Interview Tom Boonen in De Morgen van 27 september 2014

‘IK BEN MIJN EIGEN SPORTPSYCHOLOOG’

‘My ride, my fight, my life’. De tattoo in rococoletters op de iele coureursborst had een artdirector kunnen gebruiken, maar de tekst vat het ongeveer samen. Tom Boonen hééft gereden, heeft ook gevochten en heeft ook geleefd. Volgende maand wordt hij 34 en gaat zijn laatste contractjaar in. Dan vraagt een mens zich af: wat drijft deze man nog?

2014 was geen te best jaar, zoals de meeste van de laatste Boonen-jaren, het wonderjaar 2012, waarin hij twee kasseiklassiekers won, even buiten beschouwing gelaten. Hij startte goed, was klaar voor het voorjaar en toen kreeg zijn vriendin Lore een miskraam. Hij reed nog wel een goede Parijs-Roubaix, maar alles zat tegen. Later was het BK een doel, maar daar verloor hij in de sprint van Jens Debusschere. En zo zijn we na wat vakantie en een aanloop via de Eneco Tour en de Vuelta al bij het wereldkampioenschap, zijn laatste grote afspraak, zijn laatste grote kans om een mooie prijs te rijden.

“Een mooie prijs is de eerste plek, de enige die telt in een kampioenschap. 2014 lijkt niet goed, maar ik was in blakende vorm. In Parijs-Roubaix was ik de sterkste. Toen ik vooraan kwam aansluiten bij allemaal jongens die een klassement konden rijden, knepen ze de remmen dicht. Op dat moment zat ik daar nog als enige van mijn ploeg. Niki Terpstra was niet gevolgd toen ik naar dat groepje reed. Even tevoren was ik lek gereden en had ik ze één voor één moeten inhalen. Toen het vooraan stilviel en niemand nog wilde rijden, kwamen de achtervolgers weer aansluiten, met daarbij Niki. Toen die ging, wist ik meteen dat we hem niet meer terug zouden zien. Natuurlijk ging ik er niet achter, en die anderen konden niet of hadden geen goesting meer. In de koers wint de sterkste niet altijd, maar Niki was wel beresterk.”

Hoe is het moreel? Toen je terugkeerde in het peloton deze zomer, zag je Zdenek Stybar in de Eneco Tour een doodsmak maken. Dat heeft er aardig ingehakt bij jou.

“Niet overdrijven, hoor. Op het moment zelf misschien en ook nog een dag erna. Twee dagen later rij je weer gewoon mee. Natuurlijk was het schrikken: Zdenek en ik zijn goede vrienden. Toen ik hem zag , ben ik gestopt. Ik wilde hem oprapen, maar liet hem uiteindelijk liggen omdat ik dacht dat er iets met zijn nek of zijn hoofd was. Toen hij een teken van leven gaf, vroeg ik of hij oké was. Daarop ging hij zelf rechtop zitten, maar er liep bloed uit zijn oren. Ik dacht: ‘Dit is niet goed.’ Gelukkig bleek het bloed van zijn neus te komen.

“Kijk, vallen hoort erbij, maar die dranghekken met die uitstekende pootjes niet. Valpartijen kunnen ze nooit vermijden, maar vallen als je wiel tegen zestig per uur blokkeert tegen zo’n pootje, dat wel. Het bestaat toch niet dat die dranghekken nog in de aankomstzone worden geplaatst? Ik heb als belofte nog geweten dat een renner viel door zo’n dranghek en een oog verloor. Die dingen staan daar nog, alsof wij een fanfare zijn die voorbijwandelt.”

Patrick Lefevere zei na een verloren sprint in de Vuelta dat de jonge Boonen had gewonnen, waarmee hij bedoelde dat de oude Boonen voorzichtig is geworden.

“Weet je hoeveel ritten de jonge Boonen in de Vuelta heeft gewonnen? Geen. Het is makkelijk om telkens als het misgaat te zeggen: hij is bang. Soms gaat het ook gewoon mis. In die bewuste sprint zat ik waar ik wilde zitten en Jens Debusschere zat bij mij. Die is jonger en misschien nog meer een waaghals dan ik, maar hij zat ook ingesloten. En dan passeren er links nog twee kamikazes. Die gokken goed en halen het.

“Toen ik jong was, was ik ook vaak bang in de sprint, zeker in sprints waar positie kiezen belangrijk is. De sprints die ik won, waren er allemaal op pure snelheid. Met een treintje, jawel, maar netjes afgezet en dan puur op snelheid tegen de anderen. Meestal had ik dat procentje extra.

“Het is tegenwoordig niet altijd meer de snelste die wint, maar wel wie in de beste positie zit of wie het meeste waagt. Dat is het gevolg van al die aankomsten die natúúrlijk in het stadscentrum moeten arriveren en die natúúrlijk gericht zijn op spektakel en vooral níét
op veiligheid. Als ik die zie, denk ik: zoek het maar uit, hier doe ik niet aan mee, dit is iets voor de jonge gastjes. Maar als ik me niet vergis, heb ik dit jaar nog wel een paar mooie sprints gewonnen. Rechttoe rechtaan op snelheid, dat wel. Zoek eens uit hoeveel sprinters van 33 zich daar nog in mengen?”

Verbazingwekkend hoe er met jullie wordt gesold en hoe jullie dat allemaal dulden. De Vuelta start in augustus in Andalusië en jullie klagen over de hitte. Dat weet je toch?

“Heb ik geklaagd dan? Het was warm en dat sloopt je, maar ik heb in die hele Vuelta geen probleem gehad. Wij hebben factor 50 om ons in te smeren, en dat doe ik van kop tot teen. (lacht) Van Bodysol natuurlijk. Tegen de warmte kun je je nog wapenen, tegen de koude niet. Ik heb meer problemen met de Milaan-Sanremo’s van de voorbije jaren en zeker vorig jaar. Onderkoelde renners die eigenlijk beter naar het ziekenhuis zouden gaan even in de bus zetten en na een uur verkleumd weer doen starten, dat is pas overdreven.”

Een rennersvakbond zou kunnen helpen.

“Die is er nu maar dat is een lachertje. Niet koersen als het gevaar te groot is, lijkt ook mooier dan het is. In het voetbal heb je geen wedstrijd als één ploeg niet speelt. Als in de koers een ploeg niet wil starten, zijn er negentien andere die dat wel willen. Het probleem ligt bij de overdreven macht van de organisatoren. Zij doen met ons wat ze willen. Als er iets zou moeten komen, dan is dat een controle op aankomsten door een onafhankelijke instantie bemand met drie ex-profs.”

Wielrennen is samen met bergbeklimmen een van de weinige sporten die minder veilig zijn geworden. Formule 1 bijvoorbeeld…

“… is veel veiliger dan wielrenen. Wielrennen is als het formule 1 van de jaren zeventig. In hun slechtste periode hadden ze drie, vier dode rijders per jaar. Ik denk niet dat wij daar ver af zitten. Dat we op de openbare weg rijden, heeft daar veel mee te maken. Op de duur neem je de risico’s erbij. Ik voel me redelijk onmachtig tegen dat gevaar en denk ook niet dat ik het ga kunnen veranderen.”

