Interview Steven Martens in De Morgen van 31 jan 2015

‘Ik gun niemand mijn easy exit’

Eerst zette hij de profliga uit de wind in de affaire rond de Standard-tifo. Maar een paar dagen later kreeg opperste bondsbons Steven Martens (50) een dolk in de rug toen een tot nader order onbekend lid van diezelfde profliga een vertrouwelijke auditnota lekte. ‘Ik vraag mij af hoe dit verder moet.’

Steven Martens zat woensdag in het Zwitserse Nyon namens de UEFA voor een internationale audit toen hij een sms kreeg: of hij Het Laatste Nieuws al had gelezen. Even later ging de telefoon: de radiojongens van De ochtend. Of hij wilde reageren op de beschuldigingen van financieel wanbeheer? Dat wilde de CEO van de Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB) en hij tweette meteen het veelbesproken en door de raad van bestuur goedgekeurde Financieel Jaarverslag 2013-14.

Het was het begin van een dolle 24 uren waarin schadebeheersing centraal stond. The day after the day after zit hij in de Crowne Plaza aan de andere kant van een hoog tafeltje: beschadigd, maar combattief, zelfs een beetje contemplatief.

Steven Martens: “Helemaal onverwacht was die aanval niet. De jaarrekening was al door onze raad van bestuur goedgekeurd en toen die naar het uitvoerend comité moest, hebben de zes leden van de Pro League in dat comité een mail gestuurd met de vraag om uitstel. Toen dacht ik al: hier zit iets achter. En wat bleek? Iets later lekte men een intern auditdocument dat vragen stelde bij die jaarrekening, maar waar wij inmiddels in de raad van bestuur hadden op geantwoord. Alleen de vragen kwamen naar buiten, de inmiddels goedgekeurde antwoorden niet.

“Toen ik woensdag mijn live-interview deed met Michiel Ameloot van VTM, stond die te zwaaien met het document dat ik op het net had gezet, maar ook met de interne audit waar ‘vertrouwelijk en confidentieel’ op stond. Daar kan ik niet om lachen, en niet alleen omdat mijn reputatie nu door het slijk is gehaald. Dat is beschadiging en dat zijn de politieke spelletjes.”

Wie heeft gelekt? Alles wijst op de profliga.

Steven Martens: “Dat weet ik niet. Ik heb wel een vermoeden. Het is duidelijk dat het een combine is van verschillende belangen tegen de KBVB en mijzelf.”

De auditnota zegt dat de KBVB verlies maakt en u zegt dat er winst is gemaakt als de beide vleugels mee worden genomen in de afrekening. Is dat een boekhoudtrucje?

“Neen. Boekhoudkundig maakt de entiteit vzw KBVB verlies, maar samen met de vleugels maken we winst. Dat is geen trucje, maar basic boekhouden. Ons totaal werkingsbudget in een normaal jaar is 45 miljoen euro, voor de drie bonden samen. Met dat bedrag werk ik. In een WK-jaar is dat ongeveer 15 miljoen extra, dus 60 miljoen.

“Wij consolideren de cijfers van de KBVB en Vlaamse Voetbalfederatie en de Waalse tegenhanger omdat wij heel veel taken gemeenschappelijk doen. Dat is helemaal niet kunstmatig, want wij zijn één btw-eenheid en we hebben zelfs één gemeenschappelijke ondernemingsraad. (Het voetbal heeft destijds van minister Anciaux als enige sport in België die uitzonderingsstatus verkregen. Alle andere sporten zijn volledig gesplitst conform de staatshervorming. HVDW)

“Voor die regionale vleugels krijgen wij subsidies van de regio’s: vier miljoen in totaal. De Vlaamse vleugel heeft uit ledenbijdragen en subsidies acht miljoen inkomsten, de Walen vijf miljoen. Dat volstaat niet om de werking van de vleugels te financieren. Jaar na jaar stoppen wij per vleugel ongeveer een half miljoen toe. Onze revisor had ons geadviseerd om die som voortaan op voorhand te betalen zodat de vleugels niet telkens in het rood moesten afsluiten.

“Dat betekent dus dat we één miljoen euro extra hebben in de uitgaven van de entiteit KBVB, maar we vinden die som terug bij de vleugels. Dat verklaart onder meer het verschil tussen 200.000 euro verlies of 600.000 euro winst. Neemt u van mij aan dat we winst hebben gemaakt, terwijl we eigenlijk op een verlies van ongeveer 500.000 hadden gerekend.”

Maar, zeggen de critici, met die omzet na die mooie kwartfinale in Brazilië had u meer winst moeten maken.

