Column Grand Crash Bike in De Morgen 29 nov 2014

Grand Crash Bike

Velon wil cameraatjes op de renners, op de fietsen, op de motards en in de volgauto’s. Velon is een joint venture tussen elf ploegen, en niet van de minste, die het wielrennen sportief, commercieel en financieel verder willen ontwikkelen.

Velon is een bijzonder lovenswaardig initiatief, net als de Mouvement Pour un Cyclisme Crédible (MPCC). Ook dat is een joint venture, bedoeld om doping te bannen, maar waarvan de leden meer tegen de lamp lopen dan de niet-leden. De koers hangt aan elkaar van de joint ventures en je vraagt je soms af wat nog het nut is van die ene grote joint venture, de internationale wielerbond UCI.

Velon zou niet zijn opgezet om een percentagevan de tv-rechten af te dwingen. Natuurlijk niet, het is een caritatieve vereniging, die gratis exclusieve beeldjes van in de koers zal aanbieden en de organisatoren rijk wil maken.Correctie: de organisator in het enkelvoud, ASO in casu, want in heel het wielrennen is er maar één organisatie die geld aan die sport verdient.Dat steekt de ogen uit en precies dat wil Velon nu doorbreken.

Etappe acht van Gérardmer naar Mulhouse was dit jaar de best bekeken Touretappe met 11,2 miljoen kijkers opgeteld in België, Nederland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Australië. Dat zijn 200 miljoen geïnteresseerde kijkers voor één Tour. Gecumuleerde kijkcijfers noemen we dat. Overigens is de Tour sinds 2011 22 procent van zijn kijkers verloren.

Maar Patrick Lefevere heeft er eigenhandig 3,5 miljard geteld en die vinden de koers te saai. Dat klopt. Koers op tv is saai en vooral duur, zeker als elke etappe minimaal drie uur live wordt uitgezonden. Kortere races, vaste circuits, kortere uitzendingen, toppers vaker tegen elkaar, stratencircuits, dat zou kunnen helpen. Maar neen, om wat nu saai is spannend te maken, moeten tien miljoen kijkers een app kopen van 5 euro, waarmee de teams 50 miljoen ophalen die ze dan verdelen over elf teams.

Wat gaan we zien op die app? Actie en reactie op de fiets, overleg in de auto. In real time? Dat moet wel, want anders gebeuren op televisie de dingen een minuut eerder dan op je app. Mooi zo, voor je het weet hoor je ook de klassieke conversatie tussen sportdirecteurs in de trant van: “Als je nu geen mannetje extra inzet, zorgen wij ervoor dat je dit seizoen nooit meer wint.” Of nog beter: “Sorry, hij vraagt zo veel. Wil die van jou niet betalen, dan rijdt die van ons niet.”

Ook gierende remmen en gevloek en gesakkerzullen we horen, valpartijen zullen we zien. Mooie publiciteit voor een sport is dat. De formule 1 is teruggekeerd naar de essentie – machine tegen machine en mens tegen mens – en verwijdert zich in imago steeds verder van het rondrijdend kerkhof van weleer. Maar het wielrennen wil zijn risico op ongelukken vermarkten.

Ik zie het voor mij: het is bloedheet, het asfalt komt los, een renner crasht, je hoort hem schuiven, je hoort hem gillen, met dank aan Velon. Fiets en renner komen tot stilstand, dicht bij elkaar. Renner ligt met zijn hoofd naar zijn stuur en het cameraatje – een stevig ding – blijft filmen en beeldjes doorsturen. Bloed sijpelt uit de mond, de neus, de oren. Renner sluit zijn ogen. Alles in HD. Live. En even later op YouTube. Een app? Doe toch meteen een game. Vergeet Grand Theft Auto, Grand Crash Bike komt eraan.

Column Grand Crash Bike

Advertenties

‘De morele crisis van de wereldsport’ in De Morgen van 29 nov 2014

Na het rampzalige jaar 2014 zal de mondiale sport nooit meer dezelfde zijn. Het autocratische, neokoloniale denken van de grote sportbonden heeft zijn houdbaarheidsdatum al lang overschreden. Tijd voor een nieuw model?

Wat gebeurde er in 2014 achter de schermen van de wereldsport?

Het begon met de Winterspelen in Sotsji, de goednieuwsshow van Vladimir Poetin die om en nabij de 41 miljard euro zou hebben gekost. Met de nadruk op ‘zou’ en ‘om en nabij’, want inzake transparantie of het gebrek eraan, kan de internationale sport wedijveren met de maffia. Vragen? Niet te veel. Antwoorden? Geen. Timing? Perfect. Enkele weken na het vertrek van de laatste atleet hielpen de Russen een militair handje in Oost-Oekraïne.

Vervolgens kwam de FIFA World Cup in Brazilië. De protesten van de bevolking werden serieus genomen. Zo serieus dat ze onder meer werden gemonitord met Israëlische drone-technologie, die voor de bezette Palestijnse gebieden en de Gaza werd ontwikkeld. Het werd een groot voetbalfeest, met alvast een primeur: de opdracht om zo weinig mogelijk eretribunes in beeld te brengen, kwestie van het morrend volk niet op slechte gedachten te brengen.

In de zomer raakte bekend dat behalve de Chinese en Kazachstaanse dictaturen niemand zich nog hard wilde maken voor het inlijven van de Winterspelen van 2022. Het wordt dus Almaty of Peking. Tegelijk werd wat vuile was buiten gehangen over het neokolonialisme van de sportbonden: als het Internationaal Olympisch Comité (IOC) ergens landt, dan als een staat in een staat, of het landt niet. Hetzelfde geldt voor de FIFA, de wereldvoetbalbond.

Na de zomer bleef het voetbal aan het feest met de niet-publicatie van het onderzoeksrapport naar fraude bij de toewijzing van de World Cups voetbal van 2018 en 2022 aan Rusland en Qatar. De eersteklas begrafenis werd verstoord door de onderzoeker met dienst, die hintte naar toegedekte corruptie. Ondertussen ijverde de haast tachtigjarige Sepp Blatter voor een vijfde ambtstermijn en dat terwijl tijdens zijn vierde ambstermijn de helft van van zijn uitvoerend comité werd geroyeerd of geschorst en één inmiddels ex-lid zelfs werd geout als informant van de FBI, die corruptie in het wereldvoetbal onderzoekt.

Ten slotte kreeg Doha, hoofdstad van oliestaat Qatar, het WK atletiek van 2019. Het WK wordt begin oktober gehouden, als het “koel” is en de temperatuur schommelt tussen 25 en 37 graden.

Wie zijn die grote sportbonden?

Technisch gezien zijn ze internationale, niet-gouvernementele sportorganisaties, maar eigenlijk zijn ze overblijfselen uit een heel ver verleden. In het geval van het Internationaal Olympisch Comité (1894) zelfs ontstaan in de negentiende eeuw, net als de roeibond FISA, de schaatsbond ISU, de eerste wielerbond ICA (allen in 1892) en de gymnastiekbond (1897). De later meer populaire sporten liepen wat achter: FIFA werd opgericht in 1904. De internationale zwembond FINA nog eens vier jaar later en de IAAF (atletiek) zag het licht in 1912, net als de overkoepelende Amerikaanse universitaire sportbond NCAA.

Het IOC is in oorsprong een adellijke mannenclub, die tot op vandaag zelf leden coöpteert en toch is het IOC met zijn meer dan honderd leden misschien de meest democratische sportbond, al is minst ondemocratische correcter.

Het IOC wordt geregeerd door een ministerraad, het zogeheten Executief Comité (ExCo). Dat geldt ook voor andere sportbonden, maar de meeste olympische beslissingen liggen toch bij de grote ledenvergadering, de Sessie, terwijl die bij de andere sportbonden bij het ExCo liggen. Hoe minder leden, des te makkelijker die te beïnvloeden zijn.

Sportbonden – van het hoogste tot het laagste niveau – kampen met een dualiteit: een betaalde, goed opgeleide staf met duidelijke resultaatsverbintenissen wordt gecontroleerd door een bestuur dat zich met alles bemoeit, maar door een gebrek aan intelligentie, transparantie, competentie, energie of een combinatie van dat alles, in deze complexe tijden niet kan volgen.

Betaalde bestuursleden of voorzitters zijn helemaal een ramp. Zij moeten hun salaris, dat ze nooit ergens anders zouden kunnen verdienen, bij elke verkiezing veiligstellen en doen dat bij voorkeur door géén beleid te voeren of door sinterklaas te spelen met ontwikkelingsgeld. Via het één land, één stem-principe, waarbij een klein eiland in de oceaan evenveel gewicht in de schaal werpt als Engeland (bijvoorbeeld in de FIFA), worden de verkiezingen naar de hand gezet.

