Interview Deschacht in De Morgen van 30 augustus 2014

‘Mijn grootste talent? Mijn olifantenvel’

Spelers verwelken, trainers vergaan, maar Olivier Deschacht blijft altijd staan

Zeven titels, 468 keer in het eerste elftal van Anderlecht. Voor de ene is Olivier Deschacht de verpersoonlijking van het bloedarmoedige Belgische voetbal, voor de andere de ultieme clubspeler. Deze week tekende hij bij, volgend jaar zal hij twintig jaar speler van Anderlecht zijn. ‘Ik heb rust. Mijn carrière kan niet meer kapot.’

Er zijn er, collega’s, die Olivier Deschacht niet willen interviewen. Er zijn er ook die hem niet mogen interviewen. Wie Olivier Deschacht het gevoel geeft dat hij cool en oké is en dat hij wel íéts goed zal kunnen om na Paul Van Himst de meest gelauwerde speler te zijn van de beste voetbalclub van België, mag hem lastigvallen.

In maart 2009 was dat thuis in zijn toen niet helemaal afgewerkte villa in Destelbergen, waar hij was gaan samenwonen met de BV Annelien Coorevits. Vijf jaar later geeft hij rendez-vous op de tennisclub in hartje Destelbergen, waar zijn dochter van 3,5 al op de tennisles zit. Als ze haar papa ziet – die dat angstvallig heeft proberen te vermijden – vloeit er een traantje. Dan wordt de blonde linksback een heel normale papa, weliswaar met een bovenmodaal salaris, waarover hij deze week tot 2016 zekerheid kreeg.

Wanneer het zal eindigen bij Anderlecht, dat weet je met Deschacht niet. Wel wanneer en waar het begon. De dag dat hij op Standaard Wetteren een dijk van een toernooi speelde met de jeugd van SK Lokeren. “We waren vijftien. Davy De Beule en ik speelden alles op een hoopje. Anderlechtscout Maurice De Corte kwam bij ons thuis vragen of ik bij Anderlecht wilde testen. Ik had daar echt geen zin in want ik had veel gescoord dat jaar – toen was ik nog linksbuiten – en we eindigden tweede met een heel goede generatie. Ik amuseerde me rot, maar mijn ouders overtuigden me om toch te gaan testen. Het toeval wilde dat het zo’n training werd waarop alles lukte. Anderlecht kwam weer aandringen, en ik gaf toe.”

Pas vijf jaar later tekende hij – toch al twintig – zijn eerste profcontract. Deschacht leek gedoemd om de hoop te vullen. Maar hij bleek te beschikken over die rare eigenschap om steeds weer een niveau te kunnen stijgen, ook als niemand dat van hem verwachtte.

“Ik was niet de slechtste, maar zeker niet de beste. Ik kwam in een ploeg met haast allemaal internationals. Ik blonk niet uit en moest het hebben van hard werken. En dit heb ik al honderd keer verteld: ik ben in de eerste ploeg gekomen dankzij Frank Vercauteren. Hij heeft mij gemaakt.”

Wat wij nu willen weten: wat is het recept om in het eerste van Anderlecht te blijven?

“Nooit verder kijken dan een dag op voorhand. Echt waar: ik train en speel van training tot training en van speeldag tot speeldag. Voor je het weet, is het voorbij. De ene week word je uitgefloten en vragen ze je vertrek, de andere week word je op handen gedragen. Ik ken geen enkele speler op Anderlecht die nog niet is uitgefloten. Ik dus ook. In het begin trok ik mij dat aan. Nu heb ik een zekere rust gekregen.

“Mijn grootste talent is mijn olifantenvel. En het besef dat ik elk jaar vanaf nul moet beginnen. Ook dit seizoen, jawel. Ik ben 33 jaar en ze hebben voor mijn positie een gast van 23 aangetrokken met veel talent. En we hebben een veeleisende trainer die durft te wisselen na slechte prestaties.”

Fysiek heb jij geen problemen.

“Toch wel, maar ik doe er alles aan om die conditie op peil te houden. Als het seizoen gedaan is, begin ik met tennissen. Dat is goed voor de startsnelheid. Voor de uithouding ga ik fietsen. Deze zomer heb ik met vrienden in de Ardennen de hellingen van Luik-Bastenaken-Luik gedaan, La Redoute onder andere. Ik vlieg niet naar boven, maar ik klim graag.

