendes, de man achter José Mourinho en Cristiano Ronaldo. Op een gegeven moment zie je allerlei spelers naar Wolverhampton Wanderers gaan. En wat is er nu aan de hand? De eigenaar van Wolverhampton heeft een aandeel van 20 procent gekocht in het bureau van Mendes. En bij Wolverhampton heeft Mendes de helft van de basisopstelling.”

Daar zit ook Leander Dendoncker, die niet speelt omdat een jongen van Mendes voor hem in de pikorde staat.

Van Duren: “Als je over de golven bericht, schrijf je die opstelling neer, zonder Dendoncker. Als je over de onderstroom bericht, ga je de mechanismen onderzoeken. De eerste vraag is natuurlijk: wil je winnen met een club, sportief presteren, of wil je winst maken? Ik denk dat geld verdienen centraal staat. Hoe zit dat in België? Wordt een nieuwe eigenaar binnen een maand gevolgd door acht, negen nieuwe spelers? Ja toch? Jullie hebben natuurlijk een aantal voordelen die de handel in spelers extra in de hand werken, zoals het lage minimumsalaris voor niet-EU-spelers.”

Zijn er kampioenschappen verkocht?

Van Duren: “De Nederlander Ricardo Moniz heeft net ontslag genomen als trainer bij AS Trencin omdat de zaak in Slowakije geregeld wordt door de makelaars die de clubs controleren. Hij zei letterlijk: ‘Vorig jaar moest Trnava kampioen worden, dit jaar Bratislava.'”

Knipping: “Daar is de UEFA bang voor, dat wedstrijden worden geregeld onder eigenaars die via allerlei constructies belangen in verschillende clubs hebben.”

Van Duren: “En wat het extra moeilijk maakt, is dat achter pakweg Doyen Sports inderdaad Jorge Mendes zat, maar daarachter zaten weer vier broers uit Kazachstan. Eigenlijk is alles begonnen met het uit elkaar vallen van de Sovjet-Unie. Ineens moest heel veel geld worden witgewassen, en voetbal was een ideaal vehikel. Wij dachten dat de Georgiër Merab Jordania Vitesse uit Arnhem had overgenomen, maar hij was daar maar neergezet door de echte eigenaar, die een Rus bleek te zijn, en een relatie van Abramovitsj.

“Het gaat niet om de uitslag, het gaat om de poen. Niet erg hoor, maar wel belangrijk om het de mensen te vertellen. Wij kijken naar de wuivende bomen, de wedstrijd, maar onder de grond zit een onzichtbaar, immens vertakt wortelstelsel. Voetbal is de omgekeerde carwash: je gaat er onbevlekt in en komt er vuil uit. Een mooie, vind je niet? Die heb ik van Jan de Jong, de voormalige algemeen directeur van de NOS, die nu bij Feyenoord zit.”

Wat zal de conclusie van de lezer zijn als hij jullie boek uit heeft?

Van Duren: “Of die denkt: dit ga ik zelf proberen.”

Knipping: “Of: jeetje, zit het voetbal zo in mekaar? In elk geval: verwondering.”

 

 

20181106_De-Morgen_p-15_99-van-de-makelaars-zijn-zakkenvullers–all-mail

Column over Football Leaks en FFP in De Morgen van maandag5 november 2018

John, Gianni en Yves

Ik heb mij in hoge mate verbaasd over… de verbazing en vooral het theater van zaterdag over hoe de UEFA is omgegaan met de financial fair play (FFP) en wat haar toenmalige secretaris-generaal Gianni Infantino (die nu FIFA-voorzitter is) allemaal zou hebben uitgespookt. Als u nu denkt dat ik jaloers ben omdat ik niet behoor tot het consortium van onderzoeksjournalisten uitverkoren door de hackers van Football Leaks en de schrijvers van Der Spiegel, neen.

Ik ben niet van plan voetbalbonzen als Infantino vrij te spreken van alle zonden, maar de waarheid ligt zoals steeds in het midden en het midden is in dit dossier zoek, zoals weleens meer gebeurt als Der Spiegel zich om sport bekommert. Dat laatste slaat overigens niet op de onthullingen rond de verkrachting van Cristiano Ronaldo, laat dat duidelijk zijn.

De feiten nu. Gianni Infantino wordt ervan beschuldigd in 2014 te zijn tussengekomen ten voordele van Paris Saint-Germain en Manchester City. Die zouden de financial fair play flagrant hebben geschonden en zouden een schorsing hebben afgewend met een hoge boete, die vervolgens steeds lager werd naarmate de secretaris-generaal zich ermee ging bemoeien.

Het jaartal 2014 is een belangrijk gegeven. Dat wil zeggen dat het verslag van de financiële rapporteurs van de UEFA slaat op data tot en met 2012. Welnu, de eerste zogeheten monitoring period van de FFP is 2011-2012. Belangrijk om te weten: de eerste twee seizoenen van de FFP werden de salarissen uitgesloten van onderzoek.

Met andere woorden: in 2014, de beginjaren van de FFP, had de UEFA geen poot om op te staan om de twee ploegen – hoewel terecht beschuldigd van overinvesteringen – te straffen. De eerste volledige monitoring period, inclusief de salarissen, liep van 2012-13 tot 2014-15 en is behandeld in het seizoen 2016-17. Toen zat Infantino al bij de FIFA. Dat hij de clubs zover heeft gekregen dat ze al in 2014 een boete hebben aanvaard, is opmerkelijk en getuigt zelfs van goed management.

Je kunt de FFP in 2014 vergelijken met de dopingstrijd tegen de epo eind vorig eeuw. De test is op komst, maar voorlopig is het behelpen en vooral waarschuwen voor foute waarden, in de hoop dat ze hun les leren. Dat is wat de wielerunie UCI ook heeft gedaan met de epo, en dat is wat haar tien jaar na datum op zware verwijten is komen te staan. Onterecht. Dat is ook wat de UEFA heeft gedaan. En opnieuw de verwijten.

Dat de pragmaticus Infantino ging onderhandelen was niet meer dan normaal. Al meteen in de beginfase van de FFP dreigden de grote Europese clubs ermee naar het Europees Hof te stappen en de FFP te toetsen aan de regels van mededinging. De UEFA dreigde die zaak te verliezen en dat zou ook vandaag nog kunnen, want de FFP mag dan wel door de Europese Commissie zijn gefiatteerd, de Europese rechters zijn wat dat betreft iets strenger in de leer. De FFP, kort door de bocht, legt aan voetbalbedrijven op hoeveel ze mogen investeren om te groeien.

Het gaat dus helemaal niet om dubieus geld, zoals is geschreven en gretig is overgenomen, en over maffiapraktijken, maar over een te forse Arabische kapitaalinjectie die niet direct wordt gedekt door voetbalgerelateerde inkomsten. Vergelijk het met een wijksupermarkt die haar winkel upgradet en daar enorme schulden voor maakt, in de hoop dat er meer en rijkere klanten komen en dat de verkoop stijgt. De supermarkt mag dat, de voetbalclub niet.