Dat fatalisme begrijp ik niet. Naar jou wordt geluisterd.

“Wat wil je dat ik doe? Moet ik in de hele wereld alle bloembakken en rotondes persoonlijk weghalen? Het is jammer dat ik het moet zeggen, maar vallen is een deel van het wielrennen en zal dat altijd blijven, misschien zelfs alsmaar meer. Zoals de F1-rijders van vroeger moeten we ons erbij neerleggen dat we af en toe zwaar op onze bek zullen gaan.”

Zie je dan geen oplossingen?

“De tijdslimiet bij massaspurts op drie kilometer leggen. Wie dan niet voorin rijdt, verliest geen tijd bij valpartijen. Dat zou helpen. Maar dan nog rij je met honderd man naar de streep, want iedereen denkt tegenwoordig dat hij kan winnen. Dat is het verschil met de prehistorie van de koers: er wordt harder gereden dan ooit door meer renners. Kleinere ploegen van zes? Het is een illusie te denken dat ze dan trager zullen rijden. Dan wordt die sport nog zwaarder, en dat is ook geen oplossing.

“Weet je, ik voer die gesprekken over het peloton van vroeger en nu niet graag. Ik wil niet als een oude zaag klinken. Ik heb te lang met Servais Knaven op de kamer gelegen. Op het eind begon hij ook te zeuren. Ik dacht altijd: ‘Tom, als je zo begint, is het tijd om te stoppen.’ Ik weet nog goed genoeg wat ik vroeger allemaal uitstak in een wedstrijd. Er zijn nu wedstrijden dat ik het laat gebeuren, maar er zijn nog genoeg wedstrijden – mijn klassiekers – waar we met tien man naar een bocht gaan en ik de laatste zal zijn om te remmen.”

Je bent 34 jaar. Voel je de leeftijd?

“Eerlijk waar: neen. Ik verdraag alle trainingen en alle wedstrijden als in mijn beste jaren. Men zegt dat je de leeftijd het eerst voelt bergop, maar ik reed in de Ronde van Spanje heel goed bergop. Ik vind zelfs dat ik fysiek sterker ben geworden, taaier misschien. Vroeger zag ik veel meer af in een koers dan nu. Er waren dagen dat ik de Vuelta meereed met overschot, terwijl er aardig werd gekoerst. Met die warmte en elke dag drieduizend hoogtemeters hadden ze mij vroeger na een week moeten opvouwen en terugsturen naar België.”

Wat heb jij met het WK? Je lijkt erg gemotiveerd.

“Ik ben wereldkampioen geweest, ik weet wat het is. Door blessures heb ik een aantal WK’s gemist, zoals Geelong en Kopenhagen, die me op het lijf waren geschreven. Als een WK niet meer motiveert, is het echt tijd om te stoppen. Ik schat een wereldtitel hoger in dan de Ronde van Vlaanderen of Parijs-Roubaix.

“Het parcours lijkt behoorlijk zwaar en daar heb ik niks op tegen. Spaanse wegen zijn meestal breder dan in Frankrijk, waardoor je een mooie snelheid kunt aanhouden. Er zijn ook weinig obstakels die de snelheid afremmen. Klimmen is voor mij geen probleem, maar het mag niet meteen steil worden na een haakse bocht en dat gedurende kilometers aan een stuk. Mijn Spaanse ploegmaat Carlos Verona heeft er het Spaanse kampioenschap gereden en zei me dat het goed loopt.”

Het was even opkijken toen je tijdens de Ronde van Spanje verwees naar het wattage dat je moest trappen. Wetenschap zijn we van jou niet gewend.

“Neen, dat weet ik. Ik rijd met een vermogensmeter, maar eigenlijk doe ik daar niks mee. In die etappe zag ik wel dat ik 700 watt aan het trappen was om bergop de kopgroep te volgen, en dat kon ik dus niet volhouden. Dat ligt aan mijn gewicht. Ik train vooral op gevoel. Ik heb wel eens een schema laten opstellen door een van onze trainers, en dat scheelde geen 5 procent van wat ik in gedachten had. Als je na al die jaren niet weet wat je nodig hebt als wielrenner, ben je geen wielrenner.

“Je gelooft me niet? Iedereen moet dat voor zichzelf uitmaken. Ik ga trainen en achteraf kijk ik wat ik heb geduwd. Welnu, op de Rozier (lange klim in de Ardennen, HV) weet ik op vijf watt na wat ik heb geduwd. Ik heb anderzijds wel een trainer voor de krachttraining
en de stabiliteitsoefeningen. Die doe ik met Sam Verslegen, die vroeger ook Kim Clijsters begeleidde. Daarnaast worden we prima opgevolgd door de Bakala Academy.”

Wat je trapt aan watt zal de doorslag niet geven dit weekend om kopman te zijn, wel wat je op tafel legt. Hangt dat gedoe met drie kopmannen en twee half beschermde kopmannen en een bondscoach die geen knopen doorhakt je de keel niet uit?

“Och, ik laat daar mijn slaap niet voor. Alles wijst zich uit op de dag zelf. Ik heb de indruk dat het voor alle Belgen een zwaar seizoen is geweest. De vraag zal worden gesteld: wie denkt dat hij kan winnen? Er zullen er een paar hun hand omhoog steken en bij sommigen zal ik denken: als je op een ander niet hebt gewonnen, zal het hier ook niet lukken. In de koers valt alles wel in de juiste plooi. Ik heb nog geen enkel WK geweten waar dat een probleem werd.”

In dat geval kan iemand tegen jou zeggen: ‘Ja maar, Boonen, behalve Kuurne-Brussel-Kuurne heb je ook niks gewonnen.’

“Het voorjaar telt sowieso niet meer mee. Het is de vorm net voor het WK die telt. Pieken kun je wel aan mij overlaten. Drie weken voor het WK wist ik al hoever ik van mijn beste vorm af zat. Ik heb nog de ploegentijdrit gehad en die specifieke trainingen, maar verder heb ik ook gerust. Dat is het voordeel van een dagje ouder zijn: je weet precies wanneer het komt. Als je jezelf maar inprent dat het gaat komen, dan komt het ook. Precies: ik ben niet alleen mijn eigen trainer, maar ook mijn eigen sportpsycholoog. De besten hebben niemand nodig (lacht).

“Serieus, ik denk dat jonge gastjes te veel in de watten worden gelegd. Ze zijn zestien, zeventien, en ze hebben een trainer, een psycholoog en een voedingsdeskundige. Die leren niks meer uit zichzelf. Het kan echt geen kwaad om eens met je kop tegen de muur te lopen en zelfs meer dan één keer. Ik heb daar veel uit geleerd. Bijvoorbeeld wat werkt en wat niet werkt.”