“Tennis is mijn eerste sport in het tussenseizoen. Ooit was ik B4, maar omdat ik geen toernooien meer speel, ben ik nu C15. Op de eerste voetbaltraining ben ik fit en zijn de trainers meteen tevreden over mij. Daar zorg ik speciaal voor. Anderen komen aan met vijf kilo overgewicht. Mij zal dat niet overkomen.

“Het gebeurt nog steeds hoor, voetballers die na de competitie een hele maand niks doen, niet één keer lopen of voetballen met vrienden. Aleksandar Mitrovic kwam ook met te veel kilo’s aan, maar in twee weken was hij topfit. Dat talent heb ik niet. Maar ik kan meteen voluit gaan, en zo hoop ik op een voorsprong.

“Mijn talent zijn mijn wilskracht en mijn werklust, maar vorm is voor mij gelieerd aan vertrouwen: durven acties ondernemen, durven voetballen. Ik heb veel spelers gezien op Anderlecht die op training fantastische dingen deden maar die zich zaterdagavond in de wedstrijd helemaal wegstaken. Vijftig procent van het voetbal speelt zich af in het hoofd, als je tenminste een goede basisconditie en snelheid hebt.”

Waar jij speelt, op de flank, moet je wel inhoud hebben als je de achterlijn wilt halen.

“Elk seizoen worden wij getest, en ik ben altijd gemiddeld. De toppers die ik heb meegemaakt qua fysiek, gasten die bléven lopen, waren Lucas Biglia en Mbark Boussoufa. Die haalden 21 kilometer per uur op een loopbandtest waarbij je snelheid elke drie minuten met anderhalve kilometer wordt verhoogd. Ik kwam dit jaar aan 17,5 gedurende twee minuten, terwijl ik vorig jaar de drie minuten maar net kon uitlopen op 16 kilometer per uur.

“Ik heb vooral een goede snelheid, en in de beeptest was ik zevende. Niet slecht voor iemand van 33. Frederico Vico bleef het langst lopen. Maar zoals Besnik (Hasi, de trainer, HV) had voorspeld, was hij daarna een week stijf.”

Speel je in op wat de nieuwe trainer van je verwacht?

“Toen John van den Brom kwam, wist ik dat ik mijn spel moest verleggen. Ik had vijf jaar met Boussoufa voor me gespeeld. Ik moest de bal afpakken en aan Mbark geven, hij zou er toch meer mee doen dan ik. Maar ik wist dat Van den Brom iets anders verwachtte van een vleugelverdediger. In die twee seizoenen onder hem heb ik die stap wel gezet: vier doelpunten gemaakt en tien assists gegeven, voor een back zijn dat mooie cijfers. Ik heb mezelf toen verbaasd.”

In oktober 2010 was je carrière wel bijna voorbij.

“Ja: zware enkelblessure en een kraakbeenletsel. Pas in mei van 2011 ben ik teruggekeerd in de ploeg. Ik dacht dat het voorbij was. Sindsdien heb ik pijn en kraakt die enkel zo erg dat Annelien er wakker van wordt.

“Ik zit daardoor ook aan de onstekingsremmers – Brufen 600 mg vóór de wedstrijd – maar ik probeer af te bouwen. Samen met een Dafalgan is dat toch vaste wedstrijdkost geworden. En ik voel dat het helpt om de pijn weg te houden. Daarnaast begin ik voor de eigenlijke opwarming met mijn oefeningen specifiek voor die enkel. Ik weet niet hoe dat evolueert, maar ik hoop dat ik mij ondanks die enkel na het voetbal volledig kan toeleggen op mijn tennis.

“Hier in de tennisclub kennen ze me als ‘de Melker’: ik sla alles terug en blijf lopen. Slice, topspin, lobs, traag, snel… Mij zal je niet naar het net zien komen. Ik heb geen winnende slag. De speler aan de overkant moet maar winners slaan, en gemiddeld hebben ze er vijf nodig om me te pakken. Ik speel naar mijn kwaliteiten. Dat is ook de reden waarom ik zo lang overleef bij Anderlecht: ik weet heel goed wat ik niet kan.