Dat ze bij de UEFA bang zijn voor de Europese topclubs en hen naar de mond praten, staat als een paal boven water. Maar alleen wie de laatste jaren onder een steen heeft gezeten (of niet op voetbal heeft gelet en daar ineens een mening over heeft) mag daarover verbaasd zijn.

De eerste poging van de topclubs – eerder een dreigement – om zich af te scheuren als er niet meer geld hun richting uitkwam, dateert van precies twintig jaar geleden. In 1999 kregen de topclubs ineens drie keer meer prijzengeld in de Champions League. Dat scenario heeft zich dit seizoen herhaald: er is nu de helft meer geld bij en weeral profiteren de grote clubs het meest. Ook dat is geen nieuws en is in allerhande media al honderden keren belicht en beschimpt.

Als ik John, de pas ontdekte geheimzinnige hacker van Football Leaks, die twee jaar geleden in deze krant is opgevoerd, een tip mag geven: veel interessanter dan wat er in 2014 is gebeurd, en vooral veel relevanter, is hoe PSG begin dit jaar de dans is ontsprongen na de aankopen van Neymar en Kylian Mbappé. Zelfs hun fanzine L’Equipe schreef toen dat ze deze keer tegen de lamp zouden lopen en toch is de zaak geklasseerd. Voorlopig, want weten wij veel wat chief investigator Yves Leterme nog in zijn schild voert. Zijn mailaccount hacken, zou John dat niet kunnen?

 

20181105_De-Morgen_p-23-mail

Interview Victor Campenaerts in De Morgen van zaterdag 3 november

‘Tijdrijden is een attitude’

Als zwemmer lukte het niet. Te klein. Als triatleet evenmin. Te blessuregevoelig. Als tijdrijder kan Victor Campenaerts (27) de komende twee jaar worden wie hij droomde: ‘Ik wil in iets de beste zijn.’ Te beginnen met de Flandrien-prijs komende week?

Bloedserieuze speelvogels, zo kun je deze generatie wielrenners omschrijven. Er zal hard worden gewerkt, maar een beetje fun is meegenomen en als ook de fun in dienst staat van het werk, valt alles in de juiste plooi. Zo liggen onderaan aan de trap bij Victor Campenaerts skeelers. We staan ernaar te kijken bij het buitengaan na het interview.

Hij legt uit. “Tiesj heeft mij aangestoken. Hij is gek van skeeleren. Ik ben er dus ook gaan kopen. Een simpel model, 75 euro. Een vriend had gezegd dat je met de dure niet recht kunt blijven als je dat niet goed kunt. Gisteren is Tiesj naar hier gekomen om samen wat te skeeleren. Onderweg naar het kanaal moesten we een brug over. Bergop lukte nog wel, maar weet jij hoe je bergaf moet remmen op die wieltjes? Neen, ik ook niet, dus ben ik op mijn gezicht gegaan. Zonder erg overigens. Bart Swings woont hier in de buurt, ik weet het, maar we konden het hem niet vragen, want hij zit in Noorwegen.”

Tiesj is Tiesj Benoot, zijn concurrent voor de wielerprijzen die er aankomen. De eerste – de Flandrien van het Jaar van Het Nieuwsblad – wordt dinsdag al uitgereikt. De tweede – de Kristallen Fiets van Het Laatste Nieuws – op 5 december.

De jury van de Flandrien had op 20 september al zijn vijf kandidaten bekendgemaakt, een week voor het wereldkampioenschap in Innsbruck, waar op dat loodzware parcours van onze profs niet te veel werd verwacht. De genomineerden waren de usual suspects van het koerswereldje. Greg Van Avermaet, geletruidrager in de Tour in de week dat niemand van de toppers die trui wilde. Thomas De Gendt, bergtrui in Vuelta, ritwinst in Catalonië en Romandië. Tim Wellens: winnaar Brabantse Pijl, ritwinst in Giro, eindwinnaar Ronde van Wallonië, eindwinnaar in Ruta del Sol, ritwinst in Ronde van Andalusië. Yves Lampaert: Belgisch kampioen op de weg, winnaar Dwars door Vlaanderen. En ten slotte Tiesj Benoot: winnaar van de Strade Bianche.

En toen dat allemaal bekend was, reed Victor Campenaerts uit Hoboken maar wonende in Herent, naar een derde plaats in de tijdrit op het wereldkampioenschap. Bijna tweede. Aan het eind kwam hij honderdsten tekort om Tom Dumoulin te kloppen. Tegen de winnende Australiër Rohan Dennis was die dag geen kruid gewassen.

Campenaerts werd alsnog als zesde toegevoegd aan de shortlist, maar weegt WK-brons op tegen de andere palmaressen? In elk ander land wel, alleen misschien niet in Vlaanderen. Campenaerts, ook al Belgisch en Europees kampioen tijdrijden geworden, is de eerste Belg die sinds het begin van het WK tijdrijden in 1994 het podium haalt van de meest eerlijke discipline die het wielrennen ooit heeft uitgevonden.

Hij verdient daarvoor alle prijzen te winnen, ook al omdat hij bij twee van de hierboven vermelde stunts van zijn ploegmaats Tiesj Benoot en Thomas De Gendt een ondersteunende rol speelde.

Campenaerts: “De Strade was eigenlijk de enige wedstrijd van het jaar waarin ik echt in dienst moest rijden. Ik zat in de lange vlucht die werd teruggepakt net tussen twee bepalende stroken. De ene na de andere aanval volgde, tot ze met een paar toppers weg waren. Ik heb toen een beurt op kop gedaan van wel vijf minuten lang. Dat was net bij het begin van de rechtstreekse uitzending, wat leuk was, want terug thuis heb ik toch eens goed gekeken hoe dat eruitzag. Dat viel mee, net als de lange beurt. Tiesj kwam daardoor terug vooraan te zitten en toen ik later in het oortje hoorde dat hij had gewonnen, was ik wel trots.”

In Romandië heb je samen met Thomas De Gendt het peloton op een hoopje gereden en hij won.

Victor Campenaerts: “Dat was een maand van tevoren al afgesproken via WhatsApp: die rit, die dag, rijden we samen zo hard tot we weg zijn. Zes kilometer lang hebben we 50 meter voor het peloton uitgereden tot we weg waren met vijf. Thomas en ik deden elk een minuut volle bak op kop en die anderen kwamen maar sporadisch vooraan.

“Voor mij was dat een goeie training in functie van de Giro. Tot ik niet meer kon. Thomas was niet bang van die anderen. Hij zei: die lossen wel op het volgende klimmetje. Ja maar, zei ik, niet te hard, anders los ik ook. Ik wilde graag eens top drie rijden in een World Tour. Dan los jij ook maar, zei Thomas, en weg was hij.

“Speciaal hoor, met De Gendt op pad. Die is soms te sterk en dat wreekt zich. Hij zou veel sluwer en slimmer kunnen zijn en ook als hij niet 100 procent is, veel meer koersen kunnen winnen. Die rit won hij glansrijk, op zijn manier: Thomas wil het gevoel hebben dat hij de rest heeft vernederd.”

Zelf ben je geen winnaar. Ik heb niks teruggevonden, behalve tijdritten.