Sorry, maar jij bent de norm niet. Kasseikoersen zijn dat ook niet.

“Daar ben ik het mee eens. Toevallig waren dat mijn beste wedstrijden, al wil ik wel een misverstand uit de weg ruimen: ik heb op training geen vijftien keer over kasseien gereden. De kunst van het winnen op kasseien is zo weinig mogelijk op kasseien rijden. Zeker in de wedstrijd. Neem de foto’s van mij van Parijs-Roubaix er maar bij. Wat doen kasseien? Ze trekken energie uit je lichaam. Blijf er dus zoveel mogelijk af. Ik rij van de 55 kilometer kasseistroken misschien 25 kilometer effectief op de stenen. Die rij ik zo hard mogelijk en de rest rij ik in het gootje. Ik kan nu eenmaal goed sturen.”

Er gaat veel Vlaams talent verloren dat op de Kwaremont Boonen probeert te zijn.

“En dat is verkeerd. Er gaat sowieso veel talent verloren door de aard van onze koersen. Alles, van kermiskoersen over interclubs en jeugdklassiekers, is gericht op de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix en aanverwanten. Met als gevolg dat vooral de sterke jeugd overleeft en dat de rest van het kastje naar de muur wordt gereden. Potentiële klimmers – zeg maar onze nieuwe Contadors, die wij ook hebben – screenen we niet. Ze stoppen soms nog voor ze junior zijn omdat we hun geen kansen geven om zich specifiek te ontwikkelen.

“Ik denk dat de nieuwe wielrenner 1 meter 80 groot is en 70 kilo weegt. Daar moeten we op inzetten en beletten dat die stoppen met fietsen als ze blijk geven van een grote motor. Gasten als ik – 1 meter 94 voor 80 kilo – zullen er ook nog zijn, maar worden uitzonderingen.”

Heb je genoeg gewonnen in je carrière?

“Misschien had ik ook andere koersen kunnen winnen, maar dat zullen we nooit weten. Ik was op mijn best in de klassiekers van het noorden, en daarvan heb ik er zeven gewonnen. Belgische talenten moeten mij vooral niet imiteren. Het wielrennen van de toekomst zijn niet die wedstrijden op kasseien en kaskes. Dat voel ik goed genoeg, want in die 80 procent andere wedstrijden die ik rijd, hang ik met mijn 80 kilo tussen mijn kader.

“Je moet nu ook in alle wedstrijden vooraan kunnen rijden en punten pakken. Wie punten pakt, krijgt betaald. Ik ben misschien de laatste die heeft kunnen teren op een aantal wedstrijden per jaar waarin ik altijd een prijs rijd.” (Boonen staat pas 66ste in de ranking en is achtste Belg. Hij behoort wel tot de top vijf van beste verdieners in het peloton, HV.)

Vermaak je je nog in het wielrennen?

“Ja, al zijn de randzaken er soms te veel aan. Daarom blijf ik ook weg uit de Tour. Ten eerste kan ik er niet veel gaan doen, en ten tweede is het me daar te hectisch. Van in het begin word je afgejaagd in de oortjes: ‘Pas op, vooraan zitten, pas op dit, pas op dat.’ Voor je nog maar start, wil iedereen al uitleg. Daar heb ik geen zin meer in.

“Ik heb nog een jaar een contract na dit seizoen en dan zien we wel. Ik kan nu niks zeggen, maar de drukte rond mijn persoon gaat wel zwaar wegen. Toen ik vóór de Vuelta mijn haar had afgeschoren en een onschuldig fotootje op instagram had gezet, werd dat overgenomen op de nieuwssites als groot nieuws. Dat gebeurde dus door volwassen mensen die dat breaking news vonden. Dan breekt mijn klomp, zeggen de Nederlanders.”

Prijs je gelukkig dat het je kale kop en je baard zijn waarmee je tegenwoordig in het nieuws komt. Vijf jaar geleden was het anders.

“(denkt na) Daar zeg je wat. Misschien wel, ja. Ik ben dan ook gekalmeerd, fel gekalmeerd zelfs.”

HANS VANDEWEGHE

Boonen

Advertenties

Column Cultuur & Sport in De Morgen van 27 september 2014

CULTUUR EN SPORT

Cultuur zal in 2014 net geen 480 miljoen euro hebben gekregen van de begroting van de Vlaamse overheid. Per Vlaamse inwoner is dat 75 euro. Sport kreeg net geen 130 miljoen euro, ongeveer 20 euro per inwoner. De hele topsport krijgt in Vlaanderen 24 miljoen euro overheidsgeld. Alleen al de Koninklijke Muntschouwburg krijgt, weliswaar uit nog een andere pot, 33 miljoen euro subsidie.

De sporttrainer wordt, als hij al wordt vergoed, door zijn sporters betaald; de muziekleraar door de Vlaamse overheid. De sportsector is veruit de grootste sociale deelsector in Vlaanderen, maar veruit de minst gesubsidieerde.

Ooit waren het boeren die zeurden, nu is dat cultuur, terwijl de sport veel meer reden heeft tot klagen. We moeten ons gelukkig prijzen dat de cultuur geen traktoren heeft, maar hoogdravende manifesto’s, zoals: besparing op cultuur werkt de verzuring en verruwing van onze maatschappij in de hand! Is dat zo? Er zullen door de besparing jobs sneuvelen! Ja, maar er sneuvelen overal jobs en dat is al een tijd aan de gang.

Heeft men ter compensatie voor de 7 procent besparingen al gedacht aan een prijsverhoging? De consument van de gesubsidieerde cultuur behoort doorgaans tot de betere klasse die de luxe heeft om binnen het persoonlijk budget aan cultuur te doen. Ik heb ook die luxe, maar ieder zijn folie: ik prefereer een nieuwe koersfiets.

Zomaar een voorbeeld. Het dansgezelschap Rosas wordt getroffen door besparingen. Zal een minder bedeelde inkomensklasse binnen onze Vlaamse cultuurminnende bevolking moeten afhaken, als Rosas de prijzen van de tickets verhoogt? Natuurlijk niet. Er zijn genoeg studies die aantonen dat men meer wil betalen voor een voorstelling dan de vraagprijs. Het omgekeerde is niet waar. Rosas mag nog 1 euro vragen per voorstelling, of zelfs open deur houden, er zal nooit een kansarme Roma-familie komen kijken.

Noemen we een kat toch gewoon een kat: de subsidieverhoudingen in dit land zijn scheefgetrokken. In één en dezelfde legislatuur was Bert Anciaux tegelijk de slechtste minister van Sport en de beste minister van Cultuur ooit. Het is duidelijk waarom. Dankzij hem werd cultuur overgesubsidieerd en bleef sport het ondergeschoven kindje op het ministerie van Cultuur. Maar sport protesteert niet en schrijft ook geen manifesten. Dat is niet altijd slim want zo slikken ze elke besparingsronde, tot ze zullen moeten vaststellen dat de sport onbetaalbaar of – erger – niet meer veilig kan worden georganiseerd.