Eind vorige eeuw kwam het IOC in opspraak toen het tien leden royeerde en nog eens tien andere moest schorsen omdat ze zich hadden laten omkopen door kandidaatstad Salt Lake City (2002). Dat bleek het topje van de ijsberg, maar het IOC hervormde zichzelf.

Vijftien jaar na de lessen van de Olympische Beweging liep ook de helft van het ExCo van de FIFA tegen de lamp door corruptie bij verkiezingen. En toch blijft de FIFA volhouden dat er maar weinig aan de hand is. Om het met een tweet van voetbalbaas Sepp Blatter te zeggen: “Iedereen in de globale voetbalgemeenschap heeft de verantwoordelijkheid ethisch te handelen. FIFA neemt hier de leiding.”

Wie en wat heerst over de geopolitieke machtsverhoudingen in de sport?

“Sport leeft met twee leugens: geld of politiek zijn niet belangrijk. Geld is wel belangrijk en de sport moet politiek neutraal zijn, maar niet apolitiek.” Aldus een cryptische Thomas Bach, die in september 2013 Jacques Rogge opvolgde als sportpaus aan het hoofd van het IOC.

In zijn pas verschenen Olympic Power Index zet de Duitse onderzoeksjournalist Jens Weinreich Rusland op één. Geen land is zo machtig als het om de combinatie van sportpolitieke macht, organisaties van grote evenementen, medailles en financiële inbreng gaat. Dat betekent in één moeite dat Vladimir Poetin de ongekroonde nummer één is van de wereldsport, want Poetin houdt van sport en hij houdt zich vooral bezig met sport.

Sportpolitiek behoort tot de zogeheten soft power in de wereldpolitiek. Je begint geen oorlog om sport, maar het is wel een factor met een hoog pr-gehalte en – altijd meegenomen – de maatschappelijke, politieke en juridische logica houdt op aan de stadionpoorten. Poetin mag dan de paria zijn van de internationale politiek, hij is de centrale figuur in de geopolitiek van de sport in de 21ste eeuw.

De sportbonden eten uit zijn hand. De verkiezing van Thomas Bach tot sportpaus en Marius Vizer als onderpaus van de sportbonden, de keuze voor Rusland en Qatar voor de World Cup, zelfs de keuze voor Tokio voor de zomerspelen van 2020, in alles had Poetin zijn zeg of gaf hij minstens zijn fiat.

Er bestaan mooie foto’s van Bach, Poetin en Blatter, samen op een Braziliaanse eretribune gezellig keuvelend in het Duits. Bach is Duitser, Blatter is een Zwitser-Duitser en Poetin spreekt vlot Duits na zijn stationering als KGB-chef in Dresden. Soms loopt er ook een helmboswuivende Koeweiti in hun gezelschap. Die is sjeik en heet Ahmad Al-Fahad Al-Sabah; hij is voorzitter van ANOC, de koepelbond (nog één) van alle nationale olympische comités.

Dé sjeik, zoals hij wordt omschreven, kent Poetin van toen hij de OPEC voorzat. Hij was er ook bij op 9 oktober van dit jaar, toen Poetin in Tsjeboksary in de autonome republiek Tsjoevasjië het congres Rusland-Sportland opende en voor de gelegenheid van FINA- voorzitter César Maglione (Uruguay) de hoogste orde van de internationale zwembond kreeg. Niet omdat het WK zwemmen volgend jaar in Kazan doorgaat, of misschien een beetje, maar vooral omdat Poetin “de verbroedering tussen landen bevordert in een geest van vrede en vriendschap”. In Kiev kregen ze net geen beroerte.

Wat als… België en Nederland het Wereldkampioenschap 2018 hadden gekregen en Oslo de Olympische Winterspelen 2022?

Zou de internationale sport dan zijn gered en haar verloren eer hebben teruggevonden? Of is dat een uiting van het klassieke eurocentrisme, dat ons door andere continenten wordt verweten? In elk geval was de keuze in 2010 voor België en Nederland, en niet voor Rusland, afgezien van de enorme zwakheden in The Holland/Belgium Bid, er een geweest voor kleinschaligheid en voor een toernooi op mensenmaat.

Alleen hebben grote sportbonden niks vandoen met kleinschaligheid, want dat straalt af op de inkomsten als tv-rechten en sponsoring. Nochtans was dat het plan van de nieuwbakken IOC-voorzitter Thomas Bach. Hij had er alles aan gedaan om Oslo te laten winnen als volgend jaar in Kuala Lumpur voor de winterstad van 2022 wordt gekozen.

Jammer, maar helaas: Oslo haakte af onder druk van de publieke opinie en de politiek, tot grote ergernis van Bach, en dat ondanks de openlijke belofte dat het uit de marketingpot dik 700 miljoen euro zou krijgen. De cases Oslo en België/Nederland vertonen parallellen. In beide landen was er zowel bij de bevolking als bij de regeringen openlijk ongerustheid over de wurgcontracten die de internationale bonden opleggen.

De 29 Manuals for the Olympic Games tellen in totaal 7000 pagina’s, vol met eisen waaraan moet worden voldaan. De Noorse pers concentreerde zich op de cocktailreceptie met de koning, geëist door het IOC, alsof dat de grote misdaad was. Veel erger zijn de fiscale en diplomatieke uitzonderingen die de miljardenconcerns FIFA en IOC zich als eigenaars van een sport(evenement) willen toe- eigenen.

Het is niet voor het eerst dat Olympische Spelen moeilijk aan de man worden gebracht. Colorado won ooit de wintereditie van 1976 en gaf die zes dagen later terug, na een negatief referendum onder de bevolking. Maar de realiteit is nu bitterder en de tijden zijn anders: in de Westerse democratieën is de bereidheid om mega-evenementen te organiseren en vooral te financieren compleet weg. In de VS is die er wel nog, maar behalve misschien de volgende World Cup voetbal zal het ten vroegste nog eens Olympische Spelen kunnen organiseren in 2024, haast dertig jaar na die van Atlanta.

De onvoorwaardelijke bereidheid om in mega-evenementen te investeren, vindt men wel nog in de BRIC-landen, in dictaturen zoals China en Kazachstan – respectievelijk op rang 142 en 144 in de Democracy Index – en in het Nabije en Verre Oosten. Dat ís een groot deel van de wereld, maar Europa is wel samen met de VS de grote financier van de wereldsport.

De imagoschade is enorm, maar economisch lijkt er nog geen vuiltje aan de lucht. De televisierechten blijven stijgen en de sponsoring volgt. Het IOC denkt voor het volgende quadrennium aan een verdubbeling van de sponsoringbijdrage (van 80 naar 160 miljoen euro voor vier jaar). Het valt af te wachten wat de reactie zal zijn op drie Olympische Spelen op rij in het Oosten: winterspelen in 2018 in Pyeongchang en in 2022 in Almaty of Peking en zomerspelen in Tokio in 2020. Samen met voetbal-WK’s in Rusland en Qatar is dat een nooit eerder gezien geopolitiek onevenwicht.

Hoe komen we uit deze morele crisis?

Daar komen we voorlopig niet uit, zoals het er nu naar uitziet. De sportbonden zijn zich van geen kwaad bewust en met hun domicilie in Zwitserland zijn ze ook nog eens immuun voor welke controle ook. En dat weten ze. De implosie van het traditionele (Europese) bondenmodel is misschien nabij en als dat op de schop moet, dan is er momenteel maar één alternatief voorhanden: het Amerikaans privaat model.

De Amerikaanse sport heeft evenwel ook haar problemen, zoals loononderhandelingen en stakingen of lock-outs, maar heeft doorgaans geen solidaire band met de niet-professionele basis. Een mix lijkt aangewezen: enerzijds een puur bedrijfseconomisch beheer zoals in de Amerikaanse professionele sporten, maar onder toezicht van een hogere instantie en met toepassing van de strengste regels van corporate governance.

Wie zal de grote schoonmaak in de internationale sportbonden overzien? De sport heeft al vaker zijn heil gezocht bij de Europese Unie of zelfs bij de Verenigde Naties. Een controlemechanisme op het hiërarchische zelfbestuur van de sportkoepels door die supranationale instanties lijkt aangewezen.

De-morele-crisis-van-de-wereldsport

R.I.P Père Baudouin

In 2010 reisde ik door Congo voor reportages over de 50 jaar onafhankelijkheid. In Lubumbashi liep ik mee met één van de meest fascinerende mensen die ik ooit heb ontmoet. Père Baudouin Waterkeyn, broer van de ingenieur die het Atomium bouwde, was een koppige, dwarse, rebelse Witte Pater met een hart groter dan Afrika. Hij is donderdag (20 november 2014) gestorven. In Lubumbashi, tussen zijn volk. Hierbij de reportage die ik toen maakte.