“Niet goed gezocht? (lacht) Dit jaar in de Vuelta dacht ik te kunnen winnen en ik was wellicht ook de sterkste, maar misschien niet de slimste, hoewel ik het gevoel had dat ik mijn hoofd erbij hield. Ik ben vijfde geworden omdat ik op het laatste hellinkje niet weggeraakte en daardoor de laatste kilometer in dalende lijn op kop heb gereden. Ineens waren we aan de aankomst en toen ik het bord met 300 meter zag dacht ik: zou het geen idee zijn om nu aan te gaan? En toen vlogen ze allemaal over mij. De eerste die was aangegaan, heeft gewonnen: de Fransman Alexandre Geniez van AG2R, die nota bene al tien keer had moeten lossen.”

Ik vind dat jij die prijzen moet krijgen, maar wat vind je zelf?

“Ik ben het helemaal met je eens. Maar tijdrijden heeft een probleem: het is niet zo sexy als een Vlaamse klassieker. Ik kijk graag, terwijl het in feite saai is, net als de Ironman in het triatlon. Je weet ongeveer van tevoren wie gaat winnen en wie is daar nu in geïnteresseerd? Ik was al heel erg vereerd met de nominatie, maar toen ik ook in de kranten las dat ik dé prestatie van het jaar had geleverd, heeft dat mijn ego wel gestreeld.”

Hoe word je eigenlijk tijdrijder? Heeft dat te maken met je triatlonverleden?

“Meer met een domme aanrijding met een auto in een U23-wedstrijd. Ik brak de radiuskop in mijn elleboog en kon wekenlang mijn stuur niet vasthouden, alleen nog in de beugels liggen op mijn tijdritfiets. Zo heb ik twee maanden lang elke ochtend en avond twee uur in die tijdrithouding getraind. Kort daarna stond het Europees kampioenschap voor beloften op het programma en ik hoopte op een top tien, niks meer. Ik won. Dat was 2013 en van toen af wist ik dat tijdrijden mijn ding was.

“Heel in het begin zwom ik en dat haatte ik. Ik wilde op mijn PlayStation spelen. Mijn ouders moesten mij echt verplichten om twee keer per week te gaan zwemmen. Op een dag was er een wedstrijdje en dat haatte ik nog meer, maar ik werd tweede en ineens zag ik een mogelijkheid om in iets de beste te zijn. Dus ging ik daarna vijf keer per week zwemmen en was ik altijd als eerste in het zwembad.

“Bij de kernploeg van de Brabojeugd kwam ik er snel achter dat ik het moeilijk kon halen van sommige leeftijdgenoten, laat staan dat ik iets op de Olympische Spelen kon gaan doen. Ik ben 1m73 en hoeveel zwemmers heb je van minder dan 1m90? Waarop ik ging testen voor de topsportschool van het triatlon. Ik had mijn loopschoenen één week en ik liep probleemloos de limiet. Daar dachten ze dat ze het nieuwe grote talent hadden gevonden. Ik heb nooit een 1.500 meter harder gelopen dan die dag, want in die twee jaar dat ik vol met triatlon bezig was, heb ik misschien twee maanden kunnen lopen. Scheenbeenvliesontsteking, iliotibiaal frictiesyndroom (een vervelend knieletsel, HV), noem maar op, ik had dat continu.

“Fietsen kon wel nog en toen ik met mijn vader en zijn vrienden ging fietsen, reed ik er iedereen probleemloos af. Dus werd het fietsen. Ik heb een paar kermiskoersjes gewonnen, maar na die Europese en die Belgische titel tijdrijden in 2013 kwam ik in beeld bij Walter Planckaert van Topsport Vlaanderen-Baloise. Hij informeerde of ik ook echt met een wegfiets kon rijden en niet alleen rechtdoor op een tijdritmachine. Ik kan in een peloton rijden, maar een kraan als Marcel Sieberg word ik nooit. Die zit achteraan op 5 kilometer van de meet en rijdt door het peloton naar voren. Als ik vooraan zit op 5 kilometer en niks fout doe, rijd ik een kilometer later vijftigste.”

Wel knap van Lotto-Soudal dat ze jou carte blanche geven. Het is vooral van belang dat we in het tijdrijden een traditie opbouwen.

“Dat klopt. Ik rijd de meeste wedstrijden in functie van de tijdritten. De bedoeling is om er daar zoveel mogelijk van te winnen en als het even kan ook hoog te eindigen in een kleine ronde. Die carte blanche was mijn voorwaarde nadat ik bij LottoNL-Jumbo had gezeten. Die ploeg is heel erg op tijdrijden gefixeerd, maar in de Giro van 2017 mocht iedereen voluit gaan, behalve ik. Toen wist ik dat ik weg moest. Ik weet nog steeds niet waarom dat de ploegorders waren. Ik vermoed dat ze mijn prijs niet in de hoogte wilden zien gaan door een mooi resultaat. Ik weet niet wat het anders had kunnen zijn.

“Bij Lotto-Soudal heb ik mijn eigen begeleiding. Kurt Lobbestael, die ik nog ken van de topsportschool triatlon, is mijn trainer en hij werkt samen met sportfysioloog Jan Olbrecht voor de lactaattesten. De ploeg doet dat bij Energy Lab. Ik wil gene contraire zijn, maar aan die labotest van telkens 40 watt extra om de vijf minuten, daar heb ik niet veel aan. Ik test op de tijdritfiets langs het kanaal. Kurt prikt lactaat en hij overlegt samen met Jan Olbrecht.”

De fiets is jouw ding?

“Ja, maar ik geloof niet dat de fiets zoveel verschil maakt als sommigen denken. Toen ik bij de ploeg kwam, zei Tim Wellens nogal cynisch: nu zullen we het zien. Wat hij bedoelde was: of het aan ons ligt, dat we geen prijzen rijden in tijdritten, dan wel aan de fietsen. Zij dachten dat het aan de fietsen lag en dat ik ook geen resultaat zou rijden. Ik heb meteen prijs gereden en nu zijn er nog in de ploeg die ervan overtuigd zijn dat ik een speciale fiets heb.

“Tijdrijden is een attitude, daar moet je mee bezig willen zijn. Ik schat dat ik 40 procent van mijn tijd op de tijdritfiets zit. Ik heb bij ons wel renners aan de mecaniciens daags voor een tijdrit horen vragen om hun stuur wat naar voren te zetten. ‘Eens kijken of dat wat beter gaat.’ Dat werkt niet, zo heb ik geleerd bij LottoNL-Jumbo: je test, je stelt je fiets af en daar kom je niet meer aan tenzij na een nieuwe test. Ik heb wel een speciaal stuur laten bouwen, waar de UCI moeilijk over deed bij de Tirreno.”

Als je meer huiswerk maakt dan de concurrentie en als alles meezit, kan jij zowel wereld- als olympisch kampioen worden. Daarom heb ik alvast het profiel van de olympische tijdrit in Tokio meegenomen.

(lacht) “Dank u, maar dat heb ik al van het begin van het jaar en daar is niks meer aan veranderd. Het is een mooi parcours en ik zal het zeker gaan verkennen. De hellingen zijn niet te steil en er zitten niet te veel bochten in. Daar moet ik iets kunnen doen.