Hoeveel Vlamingen zou onze gesubsidieerde cultuursector bereiken? Weten ze eigenlijk wel hoeveel cultuurconsumptie er is? De sportclubs in Vlaanderen hebben 1,4 miljoen leden, die effectief lidgeld betalen, en volgens de KU Leuven doen 3,8 miljoen Vlamingen geregeld aan sport.

De sport en de sportvereniging zijn bovendien de grootste democratiserende en integrerende krachten voor een maatschappij. Dat is cultuur niet. Ondanks het vele geld dat haar is toebedeeld, is dat altijd een passe temps voor een elite gebleven.

Met andere woorden: de familie Roma zal nooit de weg naar het toneel vinden, maar met de juiste impuls wel naar de sportclub. Zouden we daarom niet beter inzetten op sport? Het is wachten op de regering die de bedragen voor cultuur en sport omwisselt.

Cultuur & Sport

Verhaal over werelduurrecord in De Morgen van 13 sep 2014

60 minuten helse pijn

Volgende week is The Merckx voltooid verleden tijd. Onze nationale Eddy was de maat der dingen voor het werelduurrecord, maar daar komt verandering in als Jens Voigt op 18 september namens fietsenmerk Trek een nieuwe standaard neerzet. Voigt is de wegbereider voor de echte kanjers zoals Fabian Cancellara, Bradley Wiggins en Tony Martin.

‘Nooit tevoren heb ik zo’n pijn gehad en ik heb ook achteraf nooit meer die pijn gevoeld”, zei Eddy Merckx later over zijn geslaagde recordpoging. Toen hij op 25 oktober 1972 klaar was, in de ijle lucht van Mexico City, moesten zijn manager en enkele omstanders hem krom van verzuring van zijn fiets trekken.

Een werelduurrecord breken betekent een uur lang fietsen aan 90 tot 95 procent van de VO2max, de zogeheten maximale zuurstofopname. 80 procent van de arbeid die door zijn spieren werd geleverd, was aeroob, met gebruik van de aanwezige zuurstof in het bloed, maar het waren die andere 20 procent anaerobe energie die het verschil maakten. Die zorgden ook voor de pijn, die van bij de eerste minuten optrad en steeds erger werd.

Na één uur had Merckx, ondanks de verzuring, 49,431 kilometer gefietst, 778 meter meer dan de vorige recordhouder, de Deen Ole Ritter.Het record zou 28 jaar staan, tot Engelsman Chris Boardman in 2000 tien (!) meter beter deed. Hadden de Merckx van 1972 en de Boardman van 2000 samen gereden, het verschil was amper zeven tienden geweest.

Voor alle duidelijkheid, niet Merckx en ook niet Boardman, maar de illustere Tsjech Ondrej Sosenka bezit vandaag het record. Althans in The Merckx-posture, de Merckx-houding, de internationale standaard met een klassieke baanfiets en een krom stuur. Sosenka reed in 2005 49,700 kilometer ver in zijn ene uur van glorie.

Bidsprinkhaan

Op 11 mei 1893 werd voor het eerst door een mens een uur lang rondjes gereden op een wielerbaan. Henri Desgrange, tien jaar later de stichter van de Tour de France, reed 35 kilometer en 325 meter. Zijn record zou 35 keer worden verbeterd, al dan niet op dezelfde fiets.

Waarmee we meteen bij de verwarring zijn beland. Hét werelduurrecord bestaat al dertig jaar niet meer, sinds 19 januari 1984, toen Francesco Moser op een ietwat vreemde fiets met een kleiner voorwiel 50,8 kilometer ver reed, ook in Mexico.

Er waren voortaan drie records. Eén volgens Merckx (sinds 2000 officieel het UCI hour record), één met een aangepaste aerodynamische fiets (sinds 2000 de UCI best human effort) en een derde waarin alles is toegelaten zolang de kracht maar van de mens komt. Dat laatste record is een buitenbeentje en behoort sinds 2011 toe aan ene Francesco Russo, bedraagt 91,556 kilometer en werd gevestigd in een soort rijdende sigaar op een ovaal autocircuit.

Het record van de Schot Graeme Obree, die beter deed dan Moser en dat later zou worden bijgeschreven in de categorie best human effort, werd gevestigd op zijn experimentele fiets in de zogeheten bidsprinkhaanhouding: de armen samen en voor hem, maar dicht bij zijn lichaam.

Miguel Indurain en twee keer Tony Rominger zouden in de tijdrithouding met een klassiek triatlonstuur nog eens het record scherper stellen, maar uiteindelijk zette Chris Boardman op 6 september 1996 in de nieuwe velodroom van Manchester 56,375 kilometer op de tabellen. Hij deed dat – op een door Merckx gebouwde tijdritfiets – in de zogeheten supermanhouding, waarbij hij zijn armen op een heel lang tijdritstuur haast helemaal vooruitstak.

Lastig voor de rug en de heupbuigers is dat, maar wel super-aerodynamisch, getuige zijn prestatie toen hij vier jaar later op een klassieke fiets het record van Merckx met maar tien meter verbeterde.

Aan die verwarring met twee verschillende records komt nu een einde. Het was een van de eerste maatregelen die de nieuwe voorzitter van de UCI, Brian Cookson, uitvaardigde: een werelduurrecord mocht voortaan worden gevestigd op een fiets die was goedgekeurd voor om het even welke baandiscipline. In de praktijk zal dat altijd de achtervolgingsfiets worden. Ook de volle wielen mogen voortaan.

Zo wordt het werelduurrecord in eer hersteld. Ooit was het een jaarlijks fenomeen: de zestig minuten durende strijd van de wielrenner tegen zichzelf, de baan en de verzuring. Sinds 2000 was de lol er af, maar nu kan er weer naar worden uitgekeken.

De kans is levensgroot dat Jens Voigt donderdag in het Zwitserse Grenchen de afstand van Sosenka overtreft. Verpulveren zal wat lastig worden, want hoewel Voigt het dus mag doen op een achtervolgingsfiets in een houding die hem veel minder luchtweerstand oplevert, is hij niet de tijdritmachine die Sosenka wel was. De grens van 50 km per uur haalt Voigt bijna zeker.

Voigt is al 42 en reed vorige maand in de Colorado Tour zijn laatste wedstrijd. Hij zegt dat hij zijn naam op de tabellen wil bijschrijven, “voor mijn kleinkinderen”. Dat zal wel, maar Voigt doet het met de hele machinerie van Trek achter zich en is de proefbuisbaby in het project dat Fabian Cancellara ooit in gang heeft gezet. De Zwitserse hardrijder had voor 3 augustus van dit jaar in Mexico een recordpoging gepland, maar die werd door de plotse modernisering van de reglementen in pauzestand gezet. Trek kon er niet om lachen dat ineens de regels veranderden, maar bleef het plan toch trouw.

