Column Wiphotel in De Morgen van 31 augustus 2014

WIPHOTEL

Ik ken de vrouwen van de Rode Duivels niet, maar die moeten wel heel veeleisend zijn. Anders had de voetbalbond toch nooit 300.000 euro gebudgetteerd voor hun hotel in Brazilië. Dat hotel is uiteindelijk niet gebruikt omdat de vrouwen niet mochten komen van opperduivel Marc Wilmots, maar het bedrag zou alsnog betaald moeten worden omdat ‘men’ het heeft vergeten cancelen. Is mij ook wel eens overkomen bij booking.com, voor een Ibis en voor vijfduizend keer minder, maar we nemen aan dat u dit verhaal inmiddels kent, want het stond in het lang en het breed in de krant.

300.000 euro? Rekent u even mee. We gaan er gemakshalve van uit dat elke speler slechts één vrouw mocht selecteren voor de WK-wiptrip. Met wat staf-vrouwen erbij brengt dat het totaal op afgerond 30 stuks. Dat betekent 10.000 euro per vrouw. Gesteld dat ze drie nachten mochten blijven, dan komt dit op meer dan 3.000 euro per nacht. Zelfs al bleven ze tien nachten, dan was dat nog 1.000 euro per nacht. Daarvoor heb je al een presidentiële suite in een vijfsterrenhotel, en geen enkel hotel heeft dertig suites, dus ik begrijp het niet.

Nicolas Cornu begreep het ook niet, want hij ligt inmiddels buiten omdat hij is aangeduid als de man die het wiphotel vergat op te zeggen. Jammer is dat. Een correcte man, Cornu, een ex-collega. Geldt trouwens ook voor Stefan Van Loock, de perschef die eveneens mocht opstappen.

300.000 euro is veel geld, maar ik wil nog wel eens zien of de soep zo heet gegeten wordt. Steven Martens, de CEO van de voetbalbond, kreeg me daar een lading shit over zich tijdens zijn afwezigheid, en dat laatste was allesbehalve toeval. Die 300.000 euro was het pièce de résistance om hem te doen sneuvelen. Daarnaast werd nog van alles verzonnen, en dat alles werd ten slotte gelekt.

Dat dit een onthulling was met bijbedoelingen, daar heeft de gemiddelde journalist geen boodschap aan. Een primeur is een primeur. ‘Flat Earth News’ – in vertaling: ‘Gebakken Lucht’ – is niet meteen favoriete lectuur van de sportjournalist. En dat is ronduit jammer, want daarin staat het mechanisme van het georkestreerde lek en de manipulatie van de journalist netjes uitgelegd.

In de zaak van het wiphotel is het duidelijk dat een of andere bestuurder, die zijn macht ingeperkt zag door de komst van een CEO met verregaande beslissingsbevoegdheid, maar al te graag onderzeeër speelde. Ik had willen zien hoe bondsvoorzitter François De Keersmaecker het voor zijn CEO had opgenomen en zijn bestuurders op de vingers had getikt, maar ik heb hem niet gehoord.

Veel zorgwekkender dan het vergeten opzeggen van de boeking van een hotel, is het sportief beleid waarvoor de bond blind vaart op bondscoach Marc Wilmots. Het WK mag dan een succes heten – wat het niet was, want er zat volgens mij veel meer in – in de omkadering van de nationale ploeg is bloed gevloeid. Veel bloed, en nog steeds. Vergeleken met een jaar geleden zijn al acht mensen aan de deur gezet.

Der Willi zijn devies is ‘mein Weg oder die Autobahn’, maar jammer genoeg zit hijzelf inmiddels op een afslag nergens heen en wil hij dat niet zien. Het was aan CEO Steven Martens om Wilmots uit te leggen dat een moderne coach zich niet alleen omringt met schertsfiguren die hem naar de mond praten, maar met specialisten die hem uitdagen en van wie hij kan leren. Het is echter niet duidelijk of Martens nog genoeg krediet heeft om dat partijtje armworstelen met Wilmots aan te gaan.

HANS VANDEWEGHE

Wiphotel

Advertenties

Interview Deschacht in De Morgen van 30 augustus 2014

‘Mijn grootste talent? Mijn olifantenvel’

Spelers verwelken, trainers vergaan, maar Olivier Deschacht blijft altijd staan

Zeven titels, 468 keer in het eerste elftal van Anderlecht. Voor de ene is Olivier Deschacht de verpersoonlijking van het bloedarmoedige Belgische voetbal, voor de andere de ultieme clubspeler. Deze week tekende hij bij, volgend jaar zal hij twintig jaar speler van Anderlecht zijn. ‘Ik heb rust. Mijn carrière kan niet meer kapot.’

Er zijn er, collega’s, die Olivier Deschacht niet willen interviewen. Er zijn er ook die hem niet mogen interviewen. Wie Olivier Deschacht het gevoel geeft dat hij cool en oké is en dat hij wel íéts goed zal kunnen om na Paul Van Himst de meest gelauwerde speler te zijn van de beste voetbalclub van België, mag hem lastigvallen.

In maart 2009 was dat thuis in zijn toen niet helemaal afgewerkte villa in Destelbergen, waar hij was gaan samenwonen met de BV Annelien Coorevits. Vijf jaar later geeft hij rendez-vous op de tennisclub in hartje Destelbergen, waar zijn dochter van 3,5 al op de tennisles zit. Als ze haar papa ziet – die dat angstvallig heeft proberen te vermijden – vloeit er een traantje. Dan wordt de blonde linksback een heel normale papa, weliswaar met een bovenmodaal salaris, waarover hij deze week tot 2016 zekerheid kreeg.

Wanneer het zal eindigen bij Anderlecht, dat weet je met Deschacht niet. Wel wanneer en waar het begon. De dag dat hij op Standaard Wetteren een dijk van een toernooi speelde met de jeugd van SK Lokeren. “We waren vijftien. Davy De Beule en ik speelden alles op een hoopje. Anderlechtscout Maurice De Corte kwam bij ons thuis vragen of ik bij Anderlecht wilde testen. Ik had daar echt geen zin in want ik had veel gescoord dat jaar – toen was ik nog linksbuiten – en we eindigden tweede met een heel goede generatie. Ik amuseerde me rot, maar mijn ouders overtuigden me om toch te gaan testen. Het toeval wilde dat het zo’n training werd waarop alles lukte. Anderlecht kwam weer aandringen, en ik gaf toe.”

Pas vijf jaar later tekende hij – toch al twintig – zijn eerste profcontract. Deschacht leek gedoemd om de hoop te vullen. Maar hij bleek te beschikken over die rare eigenschap om steeds weer een niveau te kunnen stijgen, ook als niemand dat van hem verwachtte.

“Ik was niet de slechtste, maar zeker niet de beste. Ik kwam in een ploeg met haast allemaal internationals. Ik blonk niet uit en moest het hebben van hard werken. En dit heb ik al honderd keer verteld: ik ben in de eerste ploeg gekomen dankzij Frank Vercauteren. Hij heeft mij gemaakt.”

Wat wij nu willen weten: wat is het recept om in het eerste van Anderlecht te blijven?

“Nooit verder kijken dan een dag op voorhand. Echt waar: ik train en speel van training tot training en van speeldag tot speeldag. Voor je het weet, is het voorbij. De ene week word je uitgefloten en vragen ze je vertrek, de andere week word je op handen gedragen. Ik ken geen enkele speler op Anderlecht die nog niet is uitgefloten. Ik dus ook. In het begin trok ik mij dat aan. Nu heb ik een zekere rust gekregen.

“Mijn grootste talent is mijn olifantenvel. En het besef dat ik elk jaar vanaf nul moet beginnen. Ook dit seizoen, jawel. Ik ben 33 jaar en ze hebben voor mijn positie een gast van 23 aangetrokken met veel talent. En we hebben een veeleisende trainer die durft te wisselen na slechte prestaties.”

Fysiek heb jij geen problemen.

“Toch wel, maar ik doe er alles aan om die conditie op peil te houden. Als het seizoen gedaan is, begin ik met tennissen. Dat is goed voor de startsnelheid. Voor de uithouding ga ik fietsen. Deze zomer heb ik met vrienden in de Ardennen de hellingen van Luik-Bastenaken-Luik gedaan, La Redoute onder andere. Ik vlieg niet naar boven, maar ik klim graag.

“Tennis is mijn eerste sport in het tussenseizoen. Ooit was ik B4, maar omdat ik geen toernooien meer speel, ben ik nu C15. Op de eerste voetbaltraining ben ik fit en zijn de trainers meteen tevreden over mij. Daar zorg ik speciaal voor. Anderen komen aan met vijf kilo overgewicht. Mij zal dat niet overkomen.

“Het gebeurt nog steeds hoor, voetballers die na de competitie een hele maand niks doen, niet één keer lopen of voetballen met vrienden. Aleksandar Mitrovic kwam ook met te veel kilo’s aan, maar in twee weken was hij topfit. Dat talent heb ik niet. Maar ik kan meteen voluit gaan, en zo hoop ik op een voorsprong.

“Mijn talent zijn mijn wilskracht en mijn werklust, maar vorm is voor mij gelieerd aan vertrouwen: durven acties ondernemen, durven voetballen. Ik heb veel spelers gezien op Anderlecht die op training fantastische dingen deden maar die zich zaterdagavond in de wedstrijd helemaal wegstaken. Vijftig procent van het voetbal speelt zich af in het hoofd, als je tenminste een goede basisconditie en snelheid hebt.”

Waar jij speelt, op de flank, moet je wel inhoud hebben als je de achterlijn wilt halen.

“Elk seizoen worden wij getest, en ik ben altijd gemiddeld. De toppers die ik heb meegemaakt qua fysiek, gasten die bléven lopen, waren Lucas Biglia en Mbark Boussoufa. Die haalden 21 kilometer per uur op een loopbandtest waarbij je snelheid elke drie minuten met anderhalve kilometer wordt verhoogd. Ik kwam dit jaar aan 17,5 gedurende twee minuten, terwijl ik vorig jaar de drie minuten maar net kon uitlopen op 16 kilometer per uur.

“Ik heb vooral een goede snelheid, en in de beeptest was ik zevende. Niet slecht voor iemand van 33. Frederico Vico bleef het langst lopen. Maar zoals Besnik (Hasi, de trainer, HV) had voorspeld, was hij daarna een week stijf.”

Speel je in op wat de nieuwe trainer van je verwacht?