 

CONGO4-P1-4

Reportage bij Georges Leekens in Tunesië in De Morgen van 22 november 2014

De Arabische Herfst van Georges Leekens

Georges Leekens leek af te stevenen op een exit in mineur. Maar dik twee jaar na zijn eerloos ontslag bij Club Brugge verzekerde hij zich met Tunesië van een plek op de Afrika Cup, in januari en februari in Equatoriaal-Guinea. In een land dat na de Arabische lente in volle transitie zit, geeft monsieur Georges een beetje mee de richting aan. Het kan verkeren. ‘En ik ga nog wel een poosje door.’

We hadden uren samen in de auto gezeten, un petit café genuttigd en mandarijntjes van de nieuwe oogst verorberd, de twee perscheffen van de Tunesische voetbalbond en ik, toen op de A1 ter hoogte van Sidi Bou Ali de vraag van 1 miljoen kwam. “Euh, nu het niet te best gaat met uw nationale ploeg, denkt u, enfin… is er een mogelijkheid dat les Diables Rouges Georges terug willen halen?”

Ik dacht lang en diep na en sprak het verlossende statement: “Non, aucune chance. Georges is hier gelukkig.” De rit Tunis-Monastir werd vrolijk volgemaakt.

Georges Lékènz stond hier te boek als de man die in 2003 Algerije plaatste voor de Afrika Cup en prompt naar Moeskroen trok. Toen hij op 1 april van dit jaar over Amsterdam naar Tunis vloog, had de dienstdoende piloot van Tunisair, die toevallig ook lid was van het bondsbureau, zijn bondsvoorzitter bij wijze van grap via sms laten weten dat zich aan boord van zijn vliegtuig vreemd genoeg géén persoon genaamd Leekens bevond.

Waarop de voorzitter, het Algerijnse scenario in gedachten, in paniek zijn nieuwe coach belde. Niet één, twee, drie, vier, maar wel vijf keer. Tijdens de tussenstop in Amsterdam kreeg hij eindelijk de man aan de lijn die hij als een trofee aan de pers wilde presenteren: “Geen paniek president, ik ben onderweg.” Ook in Tunis doen ze aan aprilvissen.

Geen gouden bergen

In het begin was de republiek sceptisch. In 2006 had een Europeaan hen winst in de Afrika Cup opgeleverd, maar die vreselijke Roger Lemerre had er ook een gewoonte van gemaakt om met zijn Franse koloniale arrogantie bij elke gelegenheid de Tunesiërs te kleineren.

Deze Belg was anders, merkten ze al snel: het was al snel Georges, pour les amis. Wie zijn emotionele intelligentie een beetje kent, zal het niet verwonderen: na ruim een half jaar zijn het allemaal zijn amis, daar in Tunis en omstreken. Een klap op de schouder. Een grap met de dokter. Nog een grap met een speler. Een knuffel met een andere. Iedereen lacht, iedereen is blij met de coach fédéral in Tunesië. Ook de geschreven pers, die hem nooit eens rustig één op één te spreken krijgt. Zelfs de bobo’s, die van hem een verbod kregen om te roken tijdens de lange vliegtuigreizen.

Een journalist: “Hij respecteert ons en hij is eerlijk: hij belooft ons geen gouden bergen. Ik stel hem een vraag over de manier van voetballen – zes goals in zes matchen is niet echt geruststellend – en hij geeft een eerlijk antwoord. We hebben inderdaad geen wereldvoetballers en daarom moeten we realistisch zijn.” Dat antwoord van Leekens duurde precies drie minuten en was een minimasterclass ‘het glas is altijd halfvol’. “Laten we samen aan de weg timmeren en het landsbelang vooropstellen. Inch’allah”, besloot hij en gooide er helemaal aan het einde nog een grap achter aan. De hele zaal lachte.

In het immer nationalistische en enthousiaste Monastir, waar Les Aigles de Carthage (zoals de nationale Tunesische elf door het leven gaat) het chique hotel Royal Thalassa als afzonderingsoord hebben gekozen, is Georges Leekens helemaal de manager général van de nationale ploegen. Hij wordt met de grootste egards behandeld.

Het bleek een gouden zet, in Monastir de thuiswedstrijden spelen en niet in het veel te kritische Tunis, met dat veel te grote stadion. De eerste thuiswedstrijd tegen Botswana speelden de Arenden als mussen en stonden ze al snel 0-1 achter. “In Tunis zouden ze gaan fluiten tegen de eigen ploeg en de tegenstand aanmoedigen,” aldus mediaman Kais Regez, “maar niet in Monastir. Hier bleven ze achter de ploeg staan en het werd 2-1.” Leekens zweert sindsdien – enig bijgeloof is hem niet vreemd – bij Monastir en het Stade Mustapha Ben Jannet.

Monsieur Georges heeft het zelfverklaarde gidsland van de Maghreb trots gemaakt. Niet omdat de eindronde van de Afrika Cup werd gehaald, want dat gebeurde al voor de twaalfde opeenvolgende keer. Wel omdat het zo overtuigend gebeurde – veertien op achttien en eerste in de groep des doods met Senegal en Egypte – dat de laatste thuiswedstrijd tegen Egypte van afgelopen woensdag compleet overbodig was.

Heel Tunesië is nu trots, maar de angst is nog sterker. Dit weekend worden de eerste democratische presidentsverkiezingen
ooit georganiseerd, en dat evenement beroert alle lagen van deze broze democratie. Ook in de sport blijft de revolutie van 2011 nazinderen. Dinsdag is Slim Chiboub, ex-voorzitter van topclub Espérance Sportive de Tunis, teruggekeerd naar zijn geboorteland.

Hij is een schoonzoon van de afgezette dictator Ben Ali. Van de week werden voor zijn huis enkele magazijnen kogels de lucht in geschoten. “Kalasjnikovs natuurlijk, die koop je voor een prik in Libië.”

Ooit had Tunesië een links regime onder Habib Bourguiba, tussen 1957 en 1987 de eerste president van het gedekoloniseerde Tunesië, tot hij werd afgezet door zijn eerste minister, ene Ben Ali. Die vestigde de laatste tien jaar een stille terreur, terwijl zijn staat corrumpeerde. In januari 2011 werd hij op zijn beurt afgezet na aanhoudend straatprotest.

De val van Ben Ali was de eerste dominosteen in wat later als de Arabische lente zou worden omschreven. Officieel 338 doden, maar in werkelijkheid meer, en een paar duizend gewonden later was Tunesië democratisch. Vorige maand vonden parlementsverkiezingen plaats. Tot grote opluchting haalden de islamisten van Ennahda slechts een derde van de stemmen, hoewel Tunesië doorgaat voor een van de hofleveranciers van IS.

Eén van 27 presidentskandidaten is Slim Riahi, clubvoorzitter van Club Africain, en volgens alle Tunesiërs behalve de fans van de bewuste club een halve gangster, die in Libië stinkend rijk werd en er na de val van Kadhafi ook met een deel van diens geld vandoor ging. Hij kocht een deel van een mediaconcern en een voetbalclub. Dezer dagen prijkt hij ook op billboards op elke hoek van de straat.

Het lijkt allemaal spielerei. Riahi is kansloos, maar dat soort toestanden maakt de gemiddelde Tunesiër meer dan een beetje angstig. “Vroeger was alles te veel gecontroleerd en het internet gecensureerd, maar we kenden wel de spelregels”, aldus Kais Regez van de voetbalbond. “Vandaag is niks nog zeker. Ontploffen zal ons land nooit, daarvoor zijn we te goed opgevoed. We zijn Algerije of Libië niet, godzijdank. Maar als ik alleen al in het voetbal zie hoe ze tegenwoordig elk weekend tekeergaan tegen de scheidsrechters en tegen de politie, dan zeg ik: te veel vrijheid in één keer is niet voor iedereen goed.”

Rusteloos

Tegen die onweerachtige achtergrond werd Georges Leekens dit jaar bondscoach van Tunesië, nummer 42 op de FIFA-ranking. Straks treedt hij met het land aan op de Afrika Cup. Nog zo’n zorg. Het toernooi zou oorspronkelijk plaatsvinden in Marokko, op twee uurtjes vliegen, maar dat land was als de dood voor ebola-toeristen en vroeg om het toernooi te verplaatsen. De Afrikaanse bond, gedomineerd door Sub-Sahara-landen, reageerde furieus.