In de klassieke Merckx-houding zou Cancellara bijna zeker de beste van de huidige generatie hardrijders zijn geweest. Ook Bradley Wiggins en Tony Martin hebben hun interesse getoond in het werelduurrecord. Beiden zijn het gewend een uur lang in een aerodynamische houding te liggen, maar Cancellara rijdt ook bijzonder hard zonder tijdritstuur. Hij levert van alle hardrijders het meeste pure vermogen.

Tijdrijden lijkt op bergop rijden: het is een strijd om de watts, met dat verschil dat geen helling moet worden overwonnen en het vermogen niet moet worden gedeeld door je gewicht. De discriminerende factoren zijn de frontale luchtweerstand (de aerodynamica), en het vermogen dat het fysiologisch systeem kan leveren.

Elke tijdrijder behoort tot een categorie atleten die meer pijn kunnen verdragen dan anderen. Zij kunnen zich een uur lang kwellen. Hoe ze dat doen, varieert nogal. Merckx reed met een 54×15- verzet. Bij elke trap kwam hij 7,93 meter verder. Zijn gemiddelde trapfrequentie bedroeg op kruissnelheid 105 per minuut, zeer hoog voor zijn doen en voor die tijd.

Francesco Moser gooide er in zijn tijdrithouding telkens wat tanden bij, maar het was wachten tot Rominger (1994) en Boardman (1996) om negen meter per trap te zien duwen. Don-derdag is het te kloppen record officieel dat van Sosenka, maar diep van binnen wil iedereen dat Boardmans 56,375 km zo snel mogelijk wordt verbeterd.

58×11

Eddy Merckx was onder die hardrijders overigens een superatleet: hij testte ooit in de Sport-hochschule in Keulen en kwam uit op een vermogen van 455 watt gedurende een uur. In Me- xico reed hij maar aan 366 watt, maar dat heeft dan weer te maken met de ijle lucht. Er werd gekozen voor minder luchtweerstand, maar dat betekende ook minder zuurstof, waardoor zijn fysiologie zwaar op de proef werd gesteld.

Zijn prestatie in Mexico is ooit herberekend: op zeeniveau en op de Boardmanfiets zou hij tot 54 km/uur zijn gekomen. Merckx kende die typische tijdrithouding evenwel niet. Hij reed met de handen op het stuur, op de remmen of (op de wielerbaan) diep in de stuurbocht.

Bij alle vergelijkingen moet ook het aspect doping worden meegenomen. Toen Merckx zijn record vestigde, zat zowat het hele peloton aan de onopspoorbare en zelfs niet verboden anabole steroïden en corticosteroïden, al of niet in combinatie met amfetamines. Dat kwam de pu-re kracht ten goede. Vanaf de jaren 80 werd de zuurstofhuishouding ‘creatief’ beïnvloed en bleven de spierversterkende middelen ook in gebruik. Moser deed het met bloedtransfusies. Vanaf de jaren 90 is bij alle recordpogingen ongetwijfeld het wondermiddel epo gebruikt, dat het zuurstoftransport bevorderde.

Met de verscherpte controles worden de komende jaren ontzettend boeiend, nu de grootste specialisten weer hun interesse hebben getoond. Volgens wetenschappers zou de beste hoogte voor een record 2.500 meter boven de zeespiegel zijn, op voorwaarde dat de atleet zich kan acclimatiseren. Alleen dateren die studies uit volle epo-tijd. Voigt doet het donderdag op 451 meter hoogte in Grenchen, zeg maar op zeeniveau. Het ziet ernaar uit dat zowel Cancellara als Wiggins daar ook voor zal kiezen.

De hele oefening van het werelduurrecord is er één van fysica, aerodynamica en fysiologie gecombineerd. Van Tony Martin is bekend dat hij vooral van zijn kracht uitgaat. Hij rijdt zijn tijdritten met een maximaal verzet van 58×11. (Een wielertoerist die 53×16 rijdt aan 90 trapfrequentie haalt vlotjes 37 kilometer per uur.)

Op de weg heeft Martin op zijn tijdritfiets uiteraard ook nog kleinere kroontjes zitten voor als het even wat lastiger wordt. Op de wielerbaan mag niet worden geschakeld en is het een uur lang dat ene gemonteerde verzet trappen. Als hij het met een 58×11 zou doen, betekent dat 11,05 meter per omwenteling en aan 90 trapfrequentie zou hij dan op 59,67 meter uitkomen. Met zijn klassieke 85 trapfrequentie van op de weg zal hij Boardman niet kloppen.

Bradley Wiggins is dan weer de man van 56×11. Die moet ook minimaal negentig pedaalomwentelingen per minuut halen om Board-man maar net te verbeteren. Wiggins kan als baanachtervolger makkelijk 110 omwentelingen aan, maar de vraag is: met welk verzet en hoe lang? Een uur duurt langer dan de vier minuten van de achtervolging.

Fluitje van een cent

Aan de overjarige Jens Voigt om de aftrap te geven, maar hij moet niet denken dat hij een unicum is, zelfs niet dit jaar en zeker niet qua leeftijd. Op 2 februari reed de Fransman Robert Marchand op de nieuwe baan bij Parijs ook een werelduurrecord. Hij kwam tot 26,927 kilometer, 2,5 kilometer meer dan bij zijn vorige record. Robert Marchand is 102. Hij had een verklaring voor zijn spectaculaire verbetering: “Op die nieuwe wielerbaan en beter getraind was dit een fluitje van een cent.”

HANS VANDEWEGHE

60 MINUTEN PIJN

Verhaal Onschuldig Positief… in De Morgen van 13 sep 2014

Onschuldig positief, gelukkig kan het

Toen Alberto Contador in 2010 met zijn zero, zero, zero,… en een besmette biefstuk als uitleg kwam voor een positieve plas werd hij soms geloofd, maar meestal uitgelachen. Vandaag zou hij misschien vrijuit gaan. Net als Charline Van Snick, Jonathan Breyne en Michael Rogers eerder dit jaar.

Wat hadden judoka Charline Van Snick, die gisteren voor het eerst in een jaar weer vocht (ze pakte bij haar rentree in Zagreb meteen brons), en de wielrenners Jonathan Breyne en Michael Rogers dan wel gemeen? Alle drie waren ze betrapt op een minuscule hoeveelheid van een verboden substantie in de urine. Van Snick op de sociale/pijnstillende drug cocaïne tijdens het WK in Brazilië, Breyne en Rogers na een wielerwedstrijd in China op clenbuterol, een middel dat een beetje van alles doet maar niks echt goed, en vooral in de vetmesterij wordt gebruikt.