“Toen John van den Brom kwam, wist ik dat ik mijn spel moest verleggen. Ik had vijf jaar met Boussoufa voor me gespeeld. Ik moest de bal afpakken en aan Mbark geven, hij zou er toch meer mee doen dan ik. Maar ik wist dat Van den Brom iets anders verwachtte van een vleugelverdediger. In die twee seizoenen onder hem heb ik die stap wel gezet: vier doelpunten gemaakt en tien assists gegeven, voor een back zijn dat mooie cijfers. Ik heb mezelf toen verbaasd.”

In oktober 2010 was je carrière wel bijna voorbij.

“Ja: zware enkelblessure en een kraakbeenletsel. Pas in mei van 2011 ben ik teruggekeerd in de ploeg. Ik dacht dat het voorbij was. Sindsdien heb ik pijn en kraakt die enkel zo erg dat Annelien er wakker van wordt.

“Ik zit daardoor ook aan de onstekingsremmers – Brufen 600 mg vóór de wedstrijd – maar ik probeer af te bouwen. Samen met een Dafalgan is dat toch vaste wedstrijdkost geworden. En ik voel dat het helpt om de pijn weg te houden. Daarnaast begin ik voor de eigenlijke opwarming met mijn oefeningen specifiek voor die enkel. Ik weet niet hoe dat evolueert, maar ik hoop dat ik mij ondanks die enkel na het voetbal volledig kan toeleggen op mijn tennis.

“Hier in de tennisclub kennen ze me als ‘de Melker’: ik sla alles terug en blijf lopen. Slice, topspin, lobs, traag, snel… Mij zal je niet naar het net zien komen. Ik heb geen winnende slag. De speler aan de overkant moet maar winners slaan, en gemiddeld hebben ze er vijf nodig om me te pakken. Ik speel naar mijn kwaliteiten. Dat is ook de reden waarom ik zo lang overleef bij Anderlecht: ik weet heel goed wat ik niet kan.

“Nadal of Federer? Oei, moeilijke vraag. Ik zou Nadal moeten zeggen, omdat ik zelf zo speel. Maar ik zou zo graag het spel van Federer willen. Wie niet? Als voetballer heb ik geen voorbeelden. Of misschien Javier Zanetti en Ryan Giggs, vanwege de energie die ze nog konden opbrengen op hoge leeftijd. Als ik mijn lichaam soms voel na een wedstrijd… En ik ben nog maar 33. Die gasten hebben gevoetbald tot rond hun veertigste, die moeten iets speciaals hebben.”

Die zijn zelden gaan stappen, wellicht.

“Zo heb ik er ook gekend, gasten die alle dagen uitgingen. Als de training gedaan was, gingen ze naar de McDonald’s. Twee dagen voor de wedstrijd: gesignaleerd op een plek en een uur die niet konden.”

De dag dat ze met een witte auto met zwarte velgen komen, is volgens je manager Herman Van Holsbeeck het signaal dat het fout loopt.

“(lacht) Ja, daar zeg je wat, dat kan wel kloppen. Het mechanisme is simpel: ze spelen één goede wedstrijd, staan in de krantenkoppen en het gaat fout. Ik zie het zo gebeuren. Ik praat op de jonge gasten in, zeg dat ze hun hoofd niet mogen verliezen, maar soms is er geen houden aan.”

Durf jij in te gaan tegen je bazen?

“Minder dan vroeger. Er is een tijd geweest dat ik altijd mijn mening gaf, en gelijk had, maar dat het niet goed viel. Ik heb ooit gezegd dat het niet slim is om ’s nachts op stage te vertrekken, en daar kreeg ik toen een boete voor. Het vreemde is: sinds dat interview zijn we nooit meer ’s nachts op stage vertrokken. Ik heb ook ooit getwitterd dat ze meteen twee linksbacks hadden gekocht. Daar waren ze ook niet blij mee, maar die ene was in december wel weer weg.

“Ik heb geleerd dat het mijn taak niet is om mij uit te spreken over bestuurlijke kwesties of over transfers. Ik probeer sterk te staan in de kleedkamer en de spelers te helpen. Verder zwijg ik. Spreek ik me wel uit, dan ben ik toch weer die arrogante grote mond.”

Sorry, met jouw stats – 468 wedstrijden in het eerste en zeven titels – heb je recht van spreken.

“Ik weet het, en toch vinden ze dat ik mijn mening niet mag geven. Terwijl alles wat ik zeg wel uitkomt. Ik beperk mijn commentaar tot wat mijn taak is. Kom eens terug na mijn carrière, dan kan ik meer zeggen.”

Crasson, Oyen, Ilic, Hendrikx, Zewlakow, Van Damme, Lecjaks, Safari, Diogo en N’Sakala. Dat rijtje ken je wel zeker?

“Jullie zijn daar meer mee bezig dan ik. Jelle Van Damme speelde overigens vaak vóór mij, en daarvoor stond Boussoufa. Vijftien punten voorsprong hadden we met die flank.”

Dat waren concurrenten voor jouw plek die je allemaal hebt overleefd. Dat zegt toch alles? Wie was de moeilijkste om uit de ploeg te spelen?

“De zwaarste aanval op mijn basisplek als linksback is die van nu, Fabrice N’Sakala. Die gaat het maken, let maar op. Door mijn mentaliteit sta ik in de ploeg, en die jongen haalt op training het maximale uit mij. Nu speelt hij op rechts, maar als ik ooit naast de ploeg val en hij speelt op mijn plek, dan zal ik hem blijven steunen, omdat ik weer kampioen wil worden.”

Jij moet wel een goede mentaliteit hebben, anders was je allang weg.

“Ik weet dat ik op de bank kan verzeilen, maar ik weet ook dat elke ploeg één speler nodig heeft zoals ik: niet het grootste voetbaltalent maar iemand die ervoor gaat. Maar dat volstaat natuurlijk niet. Vandaar dat ik zo blij ben dat Steven Defour erbij is gekomen. We hadden op het middenveld twee gasten die zich verstopten en die alle ballen verloren. Met Defour zal dat veranderen. Die komt ballen halen en speelt ze in. Die hadden we nodig, veel meer dan Daniel Van Buyten. Met alle respect, maar ons probleem was niet het centrale duo Mbemba-Nuytinck, maar de aanvoer naar de aanvallers.”

Ben je intens bezig met het voetbalspel?

“Ja. Tactisch zie ik na al die jaren toch waar het aan schort. Maar als je volgende vraag is of ik trainer zal worden: nooit. Hoe ik mensen heb zien veranderen, als het wat tegenzat of als ze werden ontslagen. Dat lag niet aan die mensen, maar aan de situatie waarin ze terechtkwamen en aan de stress die hen helemaal opvrat. Frank Vercauteren heeft zich twee jaar verstopt, durfde niet meer naar Anderlecht te komen. Vorig jaar was hij daar ineens terug, gelukkig.

“Nu heb ik een trainer met wie ik nog heb gespeeld. Bij Hasi zie ik iets terug van alle trainers die hij heeft gehad en die ik ook heb gehad. Hij geeft ook de bankzitters vertrouwen en is heel correct en eerlijk. Ik had ooit een trainer die je een hand gaf zonder je aan te kijken en die je nooit meer aansprak als je op de bank was verzeild. Hasi is een toptrainer in wording. Die reactie toen hij in de spelerstunnel uit nijdigheid op die ballen schopte en bijna viel, dat is Besnik ten voeten uit. Hij moet vooral niet veranderen. Hij wil zijn winnaarsmentaliteit in de groep krijgen en daar is niks verkeerd mee. Voetbal is emotie.”

Voetbal is ook haat. Jij kunt nooit eens Brugge bezoeken.

“Neen. Maar dat ben ik al gewend. Wat niet went, zijn supporters die hun geluk van het voetbal laten afhangen. Die betalen inderdaad soms veel geld voor een abonnement, maar daarin is niet inbegrepen dat ze rechten op ons of op de club mogen doen gelden. Vorig jaar is onze training bestormd door een tiental jongens van de harde kern. We waren twee keer op rij kampioen geworden en het wás niet te best, maar moeten ze ons daarom komen uitschelden?

“Dit jaar heeft het bestuur ook al een kwade brief gekregen. We zijn amper begonnen, pakten de voorbije drie jaar de titel, maar na twee wedstrijden was het al van dat. Anderlecht heeft met afstand het meest kritische publiek van alle topclubs. Vier keer kampioen in vijf jaar, en nog is het niet genoeg.”

Zie jij altijd hoe het komt als een ploeg niet te best speelt, jullie in het bijzonder?

“Vaak wel. In ons geval komt het erop aan Steven Defour aan de gang te krijgen als spelbepalende middenvelder, zoals Biglia dat deed. Youri Tielemans zal dat ooit kunnen maar is nog jong. En waarom het soms perfect lukt op training en niet in de wedstrijd? Op training zijn de tegenstanders bij passvormen en afwerken kegeltjes en plastic paaltjes. In de wedstrijd komen die tot leven, dat scheelt wel wat, kan ik je zeggen (lacht).”

De ploegen zijn duiventillen geworden, maar jij bent gebleven. Hoe ervaar jij dat?

“Zelfs ten tijde van Koller en Radzinski bleven spelers toch drie, vier jaar samen, en zo haalden we de kwartfinale van de Champions League. Vandaag kan dat niet meer. Twee jaar geleden speelden we aardig mee in de Champions League, met een overwinning tegen Zenit, gelijk tegen Milan en gelijk tegen Málaga. ‘Een mooie stap om ervaring op te doen tegen volgend jaar’, klonk het toen. Waarop weer vier belangrijke spelers vertrokken en we opnieuw konden beginnen. We zijn volgend jaar misschien alweer Mitrovic kwijt en Suarez wil ook weg, heb ik gelezen. Het is het lot van een middenmoter in Europa.”

Ooit had je alleen voetbal om je op te concentreren. Nu heb je een vrouw met een eigen programma op VTM én een kind.

“Dat maakt het iets gecompliceerder dan vroeger, dat klopt. Van het moment dat ik mijn schema heb, wordt dat doorgestuurd naar Annelien en begint zij te plannen. Wij vragen ons soms af hoe twee werkende ouders met kinderen alles kunnen beredderen.

“De opnames van Single zijn afgelopen, gelukkig maar, want nu komt de drukke periode eraan met Champions League en competitie. Het is goed dat ze dat heeft gedaan. Ik heb ook het liefst dat ze iets om handen heeft. Annelien mag veel werken, maar ik heb wel graag dat ze er ’s avonds is voor mij als ik na een training vermoeid thuiskom. Ik besef wel dat zoiets raar klinkt, maar de kwaliteit van mijn rust is even belangrijk als de training zelf.”