“Het zal erop aankomen hier en daar wat kleine winst te halen, We hebben ondervonden dat je minder vermogen moet leveren zonder vizier dan met vizier op je helm. Of dat het 2,5 watt scheelt als ik mijn polsen naar onderen plooi in plaats van recht vooruit. Ik ben
nu bezig met schoenensponsor Gaerne om die sluitingen meer aerodynamisch te maken. En met Ridley om iets uit te vinden om te drinken tijdens de tijdrit.”

En de inmiddels verboden speedgel op de benen waar jullie kritiek voor kregen?

“Ik heb die een paar keer geprobeerd en in die ene ploegentijdrit haalden we een goed resultaat. Dat lag toen aan de renners die we daar in de ploeg hadden, niet aan de gel. Ik heb het achteraf getest op de wielerbaan en mét gel bleek ik drie keer miniem trager te zijn dan zonder.”

Je testte na het WK op de wielerbaan van Grenchen en reed een halfuur lang sneller dan Bradley Wiggins tijdens zijn uurrecord. Dus…

“… denk ik dat ik ervoor ga in april. Waar? In Aguascalientes in Mexico. Iedereen met wie ik sprak, zegt dat het daar zoveel sneller is door de verminderde luchtweerstand. Je hebt natuurlijk het zuurstofprobleem op hoogte, maar dat wordt dan opgevangen met vroeg afreizen en een lange hoogtestage.

“Op 2 januari vertrek ik voor twee maanden naar Namibië, samen met twee triatleten. Mooi land? Het schijnt ja. Ik ga daar niet om een leeuw te zien, maar als ik eens een vrije dag heb, wil ik weleens een safari doen of die duinen gaan bekijken. Windhoek is een westerse stad op 1.800 meter hoogte. Er liggen enkele asfaltwegen en die volstaan voor mijn trainingen. Verder krijg ik van Ridley een gravel bike mee, waarmee ik op de plaatselijke dirt roads kan rijden.

“Die test in Grenchen duurde een half uur. Het werelduurrecord is een uur, dat is al een verschil, en het is in handen van Bradley Wiggins, niet de eerste de beste op een wielerbaan in die tijdrithouding. Hij had bij zijn recordpoging wel niet de ideale omstandigheden en ik vond ook dat hij soms rare lijnen reed. Ik wil elke centimeter van die baan kennen, zodat ik weet waar ik moet rijden. De grootste aanpassing wordt de communicatie. Ik had oortjes, maar dat mag niet tijdens de officiële poging. Wel mag iemand aan de kant van de baan met een iPad aangeven hoe snel of traag het gaat. Opzij kijken met 50 kilometer per uur en toch de lijn houden, wordt nog oefenen. Dat heb ik bij die test alvast achterwege gelaten of ik lag op mijn gezicht.”

 

Column over het terugdraaien van de voordelen voor het voetbal in De Morgen van zaterdag 3 november 2018

Applaus, staande ovatie, diepe buiging

Ik wens de Kamerleden Roel Deseyn en Stefaan Vercamer (CD&V) alle succes toe. Zij zijn de eersten die wat willen doen aan de bevoordeling van de Belgische profsporters en vooral dan het voetbal. Ze richten hun pijlen op de minimale sociale lasten, het terugstorten van de bedrijfsvoorheffing en de zeer lage instapkosten om een niet-EU-speler te contracteren. De uiterst gunstige groepsverzekeringen staan niet in hun lijstje, maar horen daar eigenlijk ook in thuis.

Hun voorstel verdient de brede steun van de sportsector, althans dat deel dat niet met eurotekens in de ogen rondloopt. Het is niet alleen vreemd dat van alle voetballers in West-Europa de Belgische voetballer het meest netto overhoudt, terwijl de niet-voetballende Belg het minst netto overhoudt van alle werknemers op deze planeet. Het is een regelrechte schande dat het voetbal met die voordelen een enorme kamelenmarkt financiert. Finaal komen net geen twee op de drie spelers in de Belgische eerste klasse uit het buitenland, terwijl al die eerder opgesomde voordelen nog wel waren bedoeld om de jeugdwerking te bevorderen.

Deseyn en Vercamer stellen onder meer voor om de minimale sociale lasten alleen te behouden voor sporters met een maximumjaarloon van 81.600 euro. Applaus daarvoor, zonder meer. 81.600 is geen hongerloon meer en treft niet de armlastige sporten zoals basketbal en volleybal, die lang niet zo gek verlonen als het voetbal.

Ze willen ook de enorme korting op de bedrijfsvoorheffing aan strengere voorwaarden verbinden. Vandaag moet die niet-ingehouden belasting worden aangewend om spelers jonger dan 26 jaar te verlonen. Dat heette dan ondersteuning van ‘de jeugd’ en was een maatregel die moest dienen ter compensatie van het afschaffen van het gunstige belastingstelsel voor buitenlanders. De controle daarop was zo goed als nihil en de parlementsleden pleiten ervoor om dat te verlagen naar 19 jaar, wat moet leiden tot meer investeringen in de jeugdopleiding door alle clubs. Staande ovatie hiervoor.

Ten slotte is er de derde maatregel binnen het wetsvoorstel: het minimumloon voor sporters die niet uit de Europese Unie komen, wordt aangepast naar anderhalve keer het gemiddeld loon per sporttak, naar analogie met Nederland. Dat wil zeggen: niet langer een schamele 80.000 euro min kosten zoals behuizing, auto, eten op de club en dergelijke meer, maar anderhalf keer het gemiddeld salaris van de Belgische voetballer.

Diepe buiging. Hoewel, hierover is een beetje onduidelijkheid. Sommige bronnen denken dat de Belgische voetballer gemiddeld 350.000 euro verdient. Als dat klopt, is dat een nog grotere schande want in Nederland, waar de gemiddelde omzet per club hoger ligt, is het gemiddeld salaris maar 281.000 bruto per jaar. De buitenlander ouder dan 21 die niet uit de Europese Economische Regio of EER komt, moet in Nederland minimaal 422.000 euro verdienen. Andere bronnen schatten het gemiddeld salaris in de Belgische eerste klasse op 250.000 euro.

Het juiste bedrag zullen we voorlopig niet te weten komen. Het Belgisch voetbal is als de dood voor te veel openheid, maar dit is het moment om klaarheid te eisen. Graag een vierde luikje aan het wetsvoorstel van Deseyn en Vercamer: financiële transparantie.

De krachten om het voorstel van Deseyn en Vercamer te counteren, zijn al op gang gekomen. Eén krant kreeg de nadelen zo voorgekauwd: België was gestegen van 12 naar 8 op de UEFA-ranking en Nederland was gedaald van 8 naar 11. Alsof het een direct verband houdt met het andere. Bovendien, als een land alleen maar kan presteren door zijn sector enorm te bevoordelen tegenover andere EU-landen is dat een inbreuk op de Europese regelgeving. Ook de toegenomen kloof tussen arm en rijk in Nederland wordt in de schoenen geschoven van de strenge buitenlandersregel. Dat kan dan weer worden opgevangen door een meer solidaire verdeling van tv-gelden.