Alle drie zijn ze dit jaar vrijuit gegaan. Breyne en Rogers voor de UCI en Van Snick zelfs voor het TAS, het Sportarbitragetribunaal in Lausanne. Alle drie – Van Snick, Breyne en Rogers – gingen ze bij Belgische experts ten rade: bij de advocaten Flagothier en Maeschalck en bij professor farmacologie Jan Tytgat van de KU Leuven.

Maar dat is niet het hele verhaal. Alle drie hadden ze vooral geluk dat de geesten van de rechters ter zake verlicht waren. Vijf of zelfs drie jaar eerder, en ze hadden met dezelfde feiten wellicht twee jaar beroepsverbod aan hun zeemvel of judogi gekregen. In het geval van Van Snick werd een bestraffing van de internationale judofederatie zelfs teruggedraaid door het TAS, en dat is voor zover bekend een precedent in de internationale sportrechtspraak.

Ooit was het andersom: een sportbond kon nog wel eens medelijden tonen, maar in beroep acteerde het TAS als de postmoderne versie van de Bloedraad van Alva en werden al of niet vermeende dopeurs zwaar bestraft. Niet langer dus, hoewel in het geval van Van Snick de rechters in arbitrage nieuwe gezichten waren, wat insiders er toe aanzet om een slag om de arm te houden.Het kan dus een trend zijn, die vrijspraken, maar ook gewoon toeval. Maar toch: de periode van beroep is voorbij en niemand heeft gepiept, ook niet het Wereldantidopingagentschap WADA, dat toch niet bekend staat om zijn mildheid.

Vermoeden van onschuld

Als Alberto Contador niet in 2010 maar vorig jaar in de Tour tegen de lamp was gelopen voor zijn 50 picogram clenbuterol, zou hij dan géén schorsing gekregen hebben? Vast staat dat die case wellicht heeft aangezet tot denken. In het Contadorvonnis van het TAS stond letterlijk dat alles er op wees dat hij de clenbuterol te danken had aan een onvrijwillige besmetting via voeding, maar dat een straf niet anders kon. Die tegenspraak – onschuldig, maar toch straffen – lijkt nu op de helling te staan.

Alles draait rond de toepassing van het begrip ‘strict liability’ of strikte aansprakelijkheid. Daaraan is in de dopingcode van het WADA niks wezenlijks veranderd. Een atleet blijft ten allen tijde aansprakelijk voor de substanties die in zijn systeem gevonden worden en die in bloed of urine niet thuishoren.

Al sinds 1 januari 2009 staat bij die strikte aansprakelijkheid wel vermeld dat áls de atleet kan aantonen dat de hoeveelheden onvrijwillig zijn lichaam zijn binnengekomen, of zo miniem waren dat er van bedrog geen sprake kan zijn, er rekening mee kan worden gehouden in de bestraffing. Die ontsnappingsclausule is al gedeeltelijk toegepast in de clenbuterolaffaire van Contador, die zogezegd twee jaar straf kreeg, maar met terugwerkende kracht, waardoor hij uiteindelijk maar zes maanden niet mocht koersen. Die minieme straf kwam er omdat Contador bij twee jaar wellicht de stap naar het Europees Hof had gezet en daar ongetwijfeld dik gelijk had gekregen.

Van Snick, Rogers en Breyne zijn in die mate een primeur dat atleten die positief zijn bevonden en wiens zaak voor een sportrechtbank komt, hoogst zelden zonder een dag straf naar huis mochten. Oké, Van Snick schiet er haar bronzen medaille van het WK in Brazilië bij in, maar maalt daar niet om. Ondertussen had ze ook al klacht neergelegd tegen onbekenden en viseert ze een ex-trainer voor sabotage.

Het vermoeden van onschuld is eindelijk gehonoreerd, en dat is niks te vroeg, vindt specialist sportrecht Johnny Maeschalck. “Kan een drempelwaarde niet de oplossing bieden? Al jaren probeer ik duidelijk te maken dat die minimale hoeveelheden niet prestatieverbeterend zijn en het gevolg zijn van een samenloop van omstandigheden.

De Belgische Raad van State heeft ons daar al eerder gelijk in gegeven, en eindelijk volgt men ons in de sportrechtspraak, maar moeten er echt eerst levens op het spel worden gezet?”

Maeschalck verwijst hiermee naar de mislukte zelfmoordpoging van zijn cliënt Jonathan Breyne, die de schaamte niet meer kon dragen.

Legale biefstuk, illegale urine

De ommezwaai in de rechtspraak van vooral het TAS in de zaak Van Snick kan stom toeval zijn (nieuwe rechters), maar ook een bewuste koerswijziging. Volgend jaar wordt elk dopingvergrijp – op enkele uitzonderingen na – bestraft met vier jaar startverbod. Dat staat in de meeste sporten gelijk met beroepsverbod en is een disproportionele maatregel voor een – in het licht van de mensheid – al bij al klein vergrijp. Goed mogelijk dat men daar nu op anticipeert.

Die clementie voor accidentele besmettingen komt geen moment te vroeg, volgens toxicoloog Jan Tytgat. “Ik heb het WADA al een paar keer onzin horen verkondigen in verband met die strikte aansprakelijkheid, en ik raad ze aan om met de moderne toxicologen in discussie te gaan. In het geval van Van Snick heb ik voor het TAS geargumenteerd dat de gevonden hoeveelheid bij haar hoegenaamd geen effect zal hebben gehad. Een nultolerantie voor een product als cocaïne dat in onze maatschappij stilaan als ‘achtergrondstof’ aanwezig is – in drinkwater, op kledij, in gesloten ruimtes – is echt te gek om los te lopen.

Ik heb op de zitting voorgesteld dat iemand van ons hier cocaïne zou roken en dat we dan de volgende dag onze urine zouden laten testen: ‘u zult allemaal positief zijn’, heb ik gezegd, hoewel de cocaïne geen enkel effect had. Blijkbaar had men daar oren naar en heeft men haar het voordeel van de twijfel gegeven.”

Voor Alberto Contador en alle clenbuterolgevallen die na hem zijn gekomen, en waarbij het om picogrammen gaat, is Tytgat nog formeler. “Contador is betrapt op een waarde van clenbuterol die lager is dan wat is toegestaan in het vlees in sommige landen van de Europese Unie. Het kan niet dat het WADA daar een nultolerantie hanteert, terwijl die biefstuk volkomen legaal in de EU kan worden verhandeld. Er moeten voor die producten drempelwaarden komen.”

Voor Peter Van Eenoo, hoofd van het Docolab in Gent, ligt het allemaal zo eenvoudig niet, al benadrukt hij wel: “Onvrijwillig gebruik moet niet bestraft worden. Niemand is daar voor.” Als het om drempelwaarden gaat, die zijn er al. ”

Voor producten die alleen in competitie verboden zijn, zoals cocaïne, wordt aanbevolen om alle concentraties onder de helft van wat een lab moet kunnen opsporen, niet te rapporteren, en daar houden wij ons aan. Charline Van Snick zat daar overigens ruim boven, en de hoeveelheid die zij in haar urine had, is echt niet die van een achtergrondstof in een lokaal waar toevallig drugs zijn gerookt.”