Exit Marokko als deelnemer aan de Afrika Cup, exit Marokko als organisator. Met het piepkleine en politiek behoorlijk foute olielandje Equatoriaal-Guinea werd vorig week prompt een nieuwe organisator gevonden. Hoewel Equatoriaal-Guinea in Midden-Afrika en ebolaland Guinee in West-Afrika niet met elkaar mogen worden verward, is men in Noord-Afrika toch niet helemaal gerust.

Anderen zouden er nerveus van worden, niet Georges Leekens. Hij vindt het spannend. Maar toen vorig weekend het vliegtuig in Botswana technische problemen had, bewerkte hij de bondsvoorzitter toch om in het holst van de nacht voor 62 man kamers te zoeken. “Ik ben dan wel een avonturier, maar er zijn grenzen. De nationale ploeg van Zambia is ooit neergestort. Ze wilden ons vliegtuig desnoods manueel besturen. Niet met mij. Het is net als met dat roken tijdens de vlucht. Te onveilig, vind ik, dus heb ik dat verboden.”

De revolutie en de naweeën zijn aan hem voorbijgegaan. Hij merkt wel dat het land zich af en toe wentelt in onbehagen, maar hij laat geen gelegenheid onbetuigd om de lof te zingen van ‘ons’ land, ‘onze’ nationale ploeg, ‘ons’ volk.

Bovendien is Tunesië anno 2014 niks vergeleken met wat hij eerder in deze regio meemaakte. “Algerije 2003, dat was andere koek. Er was volop terrorisme en ik had 24 uur per dag een bodyguard aan mijn zijde. Daar kwam nog eens een aardbeving bovenop. Toen had ik het wel gezien.” Daags na zijn laatste poulewedstrijd kreeg hij nog telefoon van een Algerijnse journalist. “Het was trouwens de Algerijnse voorzitter die mij aanprees bij mijn huidige bondsvoorzitter. Ze zijn me niet vergeten. Nergens, behalve in België misschien. (lacht) Ik heb toch de indruk dat ik stilaan weer op de kaart sta.”

Wat bezielt een man die financieel binnen is, die de hele wereld heeft gezien en die gelukkig getrouwd is, om een maand voor zijn pensioengerechtigde leeftijd in vrijwillige ballingschap te vertrekken naar Tunesië en daar op een studiootje in het Golden Tulip Carthage zijn avonden door te brengen kijkend naar de twaalf kanalen van BeIN Sport? Is het om weer op de kaart te staan? Of om het geld, de eer, de rusteloosheid? Hij mag kiezen. “Eerder dat laatste. Ik heb altijd te veel energie gehad – gelukkig maar, want ik slaap te weinig. Misschien zouden ze me nu een ADHD-stempel geven. Op zondag, als er niks te doen is, kijk ik soms naar mijn telefoon en zeg dan in mezelf: verdorie, wat is het lang geleden dat iemand me heeft gebeld.”

Rode Duivels

Woensdag eindigde de Arabische herfst van Leekens met een overbodige wedstrijd tegen Egypte (2-1, na 0-1 bij de rust) en begon zijn Afrikaanse winter. Gisteren vloog hij mee terug naar huis, naar België. Op 3 december moet hij alweer bij de loting zijn in Malabo, hoofdstad van Equatoriaal-Guinea. Daarna begint hij in Tunesië aan de voorbereiding op de Afrika Cup. Op 7 januari publiceert hij ‘la liste’, zijn selectie. In het sportgekke Tunesië is dat niets minder dan een staatszaak.

“Natuurlijk voel ik mij af en toe eenzaam, maar medelijden is niet nodig. Ik heb hiervoor gekozen. Het is eenzaam én onzeker. In een land dat vorig jaar 45 trainers ontsloeg in de eerste klasse en dat een regel heeft aangenomen dat per ploeg per seizoen maar drie trainers mogen worden aangemeld, is het altijd afwachten. Ja, ik ben 65 maar ik voel me geen 65. Ik weet niet eens of dit mijn laatste job is. Zoals ik mij voel, ga ik nog door. Eerst hier, want er is nog veel werk, dat ik hopelijk kan afmaken. Dat heeft niks te maken met revanche nemen of eerherstel of in schoonheid eindigen, wel met iets neerzetten zoals met de Rode Duivels. Die oogsten nu ook wat ik toen mee heb gezaaid.”

De Rode Duivels blijven zijn team. De wedstrijd tegen Wales heeft hij gezien en hij las ook de commentaren achteraf. De pers verwacht veel. Te veel? “Dat weet ik niet. Er staat een ploeg met veel talent, en de vraag die je moet stellen, is: wie doet beter in de wereld? Niet veel landen alvast. Ik las ook dat De Bruyne en Hazard elkaar voor de voeten liepen. Natuurlijk kunnen die samenspelen. Als de ene de bal komt halen, moet de andere diep gaan. Dat spreek je af. Dat kun je voor een interland niet snel even trainen als je maar twee dagen samen bent. (fijntjes) Maar voor een groot toernooi heb je die tijd natuurlijk wel.”

Een oordeel over Wilmots heeft hij niet, of toch niet voor de pers, hooguit goedbedoeld advies. “Marc Wilmots was twee jaar heel verdienstelijk als mijn assistent, maar nu moet hij als bondscoach vooral doen wat hij wil. Alleen zaten er goede mensen in de staf die er nu niet meer bij zijn. Ik vind het jammer dat een wereldtopper als Lieven Maesschalck weg is. Het was toch een beetje mijn staf, zoals ik het ook een beetje mijn team blijf vinden. Ik weet dat ze hebben gelachen toen ik zei dat mijn werk voor 90 procent af was. Zal ik er een schepje bij doen? In mijn perceptie zat ik op 100 procent.”

Zoals hij over zijn Rode Duivels praat, wat heeft deze man dan in de lente van 2012 bezield om op een zondagmorgen tegen alle waarschuwingen van zijn naasten in naar Club Brugge te rijden en zich daar te laten voorstellen als de nieuwe coach, die in drie jaar tijd een titel zou halen?

“Het was zondag 13 mei. Ik weet nu dat ik beter geen beslissingen neem op de dertiende. (lacht) Nu goed, het is gebeurd en het zat van in het begin fout. Het was de ploeg van mijn hart. Club stond nog helemaal niet zover als nu onder Michel Preud’homme en wilde te veel ineens. Ik deed daaraan mee. De resultaten waren op het moment van het ontslag niet goed, maar ook toen we met drie punten los op de eerste plaats stonden, was de druk onmenselijk. Het was een strijd die ik niet kon winnen. Zo’n ontslag voel je na al die jaren in het voetbal wel aankomen. Uiteindelijk was het een bevrijding.”

Georges Leekens is te veel een optimist om twee jaar na datum nog spijt te hebben. Revanchard is hij evenmin. “Bart Verhaeghe heeft mij van de week nog een sms’je met felicitaties gestuurd. Ik heb geen probleem met Bart. Hij is de juiste man voor Club, en dit jaar zie ik ze kampioen worden. Hoewel het dom was om de Rode Duivels te verlaten, heb ik geen spijt van mijn beslissing. Spijt is zo onomkeerbaar. Ik heb misschien dertig goede beslissingen genomen in mijn leven en twee of drie verkeerde. Dat is geen slecht rapport, want elke mens maakt wel eens fouten.”

 

Leekens

Column Stapschoenen in De Morgen van 22 november 2014

Stapschoenen

De aanbevolen slaap voor volwassenen is tussen zeven en negen uur. Slaaptekort staat voor structureel te weinig slapen en wordt in verband gebracht met cardiovasculair lijden (en doodgaan), kanker, gewichtstoename, hoge bloeddruk en type II diabetes. Die gewichtstoename is te wijten aan een toegenomen productie van het hongerhormoon ghreline en een verminderde afscheiding van leptine, het hormoon dat je het gevoel geeft ‘vol’ te zijn.

En alsof dat niet voldoende is, heeft slaaptekort ook zijn invloed op de productie van groeihormoon, dat het lichaam stimuleert om energie uit vetreserves te verbranden. Dat weet men al een tijdje. Zoals men ook weet dat een goede spijsvertering en een goede nachtrust discriminerende factoren zijn in topsport. Ga vroeg genoeg naar bed en je bespaart jezelf heel wat sportieve ellende.

Onlangs is door grootschalig onderzoek bij Amerikaanse topsportstudenten aangetoond dat atleten met een slaappatroon van minder dan acht uur maar liefst 70 procent meer blessures rapporteerden dan zij die wel acht uur of meer per nacht sliepen. Amerikaanse atleten halen gemiddeld 6,8 uur per nacht en driekwart had het gevoel moe te zijn.