HANS VANDEWEGHE

Deschacht

Column/Opinie over boek Speelgoed in De Morgen van 25 aug 2014

De parabel van Hilde en de paradijsvogel

Wat gebeurt er als een niet onaantrekkelijke vrouw zich in het hart van de Belgische voetbalwereld begeeft? Hilde Van Malderen, voetbalverslaggeefster voor onder meer Het Laatste Nieuws, beschrijft het in Speelgoed, een boek dat vanaf morgen in de winkel ligt. Van Malderen geeft de lezer een inkijk in de sms’jes die ze kreeg van onder anderen ‘een arbiter’ (‘Ik denk dat ik gevoelens voor je heb’) en een speler van Club Brugge (‘Dinsdag Zaventem luchthaventoilet wij twee’). Haar ex-chef Hans Vandeweghe heeft er zijn bedenkingen bij.

Ooit nam ik een jonge collega apart en maakte haar deelgenote van mijn bekommernis: het was mij ter ore gekomen dat ze zou hebben aangepapt met een voetballer en dat was niet zo handig voor een sportjournaliste die vaak bij het voetbal kwam.

Ik zei haar dat het, gezien de voorspelbare reacties in het macho voetbalwereldje, voor haar eigen reputatie (en ook een beetje voor die van de redactie waar ik verantwoordelijk voor was):

A. Niet slim was om met een voetballer aan te pappen,

B. Zeker niet slim was om aan te pappen met een voetballer die stotterde en zijn haar blondeerde.

Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik geloof dat ik er nog heb aan toegevoegd: ga dan ten minste achter Vincent Kompany aan. “Ik weet het,” zei ze, “maar hij heeft een mooi lijf en het is een brave jongen.” Dat mooi lijf was van Aristide Bancé, een one season wonder van Lokeren dat vervolgens is verkocht naar Metalurg Donetsk maar daar niet kon aarden en dan maar aan een odyssee begon langs maar liefst tien clubs. Nu zit hij in Augsburg en via het wonderbaarlijke world wide web heb ik nu gezien dat hij rood haar heeft.

Ik heb dit verhaal nooit aan iemand verteld, tenzij privé, en ik was ook nooit van plan de naam te onthullen van die journaliste, zelfs niet in mijn mémoires als die al zouden worden geschreven. Iedereen heeft recht op een uitschuiver maar die discretie hoeft nu niet meer. De journaliste heet Hilde Van Malderen en ze heeft zichzelf zaterdag geuit op de voorpagina van Het Laatste Nieuws en met een dubbele pagina in het sportkatern. Deze week komen er ook nog een drie voorpublicaties van haar boek, Speelgoed geheten.

Hilde Van Malderen is – niet in volgorde van importantie of frequentie – achterna gezeten, het hof gemaakt, gevraagd voor een vluggertje en gestalkt. De voorstellen/aanvallen kwamen van voetballers, voetbaltrainers, voetbalanalisten, voetbalmakelaars en de occasionele voetbaljournalist. Ik ben gerust, mijn naam zal niet in dat boek van haar staan. En toch ken ik Hilde redelijk goed en wat meer is: ik heb een professionele boon voor haar. Dat heb ik haar laatst nog gezegd en haar tegelijk gefeliciteerd omdat ze op gewicht was gebleven. Ook dat is niet uit de biecht klappen, want ze schrijft zelf dat ze vroeger een patatje was.

Waarom? Dat vraag ik mij sinds gisteren af. Waarom kon Hilde niet, als de goeie journaliste die ze is, gewoon haar werk hebben gedaan? Waarom heeft ze al die randzaken niet meteen afgeblokt? Waarom bleef ze niet weg van die paradijsvogel van Lokeren, waardoor ze zich tenminste niet de onterechte reputatie van ‘die is goedkoop’ op haar nek had gehaald.

Nu goed, een mens maakt fouten en meer dan één, maar dan al je fouten en die van anderen te boek stellen, dat is toch van een heel andere orde. Meer zelfs, het is nooit gezien in België en misschien, heel misschien, is het zelfs gevaarlijk voor haarzelf.

Ik snap er helemaal niks van. Ze had net een mooi contract versierd bij Het Laatste Nieuws en een contract voor lijninterviews voor VTM en Telenet, iets waar ze heel bedreven in was. Ook daarmee heb ik haar gefeliciteerd en meteen nog een waarschuwing gegeven dat ze zich niet moest laten wegzetten als het wijfje van voetbaljournalistiek.

Ik heb wat ervaring aangezien ik een jonge collega was van de eerste vrouwelijke voetbaljournaliste ooit, voor wie nog de kleedkamers zijn dicht gegaan en die onterecht via achterklap ook een foute reputatie kreeg aangesmeerd. In 2000 heb ik in Sydney sloten koffie gedronken met Lisa Olson, die als verslaggeefster van de NFL in de VS is moeten vluchten naar Australië, omdat ze klacht had ingediend voor seksuele intimidatie in de kleedkamer van de Patriots. Een aardige mevrouw, maar ondanks dat ze er redelijk rijk door is geworden, getraumatiseerd tot in haar kleinste teen door het voorval.

Om een lang verhaal kort te maken, ik weet wat de valkuilen zijn voor een vrouw in de sportjournalistiek. Ik heb haar wel nooit geadviseerd om als een slons naar het voetbal te gaan en ook niet om low profile te blijven want dan zou ze haar talent hebben tekortgedaan. Maar wel om op haar hoede te zijn en vooral – als het even kon – buiten het voetbal een vrijer te zoeken.

Het moge duidelijk zijn dat mijn goedgemeende raad niet is opgevolgd. So be it, het is haar leven en haar werk, maar ik vrees dat ze zich hiermee op termijn buitenspel zet. Ik weet in elk geval dat haar dubbel paginaatje van afgelopen weekend behoorlijk zwaar is aangekomen in het voetbal want hoewel ze geen namen noemt behalve Bancé, zijn de voorvallen waar ze naar verwijst voor insiders redelijk herkenbaar. Een beetje ingewijde in het Belgisch voetbal kan er zelfs zo namen op plakken.

Is dit nu een afrekening met al wie haar onterecht heeft bejegend? Ik weet het niet. Is dit aandacht zoeken? Ik hoop het niet. Is dit een revanche? Misschien. Is dit moedig? Op één manier wel. Is dit dom? Ik vrees het, maar ik hoop voor haar dat ik mij vergis.

Wat collega Hilde heeft gedaan, is nooit vertoond in het Belgisch voetbal. Ze is The Secret Footballer (opzoeken, als u die niet kent) in journalistenplunje maar dan niet secret en nooit secret geweest. Ze klapt uit de biecht over een wereldje dat haar als speelgoed heeft behandeld en dat naar haar perceptie wordt gestuurd door testosteron. Ik kan haar met mijn hand op mijn hart zeggen dat elk sportwereldje van mannen wordt gestuurd door testosteron. De zwemmer en zijn zwemtrainer zijn wat dat betreft niet minder viriel dan de voetballer en zijn voetbaltrainer.

Oké, misschien komt er ook wel iets goed van dat boek van haar. Op het eerste gezicht lijkt het alvast geen duw in de rug van de vrouwelijke voetbaljournalisten in spe. Niet dat er een tsunami van vrouwelijke voetbaljournalisten op ons afkomt, maar wie of wat zich aandient, zal misschien minder last krijgen omdat de hitsige voetballer, makelaar, trainer of analist zich nu wel wat zal inhouden.

Na deze reclameboodschap voor het boek Speelgoed, verwacht ik van uitgeverij Borgerhoff en Lamberigts minimaal een exemplaar, gesigneerd door de auteur én door al wie haar oneerbare voorstellen deed zoals de mysterieuze verdedigers, middenvelders, spitsen, makelaars en zeker die ene scheidsrechter uit haar boek.

Column IJswater in De Morgen van 23 augustus 2014

IJswater

 

Die Ice Bucket Challenge, waarbij elke aap met een hoedje die dat leuk vindt een emmer ijswater of een flauwe variant over zijn hoofd krijgt gegoten, is met afstand de grootste onnozeliteit van het jaar 2014. Maar als onnozel doen en een hartverlamming riskeren dé manier is om geld op te halen ter bestrijding van een vreselijke ziekte, vooruit dan maar.

Misschien is het geen toeval dat nogal wat sportlui en vooral een overaanbod voetbalspelers zich de ice bucket challenge op de nek halen. Al jaren breken wetenschappers zich het hoofd over een statistische abnormaliteit: ALS of amyotrofe laterale sclerose zou overdreven vaak voorkomen bij Italiaanse voetbalspelers.

De bekendste ALS-voetbaldode is Stefano Borgonovo, ooit bij Milan. Hij stierf vorig jaar aan de ziekte en werd amper 49. Borgonovo was niet de enige, maar afhankelijk van welke krant of medium men gelooft, gaat het om enkele tientallen voetballers met ALS, ongeveer tien voetballers met ALS, of enkele voetballers met ALS.

Volgens Brain, Oxford Journal of Neurology, is maar één studie statistisch relevant en die weerhield vier gevallen op zevenduizend voetballers die tussen 1970 en 2001 in de Italiaanse hoogste divisies speelden. In een normale populatie zou zich op die zevenduizend mensen minder dan één ALS geval hebben voorgedaan, dus was er iets aan de hand, maar wat?

Sommige wetenschappers zochten een verband met uithouding en middenvelders die veel liepen waren oververtegenwoordigd maar als het om uithouding gaat, waarom was er dan geen overaanbod wielrenners met ALS? Als één sportras vreemd doodgaat, dan toch de wielrenner, maar voor ALS bleef die blijkbaar immuun.

Eenzelfde redenering voor de ontstekingsremmers. Voetballers slikken die als Tic Tacs, maar dat doen ook de tennissers en zaalsporters en zij hebben geen ALS-gevallen. En weeral, als het om overmedicalisering gaat, één adres: de wielrenner, maar die bleef buiten schot.

Uiteindelijk kwam men bij de genetica, mede omdat er ook een overaanbod ALS-gevallen was op het eiland Guam. Recent werd dan weer geopperd dat een neurotoxisch aminozuur aan de basis zou liggen van al die doden op Guam. Maar waarom zijn er dan ook nogal wat ALS-gevallen bij de veteranen van de eerste Golfoorlog?

Zo kwam men als gemeenschappelijke factor uit bij toxines, en dacht men in het geval van de Italiaanse voetballers aan onkruidbestrijdingsmiddelen op het gras. Maar waarom was er dan geen enkele buitenlandse voetballer die ALS had opgelopen? Recent is een nieuwe, minder spectaculaire theorie gelanceerd: een statistische speling van het lot. Sinds men het is beginnen onderzoeken, zijn er trouwens geen nieuwe Italiaanse gevallen gesignaleerd.

Bij de Sporza website heeft iemand zich onledig gehouden met het oplijsten van de verschillende ice bucket challenges, daarmee wellicht ongewild het bewijs leverend dat er bij de VRT flink kan worden bespaard.