Dat Breyne en Rogers vrijuit gingen, is voor Van Eenoo niet bijzonder. “Het is normaal. Zeg mij wie uit China kwam, op clenbuterol werd betrapt en toch veroordeeld is? Niemand. Idem voor Mexico. Voor Contador weet ik het nog zo niet. Ik heb mijn twijfels bij dat geval. De waarden voor vlees- en dopingcontroles vergelijken is onwetenschappelijk.”

Voor stoffen die ook buiten competitie verboden zijn, zoals clenbuterol, is een drempelwaarde nefast voor de strijd tegen doping. Die producten zijn lange tijd werkzaam en als we daar drempelwaarden voor gaan hanteren, zal men zoeken naar de grijze zone rond de drempelwaarde en vervolgens daar de discussie aangaan, inclusief foutenmarges en dergelijke meer. Toch maar liever niet.”

Onschuldig positief

Column Special Olympics in De Morgen van 13 sep 2014

SPECIAL OLYMPICS

Op onze Nederlandse redactie lag op een dag een apart voorstel over een verhaal in een nichesport op tafel. Ik zag er wel iets in, maar het werd brutaal weggelachen: opzouten Hans, wij doen niet aan mongolensport. Het voorstel heeft het niet gehaald.

Ik moest aan dat voorval terugdenken met de aankondiging van de European Summer Games van de Special Olympics, die morgen in Antwerpen beginnen. U heeft de affiches vast wel gezien: Jean-Michel Saive, Kim Gevaert en Kevin De Bruyne die de looks hebben gekregen van iemand met het Downsyndroom of de typische ogen van een mongooltje, om het wat eenvoudiger voor te stellen.

Uit diverse reclame-uitingen blijkt dat die deelnemers aan de European Summer Games van de Special Olympics het jammer vinden dat er zo weinig aandacht is voor hun prestaties, en rond dat gemis heeft het reclamebureau LDV United haar campagne gebouwd. Enerzijds met een schitterend tv-spotje van zo’n sporter die terugkeert op Zaventem en droomt van een volle aankomsthal, maar die uiteindelijk alleen de schoonmaakploeg ziet die hem niet eens bekijkt. Anderzijds met die postercampagne van de drie Belgische sterren en hun gefotoshopte ogen.

De centrale vraag luidt: “Zou je ook fan zijn van Kim Gevaert, Kevin De Bruyne en Jean-Michel Saive als ze een verstandelijke beperking zouden hebben?” De vraag blijft open, terwijl het antwoord redelijk voor de hand ligt: “Ben je gek? Natuurlijk niet.”

Ik nuanceer: als ze voetballen, tafeltennissen en sprinten als mensen met een verstandelijke handicap zullen we géén fan zijn. Als ze nummer één staan op de wereldranglijst van het tafeltennis, een goal maken op de World Cup en een medaille behalen op de Olympische Spelen, dan zouden we – Down of geen Down, verstandelijke handicap of niet – wél fan zijn/ blijven.

Ik ga niet kijken naar de Special Olympics, ook niet professioneel. Niet omdat het geen mooie mensen zouden zijn of omdat het minderwaardig is wat ze doen. Integendeel, het is zelfs prijzenswaardig, maar het is geen topsport. Het spijt mij zeer voor de deelnemers en ze hoeven niet beledigd te zijn: dit is bezigheidstherapie, maar dan in de meest pure en positieve betekenis van het woord. Dat geldt overigens voor veel sporters met een handicap, de klassieke topnummers op de Paralympische Spelen uitgezonderd, én zelfs voor sommige valide sporten, maar dat is dan weer een aparte column waard.

Het is een knappe campagne, maar dat gehengel naar aandacht voor de fysiek of verstandelijk minder gefortuneerde medemens die gaat sporten tegen anderen, klinkt stilaan wat afgezaagd. Hoezeer men ook zijn best doet om ons dat schuldbesef aan te praten, dit zal in geen eeuwen veranderen.

Kijksport is spektakel opgehangen aan het schoonheidsideaal, de hang naar perfectie, het verlangen naar de overtreffende trap. Sport als spektakel is sneller, hoger, sterker, mooier. Daarom is cafévoetbal geen spektakel en staan daar geen duizenden te kijken langs de lijn. Mensen met een verstandelijke handicap honderd meter zien lopen in vijftien seconden is ook geen spektakel. Het is hooguit leuk voor de familie, en laten we hopen ook voor de sporters.

Met andere woorden: verplicht ons niet dit als sportspektakel te zien, maar gooi desnoods een emmer koud water over onze kop en vraag ons tegelijk om geld. Dan kunnen we meteen ook in discussie gaan over wat met dat geld moet gebeuren: een eenmalig evenement organiseren, of toch misschien beter besteden aan de inclusie van de gehandicapte medemens in de breedtesport.

Special Olympics

Column WAT WAS ER VAN DE SPORT op demorgen.be 8 sep 2014

Paniek op de sportredactie in een voetballoos weekend

Wat was er van de sport? Blijkbaar niet veel, dit weekend. Voetbalgedepriveerd wist De Zevende Dag niet van welk hout pijlen maken. En wie er zijn twaalfjarige – ongetwijfeld zeer getalenteerde – knul op televisie laat uitleggen hoe goed hij wel niet is, heeft een steekje loszitten, zegt hij.

Er was geen voetbal dit weekend en er is ook geen voetbal dinsdag. Normaal hadden de Rode Duivels dan moeten spelen in en tegen Israël, maar aangezien daar een paar weken geleden nog raketten heen en weer vlogen, is dat partijtje afgelast. Gevolg: de media met de handen in het haar en De Zevende Dag nog het meest van al. Paniek maakte zich deze week meester van de jongens en meisjes van Sporza, want wie moesten ze nu uitnodigen in het sportblok?

Men had het kunnen hebben over het WK volleybal, over de Vuelta alsnog – met de wonderbaarlijke regeneratie van de salamander Contador of het motortje van Hesjedal – over de sequellen van de coulissenstrijd bij de voetbalbond, maar dat is allemaal veel te moeilijk want het is zondagochtend en dan is een derde van de schaarse kijkers …, nog een derde … en dat andere derde kijkt voor de politiek of uit verveling. (Te vervolledigen door uzelve.)

En ik keek louter toevallig, om te checken waar en hoe ik de US Open finale van de mannen zou kunnen opnemen. Ik ben blijven kijken. Omdat het goeie tv was? Neen, dat was het niet. Het was het middagje non-sport, met alle respect. Laten we wel wezen, ik kan geen van de drie sporten beter dan de jongens die op ons werden los gelaten en dat geldt voor de meesten onder ons, maar dat is niet de norm. De norm is ook niet “het is een goed verhaal”. Niet alles wat we zelf niet kunnen en een goed verhaal is, moet op tv komen.