“Dat is niet juist. Van de meeropbrengsten, die we uiteraard niet konden voorzien, is het grootste deel – 91 procent – naar het sportieve functioneren gegaan. Van de winstpremie van 10,8 miljoen vloeide 8,5 miljoen naar de spelers en staf terug. We hebben aan de World Cup 1,2 miljoen overgehouden. Duitsland heeft het WK gewonnen en heeft een winst van drie miljoen. De Franse bond rekent dit jaar op een surplus van 200.000 euro. Brazilië wás gewoon duur. We hebben de verplaatsingen tot het minimum beperkt, maar als we volgende week met het oog op het EK de technische ruimtes gaan bekijken in Bordeaux, kost ons dat een fractie van een WK-trip.

“Wij hebben misschien ook kosten gemaakt waarvan ik denk dat we die de volgende keer zullen moeten doorrekenen. Neem nu het perscentrum dat wij bij het hotel hebben opgetrokken en de supersnelle wifi die we daar op onze kosten hebben geïnstalleerd. Alleen al gezien mijn recente ervaringen met sommige media, weet ik niet of we dat nog wel moeten doen.”

Niet boos zijn op ons. Sportjournalisten en jaarrekeningen is een gevaarlijke combinatie, maar u bent ook niet transparant: de vorige jaarrekeningen zijn niet te vinden op uw site.

“Klopt. Dat is jammer, en daar moeten we snel iets aan doen. (Haalt op zijn laptop de cijfers van de raad van bestuur van mei 2014 op) U ziet dat we voor volgend jaar weer mikken op een winst van een half miljoen euro en dat doen we terwijl we drie miljoen minder bijdrages innen van de clubs. Het verhaal dat we niet teruggeven aan de clubs is dus manifest onjuist, want we hebben
de bondstaksen verlaagd van 7,5 naar iets meer dan 4 procent. En de boetes zijn ook met 300.000 verminderd omdat er door de digitalisering minder fouten zullen worden gemaakt.”

Bonka Circus was producent voor de mediacampagne rond de Rode Duivels. Uw centrale verdediger en kapitein is daar hoofdaandeelhouder. Zou u dat opnieuw doen?

“Wanneer ik daar nu zo op terugkijk en met de heisa die erover is ontstaan: neen, wellicht niet. Ik heb hier onnodige risico’s genomen. Ik zeg ook niet dat ik geen fouten heb gemaakt of dat ik de dingen niet verkeerd heb ingeschat. Managen betekent ook leren uit fouten. Wat het bedrag betreft waar men vragen over had; dat is perfect verklaarbaar.

“De keuze voor Bonka heeft ook niks te maken met Vincent Kompany. Hun concept was uniek en door hen hebben we onze fanbase verbreed. Als ik zie wie er op de fandag was in Oostende, dan hadden we daar de hele Belgische bevolking, van jong tot oud, Belgen en nieuwe Belgen. Wij hebben de markt van het voetbal uitgebreid en dat wordt mij nu niet in dank afgenomen. Je kunt dit ook jaloezie noemen.”

600.000 euro voor het reclamebureau Boondoggle is wel een flinke som.

“Wat is 600.000 euro als je daarmee al je stadions vult? Eén derde was voor de Duivelse uitdagingen, toch een bijzonder geslaagd concept vindt iedereen. De rest ging naar de rebranding, de look-and-feel van de bond en het bondsgebouw, maar in hoofdzaak naar de opstart van onze webshop. Als dat 300.000 euro heeft gekost, dan staat daar 3 miljoen inkomsten tegenover.

“We spreken over 2012, het moment van opstarten. We waren toen niet gekwalificeerd voor het EK en het moest allemaal nog beginnen. Toen ben ik in de raad van bestuur beginnen praten over merchandising en licensing. ‘Leg eens uit, wat je daarmee bedoelt’, kreeg ik als vraag. We komen echt van heel ver en we zijn heel hard gegaan.”

Is de verloning van het management nog een item?

“Dat weet ik niet. Ik denk dat dit achter de rug is. Wij worden eerlijk verloond, beter dan in de tafeltennisbond wellicht, maar nu ook weer niet exorbitant en conform wat je in de bedrijfswereld zou verdienen.”

Het verhaal van de big spenders Steven Martens en co. gaat er wel een stuk makkelijker in dan uw uitleg, het spijt mij zeer.