Hoe korter de slaap, hoe hoger het vermoeidheidsgevoel voorafgaand aan de training. Men vond ook dat structureel te weinig slapen de waargenomen pijn vergrootte en de immuniteit verminderde. Daarnaast nam ook het angstgevoel, de spanning en de verwarring toe en verminderde dan weer de energie.

Nog een andere Amerikaanse studie peilde naar de slaapgewoontes van enkele wereldsterren, voetballers uitgezonderd. Roger Federer slaapt gemiddeld elf tot twaalf uur per nacht, LeBron James twaalf uur, Maria Sharapova acht tot tien uur en zelfs Usain Bolt, die we kennen als notoire stapper, rapporteerde acht tot tien uur slaap.

En nu we toch de studies op een hoop gooien: een basketbalploeg werd gevraagd twee weken lang zoveel mogelijk te slapen. Hun sprintsnelheid ging erop vooruit en ze scoorden ook beter bij vrijworpen. Topzwem-mers die zeven weken lang tien uur per nacht sliepen, verbeterden hun topsnelheid, reactietijd, keerpunttijd en waren beter gemutst.

Soms duurt het even voor je in een column tot de pointe komt, maar hier is ze dan: wat deden die internationals – niet allemaal, gelukkig maar – na de 0-0 tegen Wales maandag tot het ochtendgloren in Knokke? De 0-0 vieren? Neen, het was de verjaardag van Marouane Fellaini en dat moest tot in de heel vroege uurtjes doorgaan in de Inside Knokke, de boîte van zijn broer.

Afgezien van de vaststelling dat Fellaini na zijn persoonlijke prestatie weinig te vieren had, snap ik die voetballers sowieso niet. Onmiddellijk na de wedstrijd zijn ze afgepeigerd, de kramp nabij, hebben ijsbadjes nodig, een jacuzzi eventueel, zeker een massage en nog wat gepamper, een zalfje hier en een tape daar. Vervolgens trekken ze hun stapschoenen aan en halen zich een dodelijke vermoeidheid op de nek.

Na een stevige inspanning een hele nacht opofferen, midden in de zwaarste maanden van het seizoen, is waanzin. Een hele
nacht rust opofferen na elke wedstrijd – een hardnekkige voetballerstraditie – onder het mom dat de adrenaline eerst moet worden weggewerkt, staat ook haaks op alle wetenschap. (Meestal gaat het trouwens om een superdosis cafeïne die moet worden afgebroken.) De nacht en de dag na een wedstrijd zijn voor het actieve herstel. Wie daar uitgebreid zijn werk van maakt, kan een dag later weer netjes trainen, is een algemene regel in topsport. Niet voor voetballers, want die krijgen de tweede dag na de wedstrijd meestal vrijaf. Waarom? Omdat ze zijn gaan stappen? Of gaan ze stappen, omdat ze vrijaf krijgen? Is ook eens een studie waard.

Stapschoenen

Van Laf tot Lef, verhaal over Rode Duivels en wat komt in De Morgen van 14 november 2014

Hoe laf lef werd

Misschien staan de Rode Duivels morgen, na de match tegen Wales, derde op de FIFA-ranglijst. Zo hoog reiken de nationale jeugdploegen nog niet. Toch zegt iedereen dat de talentfabriek België het nieuwe Nederland is, of nog beter. Maar: ‘Pas vooral op voor die perceptie.’ Winnen we de komende drie WK’s dan toch niet?

Zo bijzonder waren de grote Rode Duivels niet tegen IJsland afgelopen woensdag. Daar moet wat bij, morgen tegen Wales. Laat ze eens een voorbeeld nemen aan de U15 (jonger dan 15). Die hielden Nederland – het opleidingsland cum laude – op 2-2 afgelopen dinsdag. Ze hadden het betere van het spel, het meeste balbezit en ze hadden kunnen winnen, als ze tenminste hadden gespeeld om te winnen.

Of nog beter: de Belgische beloften die hun Spaanse collega’s opaten met 1-4, met goals van Kabasele, Tielemans, Kazembe en Raman. Spanje alstublieft, hét land dat bij de vertegenwoordigende jongerenelftallen altijd om de prijzen speelt, werd in eigen huis niet minder dan vernederd.

Wat is dat toch met ons voetbal? Wat hebben wij ineens in ons drinkwater dat ons doet voetballen als een mix van Duitsland, Nederland, Spanje en een snuifje Brazilië, althans in onze perceptie. “Pas vooral op voor die perceptie”, waarschuwt Gert Verheyen, coach van de U19. “Een A-team dat goed presteert, straalt af op elke jeugdinternational die dan ineens een wereldtalent moet zijn, terwijl dat in werkelijkheid misschien niet zo is. We hebben nu een fantastische generatie, vooral gevoed uit één superjaar. Niks zegt ons dat we dit kunnen volhouden. Maar we doen wel hard ons best.”

Een analyse van de Rode Duivelsselectie van het WK in Brazilië leert dat behalve outcast Daniël Van Buyten (36) de kern als volgt was verdeeld: 29 jaar (1), 28 jaar (4), 27 jaar (2), 26 jaar (6), 25 jaar (2), 24 jaar (1), 23 jaar (2), 22 jaar (2), 21 jaar (1), 19 jaar (2). Het ene superjaar waar Verheyen naar verwijst, noemt men in het bondsgebouw de 87’ers.

Bob Browaeys is daar verantwoordelijk voor de opleiding namens de Vlaamse tak van de Koninklijke Belgische voetbalbond (KBVB), en is zelf bondscoach van de U17. Hij kwam in 1999 in dienst van de voetbalbond en is bezeten van opleiding. Ook die wonderboys van 1987 had hij onder zijn hoede. “De beste generatie ooit: Moussa Dembélé, Steven Defour, Dries Mertens, Kevin Mirallas, Anthony Vanden Borre, Jonathan Legear, Jan Vertonghen, en Marouane Fellaini die we hebben opgepikt in de Henegouwse selectie. Alleen Legear zijn we nu kwijtgespeeld, hoewel hij nog speelde in die spectaculaire 4-4 tegen Oostenrijk een paar jaar geleden.”

Buurlanden

“De generatie die het dichtst in de buurt komt inzake talent, zijn de 96’ers met Charly Musonda, Zakaria Bakkali, Mathias Bossaerts, Siebe Schrijvers en Andreas Pereira. Die laatste heeft nu wel voor Brazilië gespeeld. Maar je hoeft niet elk jaar vijf, zes talenten te laten doorstromen, want die komen toch in de wachtkamer terecht: één à twee zou mooi zijn.”

Het succes van het Belgische model heeft drie pijlers: alles begon met een verbeterde opleiding, vervolgens kwam de doorbraak van de niet-Belgische voetballer, en ten slotte zagen ook de clubs dat een investering in talentontwikkeling zich cash terugbetaalde.

De Belgische voetbalrevolte begon in 1999 met een initiatief van Michel Sablon, de toenmalige technisch directeur van de KBVB, die jeugdwedstrijden liet monitoren in een universitair project. Daaruit bleek dat de minder ontwikkelde spelers per wedstrijd soms maar twee keer aan de bal kwamen. Het roer moest om: minder spelers, kleinere veldjes. Vervolgens kwam het EK 2000, georganiseerd in België en Nederland, maar een sof op sportief vlak voor de Rode Duivels. Financieel was het wel een meevaller en Sablon legde zijn handen op een groot deel van het geld.

De acties van Sablon staan Browaeys nog bij. “Enerzijds had je dus die focus op het spel, op de één tegen één, het duel, de dribbel, scoren. Dat was ingaan tegen het klassieke Belgische voetbal dat eigenlijk focuste op passing en countervoetbal met sterke, slimme spelers, en hooguit twee man per ploeg die technisch erg sterk waren.

“Tegelijk zorgde Michel Sablon ervoor dat met het geld van Euro 2000 tweeduizend gratis cursussen trainer C werden gegeven. Dat was initiatieniveau, de basis, maar uit die groep zijn mensen naar de hogere traineropleidingen doorgestroomd. Enkele jaren later kwam DoublePass bij ons met hun kwaliteitsmodel voor jeugdopleiding. Dat heeft de clubs voortdurend aangezet tot verbeteren.”

De bond vond niet bepaald het wiel opnieuw uit. Ze waren gaan kijken in de buurlanden en combineerden voor hun kwaliteitsinjectie het beste van de Zeistervisie van Nederland en de centres de formation van Frankrijk. Browaeys wil die ommekeer niet als reden zien voor het succes in 2008 op de Spelen (vierde) en de kwartfinale in Brazilië van afgelopen zomer. Maar toch een beetje.