Technisch gezien gaat het dus om ijswater over het hoofd kieperen en/of honderd euro betalen. Karl Vannieuwkerke liet vanop een schuur in Bachten de Kupe twee emmertjes water over zijn hoofd kieperen en dacht ook dat hij had meegedaan. Frank Raes gooide een kuip over het hoofd van Bart Verhaeghe die inderhaast zelfs een bijpassend Club-shirt had geprojectontwikkeld. José Mourinho, de flauwerik, droeg een triatlon wet suit.

Er was er maar één die het deed zoals het hoorde: een emmer met ijskoud ijswater en daarin restanten van ijsblokjes: uiteraard my man Michael Jordan. Hij nomineerde meteen het hele Dream Team van 1992 en zijn coach Phil Jackson.

Interview Jurgen Van den Broeck in De Morgen van 23 aug 2014

“Mag ik ook MIJN DROOM najagen?”

Na een niet te beste Tour de France hing Jurgen Van den Broeck het beest uit: hij reed tien dagen niet per fiets én at een keer frieten met mayonaise. Daarop keek hij in het (spreekwoordelijk) glas en zag dat het nog halfvol was. ‘Dertiende in de Tour en ik was maar een halve, ik heb mijzelf verbaasd.’

Waarvan droomt een kind als het met open mond naar de Tour heeft zitten kijken?Van bergetappes in de Tour.Wat doet een tiener die inmiddels koerst en nog steeds gek is van bergop?Met zijn ouders tijdens de Tour in een kleine flat in Tignes gaan zitten als een soort hoogtestage.Wat doet de jonge prof in zijn eerste Tour?

Mee zijn in de ontsnappingen, als eerste in de cols door de massa toeschouwers rijden en genieten.Wat doet de inmiddels gelouterde prof na een minder goed verlopen Tour de France?Als hij Jurgen Van den Broeck heet, zich optrainen voor de Vuelta en dromen van bergen, van meer dan één Tour, en van het genieten.

Het is maar een indruk gebaseerd op een groot uur face-à-face, maar zou het kunnen dat het opnieuw goed zit tussen de oren? De kritiek tijdens de Tour heeft hem geraakt, dat wel, maar hij bewaarde de rust en ging op zoek naar de redenen. Bij zichzelf, niet bij anderen. “Waarom zou ik? Ík heb niet gebracht wat men van mij verwachtte. Het absolute dieptepunt was die rit over de Tourmalet waarin Adam Hansen en Tony Gallopin mij hebben opgewacht. Ik heb wel twintig keer geroepen ‘rij door’, maar ze wilden niet. Op de duur dacht ik: nu moet ik alleen al voor die jongens zo rap mogelijk Hautacam naar boven rijden. Ik ben ze daar heel dankbaar voor want als ze mij achterlaten, is het misschien helemaal voorbij.”

Jij rijdt altijd met de vermogensmeter SRM. Wat zag je in die bergetappes?

Van den Broeck: “Dat het niet klopte. Zo frustrerend. Op een bepaald moment stokte het en kon ik niet sneller. Je wil wel, maar het gaat niet en dan zit je de hele klim te denken: ‘Doeme, waarom gaat dat hier niet, wat is er nu mis?’ 360 Watt was mijn limiet terwijl dat enkele weken eerder op training het vermogen was dat ik relatief makkelijk langere tijd kon aanhouden.

“Ik weet niet of ik daar nu vrede mee moet hebben. Het klopte niet en dat stelt mij al gerust. Iets had mij ontregeld. Mijn bloedwaardes waren ‘weg’ en waar lag dat aan? Die wonden na die verschillende valpartijen in het begin van de Tour? Zou kunnen. Het jaar van de comeback, te weinig winterkilometers door mijn knieoperatie en die tien kilo die ik er heb moeten aftrainen? Zou ook kunnen. Een combinatie van dat alles en nog wat andere kleine dingen als een bacterie of een virus lijkt mij nog het meest aannemelijk.

“In de Tour betaal je dat cash omdat het de enige koers ter wereld is waar iedereen in topvorm aan de start komt. In de Vuelta rijdt de helft mee met het oog op het WK. In de Tour rijdt niemand zomaar mee. Dan begonnen we ook nog eens met het lastigste, de Vogezen. Wij waren die rit naar La Planche des belles Filles gaan verkennen en we zijn toen ook die vreselijke Col de Chevrères opgereden. ‘Hoe hebben ze dat hier nu weer gevonden?’, dacht ik meteen.

Is de SRM een zegen voor het wielrennen?

“Het helpt je wel om alles beter te analyseren en interpreteren. Van als ik internet vind in het hotel na de rit, stuur ik mijn files door naar mijn trainer. Maar de koers wordt anderzijds wel een stuk bepaald door dat bakske. De podiumkandidaten rijden gewoon op hun SRM. Rijdt er één weg, dan weten ze onmiddellijk: die moeten we terughalen of die kan niet wegrijden, die komen we nog wel tegen. Soms zeggen ze tegen mij: haal dat ding eraf en rij op het gevoel. Wat ben ik daarmee, als de anderen wel op hun bakskse kijken om te zien hoe rap ze kunnen gaan? Het zal wel niet de schuld van de SRM zijn, maar het is tegenwoordig bergop tempo rijden en pas de laatste drie, vier kilometer echt koersen tegen elkaar. Vuurwerk tijdens de hele klim is er uit, ook gelukkig maar.”

Wat gebeurt van binnen bij jou als je moet lossen?

“Ik voel het als een belediging en het wordt snel een lijdensweg als je er wordt afgereden in een koers waarin je bijna twee keer op het podium stond. De hele tijd zit je te vloeken: hoe kan dat nu? Hier begon het deze Tour te branden (wijst op zijn bovenbenen, HV). Met mijn ademhaling of hartslag had ik nooit probleem. Ik was ook niet vermoeid. Toen we bloed lieten analyseren, merkten we dat na twee weken mijn CK- waarden (creatinekinase serumwaarden wijzen op spierafbraak en vermoeidheid door sport, HV) minimaal waren. Dus: na twee weken Tour had ik niet afgezien, alleen kon ik niet diep gaan.”

Wat antwoord je op de critici die zeggen: hij verdient te veel?

“Kijk naar uzelf? Ik heb misschien wel het geluk gehad dat ik op het juiste moment mijn beste Tour reed, maar onder dat contract staan handtekeningen en dus is het een contract. Ik probeer zoveel mogelijk terug te geven maar dat ik weinig win, is dat mijn schuld? Ik kan toch aan die anderen niet vragen om een beetje minder rap te rijden en mij te laten winnen. Allez, behalve dan in het criterium van Herentals. (lacht) Goed, ik weet dat ik niet het grootste talent ben en dat ik nooit een veelwinnaar zal worden, maar mag ik alstublieft ook mijn droom najagen, met de middelen die ik heb?”

Je hebt de laatste weken vast veel gepiekerd over wat beter kan, niet?

(snel) “Minder koersdagen. Ik had er nu 45, maar ik had geen keuze. Ik was een half jaar uit, heb dan getraind als een gek om terug te keren en ik had wedstrijden nodig, maar of het nu raadzaam is voor mij om Argentinië, Europa en het Midden-Oosten te combineren dat weet ik nog zo niet. Die jetlags kunnen niet goed zijn. Eigenlijk moet ik mij niks aantrekken van wat ze zeggen, maar dit jaar kon ik dat zo goed niet. Men zat maar te zoeken naar een teken dat ik weer goed was en ik haalde mij die stress op de nek. Ik heb het onderschat, dat is ook een les.

“Misschien ga ik beter ergens trainen in plaats van wedstrijden rijden op een vreemd continent waar het zomer is. Ze zullen dan weer zeggen ‘hij is altijd op stage’, maar een coureur voor de grote rondes moet bergop trainen. Dat heb ik toch geleerd van Armstrong en Johan Bruyneel: als je renner wil worden, moet je weg uit België. Dat is altijd door mijn kop blijven spelen en ze kunnen nu zoveel schrijven en zeggen van die twee, maar ze hebben wel gelijk.

“De reden dat ik hier nog woon, is simpel: mijn familie. Maar ik ben alleen in België als ik rustig moet trainen. Alle zware trainingen doe ik in het buitenland. Ik heb een flat op Mallorca in hetzelfde gebouw als Sven Nys en daar ben ik zondag nog zes uur gaan trainen voor ik het vliegtuig nam naar België. Thuis train ik haast nooit vier uur.”

Je traint bergop zowel op de Teide op Tenerife als op de Sierra Nevada bij Granada. Een voorkeur?

“Ik heb ze vorig jaar allebei gedaan. Eerst een weekje Teide en dan twee weken Sierra. De Teide vind ik toch iets beter. Het klimmen is langer, lastiger en gevarieerder want je kan langs zes verschillende kanten naar boven fietsen. Het was in februari toen ik er was en ik zat toen helemaal alleen in Hotel Parador. Misschien moeten we volgend jaar ook met de ploeg daarheen.”

Doe jij aan sprintintervaltraining op hoogte? Dat doen de Keniase lopers al een halve eeuw, maar is pas kort geleden ontdekt door de wielrenners.

“Het is vreemd dat je daarmee komt, want ik geloof in interval op hoogte. Ik doe af en toe interval en als er zes op het schema staan, doe ik er drie beneden en drie boven. Veel trainers zijn daar tegen, maar ik heb het gevoel dat het werkt. Mijn trainer was eerst ook niet voor interval boven de 2.000 meter en ik heb het toch een keer gedaan. De eerste dag raak ik geen poot vooruit en na een week rij ik op hoogte even hard als beneden. Het wordt gezegd dat je beneden volle bak moet trainen en boven slapen, maar ik heb altijd gezegd dat je op hoogte ook hard moet kunnen rijden, net zoals in de koers.”

Zoek je zelf mee naar andere trainingen?

“Ja. Ik probeer soms dingen uit en dan overleg ik met mijn trainer Marc Lamberts. Of ik hem in vraag heb gesteld? Nooit. In 2007 kwam ik terug van de Giro en toen zei ik tegen mijn vader: ‘Ik dacht dat ik ronderenner was, amai zeg.’ Toen heb ik gezworen dat ik er alles aan zou doen. Marc begeleidt mij sindsdien en in 2008 werd ik zesde in de Giro en elk jaar nadien was ik goed in de Tour.

“Ik heb nog nooit een rotjaar gehad met hem. Marc kent mij perfect en weet wat ik moet doen. Ik denk dat niemand meer gemotiveerd is dan hij: tijdens de Tour was hij al aan het uitzoeken wat er mis was. Ik stuurde een bericht met ‘rustig, we zien wel’. Hij antwoordde meteen: als ik het niet meer uitzoek, moet ik ermee stoppen want dan ben ik geen trainer meer. Hij is wel nooit mee op training en soms kan het daar eenzaam zijn.”