Ook de basketbalwereld is al gemobiliseerd en is tegen, want die zullen hun halve zolen van Amerikanen niet meer kunnen halen en betalen, denken ze. Jammer, maar helaas, ook het Belgisch basketbal bokst al decennia boven zijn intrinsiek gewicht met dank aan al die voordelen.

Op 6 en 14 november zijn er in het federaal parlement hoorzittingen gepland met de ministers van Financiën Johan Van Overtveldt en van Volksgezondheid Maggie De Block. Die zijn al bewerkt door de bondenlobby als mijn info correct is. Ik heb er geen goed oog in, maar ik wens Deseyn en Vercamer niettemin alle succes.

De finaliteit van een sport is niet het in stand houden van een inflatoire economie, en in het geval van voetbal ook nog eens een lucratieve mensenhandel. Sport is er om de bevolking beweging en plezier te bezorgen. In de eerste plaats als actief deelnemer, desgevallend als passief consument.

 

20181103_De-Morgen_p-20

Over de libel Nina Derwael in De Morgen van zaterdag 3 november 2018

Een nieuwe sportkoningin

Nooit eerder heeft een Belgische sportvrouw een meer mondiale sport gedomineerd dan Nina Derwael op de mythische brug met ongelijke leggers. Gisteren verpletterde de Limburgse haar tegenstandsters op het wereldkampioenschap in Doha.

Na Justine Henin, Tia Hellebaut en Nafi Thiam heeft dit land een nieuwe sportkoningin die de wereld ons benijdt. Nina Derwael is Belgiës grootste kans op goud voor de Spelen van Tokio in 2020. En dat voor iemand die bij de talentidentificatie één onvoldoende kreeg: ze was te lang voor gymnastiek.

Donkergroen (supergoed), groen (goed) of rood (niet goed), dat zijn de kleurtjes voor de talentidentifcatieprofielen. De elfjarige Nina Derwael scoorde op alles donkergroen, behalve voor haar lichaam: ze kreeg rood voor haar lengte. In China was Nina Derwael ongetwijfeld naar de circusschool gestuurd, maar in het kleine Vlaanderen verkozen zowel de Gymfed als de UGent ‘het oog van de meester’ boven de richttabellen: het grootste talent ooit kreeg een donkergroen advies om door te gaan.

‘Nina Derwael kan the next best thing worden aan de uneven bars’, voorspelde een Amerikaanse gymsite in 2014 die haar als junior aan het werk had gezien. Je kon de buzz horen tot ver voorbij de Gentse Watersportbaan, waar de gymhal staat en waar 32 uur per week de grootste gymtalenten van Vlaanderen onverdroten aan de weg naar de wereldtop timmeren onder leiding van een Frans echtpaar. Sinds 2008 in volstrekte anonimiteit, sinds 2016 onder iets meer belangstelling. Na gisteren, vrijdag 2 november 2018, in volle schijnwerpers.

Vier jaar na die Amerikaanse voorspelling is de jonge vrouw uit Sint-Truiden de beste gymnaste op het meest tot de verbeelding sprekende toestel in de gymnastiek. De eerste, hardste en wellicht de meest mondiale sport die de vrouw ooit beoefende. Donderdag baalde ze nog als een stekker van die vierde plaats in de allroundfinale en die met 33 duizendsten gemiste medaille. In haar hoofd speelde meteen de idee om wat te doen aan die sprongen; haar zwakste – excuseer, minst sterke – onderdeel. In de nababbel kon ze het plaatsen: vierde worden is niet leuk, neen, maar de anderen waren beter. Op naar haar finale, de brug met ongelijke leggers.

Dubbel Europees kampioene en derde van de wereld was ze al op dat toestel, maar speciaal voor dit WK hadden zij en haar trainers de moeilijkheidsgraad zwaar opgekrikt. Nina Derwael, sinds vorig jaar eigenares van haar eigen beweging, is wat Amerikanen een next level-atleet noemen: geef haar een nieuwe uitdaging en ze traint tot ze het volgende niveau haalt. Plafonneren staat niet in haar woordenboek, hooguit zal ze even blijven op het level dat ze zich eigen heeft gemaakt, om vervolgens weer hoger te mikken. Dat heeft ze de voorbij drie jaar elk kampioenschap gedaan: jaar na jaar, toernooi na toernooi turnde ze beter, moeilijker, mooier.

Het pleit voor haar trainers dat ze van haar lengte, haar ‘nadeel’, een voordeel hebben gemaakt. Nina Derwael is geen springbal die niet boven de tafel uitkomt. Zoals ze met haar hele 1m68 als een libel door het zwerk zwiert is ze de gratie zelve. Concurrente Simone Biles en de rest van de wereld konden alleen maar in bewondering toekijken.

Elk sportsucces heeft vele vaders, maar deze keer ook enkele moeders en zelfs een hele familie. De echte ouders in de eerste plaats: terwijl hun collega-voetballertjes uit de Topsportschool aan de Voskenslaan in Gent nu al makelaars hebben en eurotekens in de ogen, betaalden de gymnastjes – of liever hun ouders – per jaar 1.000 euro voor hun sportopleiding en financieren ze daarnaast zelf hun internaat.

De familie is de Gymfed, de turnbond zeg maar, een voorbeeldbond. Tien jaar en langer geleden was dat een huis van intrige, vandaag van vertrouwen – in het eigen kunnen en in dat van anderen. Hij krijgt veel topsportgeld van Sport Vlaanderen, dat klopt,
maar hij zoekt ook zelf naar geld, met succes. Met dat geld heeft de bond tien jaar geleden een in eigen land halvelings uitgerangeerd Frans trainersechtpaar naar België gehaald: Marjorie Heuls en Yves Kieffer zijn de onmiskenbare architecten, de adoptieouders van dit succes.

Af en toe gaven die een gil: we zijn het beu, we worden tegengewerkt… Zoals het goede trainers betaamt zijn ze nooit content, en af en toe is hun ongenoegen terecht. Neem nu dit jaar, toen die ene mevrouw in Gent besloot haar grote gelijk te halen en het licht in de trainingshal te doven terwijl de gymnastes nog volop trainden. Zou die gisteren ook hebben gekeken? Hoe onnozel heeft ze zich dan gevoeld?

Heuls & Kieffer, of Kieffer & Heuls zo u wil, zijn het levende bewijs dat talent alleen niet volstaat om resultaat te halen. Ergens onderweg moeten gidsen de weg tonen en dromen in werkelijkheid omzetten. Zij kenden de weg, want hadden met Frankrijk in 2004 op de Spelen van Athene goud gehaald. “Er is geen reden waarom jullie niet zouden kunnen presteren wat de Franse meisjes hebben gepresteerd”, zei Kieffer bij zijn aantreden. De Française Emilie Le Pennec won in 2004 goud op de brug met ongelijke leggers. Zestien jaar later zal opnieuw een pupil van Heuls & Kieffer op de Spelen voor goud gaan.

 

20181103_De-Morgen_p-2-3-mail

Column homo ludens/fraudans in De Morgen van 29 oktober 2018

Homo ludens/fraudans

Ik stel voor om Club Brugge en dit seizoen ook Genk naar een andere competitie te sturen. Om de basketballers van Oostende ergens anders hun kunsten te laten vertonen. De volleyballers van Maaseik en Roeselare idem. Nina Derwael mag niet meer meedoen aan het BK gymnastiek, Luca Brecel niet meer in snooker, Koen Naert laten we ook niet meer lopen in dit land. Ze zijn te goed voor de rest en ze maken de competitie saai. Daarom doen we ze weg.