“We hebben die grote generatie in onze jeugdploegen gehad. Straatvoetbal is de basis, en de meeste van die gasten kwamen van de pleintjes. Als ze hebben leren voetballen met lef, dan was dat ook door de 4-3-3 die wij hen oplegden, met opbouw van achteren uit en druk zetten op de tegenstand, wat zelfs teruggaat op het Ajax en Barcelona van Michels en Cruijff.”

De finaliteit van de opleiding zoals de voetbalbond die voorstaat, is niet winnen, maar het niveau van de A-ploeg. Wie goed is, mag sneller doorstromen. “Wij zoeken voor al onze talenten de krachtigste leeromgeving.”

Zo miste de U19 vorig jaar het EK omdat Youri Tielemans al was doorgeschoven en Divock Origi mee moest naar Brazilië. “Als Christian Benteke zich niet blesseert, speelt de U19 de eindronde van het EK, jawel, maar dat is onze eerste zorg niet. De opleiding is dat wel.” Met de resultaten van de jonge Duivels vul je geen vitrinekast. De jongerenselectie en de beloften hebben in de laatste twintig jaar aan twee WK-eindrondes deelgenomen. De generatie-1987 haalde in 2007 de halve finale van het EK U21 en werd in 2008 vierde in Peking op de Olympische Spelen. “Dat is het ongeveer, maar daar zitten wij niet mee. Nederland won twee keer op rij het EK U17, maar ze hebben geen betere jeugd.”

Glazen plafond

Het spelertje met een donkere huidskleur en de on-Belgische naam is al lang geen uitzondering meer. Bij Club Brugge en KRC Genk zitten ze aan een kwart nieuwe Belgen. Bij Anderlecht en Standard aan meer dan de helft. De selectie voor Rio telde meer nieuwe Belgen en migrantenkinderen dan oer-Belgen. Anderlecht heeft ook een jeugdtrainer met Afrikaanse roots. Serge Tshimanga was prof in de jaren 90, vooral in de lagere reeksen, en begon zelf als jeugdspeler bij Anderlecht.

“Ik was een uitzondering. Alle zwarten op Anderlecht – ik denk dat we met drie waren – kenden elkaar en zochten elkaar ook op. Nu zijn de zogezegde nieuwe Belgen in de meerderheid, maar het verschil is precies dat zij zich ook Belg voelen. Wij niet.”

Er was wel degelijk een glazen plafond waar de allochtone voetballer van de tweede generatie doorheen moest. België was meer Spanje dan Nederland, zegt Tshimanga. “Daar moeten we niet moeilijk over doen. België was nogal conservatief in het aanvaarden van een andere huidskleur. Dat vertaalde zich ook in het voetbal. Toen Dimitri Mbuyu de eerste voetballer met Afrikaans roots in de nationale ploeg werd, stonden de kranten vol. De Nederlanders hadden al veel langer Surinamers of Molukkers in hun selecties en keken daar niet meer van op.

“Omgekeerd zijn ook de nieuwe Belgen en hun families het voetbal anders gaan bekijken. Mijn generatie vond voetbal geen manier om sociale promotie te maken: studeren en hard werken kwam eerst. Deze generatie kinderen, en vooral hun ouders, aanvaardt wel dat alles op voetbal wordt gezet, ook omdat in die opleiding de school niet wordt verwaarloosd.”

Johan Boskamp is volgens Bob Browaeys de enige van alle trainers met een Pro Licence die consequent de voetbalvelden afspeurt op zoek naar jeugd, en dat uit belangeloze interesse. Boskamp is lyrisch over de jeugd die België nu al tien jaar produceert en is idolaat van de 96’ers. “Wat er aan komt, is in potentie nog beter dan wat er nu speelt. In potentie, dus ze moeten nog stappen zetten.” Hij wijst op het milieu waar de jeugd uit wordt gerekruteerd en verwijst onbewust naar fysiek-genetische en sociale redenen.

“Allochtone kinderen zijn veel vaker opgegroeid als straatvoetballer. Ze hebben een handigheid verworven die onze Belgjes in hun tuintjes niet verwerven. Komt daarbij dat Afrikaanse kinderen vroeger rijp zijn en fysiek vaak sterker. Als je dat talent kunt begeleiden, heb je goud in handen. Ga maar eens kijken naar de U13 en U14 van Anderlecht, je zult zien wat ik bedoel.”

Ook de clubs zien er tegenwoordig brood in. Alle eersteklassers hebben het nu wel door. Een goed opleidingsmodel verdient zichzelf op termijn terug. Anderlecht, Standard en Genk hebben state-of-the-artjeugdcentra, de rest werkt er hard aan. Boskamp: “Die had je twintig jaar geleden niet. Een vader die nu op Neerpede bij Anderlecht wordt uitgenodigd, die is behoorlijk onder de indruk. Mag die kleine van mij hier voetballen? En nog eens naar school gaan? Nou mooi.”

Naast de schoenen

Maar alles kan beter. De Belgische voetballer staat tegenwoordig voor technisch sterk, verdedigen én aanvallen, hoge pressie, acties maken, oplossingen zoeken, creatief speels en veel lef. En toch. Browaeys: “We moeten ook kijken naar de profielen. Wij leiden geen flankverdedigers meer op omdat de clubs nog te graag winnen en hun grootste talenten centraal opstellen.”

Aan het succes van de Rode Duivels zelf zit ook een schaduwzijde: jonge internationals die naast hun schoenen gaan lopen.
Dat begint bij de aandacht die ze krijgen van makelaars, en vervolgens van buitenlandse topclubs die per twintig geïmporteerde jeugdspelers er ongeveer één overhouden voor het eerste elftal. Onze expatvoetballertjes zijn niet immuun voor sterallures, en hun ouders nog minder. Gert Verheyen vertelde dat hij altijd een hand kreeg van Charly Musonda sr., tot hij de zoon Charly een keer had vervangen. “Pa en ik kennen elkaar al lang. Het was een tactische wissel, perfect uit te leggen, maar sindsdien krijg ik geen hand meer.”

Jonge voetballers leven snel in een bubbel, jonge expats al helemaal. David Henen, het jeugdproduct van Anderlecht dat door Monaco werd weggehaald, is inmiddels eigendom van Olympiakos en is door die club dan weer uitgeleend aan Everton. Gert Verheyen: “Het kan zijn dat dit goed komt, maar ideaal is het niet. Toen Jari Vandeputte van Gent mijn advies vroeg over Roeselare, vond ik dat een goede zaak. Hij speelt en zijn ontwikkeling is navenant. Je kunt in België even goed, of zelfs beter je talent ontwikkelen dan in het buitenland.”

De feiten lijken hem gelijk te geven. Belgische jeugdspelers die naar de Premier League vertrekken is een relatief nieuw fenomeen, maar voorlopig is Adnan Januzaj bij Manchester United de enige die het eerste elftal haalde.

Voor Gert Verheyen mag onze opleiding nog iets meer zijn. De basisopleiding op technisch vlak vindt hij prima. “Tactisch is het soms minder. Sommige jongens hebben de klassieke Hollandse 4-3-3 gespeeld met buitenspelers die niet van hun zijlijn wijken, maar die spelen dan hun eigen wedstrijdje: man dribbelen, actie maken. Inzake gestalte en power kan het ook beter. Ik heb met mijn U19 altijd onder gelegen, en als ik een opwarming zou geven zoals de Duitsers, dan hebben die van mij al een halve wedstrijd in de benen. Nog harder werken, is mijn boodschap, en vaak beginnen ze er maar aan als ze in het buitenland iedereen rond hen ook ineens alles op voetbal zien zetten. Onze clubs zouden die cultuur ook moeten uitdragen.”

Bob Browaeys van zijn kant vindt het recupereren van laat-rijp talent een prioriteit. In sommige jeugdselecties is 70 procent van
de jeugdinternationals geboren in de eerste helft van het jaar. “Een U9 geboren in januari en een U9 geboren in december, is een verschil van twee voetbaljaren: één jaar fysieke leeftijd en een jaar meer gevoetbald. Daarom hebben wij een selectie van laat-rijpe getalenteerde voetballertjes, high potentials, de Futures.

“Daartegenover staan de high performers van die leeftijd die al sterk genoeg zijn. Als we de U17 Futures tegen de gewone U17 zouden laten spelen, wordt het misschien 0-10, maar daar gaat het niet om. Wij willen die high potentials vooral niet kwijtspelen, want ooit komen die boven drijven. Dries Mertens is het beste voorbeeld. We kenden die, maar het is niet door ons dat hij aan de oppervlakte is gekomen. Dat is gebeurd in Nederland bij AGOVV. Voor hetzelfde geld ben je zo’n talent kwijt omdat hij het fysieke gevecht heeft opgegeven.”