Het begon met Fabrice Mels. Niks tegen die jongen. Hij is wereldkampioen geworden, en op een mountainbike nog wel en dat is nogal wat. Meestal toch. In zijn specifiek geval is het jammer dat Eliminator geen olympisch nummer is en dus in de rangorde der sporten en specialiteiten helemaal achterin staat. Er is maar één relevant WK mountain bike en dat is de cross country.

De rest is vooralsnog bezigheidstherapie of circus. Als Eliminator, BMX-en op mountainbikes, ooit olympisch wordt, wees er dan maar zeker van dat we niet meer meetellen, zoals in het WK cross country en de BMX. Bij dat soort feel good-verhalen, past een sterretje, doorverwijzend naar de waarschuwing: “Opgepast, wij Vlamingen zijn specialist in wereldkampioen worden in disciplines die niet veel voorstellen”.

Vervolgens kregen we Kristof Allegaert, een aardige man die koers had gereden en wel van Londen naar Istanbul, 3.400 kilometer. Wie daar zin in heeft, zal ongetwijfeld over een goede conditie bezitten maar is het in de bovenkamer nog wel oké is als je daar wil aan beginnen? Dat leek geen probleem met deze man, maar dan nog moet je je als redactie de vraag stellen of dat soort beproevingen wel op televisie moet komen. Het grote dopingprobleem van het wielrennen is precies ontstaan uit de fysieke overbevraging van de fietsende mens. Derhalve was een beetje duiding/kritiek/doorvragen op zijn plaats geweest.

Nu goed, Allegaert had een coherent verhaal en leek verder gezond. Clementie voor hem, maar het is te hopen dat hij geen golf Istanbulfietsers warm heeft gemaakt. Gelukkig was het een mooie nazomerochtend en zullen de meeste potentiële gegadigden wel op hun fiets hebben gezeten.

Dat hadden we beter ook gedaan; het had ons een hartverlamming bespaard. Want na Allegaert was het de beurt aan Dean Vandewalle, 12 jaar (twaalf!) en door De Zevende Dag als topsporter neergezet. Een leuk jongetje met lang blond haar en een ongetwijfeld door O’Neill gesponsorde bril. Een surf boy, zo weggelopen uit Baywatch Kids.

Dean is een heel goed surfertje, dat vroeger in Gent woonde, maar daar zijn geen golven en daarom verhuisden hij en zijn familie naar Costa Rica. Daar is hij ook niet vaak, want hij reist de wereld rond. Dat naast een beetje talent in dat soort lifestyle sporten de discriminerende factor in de eerste plaats de dikte van de portemonnee van pa is, daar ging het niet over want op zondagochtend moet het verhaal leuk blijven.

Nooit gedacht dat ik dit zou schrijven: gelukkig is er volgende week weer… voetbal. Zelden leuk.

Isthmolysis

NOG BETER OP DE SITE, MET FILPMJES
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/2043226/2014/09/08/Wat-was-er-van-de-sport-Paniek-op-de-sportredactie-in-een-voetballoos-weekend.dhtml

Column Isthmolysis in De Morgen van 6 sep 2014

Isthmolysis

Nairo Quintana zal de Ronde van Spanje niet winnen, want hij heeft zijn schouder gebroken. Moet bij wielrenners niet minimaal het hoofd van de romp gescheiden zijn voor ze opgeven? Even serieus, vriend Nairo, welke coureur stapt van zijn fiets voor een bagatel als een gebroken schouder?

Tyler Hamilton reed de Giro van 2002 uit met een gebroken schouder en werd tweede. Een jaar later reed hij de Tour uit met een gebroken sleutelbeen, en dat deed zoveel pijn dat hij 142 kilometer knarsetandend op kop reed en een etappe won. Hij werd vierde, met nog de helft van zijn tanden. Nog een jaar later brak hij ongeveer zijn rug in de zesde etappe, maar was dan toch al zover onderweg naar Parijs dat hij maar op zijn fiets bleef zitten. In etappe dertien stapte hij toch af.

Over drie weken is het wereldkampioenschap wielrennen op de weg. Het minste dat we van dat mannetje Quintana verwachten, is dat hij tegen die tijd helemaal hersteld, gereset en bijgetraind is. Wielrenners draaien daar hun hand niet voor om. Neem nu Alberto Contador. De val in de Tour in de Vogezen was spectaculair, als we ooggetuige Jurgen Van den Broeck mogen geloven. Enkele keren over de kop in de afdaling van de Col de Chevrères, na enkele minuten weer opgestaan en dan nog twintig kilometer gereden, waarna hij toch is afgestapt. Verdict: gebroken scheenbeen.

Zes weken later staat hij netjes aan de leiding van de Vuelta. Alberto is een medisch wonder, maar het kan ook dat hij ons belazerd heeft. Een supergezond mens mag al blij zijn als hij zes weken na een fractuur van het scheenbeen weer normaal kan beginnen stappen en revalideren. Bij Contador is de breuk niet alleen geheeld, hij heeft en passant ook nog eens zijn conditie in die mate bijgetraind dat hij een grote ronde kan winnen.

Sport, en vooral het wielrennen dat te lang in fabeltjesland heeft vertoefd, bewijst zichzelf geen dienst door blessures te overdrijven. Waarom niet meteen zeggen dat er een barst(je) te zien was op de scan? En dat dit barstje, hoe onnozel ook, wel vreselijk pijn deed? Wielrenners zijn zo al martelaar genoeg om niet te moeten overdrijven.

In juni was er nog zo’n voorval in een andere sport waarin overdrijven wel tot de basisvaardigheden behoort. De begaafde voetballer Neymar da Silva Santos Júnior werd in de kwartfinale op het WK tegen Colombia enigszins lomp in de rug gesprongen door Juan Zúñiga en moest van het veld. Diagnose: gebroken ruggenwervel.

Dat is wat hoor, en dat heelt vaak niet te best en soms moet er een operatie aan te pas komen, maar de volgende wedstrijd kwam Neymar doodleuk het stadion binnengewandeld en werd dan ten behoeve van de media in een rolstoel het veld opgereden.

Zijn scans werden in de media gegooid ten bewijze van welke aanslag die arme jongen wel niet had overleefd. Een fietsvriend die in zijn vrije tijd radioloog is, bekeek die CT-scan die de wereld was rondgegaan en was formeel: “Dat is geen gebroken ruggenwervel, dat is isthmolysis van de isthmus (mag u opzoeken). Dit is dus geen acuut letsel, maar de eigenaar van deze rug is een chronisch rugpatiënt.”
Als de gepubliceerde foto daadwerkelijk zijn scan was, heeft de chronische ruglijder Neymar tegen Colombia een flinke stamp in zijn al behoorlijk zwakke rug gekregen en is hij daarom van het veld gemoeten. Dat verklaart ook zijn redelijk snelle terugkeer en zijn snel hervonden mobiliteit.