“Nadal of Federer? Oei, moeilijke vraag. Ik zou Nadal moeten zeggen, omdat ik zelf zo speel. Maar ik zou zo graag het spel van Federer willen. Wie niet? Als voetballer heb ik geen voorbeelden. Of misschien Javier Zanetti en Ryan Giggs, vanwege de energie die ze nog konden opbrengen op hoge leeftijd. Als ik mijn lichaam soms voel na een wedstrijd… En ik ben nog maar 33. Die gasten hebben gevoetbald tot rond hun veertigste, die moeten iets speciaals hebben.”

Die zijn zelden gaan stappen, wellicht.

“Zo heb ik er ook gekend, gasten die alle dagen uitgingen. Als de training gedaan was, gingen ze naar de McDonald’s. Twee dagen voor de wedstrijd: gesignaleerd op een plek en een uur die niet konden.”

De dag dat ze met een witte auto met zwarte velgen komen, is volgens je manager Herman Van Holsbeeck het signaal dat het fout loopt.

“(lacht) Ja, daar zeg je wat, dat kan wel kloppen. Het mechanisme is simpel: ze spelen één goede wedstrijd, staan in de krantenkoppen en het gaat fout. Ik zie het zo gebeuren. Ik praat op de jonge gasten in, zeg dat ze hun hoofd niet mogen verliezen, maar soms is er geen houden aan.”

Durf jij in te gaan tegen je bazen?

“Minder dan vroeger. Er is een tijd geweest dat ik altijd mijn mening gaf, en gelijk had, maar dat het niet goed viel. Ik heb ooit gezegd dat het niet slim is om ’s nachts op stage te vertrekken, en daar kreeg ik toen een boete voor. Het vreemde is: sinds dat interview zijn we nooit meer ’s nachts op stage vertrokken. Ik heb ook ooit getwitterd dat ze meteen twee linksbacks hadden gekocht. Daar waren ze ook niet blij mee, maar die ene was in december wel weer weg.

“Ik heb geleerd dat het mijn taak niet is om mij uit te spreken over bestuurlijke kwesties of over transfers. Ik probeer sterk te staan in de kleedkamer en de spelers te helpen. Verder zwijg ik. Spreek ik me wel uit, dan ben ik toch weer die arrogante grote mond.”

Sorry, met jouw stats – 468 wedstrijden in het eerste en zeven titels – heb je recht van spreken.

“Ik weet het, en toch vinden ze dat ik mijn mening niet mag geven. Terwijl alles wat ik zeg wel uitkomt. Ik beperk mijn commentaar tot wat mijn taak is. Kom eens terug na mijn carrière, dan kan ik meer zeggen.”

Crasson, Oyen, Ilic, Hendrikx, Zewlakow, Van Damme, Lecjaks, Safari, Diogo en N’Sakala. Dat rijtje ken je wel zeker?

“Jullie zijn daar meer mee bezig dan ik. Jelle Van Damme speelde overigens vaak vóór mij, en daarvoor stond Boussoufa. Vijftien punten voorsprong hadden we met die flank.”

Dat waren concurrenten voor jouw plek die je allemaal hebt overleefd. Dat zegt toch alles? Wie was de moeilijkste om uit de ploeg te spelen?

“De zwaarste aanval op mijn basisplek als linksback is die van nu, Fabrice N’Sakala. Die gaat het maken, let maar op. Door mijn mentaliteit sta ik in de ploeg, en die jongen haalt op training het maximale uit mij. Nu speelt hij op rechts, maar als ik ooit naast de ploeg val en hij speelt op mijn plek, dan zal ik hem blijven steunen, omdat ik weer kampioen wil worden.”

Jij moet wel een goede mentaliteit hebben, anders was je allang weg.

“Ik weet dat ik op de bank kan verzeilen, maar ik weet ook dat elke ploeg één speler nodig heeft zoals ik: niet het grootste voetbaltalent maar iemand die ervoor gaat. Maar dat volstaat natuurlijk niet. Vandaar dat ik zo blij ben dat Steven Defour erbij is gekomen. We hadden op het middenveld twee gasten die zich verstopten en die alle ballen verloren. Met Defour zal dat veranderen. Die komt ballen halen en speelt ze in. Die hadden we nodig, veel meer dan Daniel Van Buyten. Met alle respect, maar ons probleem was niet het centrale duo Mbemba-Nuytinck, maar de aanvoer naar de aanvallers.”

Ben je intens bezig met het voetbalspel?