Ik probeer mij te verplaatsen in de logica à la Mario De Clercq, maar dat lukt niet te best. Dit weekend liet hij zijn licht schijnen op de cross. Daar kent hij alles van en zijn conclusie was even simpel als simplistisch: Wout van Aert en Mathieu van der Poel moeten naar de weg want ze verzieken de boel in de cross. Van Aert en Van der Poel zijn te sterk en dus nefast voor het spektakel. Dus moeten Wout en Mathieu weg, naar de weg. Of naar het mountainbiken desnoods. Maar pakweg niet naar Ronse, waar zijn eigen grote prijs wordt gereden.

Even terzijde: stel u voor dat we een Grote Prijs Johan Bruyneel zouden organiseren in en rond Roeselare. Het schandaal! Niet te overzien. Is het geen godgeklaagde schande dat wie heeft bekend met pek en veren wordt verjaagd, en wie nooit heeft bekend (maar wel is veroordeeld) nog vrolijk blijft rondhuppelen in zijn biotoop, om de haverklap wordt opgevoerd en zelfs ploegleider mag spelen?

‘Super Mario’ was wellicht gisteren in Ruddervoorde en hij zal daar in zijn kortzichtigheid zijn bevestigd, al deed Van der Poel het anders dan anders. In plaats van te wachten tot de tweede of derde of vierde ronde, of nog langer, reed hij gewoon weg na drie minuten wedstrijd. Van Aert werd tweede op een halve minuut en kort daarop finishte Toon Aerts. Van der Poel en Van Aert, in die volgorde, zijn veel te sterk voor de rest.

Klaas Vantornout stond ook in een weekendkrant. Hij was dikker – deed aan krachttraining voor zijn bovenlijf, dat vroeger weliswaar niks voorstelde – en milder, hij heeft dan ook ooit sterretjes gezien tegen die twee. Wout heeft misschien nog iets meer power dan Mathieu, zei Klaas, maar is minder explosief door zijn training als wegwielrenner en is technisch minder sterk. Zijn belangrijkste quote was deze: het zijn de beste veldrijders die we ooit hebben gezien, zelfs de allerbeste Sven Nys had geen kans gemaakt.

Het zou een interessante oefening zijn: de beste veldrijders ooit de start verbieden en kijken hoe de rest reageert. Zou Toon Aerts dan de helft van de wedstrijden winnen en Laurens Sweeck de andere helft? Of wint Kevin Pauwels misschien nog eens, wie weet? Die is altijd goed voor een non-interview dat zo in het eindejaarsoverzicht kan.

Zou de discipline veldrijden het overleven? Vreemd genoeg is die discipline er economisch beter aan toe dan de sport wielrennen zelf. Dat heeft drie oorzaken. Ten eerste zijn de kosten minimaal: een weide, wat bosjes en een gracht of twee en een beetje parcoursbouwer tekent een mooie omloop. Ten tweede: in Vlaanderen is altijd een publiek te vinden als twee of meer mannen in lycra om ter snelst door een wei rijden. Elke toeschouwer in het veldrijden betaalt. Zelfs de televisie betaalt. En Michel komt eloquent kond doen.

Wout van Aert en Mathieu van der Poel zijn misschien nefast voor het spektakel, maar dominantie heeft ook haar charme. Zo’n Van der Poel die op zaterdag zijn voet breekt ergens in een Belgische wei en op zondag in een Hollandse wei iedereen naar huis rijdt, is dat dan geen spektakel? En die een heel seizoen alles en iedereen in de prak rijdt en op het WK door de mand valt, waarna Van Aert wint, spektakel toch?

Wat Van der Poel en Van Aert bezielt om in het goorste bijnummer van een sport – vergelijk het met modderworstelen en Grieks- Romeins – hun boterham te verdienen, is niet duidelijk. Lange tijd leek die boterham centraal te staan. Een uurtje per week volle bak tegen een stelletje halve zolen, altijd winnen van Ardooie tot Zolder, onderhand een half miljoentje of wat bij elkaar rijden, zelden heeft een bijnummer beter betaald. Dat argument is inmiddels achterhaald. Die twee hebben zoveel talent dat ze ook op de weg bovengemiddeld zouden verdienen.

Er is maar één reden waarom Van Aert en Van der Poel in hun hart altijd crossers zullen blijven: zij maken deel uit van de generatie die sport als een spel ziet. Ze willen hun best doen, hun ziel uit hun sterke lijf sporten, zolang het maar leuk is. Zij zijn de postmoderne homo ludens, de spelende mens, en die zijn altijd te verkiezen boven de homo fraudans, die we vooral in het voetbal vinden.

Homo ludens:fraudans

Column Clubliefde in De Morgen van zaterdag 27 oktober 2018

Clubliefde

Om de zoveel tijd wordt de platitude ‘de fans zijn het voornaamste kapitaal van een voetbalclub’ bovengehaald. Met alle respect voor de voetbalcommunity’s en andere supportersgroeperingen die ongetwijfeld verbindend werken en die niet genoeg kunnen worden ondersteund, maar dat ‘voornaamste kapitaal’ is wel je reinste economische onzin.

Een club is perfect economisch leefbaar zonder al te veel fans. Van de week was er nog één op bezoek in Brugge: van alle 98 clubs in de grote vijf voetballanden heeft AS Monaco het kleinste toeschouwersaantal en tegelijk het grootste handelsoverschot. Geen club maakt meer winst dan Monaco en aangezien voetbal toch vooral een verhaal is van winst maken door import en export, is Monaco gewoon de best presterende Europese club van de laatste tien jaar.

Ooit komt de dag dat toeschouwers in het stadion zullen zijn vervangen door isomofiguurtjes inclusief geluidsversterking, die desgevallend aanmoedigen, dan wel joelen. In het ene stadion al meer het ene dan het andere. Ik zal het betreuren, maar de artificiële fan biedt wel degelijk voordelen: geen primitivisme, geen fanatisme, geen hooliganisme, om maar die te noemen.

Het is algemeen bekend dat wie door de draaipoortjes van het stadion stapt, minimaal twintig IQ-punten inlevert. Als je om te beginnen al niet te hoog scoort, kan dat weleens tot rare toestanden leiden, bijvoorbeeld als je team, trainer, spelers zich hebben misdragen.

De romantici vonden het prachtig, hoe de fans van de geplaagde en beschuldigde teams in de recente voetbalaffaire als één man achter hun club gingen staan. Het kapitaal van de club, nietwaar. Anderen, minder bezeten van voetbal, vonden bijvoorbeeld die rood- gele carnavalstoet in Mechelen getuigen van misplaatste arrogantie en stuitende wereldvreemdheid.

Ze hebben een punt. Wat was de bedoeling van die optocht? Druk uitoefenen op wie of wat? Steun betuigen aan wie of wat? Of was het dreigen? Raak niet aan mijn club, wat die ook heeft mispeuterd?