Volgens Johan Bruyneel maakt die eenzaamheid je juist kwetsbaar.

“De mannen van het podium leven er met hun ploeg als een groep naartoe, dat klopt. Maar is het nu aan mij om dat ook te willen? Ik heb nog nooit bewezen dat ik een grote ronde kan winnen, wat zou ik gaan eisen dat een hele ploeg in mijn dienst moet rijden en trainen zoals ik? Ik weet wat mijn capaciteiten zijn en dat is niet de buitengewone motor, maar eerder mijn vechtlust en het doorzettingsvermogen.

“Ook ik kan nog winst halen. De tijdrit kan bijvoorbeeld een stuk beter. Ik was ooit wereldkampioen tijdrijden bij de juniores, maar mijn probleem van nu is moeilijk te verhelpen: ik krijg mijn schouders niet smal genoeg. Andere winst kunnen we nog halen uit de voorbereiding. Nóg meer alles op de Tour afstemmen, zoals Vincenzo Nibali. Die heb je een heel jaar niet gezien, maar hij heeft de Tour wel gewonnen en ik denk dat hij hem ook had gewonnen als Froome en Contador er wel bij waren geweest.

“Uiteindelijk zal ik om beter te worden, ook rustiger moeten blijven. Als ik een koers rijd, wil ik ook echt meerijden, maar ik heb het gevoel dat ik bijvoorbeeld dit jaar al veel pijlen had verschoten, onder andere in die Dauphiné waarin ik mij moest bewijzen. Ook op training moet ik kunnen doseren. Als er vijf uur gepland is, doe ik er zes. Eén interval? Ik doe er twee of drie.”

Jij hebt ooit met en daarna tegen Lance Armstrong gereden. Herinneringen?

“Ja, alleen maar goede eigenlijk. In 2010 hebben we nog een klapke gedaan in de laatste rit naar de Champs-Elysées. Plezant dat hij mij nog herkende. Ik was neoprof toen ik bij US Postal kwam in 2004, toen zijn voorlaatste jaar. Ik heb veel geleerd van Bruyneel, maar ook van Rubiera, Acevedo en Ekimov: rusten, eten, voorbereiden, leven voor de koers.

“De Ronde van Murcia was mijn eerste grote wedstrijd, meteen aan de zijde van Armstrong. Als je aan tafel zat, luisterde je alleen maar. Je zei echt niks. Vóór de tijdrit kwam Lance bij mij en zei: ‘Als je Ullrich klopt, ben je mijn vriend.’ Ik héb toen Ullrich geklopt, die wel veel te dik stond, dus zo’n kunst was dat ook niet.

“Er was in die tijd nog van alles aan de hand met doping. Vandaag zou het veel beter zijn. Is dat ook jouw indruk?”Toen ik het eerste jaar Murcia en Baskenland reed, was ik toch een behoorlijke neoprof met inhoud, maar wat ik daar meemaakte, vergeet ik nooit van mijn leven. In de Ronde van Murcia trokken de Kelme’s waaiers bergop. Bergop! In de Ronde van Baskenland kreeg iedereen een opdracht, zoals bidons halen of de kopman bijstaan tot de laatste klim. Tegen mij zeiden ze ‘zie jij nu maar dat je elke dag finisht’. Toen was dat het hoogste voor een neoprof. Vandaag zie je pas overgekomen renners al eens meedoen voor de overwinning.”

Jij wijst bekrompen koersland Vlaanderen erop dat onze ambities verder mogen reiken dan de kasseien. Zou je iets kunnen betekenen voor je opvolgers Tim Wellens en Louis Vervaeke?

“Ik vind dat wij best ambitie mogen hebben voor de Tour en jong talent rustig voorbereiden op het grote werk. Nu worden die naar een paar grote rondes gestuurd als helper en dan concludeert men: hij kan het niet. Of het talent zelf is ook tevreden. Tim Wellens is wel rustig gebracht. Ik denk dat hij klaar is om mee te gaan naar de Tour. Vervaeke schijnt nog beter te zijn als ronderenner, heb ik van horen zeggen.

“Bij ons tellen slechts de voorjaarsklassiekers en ik vind dat verkeerd. Er is ook niemand die daar tegen in gaat en de jonge renners erop wijst dat er ook andere wedstrijden zijn waarin soms nog betere renners rondrijden. Ik zou na mijn carrière iets willen doen in de opleiding van talenten voor het rondewerk. Vanaf achttien jaar is het er om te doen. Hopelijk zijn ze niet eerder afgehaakt, wat mij ook had kunnen overkomen. Als aspirant werd ik soms drie keer gedubbeld, maar toch bleef ik koersen en elke wedstrijd ging het een beetje beter.”

HANS VANDEWEGHE

 

Verhaal Pieter Timmers in De Morgen van 18 aug 2014

‘Ik zie het zwembad niet als een kooi’

Als zwemmen tot de puurste eenvoud wordt herleid – vanuit het water van muur naar muur – zwemt onze Pieter Timmers altijd alle finales. Helaas moet er ook gestart en soms gekeerd worden. En jammer genoeg is de laatbloeier uit Paal ook al 26. ‘Dit zijn de twee jaar waarin ik mijn allerbeste niveau wil halen. Daarna ben ik klaar.’

Van 18 tot 24 augustus vindt in Berlijn het Europees kampioenschap langebaanzwemmen plaats. De Belgische delegatie reist met beperkte ambities af naar de Duitse hoofdstad. Wij hebben meer zwembaden per inwoner dan Nederland maar we zijn geen zwemland als Nederland. We hebben een paar medailles gehaald op de Spelen, waarvan één opvallende met een wereldrecord er bovenop. Dat was Fred Deburghgraeve in 1996. Alle sporten gerekend, werd hij twee jaar later de enige Belg die ooit wereld-, Europees en olympisch kampioen is geworden én een wereldrecord heeft gevestigd.

Sindsdien overtreft de hunker de realiteit. In 2000 kwamen we niet meer in de buurt van de medailles en in 2004 was er zelfs geen enkele Belgische zwemmer met een olympische accreditatie. 2008 leek verdacht veel op 2004, en misschien daarom dat we in 2012 zo blij waren toen de Belgische 4×100 ploeg zich van een olympische finale wist te verzekeren.

Vorig jaar op de wereldkampioenschappen in Barcelona ging de estafette dan weer finaal de mist in. Volgens de kritiek achteraf, ook uit officiële hoek, omdat bondscoach Ronald Gaastra zijn kop uitwerkte en zo nodig moest gaan experimenteren door niet zijn vier beste zwemmers in de series in te zetten. Dat zindert vandaag nog altijd na bij de zwemmers en wordt meteen gecounterd door de snelste zwem-Belg aller tijden, Pieter Timmers.

“Het was een volstrekt logische beslissing van Ronald en die was gedragen door de ploeg. Als je achtste wordt in de finale, kopt de pers typisch Belgisch ‘4×100 is laatste’. Dat wilden we niet meer. We misten de finale op negen honderdsten. Ronalds berekening was juist. Maar twee zwemmers waren een seconde te traag. Het opzet was krachten sparen in de reeksen door mij niet in te zetten om ’s avonds niet laatste te worden.

De estafette ziet er dit jaar anders uit, door heel wat medische problemen bij een aantal zwemmers: Dieter Dekoninck is out door een schouderoperatie, Glenn Surgeloose heeft nog maar net een blindedarmoperatie ondergaan. We hebben dus dit jaar niet de luxe
om te kiezen uit verschillende zwemmers, maar desondanks willen we toch de finale halen. Dat moet zeker haalbaar zijn.”

Diezelfde Ronald Gaastra was overigens ook de coach van de gouden Fred Deburghgraeve. Gaastra maakt altijd het leven boeiend, zelfs voor zwemmers, al kunnen die niet altijd mee in zijn manier van communiceren, of liever niet-communiceren.

Pieter Timmers kan er om lachen. Af en toe toch. “Het klopt dat ik bij Ronald heb aangekaart dat ik meer communicatie en overleg verwacht. Zo heb ik al enkele keren via via moeten vernemen dat ik zou deelnemen aan een stage, zonder dat ik hiervan zelf op de hoogte was en die data niet eens vrij waren. Dat was zeker geen kwestie van kwade wil, maar toch gebeurde het. Ik vraag gewoon wat overleg vooraf. Maar we hebben dit besproken en ik ben ervan overtuigd dat we ook op dat gebied op de goede weg zijn. Al zal Ronald nooit de makkelijkste mens worden en zullen we af en toe nog wel een aanvaring hebben. (lacht) Wij tweeën moeten het straks wel gaan doen. Samen. Dus wil ik daar logischerwijze op zijn minst een beetje in betrokken worden.”

Ruzie met de oma’s

Pieter Timmers is het vleesgeworden voorbeeld van het manco van de Belgische/Vlaamse sport. Niet hijzelf, maar het onbestaand detectiesysteem dat hem daarom nooit eerder had opgespoord en aangezet tot vroeger en beter en misschien iets meer trainen.
Een kathedraal van een lijf dat met zes uur training per week finales zwom op de Belgische kampioenschappen, heeft ongetwijfeld voordelen gehad van het onder de radar blijven, maar ook de nadelen wegen aan het einde van de rit zwaar door.

“Ik zwom BK’s met vijf, zes uur training. Als ik zeven uur wilde zwemmen, moest ik ’s ochtends in alle vroegte een uurtje baantjes gaan zwemmen tussen oma’s, met alle geruzie vandien.”

In die tijd wurmde hij zich in dezelfde snelle pakken als de Belgische toppers Dieter Dekoninck en Glenn Surgeloose en maakte hen het leven lastig. ‘Wat als ik alles op het zwemmen zou zetten?’, spookte door zijn hoofd. Na zijn studies bachelor bouwkunde woonde hij met zijn trainer een lezing bij van Marcel Wouda, Nederlands beste zwemmer na Pieter van den Hoogenband en toen trainer bij PSV in Eindhoven. E-mailadressen werden uitgewisseld en even later zwom Timmers twee keer per dag in de nieuwe Tongelreep, het sublieme hightechbad in Eindhoven.

“Het eerste jaar ging verloren, onder meer aan klierkoorts, maar met Patrick Pearson als coach maakte ik reuzenstappen. Ik trainde niet met de topselectie mee, maar gewoon met de club, maar al gauw was ik sneller dan de talentenselectie. Vaak trainden we naast de toppers en mijn trainer kende heel goed Jacco Verhaeren (tien gouden medailles bij elkaar gecoacht op de Spelen en nu bondscoach van Australië, red.) die vaak naar mij stond te kijken terwijl ik zwom. Dat gaf wel een kick.”