Laf:lef

‘Moi, Je’, column in De Morgen van 15 november 2014

Moi, je

De ene keer gaat het al sneller dan de andere, maar elke grote beschaving bezwijkt ultiem onder incest en intriges, decadentie en pretentie. Is het na de Egyptenaren, de Grieken en de Romeinen nu de beurt aan de Rode Duivels?

Ooit waren er de Duiveluitdagingen, nu zijn er de Duivelsoaps. Het leek de voorbije weken een beetje Rome in de eerste eeuw na Christus, maar dan op voetbalschoenen. Keeper versierde ooit lief van middenvelder. Trainer probeerde te bemiddelen. Discreet. Maar middenvelder schreef (op zijn 23ste!) autobiografie en onthulde dat trainer had gevraagd of hij keeper uit de ploeg moest zetten.

Trainer moest dat duiden. Zijn vraag was maar hypothetisch. Hij wilde weten hoe diep het zat. Trainer bijgevolg niet tevreden. Keeper ook niet tevreden. Middenvelder wel. Natrappen lucht op. Het volgend volk smulde. De pers ook.

Bon, voor hetzelfde geld eten ze morgen de Welshmen met huid en haar op en staan dan derde op de FIFA-ranking, maar twijfel niet: het verval is ingezet. Het plebs heeft inmiddels in de smiezen dat onze Nero, subliem vertolkt door Marc Wilmots, een hoofdrol heeft in de duivel- soaps. Meer zelfs, het plebs – in en naast de ploeg – heeft het stilaan gehad met Nero Wilmots en dat gevoel dateert al van voor de Wereldbeker in Brazilië.

Op die Wereldbeker ging het van kwaad naar erger. Ten eerste kwam ter plekke zijn gebrek aan oefenstof en tactisch inzicht pijnlijk aan de oppervlakte (zoals tegen IJsland B), maar spelers verdragen veel van een trainer zolang die hen niet te veel op de zenuwen werkt. Jammer, maar helaas, het krediet was snel op toen Wilmots bij elk voorbeeld, elke tip, elke opdracht, refereerde aan zijn eigen glorieuze passage in het Europese topvoetbal, zijnde Schalke 04, Bordeaux en twee Wereldbekers. In zoverre dat een op de twee zinnen begon met ‘ik’. Waarna hij vanuit de spelersgroep de koosnaam ‘moi, je’ kreeg.

Wat zei Wilmots eerder deze week bij de
Trofee voor Sportverdienste voor Daniel Van Buyten, na twee Vlaamse winnaars toegekend aan een Franstalige – eerder voor het taalevenwicht dan voor de sportieve verdienste, maar dat geheel terzijde? “Het is de mooiste prijs die een sportman kan krijgen in zijn hele carrière.” Onzin, ook dat terzijde. Waarna het ultieme argument volgde: “Ik heb die prijs ook gekregen.” De spelers schudden meewarig het hoofd toen ze het hoorden. Moi, je, ten voeten uit.

Zij hebben inmiddels begrepen dat Marc Wilmots het credo huldigt van veel grote trainers: my way or the highway. De dag dat ze door- hadden dat Wilmots niet van de autoweg was maar van de holle weg, ging de deur op een kier. Na de vaudeville rond kinesitherapeut Lieven Maesschalck is die helemaal dicht. De herstelsjamaan was onmisbaar in mei en juni; vandaag is hij overbodig. Maesschalck mag dan een over- dreven Merlijn de Tovenaar-status genieten bij zijn spelers, hij kent zijn vak en hij had ook een mening over hoe het nóg beter, nóg slimmer kon.

Nog voor de Wereldbeker was hij klaar met de autocratische streken van Wilmots, die een osteopaat verving voor een andere kine, toevallig de man van de beste vriendin van zijn vrouw. De nieuwe kine kreeg van de spelers de bijnaam ‘Ice Man’, omdat hij vooral ijsemmers vulde. Op de Voetbalbond weten ze nu maar al te goed dat de koppige beperktheid van de bondscoach een gevaar is voor de pas verworven status van voetbalgrootmacht, maar het lijfsbehoud van de goedbetaalde top is daar nu heel even prioritair.

Moi-je-column

Column in De Morgen van 8 november 2014

Sportbeschaving

Trabzonspor is een Turkse ploeg van tegen de Zwarte Zee, die donderdag onze kant uitkwam om hier een pakje slaag te krijgen van de troepen van Peter Maes, iets wat die Turken natuurlijk willen beletten en wat ze is gelukt. Het werd 1-1. Vooraf was er even een schandaal, want Sporting Lokeren weigerde Turken tickets te verkopen voor die wedstrijd, zo stond het in de krant van de week.

Daarbij werd dan ook vermeld dat iemand bij het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding op die weigering hoogst verbaasd had gereageerd, in de trant van: “Het feit dat iemand een ticket wordt geweigerd puur op basis de Turks klinkende naam op zijn Belgisch paspoort, neigt toch in de richting van indirecte discriminatie.”

Als de man/vrouw van Gelijke Kansen bestaat én als die effectief zo heeft gereageerd, is dat een dubbele vergissing: het is geen indi- recte discriminatie, maar gewoon discriminatie. En die discriminatie is terecht; ze is zelfs door de wet verplicht.

Wat hadden ze dan gewild bij het Centrum? Dat een fan van Trabzon zich eventjes een ticket kon kopen voor een Belgisch vak en daar een half uurtje voor de wedstrijd zijn clubkleurtjes kon komen showen en liedjes zingen? Om binnen de kortste keren te eindigen als kebab?

Het is niet duidelijk wat Lokeren nu precies wordt verweten. Het bezoekend vak werd uitgebreid van 400 naar 1.200 plaatsen en alle Turken die ooit al een ticket had-
den gekocht voor een wedstrijd op Daknam kregen nu opnieuw een ticket, zelfs voor de Belgische vakken. Alleen de Turkse occasionele bezoeker, die ter gelegenheid van de komst van Trabzon voor het eerst Daknam met een bezoek wou vereren en – omdat het bezoekend vak uitverkocht was – met alle geweld tussen de Belgen wilde gaan zitten, die Turk is geweigerd. Net zoals ook de Turkse ticketkoper, die zich bij Anderlecht aanbiedt voor de wedstrijd tegen Galatasaray van over twee weken, ongetwijfeld wandelen wordt gestuurd.

In mijn ideale wereld kan het wel, twee groepen fans die door elkaar staan en liedjes over hun ploegen zingen en juichen of treuren, maar elkaar niet aanraken. Nadat Michael Jordan hen een zesde titel had bezorgd ten koste van de plaatselijke Utah Jazz, heb ik een tiental fans van de Chicago Bulls in 1998 een dansje weten maken op het plein voor wat tegenwoordig de EnergySolutions Arena heet. Niemand van de 18.000 locals die hen in elkaar sloeg, hooguit weerklonk een Mormoonse ‘boeeeh’.

Het zou ook in onze sportbeschaving moeten kunnen, maar het kan niet en het zal nooit kunnen. In Gent is men trots op de promenade in de nieuwe Ghelamco Arena, waarlangs je het hele stadion rondloopt. Dat is een beetje gelogen, want aan beide kanten bots je op een muur. Achter die muur zit de uithoek, langs waar de bezoekende fans naar binnen worden geëscorteerd en twee uur van God los mogen zijn, waarna ze weer worden gedeporteerd naar hun bussen.

Zelfs dat stadionconcept is eigenlijk niet veilig genoeg, want Gent is zo’n universeel Vlaamse stad dat zich van elke bezoekende ploeg altijd wel een paar fans onder de rest van het publiek bevinden. Tot op de duurste zitplaatsen, waar je in bioscoopzetels met warmtestralers boven je hoofd naar het voetbal kan kijken, heb ik ruzies zien ontstaan, waarbij het tot een handgemeen kwam omdat iemand het aandurfde te juichen bij een doelpunt van de andere ploeg. Zondag wordt met de komst van Anderlecht het toezicht nog verscherpt. Jammer, maar helaas.

08-11-2014-Sportbeschaving

Doping in 2014 in De Morgen van 8 november 2014

NOOIT MEER GESTRAFTEN, NOOIT MEER ‘FITNESSERS’

In topsport bengelen we achteraan, maar qua dopingbestrijding behoort Vlaanderen tot de meest performante regio’s in de wereld. Op de strafbank vind je trouwens steeds minder ‘klassieke’ sporters. Twee op de drie schorsingen worden opgelegd aan fitnessers en bodybuilders.