Als ook maar de helft waar is van wat nu in de kranten staat, wordt KV Mechelen bedreigd met degradatie. De traditie in dat soort affaires wil dat meer dan de helft uiteindelijk waarheid wordt en in dat geval heeft Mechelen een groot probleem. Voor omkoping is degradatie een te lichte straf. Terugzetting naar vierde provinciale moet het minimum zijn. Het stamnummer schrappen tout court en verbeurd verklaren van de naam en de kleuren van KV Mechelen is een strenge maar evengoed aanvaardbare optie.

Jammer voor de fans, jammer voor eerste klasse want de voetbalmarkt Mechelen hoort daarin thuis. Maar als de omkoping wordt bevestigd, moet de economische voetbalentiteit KV Mechelen worden gestraft, precies zoals een club die geen stoeten op de been kan krijgen.

De Brugse steunbetuiging met Kroatische vlaggen was ook niet bepaald een uiting – de woorden zijn zorgvuldig gewikt – van doordacht maatschappelijk besef. Na een ongelukkig nachtje te hebben doorgebracht in een cel, was Ivan Leko in verdenking gesteld van witwassen. Mr. Walter Tafelspringer mag dan verkondigen dat het om een bedragje van vele jaren geleden gaat, waar ze nog eventjes de herkomst van moeten traceren, witwassen is toch een ietsiepietsie erger dan een zoekgeraakt factuurtje. Erger dan belastingontduiking, dat ook maatschappelijk niet te verantwoorden is, maar dat de meeste Vlamingen normaal vinden.

Overwegende dat ‘in verdenking gesteld’ niet hetzelfde is als ‘schuldig’, dat hij was vrijgelaten onder voorwaarden, dat hij geen gevaar meer liep om weer te worden opgepakt en dat een schaap dat wordt geschoren best stil blijft zitten, was de vlaggenactie totaal overbodig.

Het stond er zwart op wit, in dat communiqueetje van het parket: Veljkovic heeft in samenspraak met de ploegen KV Mechelen, Racing Genk, Lokeren, Club Brugge en Standard constructies opgezet om zich verdoken commissielonen voor zijn activiteiten als makelaar te laten uitbetalen en om spelers die hij vertegenwoordigt verdoken vergoedingen te bezorgen.

Een beetje normaal redenerend fan zou zich vragen kunnen stellen en misschien andere acties bedenken dan dat vendelgezwaai of een spandoek met ‘Ivan Leko our god’. Enige terughoudendheid was op zijn plaats geweest.

Ik besluit graag met een tweet die de mijne niet is, maar die ik gaarne heb geretweet. Hij komt van professor psychologie Wouter Duyck. “Politici die in een raad van bestuur zitten en daarvoor 100 euro zitpenning krijgen, zijn zakkenvullers. Voetballers/trainers die frauderen, zijn god. Dezelfde mensen.”

 

Clubliefde

Column over Tarzan in de jungle van de sportjournalistiek (over de pers en het voetbal) in De Morgen van maandag 22 oktober 2018

Tarzan in de jungle van de sportjournalistiek

 

Stephan Keygnaert van Het Laatste Nieuws staat op non-actief. Hij is de chef voetbal die u af en toe ook op deze pagina’s terugvindt onder de initialen SK. Ik verbaas u hopelijk niet met de mededeling dat een groot deel van de sportberichtgeving wordt overgenomen van onze zusterkrant Het Laatste Nieuws. Ik ben de laatste die daar moet over klagen, want toen ik nog chef sport was bij deze krant heb ik dat synergieproces in gang gezet, samen met een andere baas die ook alweer is verdwenen.

Dat is een beetje inherent aan de media: bazen komen en verdwijnen, cheffen komen en verdwijnen, rubriekleiders voetbal en wielrennen komen en verdwijnen. Hoofdredacteurs, nóg erger, is zelfs een knelpuntberoep geworden. Sportjournalisten niet, die zijn als onkruid en helemaal nu Round Up niet meer mag: wij zijn nooit echt weg, wij komen altijd terug, SK ook.

Ik ken er maar één die voor het leven is gebannen terwijl hij verdomd goed kon schrijven. Jammer genoeg verzonk dat in het niets bij zijn uitvinderscapaciteiten. Hij fabriceerde bewijsmateriaal om toch maar gelijk te krijgen en dat zadelde onze zusterkrant op met de grootste schadevergoeding die ooit in het Belgische perswezen is betaald. Die fabricage gebeurde met de hulp van zijn bazen, wil ik daar toch even bij vermelden.

Ik zat ooit twee jaar op de sportredactie van een populaire krant als een opiniemaker/meerwaardeschrijver voor hun zusterkrant
die een kwaliteitskrant was. Dat was Het Nieuwsblad-De Standaard. Toen ik daar arriveerde, vond ik die nieuwsjournalistiek minderwaardig. Tegen de tijd dat ik daar wegging, had ik een grenzeloos respect voor de continue evenwichtsoefeningen van mijn collega’s, stuk voor stuk aardige gasten die heel hard werkten, in veel moeilijkere omstandigheden dan ik en die verdomd goed hun stiel beheersten.

Probeer maar eens alle nieuws eerst te hebben – voor wat dat nieuws waard is, maar dat is een andere discussie – en tegelijk aan journalistiek te doen volgens het boekje: kritisch, onafhankelijk, en al het andere dat ze doceren in de bachelor- en masteropleidingen ‘journalistiek’. Sportjournalistiek is een lastige in deze regio, waarin in elk medium twee machtsblokken tegenover elkaar staan en de sportberichtgeving een marketingtool is.

Wie in een populaire krant op de sportredactie terechtkomt, verwezenlijkt zijn of haar droom, maar wordt ook meteen van zijn wolk gehaald: We Missen Geen Nieuws, niet over onze ploeg die we volgen, niet over de sport die we coveren, nooit missen we nieuws. Of we krijgen ’s ochtends tussen zeven en acht telefoon van de chef sport met de vraag: hoe komt het dat wij dat niet hebben?

Jawel, ook op de politieke redactie gaan die telefoons en verwijten heen en weer, maar er is een wezenlijk verschil. Een politicus steekt zijn/haar broek af om in een krant te staan, een voetballer niet. Die kiest zijn medium uit, die kiest uit wie hij vertrouwt en aan wie hij zijn boodschap meegeeft.

Hetzelfde voor de clubleiders, die je zou kunnen vergelijken met de partijvoorzitters: ook zij hebben geen behoefte aan communicatie tenzij het hen goed uitkomt. Partijvoorzitters daarentegen willen altijd en overal in de krant. Overigens, wat u niet weet: alle interviews in het voetbal worden van naald tot draad nagelezen en desgevallend aangepast door de club/speler, ook al is het een juiste weergave van het gesprek dat op band staat.

Er is nog een groot verschil: de kennis van het lezerspubliek is nergens groter dan op de sportbladzijden. Vertel geen onzin over het middenveld van Anderlecht of je krijgt emmers kritiek via gewone en sociale media. Schrijf dat windmolens alle kerncentrales kunnen vervangen en je krijgt applaus, behalve van die drie die de energieproblematiek echt kennen en je terecht voor gek verklaren.