“Ja. Tactisch zie ik na al die jaren toch waar het aan schort. Maar als je volgende vraag is of ik trainer zal worden: nooit. Hoe ik mensen heb zien veranderen, als het wat tegenzat of als ze werden ontslagen. Dat lag niet aan die mensen, maar aan de situatie waarin ze terechtkwamen en aan de stress die hen helemaal opvrat. Frank Vercauteren heeft zich twee jaar verstopt, durfde niet meer naar Anderlecht te komen. Vorig jaar was hij daar ineens terug, gelukkig.

“Nu heb ik een trainer met wie ik nog heb gespeeld. Bij Hasi zie ik iets terug van alle trainers die hij heeft gehad en die ik ook heb gehad. Hij geeft ook de bankzitters vertrouwen en is heel correct en eerlijk. Ik had ooit een trainer die je een hand gaf zonder je aan te kijken en die je nooit meer aansprak als je op de bank was verzeild. Hasi is een toptrainer in wording. Die reactie toen hij in de spelerstunnel uit nijdigheid op die ballen schopte en bijna viel, dat is Besnik ten voeten uit. Hij moet vooral niet veranderen. Hij wil zijn winnaarsmentaliteit in de groep krijgen en daar is niks verkeerd mee. Voetbal is emotie.”

Voetbal is ook haat. Jij kunt nooit eens Brugge bezoeken.

“Neen. Maar dat ben ik al gewend. Wat niet went, zijn supporters die hun geluk van het voetbal laten afhangen. Die betalen inderdaad soms veel geld voor een abonnement, maar daarin is niet inbegrepen dat ze rechten op ons of op de club mogen doen gelden. Vorig jaar is onze training bestormd door een tiental jongens van de harde kern. We waren twee keer op rij kampioen geworden en het wás niet te best, maar moeten ze ons daarom komen uitschelden?

“Dit jaar heeft het bestuur ook al een kwade brief gekregen. We zijn amper begonnen, pakten de voorbije drie jaar de titel, maar na twee wedstrijden was het al van dat. Anderlecht heeft met afstand het meest kritische publiek van alle topclubs. Vier keer kampioen in vijf jaar, en nog is het niet genoeg.”

Zie jij altijd hoe het komt als een ploeg niet te best speelt, jullie in het bijzonder?

“Vaak wel. In ons geval komt het erop aan Steven Defour aan de gang te krijgen als spelbepalende middenvelder, zoals Biglia dat deed. Youri Tielemans zal dat ooit kunnen maar is nog jong. En waarom het soms perfect lukt op training en niet in de wedstrijd? Op training zijn de tegenstanders bij passvormen en afwerken kegeltjes en plastic paaltjes. In de wedstrijd komen die tot leven, dat scheelt wel wat, kan ik je zeggen (lacht).”

De ploegen zijn duiventillen geworden, maar jij bent gebleven. Hoe ervaar jij dat?

“Zelfs ten tijde van Koller en Radzinski bleven spelers toch drie, vier jaar samen, en zo haalden we de kwartfinale van de Champions League. Vandaag kan dat niet meer. Twee jaar geleden speelden we aardig mee in de Champions League, met een overwinning tegen Zenit, gelijk tegen Milan en gelijk tegen Málaga. ‘Een mooie stap om ervaring op te doen tegen volgend jaar’, klonk het toen. Waarop weer vier belangrijke spelers vertrokken en we opnieuw konden beginnen. We zijn volgend jaar misschien alweer Mitrovic kwijt en Suarez wil ook weg, heb ik gelezen. Het is het lot van een middenmoter in Europa.”

Ooit had je alleen voetbal om je op te concentreren. Nu heb je een vrouw met een eigen programma op VTM én een kind.

“Dat maakt het iets gecompliceerder dan vroeger, dat klopt. Van het moment dat ik mijn schema heb, wordt dat doorgestuurd naar Annelien en begint zij te plannen. Wij vragen ons soms af hoe twee werkende ouders met kinderen alles kunnen beredderen.

“De opnames van Single zijn afgelopen, gelukkig maar, want nu komt de drukke periode eraan met Champions League en competitie. Het is goed dat ze dat heeft gedaan. Ik heb ook het liefst dat ze iets om handen heeft. Annelien mag veel werken, maar ik heb wel graag dat ze er ’s avonds is voor mij als ik na een training vermoeid thuiskom. Ik besef wel dat zoiets raar klinkt, maar de kwaliteit van mijn rust is even belangrijk als de training zelf.”

HANS VANDEWEGHE

Deschacht

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s