Recente dopinggevallen, of wat daarvoor moest doorgaan, zoals dat van sterrenchef Luc Bellings en zijn testosteroncrème of de ongelukkige tienkamper Thomas Van der Plaetsen (die een verhoogde HCG-waarde kon verklaren door een nog niet ontdekte teelbalkanker) hebben het nationaal antidopingagentschap NADO Vlaanderen meer belangstelling opgeleverd dan gewenst.

Maar hoe zit het nu met die cijfers?
Hoe erg is het gesteld met het dopinggebruik in Vlaanderen? Hoe smerig is de oorlog tegen de doping?

De Morgen houdt al tien jaar de evolutie bij van het dopinggebruik en de daaropvolgende straffen. De conclusies spreken voor zich. Aantal straffen de hoogte in

De bovenste grafiek op de volgende bladzijde geeft een stand van zaken van 2005 tot 2014, met telkens een momentopname op 1 november, niet toevallig het einde van het wielerseizoen omdat die sport lang de dopinglijsten domineerde.

Hoewel vergeleken met 2005 maar liefst 72 procent meer ‘atleten’ op de straflijst staan en er sinds vorig jaar weer 22 zijn bij gekomen, lijkt de dopingbestrijding in dit landsgedeelte te werken.

Momenteel mogen 186 Vlamingen, en enkele niet-Vlamingen die hier toevallig zijn betrapt, van de dopingautoriteiten niet sporten. Veertien daarvan staan geboekt met een voorlopige schorsing.

Tienkamper Thomas Van der Plaetsen is inmiddels van de lijst afgevoerd, maar hij staat wel nog anoniem in de statistieken als de enige ‘dopingpraktijk’ die de controles buiten competitie dit jaar hebben opgeleverd.

1. Steeds langere schorsingen

Omdat de straffen langer duren, blijven meer namen langer op de dopinglijst staan. Van de 100 gestraften in 2005 zaten er 67 een straf uit van minder dan twee jaar. Van de 172 gestraften op 1 november 2014 kregen slechts 5 sporters minder dan twee jaar. 96 hadden op de kop af twee jaar gekregen en 61 kregen een straf van meer dan twee jaar. In 2005 waren er maar twee overtreders met een langere straf dan twee jaar.

Voor NADO Vlaanderen is er een eenvoudige uitleg. “De lengte van de straffen is de laatste jaren gestegen omdat bijvoorbeeld in 2005 de sancties van het Wereldantidoping-agentschap WADA nog niet werden gevolgd. Dit gebeurt pas sinds de inwerkingtreding van het Dopingdecreet in augustus 2008. Omdat voornamelijk bij fitness heel veel anabolica aangetroffen worden, vaak in een cocktail, spreekt de disciplinaire commissie daar dan ook strengere straffen voor uit.”

Een kwart van de gestraften (44 op 172) kreeg vier jaar aan de broek, allen fitnessers of bodybuilders, allen voor meerdere producten.

2. Niet zo fit-ness

Bij controles binnen wedstrijdverband in de klassieke sporten is er een lichte daling waar te nemen. In 2010 was nog 4,8 procent van de controles positief. In 2013 nog slechts 3,7. De trend voor 2014 laat geen stijging vermoeden, eerder zelfs een daling.

Van de 172 sporters tegen wie een straf is uitgesproken, komen er 112 uit de fitness- en bodybuildersmilieus en neem daar ook maar power lifting en de Sterkste Man-competitie bij. Tellen we daar ook nog de meest agressieve vechtsporten bij op, dan komen we aan 132 op 172 gevallen of bijna tachtig procent dat niet uit de ‘klassieke’ sport komt.

88 kregen hun straf na controles in de hardcore fitnesszalen. Het gaat hier om controles die op verzoek van de politie of de Cel Hormonen worden uitgevoerd. De controleurs worden daarbij altijd vergezeld door politiemensen. Tussen juli en oktober van dit jaar kwam er geen enkel verzoek om een controle binnen, dus is er in het derde kwartaal van 2014 ook geen enkel positief geval in die fitnesszalen geregistreerd.

Vlaanderen is een vrij uniek in deze aanpak. In de meeste ons omringende landen is controle op hormonale spierversterkers in het spierbundelmilieu een exclusieve zaak van de drugsbrigades. Wij sturen meteen artsen van het NADO mee en nemen urine- en/of bloedstalen af.

3. Zuivere koers

De tweede dopingsport na de fitness- en bodybuildingsector is wielrennen, met 33 gestrafte atleten. Dat is een behoorlijke vooruitgang vergeleken met 2005, toen van de 100 gestrafte dopingovertreders meer dan de helft uit het wielrennen kwam. Wielrennen blijft de meest gecontroleerde sport. In het derde kwartaal van 2014 kwam een op de drie gecontroleerde sporters in competitie en meer dan de helft buiten competitie uit het wielrennen.

De renners op de dopinglijst zijn echter hoofdzakelijk nobele onbekenden. Volgens NADO Vlaanderen stelt het probleem zich bij de elites zonder contract, de nevenbonden en bij ouderen. De laatste jaren is geen enkele grote naam meer tegen de lamp gelopen, al beweert men nu – met de zaak rond de Rotselaarse arts Chris Mertens en zijn ozontherapie – dat er grote namen op de lijst met verdachten staan.

Sport nummer drie in de hitparade zijn de agressieve vechtsporten catch, boksen en kickboksen met 19 gestraften. Dertien andere sporten zijn goed voor 22 positief bevonden atleten die een straf overhielden aan hun dopingovertreding.

4. Vlaanderen is vlijtige controleur

Vorig jaar heeft Vlaanderen 2.333 controles uitgevoerd, waarvan 640 buiten competitie voor gewone sporters en 150 voor fitnessers. Dat is tien procent meer dan Nederland, dat bijna drie keer meer inwoners heeft dan Vlaanderen en zes keer meer topatleten. In Nederland wordt haast nooit in de recreatieve sfeer getest.

In 2014 zit men in Vlaanderen na drie kwartalen aan 1.853 controles, waarvan 429 buiten competitie bij sporters en 96 bij fitnessers.

In Franstalig België werd vorig jaar 1.255 keer gecontroleerd, waarvan een kwart buiten competitie. Ook het NADO van de Franse Gemeenschap maakt soms haar opwachting in fitnesszalen. De bestraffing laat ze echter over aan de respectievelijke bonden of clubs, wat in de praktijk betekent dat dopingovertreders in fitnesszalen vrijuit gaan.

5. Buiten competitie testen: flop of top?

In 2013 werd één geval op 640 tests bij klassieke sporters als dopingvergrijp gecatalogeerd. Een jaar eerder waren er twee, dit jaar nog geen enkel. Controles buiten competitie bij de zogeheten topatleten die hun whereabouts moeten opgeven, is een hele dure zaak. Het rendement lijkt bijzonder klein, maar er is geen andere keuze. Niet langer buiten competitie en onverhoeds bij een atleet controleren, zou de deur openzetten voor georganiseerde doping tijdens trainingsperiodes. De schamele oogst bij buiten- competitiecontroles kan even goed als een pluim op de hoed worden gestoken: het systeem schrikt af en daar was het van in den beginne voor bedoeld.

Minister Muyters (N-VA): ‘Vlaanderen is een voorbeeld’

Het Vlaamse dopingbeleid is ingegeven door de zorg om de cleane sporter, zegt minister van Sport Philippe Muyters. Wie eerlijk speelt, moet volle kansen hebben om topprestaties neer te zetten en kampioenschappen te winnen. Het Vlaams dopingbeleid is er niet op gericht om mensen te ‘pakken’, maar wel om eerlijke en gezonde sport te promoten, mét oog voor klantvriendelijkheid.

Muyters: “De afgelopen jaren hebben we die klantvriendelijkheid steeds meer een plaats kunnen geven in het beleid, zonder aan efficiëntie bij de controles in te boeten. Ook internationaal is dat een visie die steeds meer ingang vindt. Dopingcontrole kan alleen maar werken, als ook alle deelnemers volgens dezelfde standaard werken.

“Dat is meteen de kracht en de zwakte van het WADA. Sinds ik namens Europa als expert-minister naar het WADA ben afgevaardigd, pleit ik daar steevast voor een level playing field voor alle sporters. Dat principe (voor alle spelers gelden dezelfde regels) is niet iets wat in een vingerknip overal wordt geïmplementeerd. Sommige geesten hebben tijd nodig om te rijpen.

“Ik vind niet dat wij ons beleid naar beneden zouden moeten bijstellen, maar wel dat andere landen zich op ons niveau moeten brengen. Wij hebben intussen dankzij onze goede en klantvriendelijke controles ook internationaal heel wat geloofwaardigheid opgebouwd. Dit is dan ook de lijn die we in de komende jaren zullen doortrekken.”

HANS VANDEWEGHE

Doping 2014