Voetbaljournalistiek staat dichter bij de jungle dan bij een Scandinavisch geordende maatschappij. Zwaarbewapend in de jungle worden afgezet met de opdracht ‘niks missen’, ga er maar eens aanstaan. Wanneer moet je de machete gebruiken, wanneer niet? Wanneer schieten, wanneer niet? Wanneer onderhandelen, wanneer niet?

Sommige collega’s zijn te ver gegaan in hun obsessie om Tarzan te zijn. Ze werkten ook mij soms op de zenuwen met hun eeuwige lijntjes richting trainers, spelers en makelaars. Ik wil hen niet vrijpleiten, niet begraven en ik vraag ook niet om begrip. Ik probeer alleen uit te leggen hoe die wereld functioneert.

Ik ken de journalisten die hun bevriende trainers en spelers altijd en overal prijzen, en nieuws in ruil krijgen. Die statistieken hebben vervalst opdat de speler bij contractonderhandelingen een poot meer zou hebben om op te staan. Die voor een bevriend clubmanager een verjaardagsfeestje organiseerden, in de gebouwen van het eigen medium nog wel, in aanwezigheid van twee van de meest kritische journalisten die over sport schrijven/spreken. Dat was allemaal normvervaging, soms in het kwadraat, maar dat heb ik de betrokkenen ook meteen gezegd.

Tja, die makelaars. Die zijn nu collectief de kop van Jut, halve moordenaars die met pek en veren moeten worden verjaagd uit de sport, inclusief de journalisten die er een te nauw contact mee onderhielden. De laatsten die daarover moeten klagen zijn de voetbalclubs, want zij hebben de jungle mee in stand gehouden.

Clubleiders nemen hun telefoon niet meer op voor journalisten, telefoonnummers van spelers worden niet meer doorgegeven, trainingen zijn gesloten, persmomenten worden tot het minimum beperkt. De clubs hebben de journalisten in de armen gedreven van

de makelaars, de enige bron de laatste jaren om nieuws te vergaren. Geen wonder dat die konden manipuleren. Geen wonder dat op vraag van die ene makelaar die in de bak zit een onnozelheid als de klassering van assists al eens werd vervalst.

 

20181022_De-Morgen_p-24

Column Dagdromen over voetbal zonder betaalde transfers in De Morgen van zaterdag 20 oktober 2018

Dagdromen over een betere voetbalwereld

Wat als? Bestaat dat programma nog? Het was door onze mediafabriek gemaakt en het was om te lachen, maar ik heb ook een ‘wat als?’-vraag en die is niet om te lachen. Wat als er nu eens geen transfersysteem was? Wat als mensen nu eens niet mochten worden verkocht als kamelen omdat ze erg goed op een bal kunnen schoppen? Hoe zou het voetbal er dan uitzien?

Ten eerste zouden we het kunnen stellen met de helft minder voetbaljournalisten of wie althans een journalistenkaart heeft en denkt aan journalistiek te doen door allerlei gissingen toe te passen op spelersnamen, punten te geven voor prestaties en/of in de slag te zitten met de makelaar van deze of gene speler. Op zich al een heel verleidelijke reden.

Ten tweede zouden de makelaars gewoon zaakwaarnemers en atletenbegeleiders worden die met de diverse gegadigde clubs gaan onderhandelen over een nieuw of verbeterd contract en die hun jaarlijkse factuur van 3 (voor de hele dure spelers) tot 10 procent (voor de kneusjes) moeten sturen naar de atleet/ speler in kwestie. Louche opportunisten zouden in deze zeer doorzichtige markt weggefilterd worden.

Ten derde zou de stabiliteit van de teams vergroten.

Ten vierde zouden we veel van de ellende van afgelopen week vermijden. Misschien niet het arrangeren van wedstrijden om niet te zakken. Dat kan alleen worden opgelost door de afschaffing van stijgen en dalen op sportieve gronden. De degradatie is een aberratie.

Ten vijfde zou het voetbal eindelijk in regel zijn met het Europees Verdrag voor de Rechten van De Mens en de Europese regelgeving, maar wie vindt dat nu belangrijk? Conclusie: er zitten alleen maar voordelen aan de afschaffing van het transfersysteem.

Dat zal overigens niet gebeuren, beschuldig mij niet van naïviteit, hoogstens van dagdromen over een betere voetbalwereld. Het zal niet gebeuren omdat te veel mensen financiële belangen hebben bij de kamelenmarkt zoals die vandaag (niet) is georganiseerd en omdat niet langer betalen voor mensen een pan-Europese, misschien zelfs mondiale regel zou moeten worden.

Zoals in de Verenigde Staten? Juist, in de Amerikaanse profsport (American football, baseball, basketbal of ijshockey) mag niet worden betaald voor transfers. Maar de vergelijking gaat niet helemaal op. Het verschil tussen Amerika en Europa is alvast dat de Amerikaanse competities geen concurrentie hebben. Zij staan bovenaan de voedselketen en zijn het eindstation voor al wie daar zijn goeie boterham kan verdienen.

Er is nog een verschil en dan komen we bij het meest gebruikte argument om de voetbaltransfers toch te laten bestaan. De opleiding en postformatie van profspelers is in de VS in handen van het schoolsysteem: het zijn de junior high schools, high schools, colleges en universities die het talent opsporen en ontwikkelen tot het door de profteams wordt opgepikt.

In het voetbal zijn de opleiding en postformatie in handen van private clubs en die zweren bij hoog en bij laag dat de afschaffing van de betaalde transfer het failliet van de opleiding zou zijn.

Twee argumenten om dat meteen te counteren. Ten eerste is voetbal de enige sport die geld vraagt voor een overgang. Dat het niet anders zou kunnen, is een behoorlijk grove belediging van andere sporten, die ook opleiden – vaak met meer kennis van zaken dan in het voetbal – zonder dat daar transfersommen tegenover staan. Een zwaar gesubsidieerde sport die kinderen alleen maar de kans geeft om te sporten omdat ze denken er ooit geld voor te krijgen, moeten we durven in vraag te stellen.

Ten tweede is uit alle studies gebleken dat het zogeheten trickledowneffect niet bestaat. Bij ons hebben de sporteconomen Kesenne en Peeters dat al aangetoond en internationaal is Stefan Szymanski tot dezelfde bevinding gekomen. De FIFPro liet een aantal cases onderzoeken en de case van de speler die alles opgeteld het duurst werd verkocht, Cristiano Ronaldo, springt daarbij in het oog. De opleidende clubs Andorinha (7 tot 10 jaar) en Nacional (10 tot 12 jaar) hebben enerzijds twee stellen voetbaluitrustingen en twintig voetballen gekregen en anderzijds 22.500 euro.

Het transfersysteem kan niet worden afgeschaft zonder zorg te dragen voor de opleidende clubs. Bij een verbod op betalingen
bij overgangen zal het geld gedraineerd worden naar de spelers en hun tussenpersonen en dat willen we ook niet. Reguleer de overgangen, haal alle voordelen inzake sociale lasten en belastingen weg en gebruik dat geld om de goed gestructureerde jeugdclubs te vergoeden voor hun werking. Tot daar de dagdroom.

 

Dagdromen van een beter voetbal