“Ik had graag met Jacco getraind. Wij mochten in Eindhoven van alle faciliteiten gebruik maken, als we ook beschikbaar waren voor experimenten. Zo heb ik de zwemlens uitgetest in plaats van het zwembrilletje. Bleek toch niet zo goed te werken. Uiteindelijk ben ik daar ook weg gegaan, omdat de voorbereiding voor de Spelen er aan kwam. Als niet-Nederlander dreigde ik op het tweede plan te verzeilen en zo kwam ik bij Ronald Gaastra in een omgeving op maat. Een goede zet.”

Toch is er iets vreemd aan Timmers, die gedoemd lijkt een eeuwig onafgewerkte symfonie te blijven. Hij heeft een hoge VO2max (ooit werd 83 gemeten, en daarmee winnen wielrenners de Tour), maar te weinig explosiviteit. Bovendien is hij heel stijf in de rug, waardoor hij niet snel start, en ook zijn onderwaterfase kan beter. Maar snel zwemmen kan hij als geen ander. Hij lijkt dus eerder een 400 meter zwemmer.

“Heb ik geprobeerd, maar dat was niks voor mij.” Wellicht is dat het nadeel van te weinig trainingsuren op jonge leeftijd. Alleen wie het uithoudingssysteem op jonge leeftijd voldoende heeft opgerekt, zal zijn maximale zuurstofopname helemaal kunnen benutten.

En toch, er zit nog rek op zijn prestaties, blijkt uit de sets die hij steeds sneller zwemt, wat doet vermoeden dat aan de jonge Pieter Timmers een wereldtopper verloren is gegaan. “Wat ik het beste kan, is heel hard zwemmen. Starten is mijn ding niet, maar het gaat steeds beter, en ik denk dat we nu de positie op het blok goed voor mekaar hebben. Zwemmend ben ik bij de snelsten: in de halve finale van de 100 meter vrije slag in Londen zwom ik de tweede snelste tweede vijftig van het hele veld: 24.5 is best wel hard. Ik was wel maar op 24 seconden gekeerd. Normaal moet dat sneller kunnen: 23.6 heen en 24.5 terug is mogelijk.” In dat geval zit hij op 48 laag, wat in theorie altijd finales en heel af en toe een medaille oplevert. Nog beter is 47.5. “Dat wordt al lastiger, maar progressie (van zijn Belgisch record van 48.54, red.) is zeker mogelijk. Een 47’er zit er nog in.”

Als iemand zich geroepen voelt om Pieter Timmers te helpen, het moet snel gaan: hij is op zoek naar de beelden van het EK korte baan in Chartres, waar hij op de vijftig meter 21.52 zwom. “Ik zou graag terugzien hoe ik dat daar heb gedaan. Die tijd zwem je niet zonder een goede start.”

Longkramp en luchtlek

Misschien dat hij ooit als de toerist-zwemmer door het leven ging, maar daarvoor is met de jaren de vastberadenheid van de prof in de plaats gekomen. Zonder was hij nooit de ellende doorgekomen van het laatste jaar. Eind vorig jaar, na een klaplong, leek zijn carrière voorbij. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis en werd fout nabehandeld, waardoor in de kliniek een tweede keer een klaplong kreeg. “Tja, wat moet je daar van denken?”, is zijn veelzeggende reactie.

Hij revalideerde deze winter en trainde al snel weer, maar tot in juni kreeg hij geregeld last van longkramp en manifesteerde zich ook af en toe een luchtlek. “Normaal had mijn long dan weer moeten inklappen, maar aangezien ze die operatief vastgehangen hebben aan mijn ribbenkast, was dat niet het geval. Leuk is dat niet, zo’n lek, vooral niet als je in het vliegtuig zit, zoals bij mij gebeurd is. Maar blijkbaar is dat nu weg.”

Met een beetje goede wil is Timmers een mix van Pieter van den Hoogenband, de menselijke surfplank, en Michael Phelps, de menselijke aal. Van die laatste heeft hij alvast niet zijn vlinderslag geërfd, maar wel zijn reikwijdte en misschien nog wel meer. Phelps zou het Marfansyndroom hebben, en ook Pieter Timmers komt aardig in die buurt. “Het is onderzocht, maar zo’n onderzoek stelt niet eenduidig vast of je het al dan niet hebt. Veel van die symptomen – lange ledematen, een lang en smal lichaam, scoliose en kyfose in de rug en die klaplong – heb ik wel.” Het grote verschil tussen Timmers en Phelps is de voetmaat – 48 tegen 51 – en het aantal olympische medailles – 22 tegenover één finaleplaats.

Rio wordt de max

Pieter Timmers behoort sinds 15 februari 2012 tot het steeds kleiner wordend kransje topatleten dat zich voorbij de niet eens al te strenge criteria wist te boksen richting topsportcontract van BLOSO. Dat is een uitzonderlijke luxe die haast nergens in de wereld bestaat, maar het blijven tewerkstellingscontracten die onderhevig zijn aan de wetten van dit land. Zo kwam het dat Pieter Timmers, eens 26 jaar geworden, 250 euro werd gekort op zijn nettosalaris, omdat de sectorale tewerkstellingspremie voor jonge werknemers wegviel. “Daar schrok ik van, en dat is misschien het enige minpunt in heel mijn situatie. Ik heb een lening aangegaan voor een huis, gebaseerd op mijn salaris waarvan je verwacht dat het stijgt of op zijn minst gelijk blijft. Dat van mij is minder, zonder dat ik daar ooit van op de hoogte werd gebracht. Dit is buiten de wil van BLOSO om, maar wij hadden hier eenvoudigweg van op de hoogte moeten gebracht worden. Net zoals elke andere werknemer – topsporter of niet – dien je dit soort zaken te weten voor je een lening tekent. Jawel, ik heb nog privésponsors en ik weet dat het ook in Nederland geen vetpot zou zijn voor mij, maar mag ik zeggen dat ik geschrokken was? Zeker als je ziet welk leven ik leid en hoe vaak ik van huis ben.”]

“Dit zal mij echter niet beletten om er nog twee jaar alles aan te doen. Ik zie het zwembad niet als een kooi: ik moet niet zwemmen, ik wil zwemmen. Er zijn momenten geweest dat ik dacht ‘oppassen of dit wordt een sleur’, maar nu ga ik weer met plezier trainen. Ik heb de Spelen in Londen meegemaakt en Rio over twee jaar wordt de max. Dat is dan het einddoel, en daar wil ik ook mijn snelste races ooit zwemmen.”

HANS VANDEWEGHE

Pieter Timmers-web

Column Missing Link in De Morgen van 16 aug 2014

Missing link

Vincent Kompany mag dan technisch gezien geen transfer zijn, maar geen transfer en een contractverlenging is eigenlijk ook een transfer. Zo wordt dat gepercipieerd in de grootste sporteconomie, de Amerikaanse. Als Vince the Prince zijn contract uitdoet dat hij vorige week heeft verlengd, zal hij tien jaar bij Manchester City hebben gespeeld, toch al zijn derde grote team.

Kompany is wat de Amerikanen een franchise player noemen, een rariteit in het moderne wereldvoetbal. Hij zit in dezelfde categorie als Messi en Rooney en dan heb je het wel gehad met wereldsterren die onlosmakelijk aan één club verbonden zijn. Kompany is vaste inboedel van City en welke binnenhuisarchitect ook wordt ingehuurd, voor het massieve meubel Kompany zal altijd een kamer worden gezocht. Tot er een poot afbreekt natuurlijk en dan gaat ook hij onverbiddelijk naar de kringloopwinkel.

Neen, Anderlecht is geen kringloopwinkel, maar Steven Defour is ook geen wereldspeler en geen franchise player. Dat was hij ook niet bij Standard, want hij kwam al van Genk, waarbij hij in 2006 dreigde met de befaamde ‘wet van 1978’ om zijn overgang naar Standard te krijgen. Defour is de postmoderne voetballer die gaat waar het evenwicht van spelvreugde en geld verdienen, hem stuurt. Bij Porto was het geld beter, maar hij speelde niet. Bij Anderlecht is het salaris minder, maar kan hij zijn carrière herlanceren. Vijf jaar Anderlecht? Vergeet het.

Bij Standard zijn ze niet happy. Roland Duchâtelet kan het geen zier schelen want die vindt dat geschuif met spelers normaal, maar de fans lopen rood aan en deze keer van woede. Defour hadden ze zelf ook wel terug gewild maar de Champions League en D’Onofrio hebben hier de doorslag gegeven. Het is nog wel even tot 24 en 25 januari, het weekend waarin Standard de aartsvijand uit Anderlecht ontvangt, maar ik zou Defour de raad willen geven dan alvast een lichte blessure in te plannen.

Evenzeer geven we hem graag het dwingend advies mee de E40 niet te gebruiken voorbij Opheylissem. Tenzij met een pet, een flinke baard en beschilderd, maar dat is in zijn geval geen vermomming meer. Misschien dat hij zijn Porsche kan inruilen voor een gepantserde Hummer, maar het zal een nano-druppeltje op een heel erg hete plaat zijn als hij ooit op Franstalig grondgebied autopech krijgt.

Steven Defour is de oplossing, de sleutel, de missing link, zegt Anderlecht. Dat laatste willen we heel graag geloven want zo ziet hij er ook een beetje uit. Overigens is dat maar schijn, want met Defour kan je wel degelijk een serieuze discussie voeren.

Toch neemt Anderlecht een risico. Dat recordbedrag van zes miljoen hoesten ze daar wel op, maar wat als Defours motor niet aanslaat en bijgevolg ook die van Anderlecht stationair blijft draaien zoals in de eerste drie wedstrijden?

Dit blijft voetbal waarin 1+1 haast nooit 2 is. Soms is het 4 en een ander keer is het 0, NUL. Nogal wat commentatoren denken dat de Anderlechtfans Steven Defour in de armen zullen sluiten bij zijn eerste veroverde bal en diepe inspeelpass, maar dat is lang niet zeker.

Wat als de immer kritische mauve fans met het korte lontje en het nog kortere geheugen zich zijn teksten ten tijde van het Wasyl-drama herinneren, of die van een paar maanden geleden toen hij vond dat Standard en niet Anderlecht kampioen had moeten worden? Je wil het, Roger, Herman en Besnik zijnde, niet gedroomd hebben.

Missing Link

Column Athene in De Morgen van 9 aug 2014

Athene

Zeventien jaar geleden rond deze tijd arriveerde ik met een bang hart op het WK atletiek. Maar dag min één in de perszaal verliep optimaal. Na alle plichtplegingen kreeg een groepje gelijkge- stemde journalisten zelfs een rondleiding door de sportinfrastructuur. “Hier zijn de toiletten, hier de kleine perszaal, hier de grote, dit is de perstribune, en hier kunt u verpozen.”

Verpozen? We vielen net niet in het water van verbazing. Helemaal alleen voor de slaafjes van het toetsen- bord en de paria’s van de 400mm-lens was een olympisch buitenzwembad gereserveerd. Zodat we tussen de ochtend- en avondsessie niet altijd heen en weer moesten naar ons hotel downtown.

Er stonden tafeltjes langs de zwembadrand, er waren ligstoelen, parasolletjes en ook handdoeken. De volgende ochtend – op dag één van het WK – is dat meteen uitgeprobeerd. In de perszaal de daginfo opgehaald én twee handdoeken, installeerden we ons poolside. De ochtendsessie konden we volgen op schermen, maar met die felle zon was dat niet makkelijk, zodat we onze ligstoelen en de parasols wat herschikten.

Groot was onze verbazing toen we rond de noen een barbecuefestijn zagen optuigen. “For free. Courtesy of the organisation.” Kortom: tien dagen lang hebben we ons als Romeinse keizers gelaafd aan een overheerlijk buffet, overgoten met lokale wijn (die retsina is niet te drinken, maar de rode Agiorgitiko-druif is een aanrader) en veel water. Omdat we elke dag steeds vroeger onze handdoek kwamen leggen, voorzagen ze voor ons vroege vogels vanaf dag drie ook koffiekoeken en koffie met een sapje.

Al snel werd het te heet, zelfs onder de parasol, maar daarvoor hadden we dan weer het zwembad en tegen 17 uur sleepten we ons met felle tegenzin naar het sta- dion om toch wat atletiek live te zien. Daar bleek het al even gesmeerd te lopen. De uitslagen van de 100 meter kregen we binnen de drie minuten op onze desk. Zoveel perfectie was nog nooit vertoond en drie weken later kreeg dezelfde stad de Olympische Spelen van 2004 toegewezen.

Dat was Athene en nu past alleen nog schaamte. Niet alleen omdat we daar een heel klein gaatje in de Griekse staatskas hebben gegeten en gedronken, maar ook vanwege onze lyrische teksten over hoe goed de Grieken het wel voor elkaar hadden en of Athene alstublieft snel de Spelen kon krijgen. Zo geschiedde, en ook de Spelen in 2004 waren welhaast per- fect.

Dat ze zich daartoe tot over hun nek in de schulden staken, dat vermoedden we wel maar – eerlijk – we hadden er geen oog voor. Wij geraakten overal, de sfeer was goed, voor het gezin tickets regelen was ook geen probleem, zelfs niet voor de gouden finale van Henin, en we hadden de primeurs: wat wil een journalist nog meer?

Het deed pijn aan de ogen toen eerder deze week de foto’s verschenen van de olympische installaties van weleer. Alleen het olympisch stadion wordt nog gebruikt. Heel af en toe, voor voetbal. De rest is voorwerp voor industriële archeologie of een doctoraat over white ele- phants, onnodige sportbouwsels.

Als de grote sportbonden echt zijn wat ze beweren te zijn, hoeders van wereldwijde sociale bewegingen, dan hebben ze nu iets om over na te denken. Het kan niet de bedoeling zijn van Olympische Spelen of wereldkampioenschappen voetbal dat een land of een stad zich tot over de oren in de schulden steekt om de wereld een maand lang een sportfeest te schenken, om daarna de compleet overbodige infrastructuur te laten verloederen.

Column 9 aug

Interview Jacques ‘fasten seat belts’ Borlée in De Morgen van 9 aug 2014

‘De mens zal sporten of hij gaat naar de kl…’

Ministers die geen jota snappen van hun vakgebied. De jeugd die almaar lelijker wordt. Een steeds groter deel van de bevolking dat geen klop uitvoert. Atletiektrainer Jacques Borlée (56) zit nooit om een flinke stelling verlegen. Zoals: ‘Soms vind ik die Vlaamse strengheid stupide, maar ik heb die nodig om ons niveau op te krikken.’

Toen Jacques Borlée zich in het vooruitzicht van twee hectische jaren vergenoegde met een relatief rustige atletiekzomer, zag de atletiekbond het anders en ‘vergat’ zijn derde zoon te selecteren voor de Europese kampioenschappen die dit weekend in Zürich beginnen. “Je suis déçu”, was zijn enige (officiële) reactie. Misschien werpt dit gesprek een licht op wat misgaat in de atletiek en bij uitbreiding de Belgische topsport, de maatschappij, de mensheid… Het interview dateert uit onverdachte tijden, toen hij zich nog niet op de lippen moest bijten.

Hebt u zich al afgevraagd of topsport wel nodig is in een maatschappij?

Jacques Borlée: “Blij dat u met deze vraag begint, want daar heb ik heel goed over nagedacht: ja, ja en ja. Topsport is nodig en misschien niet om het resultaat van een wedstrijd maar om de voorbeeldfunctie die ervan uitgaat. Aan topsport ontleen je een identiteit, een fierheid en je beleeft emoties. Als Europa niet bestaat, behalve in de administratie, en ons niet enthousiasmeert, heeft dat onder meer te maken met het gebrek aan een Europees sportproject.

“Centraal in topsport staat excelleren, wat essentieel is voor het voortbestaan van een maatschappij. Het gaat niet slecht met deze maatschappij want we zijn rijker dan ooit, maar we zitten in een nooit gezien mutatieproces en we stevenen af op een dubbele ramp: enerzijds zal tegen 2020 één op de twee mensen in het Westen ooit wel eens een burn-out hebben gehad en anderzijds neemt de obesitas schrikwekkende vormen aan.

“En dan heb ik het nog niet over rugpijn en over de vormloze lichamen van onze steeds lelijker wordende jeugd. Heb je die al eens bekeken? Ik schaam mij dood. We stevenen recht af op een dichotome maatschappij met enerzijds een deel dat presteert en zichzelf wil verbeteren en een steeds groter deel van de bevolking dat ondergaat, geen klop uitvoert en zich laat subsidiëren.

“Sport kan helpen om te integreren, om een voorbeeld te scheppen voor een hele generatie stadskinderen die zich anders misschien verliest in conneries. Jawel, sport kan onze maatschappij redden.”

Wat stelt u heel concreet voor?

“Wie sport, presteert beter, is meer in harmonie, meer in vorm, intelligenter. We moeten van een wit blad vertrekken met een plan voor sport in het onderwijs, sport in het leger, sport in de bedrijven, sport op straat en de top van die piramide is de topsport. Ik stel een commando-operatie voor. De herinvoering van een soort legerdienst: één jaar volledig in het teken van beweging en een gezonde levenswijze.”

U zult worden vergeleken met Pol Pot en zijn heropvoedingskampen.

“Dat is dan maar zo, maar zonder de restauratie van de bewegingscultuur, zonder sport gaat de mens naar de kloten. Pas op, ik wil de maatschappij niet nog meer stress bezorgen. Integendeel, het moet juist minder. Het moet gezonder, harmonieuzer en om de uitdagingen van het leven het hoofd te bieden, kan alleen sport ons helpen.

“Bedrijfsleiders onder enorme spanning gaan drinken of sporten. Zij die sporten, zijn er het best aan toe. Neem Start to Run. 95 procent komt daar om te vermageren. Dat lukt niet, maar ze houden aan dat lopen wel een mentale boost over die hen in staat stelt om andere doelen – zoals vermageren – te bereiken.

“Er moet een link komen tussen de straat, de school en de sportclub en dat kan – weeral – alleen via sport. We moeten ook niet langer sportleraars opleiden die álles moeten aanleren. Neen, we hebben ongeveer 10.000 opleiders met specifieke competenties nodig.”

Wanneer dat moet gebeuren?

“Na halfvier. Ik stel twee uur sport en twee uur studie voor. Sinon, on va vers une merde totale.”

En wie kan dit realiseren?

“Niet onze huidige ministers. Die worden aangesteld zonder dat men zich afvraagt of ze dat vakgebied wel beheersen. Gevolg: een halfslachtig beleid. De parlementaire democratie is geen goeie zaak, daar ben ik inmiddels achter, want men kiest haast nooit voor de meest competente mensen.

“Ik vind dit anderzijds wel boeiende tijden, jij niet? Het leven wordt steeds gecompliceerder en wij zoeken ons te pletter naar oplossingen. Alles is in beweging en alles zal straks anders zijn. Het mentale aspect staat centraal en sport zal ons helpen daar een evenwicht in te vinden.”

Hoe staat het met de topsport in België?

“Pfft. Eerst en vooral is de combinatie topsport en studeren in België haast onmogelijk. Dat is al een drama op zich: de grootste talenten kunnen hun nacarrière niet verzekeren. Vervolgens is er geen echte topsportcultuur. De Olympische Spelen zijn onze vierjaarlijkse oorlog waar we ons op voorbereiden. Hoe doen we dat? In ons eentje.

“De familie Borlée, Justine Henin of Kim Clijsters destijds, zijn vereenzaamde projectjes die volgens een tribale strategie in stand worden gehouden maar die tegelijk zeer fragiel zijn. Als Henin een burn-out heeft gehad, is de oorzaak het gebrek aan structurele omkadering en steun. Die fragiliteit uit zich onder meer hier in dat de minste onnozelheid die kleine biotoop schade kan toebrengen.

“We hebben geen topsportcultuur omdat we er niet aan werken. Nadat Kevin Europees kampioen was geworden, zei ik tegen Wilfried Meert (organisator van de Van Damme Memorial, HV): ‘Nu komt hier een grote poster van Kevin in het Koning Boudewijnstadion.’ Dat kon niet want dat hadden ze ook niet gedaan voor Kim Gevaert of Tia Hellebaut, was zijn antwoord. Ik heb gezegd: ‘Dan wordt het tijd dat je ermee begint.’

“Nadat mijn zonen voor de universiteit de Amerikaanse kampioenschappen hadden gewonnen, liep ik in Tallahassee tegen een veertig vierkante meter groot affiche aan met daarop hun portretten. Heb je gewonnen? Oké, dan verdien je die aandacht. Waar hangen onze nummers één die we ooit hadden? Robert Van de Walle, Eddy Merckx, Kim Clijsters en Justine Henin, hoe zijn die vereeuwigd? Nergens. Oké, Eddy heeft een metrostation en dat is het dan.”

Hebben we nog talent in België?

“Jazeker, we hebben zelfs veel talent, maar we moeten er mee werken. Het belangrijkste is de harmonisering van het lichaam op jonge leeftijd. Die verloopt via het optrainen van de diepe spieren en het werken op het mentale aspect. Trainen doe je niet zomaar met een koptelefoon en techno maar met de juiste muziek die de alfa-betagolven beïnvloedt en je in een gemoedstoestand dicht bij de meditatie brengt. Dat stelt je in staat te presteren op het juiste moment, zoals mijn kinderen.

“We hebben zo vijf jonge voetballers van Anderlecht begeleid. Ik wilde veel meer veranderen in hun training maar dat mocht niet. We hebben dan maar hun brein gestructureerd en de diepe en fasische spieren onder handen genomen zodat het lichaam in harmonie was. Een aantal van hen hebben het eerste team gehaald, onder wie Youri Tielemans.

“Het probleem in topsport is de leeftijd tussen 16 en 22 jaar. Je ziet tien talenten op zestien jaar en vijf jaar later blijft er daar één van over. Dat is die ene die toevallig in harmonie is ontwikkeld. De Chinezen vinden dat niet erg want die zijn met genoeg, maar wij kunnen ons deze talentvernietiging niet veroorloven.

“De harmonisering van het lichaam en de geest moet vooral niet beperkt blijven tot de topsport. Monsieur et madame Tout le Monde moeten daarvan kunnen meegenieten. Betere diepe spiertraining en vooral een beter mentaal evenwicht betekent minder last van de rug, minder stress, beter slapen, en vandaar een beter leven. Alles wat de topsport leert, moet doorsijpelen naar onder in de piramide. Uiteindelijk krijgen we een gezondere bevolking en helemaal aan de top zullen we dan ook meer medailles hebben op de Spelen. Drie medailles voor een rijk land als het onze is beschamend.”

Mijn stelling: 35 jaar geleden is de sport als deel van cultuur regionale materie geworden. Dat was een dommigheid, maar ertegen vechten en achterhaalde nationale structuren in stand houden, is nog dommer.

“Volledig mee eens: dat het toen een dommigheid was, en dat we er nu een sterkte moeten van maken. Er is maar één probleem: het heeft geleid tot een gebrek aan topsportcultuur. De structuren en de sportbonden zijn een doel op zich geworden, niet de sport. De mensen die daar werken en besturen, verliezen zich in onkunde en onderlinge gevechten.

“Over het algemeen vind ik de Vlaamse sport wel beter gestructureerd dan de Franstalige. Er is ook de langere traditie van het zoeken naar verbetering, maar met name in de atletiek heb ik gezien dat men een beetje op zijn lauweren is gaan rusten. Trainers als Rudi Diels en Wim Van de Ven zijn in het buitenland gaan kijken. En ik ben bij hen gaan kijken én meetrainen, tot ergernis van de Franstalige atletiekbond. De opvolgers van Diels en Van de Ven hebben die reflex niet, terwijl je jezelf continu in vraag moet stellen en je in het buitenland de evolutie moet volgen.

“De gecommunautariseerde sport zie ik als een sterkte. Ik heb hier van de zomer een barbecue gegeven voor iedereen die met ons werkt. Peter Hespel van de KU Leuven en Marc Francaux van de UCL zaten naast elkaar. Ik heb leren sprinten van een Vlaamse trainer, van Wilfried Geeroms, die mij strengheid bijbracht, en ik leer graag van de Vlaming. Soms vind ik die Vlaamse strengheid een beetje stupide, maar ik heb die nodig om ons niveau op te krikken.

Het cultuurverschil bestaat. De Franstaligen hebben doorgaans een cultuur met Franse inslag: alles moet worden gecontesteerd en in vraag gesteld. In de Germaanse en Angelsaksische cultuur, waar Vlaanderen naar neigt, is een afspraak een afspraak en daar moet je niet te veel over zeuren. ‘My way or the highway’ is niet toevallig een Engelse uitdrukking.”

Laatst pleitte u via uw European Sports Academy voor een Europees topsportcentrum in Brussel. U weet dat Brussel in Vlaanderen erg gevoelig ligt?

“Natuurlijk, maar daar veeg ik mijn voeten aan. Het kan me niet schelen of dit land straks nog bestaat en of het al dan niet wordt gesplitst. Een groot project moet daarboven staan. Europa is het aan zijn stand verplicht om zo’n centrum hier op te richten en te ondersteunen, want de landen kunnen het niet alleen. Oké, Frankrijk, Duitsland en Engeland misschien, maar de rest? Het is het lot van de kleine Europese landen om zich te verenigen en sport kan daar een rol in spelen.

“Ik vind dat gezeur in Vlaanderen over niet langer investeren in Brussel zo belachelijk. Als Vlaanderen niet beseft dat er een groot metropoolproject moet komen voor Brussel, dan is het fout bezig en zal het daar zelf onder lijden. Hetzelfde verhaal met de tegenstanders die nu een probleem maken van een nationaal stadion op Vlaams grondgebied. Kan mij dat schelen. Het enige wat ik vraag, is dat er geld mee wordt verdiend, dat het wordt gezien vanuit de vliegtuigen, dat het afstraalt op de stad, dat het een tempel wordt die we nu niet hebben.

“Als ik Vlaanderen iets kan verwijten, dan wel dat het de laatste tijd steeds meer terugplooit op zichzelf en niet altijd de ander respecteert. Dan heb ik het niet over het discours van Bart De Wever met betrekking tot de PS, want ik heb nog vóór De Wever gezegd dat ik het Franstalig communisme beu ben en dat de negentien gemeenten van Brussel waanzin zijn. Neen, we moeten elkaar respecteren en elkaar beter maken.”

Niet bang dat men u over een jaar of tien de woestijn in stuurt met de boodschap: ga daar een beetje blaffen, ouwe gek?

“Dat staat mij te wachten, maar ik ben niet bang. Ik weet wat ik ga doen als men niet meer naar mij luistert: ik ga in Afrika werken. Ik ben daar geboren en het is het continent van de toekomst.

“Weet u, ik ben gerust. Ik heb mijn steen verlegd. Ik ben de enige trainer in de wereld die erin is geslaagd om met tweelingen de top te halen. Eeneiige tweelingen zijn genetisch gelijk, maar er zal er altijd één duidelijk minder presteren dan de andere. Bij ons niet: het verschil tussen de twee is amper dertien honderdsten. Kevin en Jonathan zijn genetisch identiek, maar in hun fysieke en mentale ontwikkeling zijn ze totaal verschillend en krijgen ze dan ook een verschillende training.

“Als mijn kinderen klaar zijn, heb ik ook afgedaan. Ik besef dat. Tenslotte ben ik een stoorzender: voor Adeps, voor Bloso en voor het BOIC. Terwijl ik niet veel vraag. Ik wil niet eens dat men zegt: Jacques Borlée heeft gelijk. Wel: die Jacques Borlée heeft ideeën, en we gaan dat debat aangaan.”

HANS VANDEWEGHE

Borlée

Column Management by fear in De Morgen van 2 aug 2014

Of we Emilio Ferrera ooit nog terugzien bij het voetbal, is niet de vraag. Het voetbal is zijn biotoop. Ook gisteren is hij bij een voetbalclub gespot. Of we hem nog terugzien ín het voetbal als T1 van een Belgische voetbalclub, is hoogst twijfelachtig. Te veel, te vaak gekwetst. Als T1 van een buitenlandse club? Te veel, te vaak, te ver van huis.

De analyses waartegen hij zich – juridisch advies ingewonnen – niet heeft kunnen verdedigen (zie de weekendbijlage van deze krant voor een reconstructie), gaan in de richting van een voorspelbaar ontslag. De achteraf-interpretatie van de feiten dient daarbij niet de waarheid, maar het beoogde doel.

Feit is dat Ferrera vorig jaar een team trof dat van de hele eerste klasse de minste punten had verdiend in de tweede ronde. Toch slaagde hij er in play-off 1 te bereiken. In play-off 1 werd twee keer gewonnen en drie keer gelijkgespeeld. Vijf andere keren werd verloren en Genk eindigde laatste, een plaats die het ook met betere resultaten moeilijk had kunnen ontlopen.

Er was lof, veel lof, maar dat is praat achteraf: het beeld is bevestigd van een wereldvreemde tovenaar-trainer die als geen ander een wedstrijd kan analyseren, maar die niet de capaciteiten heeft om een groep labiele voetballers wekelijks naar een orgastisch vertoon te stuwen.

Het zou weleens kunnen dat Emilio Ferrera met zijn specifieke knowhow, analyse en tactiek, niet langer de juiste man is voor de duiventillen van het Belgisch voetbal, waarin spelers zonder hoek af steeds zeldzamer worden, waarin ze steeds jonger zijn, waarin de transfer-markt steeds meer op een Aziatisch gokkantoor lijkt en de clubs vandaag niet weten wie morgen nog op hun payroll staat.

Maar wat als bijvoorbeeld de schuld bij KRC Genk lag? Wat als een vzw met een te nadrukkelijk aanwezig bestuur haaks staat op de bedrijfsvoering in het hedendaagse voetbal? Wat als de modelclub KRC Genk zich een strop om de nek heeft gehaald met een payroll van meer dan twaalf miljoen euro en voorlopig geen kant meer op kan? Wat als Emilio Ferrera het slachtoffer is geworden van een machtsstrijd tussen de raad van bestuur en het professioneel kader?

Hoe de vzw-structuur een goed beheer van de sport in de weg staat, zal misschien ver van uw bed zijn, maar ooit was het mijn bed, dus ik weet waarover ik spreek. Sport moet geleid worden door professionals met bevoegdheden, door verlichte despoten desnoods. Eens in de zoveel tijd zullen die voor hun management verantwoording afleggen aan hun raad van bestuur, waarvan de leden zich de rest van de tijd moeten tevreden stellen met het uitdelen van gratis kaarten.

Soms volstaat dat niet en dan gaat de slinger de andere kant op, zoals bij KRCG. Daar moest eerst een andere despoot, Dirk Degraen, baan ruimen waardoor de ego’s van de raad van beheer de dagelijkse werking konden overnemen. De algemeen directeur werd niet ver- vangen en vervolgens werd de technisch directeur aan banden gelegd.

De trainer een eigen kantoor geven en de wellness van opslagruimte weer upgraden naar wellness kon nog net, maar het sportieve beleid was niet langer in handen van het personeel met de veronderstelde sporttechnische kennis. Na Degraen passeerden alle sportieve beslissingen langs de raad van bestuur. Gevolg: lange lijnen, paranoia tussen sporttechnisch departement en bestuur en frustratie binnen het sporttechnisch departement. Management by fear: het helpt om een bedrijf te leiden, maar voor een professionele sportclub is het nefast.