“Natuurlijk, ik sta hier redelijk machteloos. Deze brochure (het financieel jaarverslag dat nog niet op het uitvoerend comité kwam, HVDW) heet ‘Groeien & winnen’, precies wat we hebben gedaan in 2013 en 2014. Hier staat alles netjes in uitgelegd. Het is technisch gezien geen jaarverslag, dat is ook juist, maar het stelt het wel bevattelijk voor en het is in elk geval meer onderbouwd met cijfers dan de manier waarop men mij woensdag vanuit de heup heeft afgeschoten.

“Het wordt nu voorgesteld alsof het slecht gaat, maar we hebben 15 miljoen euro liquide middelen en een eigen vermogen van 35 miljoen. We presteerden de voorbije vier jaar ook steeds beter dan gebudgetteerd. Volgend jaar nemen we ook nog eens 2,4 miljoen euro sociaal passief mee door de twintig ontslagen die bij ons zijn gevallen, maar daar tegenover staat een recurrente besparing van 1,3 miljoen euro aan salarissen.”

Heel veel bestuurders zien een sportbond als een spaarkas waaruit zij geld willen halen om hun belangen te financieren. Maar jullie wilden zelf werken en werken kost geld.

“We hadden ook een inhaalbeweging te maken, want we stonden tien jaar achter. De digitalisering heeft ons over drie jaar gespreid 3,7 miljoen euro gekost. Is dat veel geld? Ja, maar nu hebben we wel het meest performante informaticasysteem van alle bonden. Tien dagen geleden hebben we de app Best of Belgian Football gelanceerd en we hebben al 130.000 aanmeldingen.

“Het up-to-date houden van ons klantenbestand is de grootste uitdaging en dat doen we door de mensen te verplichten om één keer per jaar hun identiteitskaart in een e-cardreader te stoppen: alles gebeurt nu digitaal. De 90.000 aansluitingen, 30.000 transfers, 220.000 wedstrijden waarvoor vroeger iemand hele dagen kaartjes en bladen zat in te vullen, gebeuren nu online.”

Met die database kunt u aan CRM (customer relation management) doen, maar dan bent u een concurrent voor de profclubs. Geen wonder dat ze u weg willen.

“Wij doen inderdaad aan merchandising, licensing en CRM zoals activering en engagement van fans. Dit is dé discussie: in welke mate kannibaliseert onze commerciële werking die van de profclubs? We hebben ook partners, sponsors dus, net als de clubs, maar ook daarvan ben ik overtuigd dat het niet om communicerende vaten gaat. Wij trekken een extra publiek aan, zowel bij de fans als bij de sponsors. ING wil geen clubsponsor zijn en door ons zitten die toch in het voetbal. De families die wij extra bereiken, maken we ook warm voor het voetbal.

“Wij nemen geen business af van de profclubs. Integendeel. De impuls die wij hebben gegeven aan de nationale ploeg, en die de nationale ploeg grotendeels zelf heeft gecreëerd door hun prestaties, heeft ervoor gezorgd dat de waarde van de Belgische voetballer vandaag hoger is dan ooit. Dat komt de clubs rechtstreeks ten goede.”

De profclubs zien u als de zeventiende eersteklasser, een commerciële concurrent die nog groter is dan Anderlecht en die sámen met Anderlecht gaat voetballen in een nieuw nationaal stadion. Iedereen zal uw skyboxen willen.

“Ik wil absoluut een stadion in Brussel. In de eerste plaats omdat er dan nog meer stadions in België komen. Ik wil ook een stadion in Brugge en een beter stadion in Luik. Duitsland heeft geen nationaal stadion, dat klopt, maar wij hebben wel een stadion nodig in Brussel omdat we daar het meeste publiek trekken.

“Ik spreek bewust niet over een nationaal stadion. Dit is een Brussels dossier dat wij mee hebben losgetrokken, zodat het er kan komen. Zoals onze stadionmanager ook contact heeft met Brugge, Oostende en Waregem om te kijken of we daar iets kunnen betekenen. Nieuwe stadions betekent meer publiek; Gent is daarvan het beste voorbeeld.”

De clubs vinden dat u te veel geld verteert, de grote clubs vinden dat u een concurrent bent én u bent ook nog eens gelinkt aan bondsvoorzitter François De Keersmaecker die sommigen weg willen. Genoeg redenen om u af te schieten.

“Ik ben in deze sport gekomen om een aantal zaken te realiseren. Ik wilde onze impact op de sport vergroten en de organisatie veranderen. Ik wilde een breder draagvlak van supporters voor de nationale ploeg. Dat is gelukt. We hebben het momentum gepakt. In 1986 werden we vierde en speelden we onze eerste kwalificatiewedstrijd na dat WK voor 14.000 man. Nu hebben we tegen Andorra 45.000 tickets verkocht. Denk je dat dit zomaar gaat door aan te kondigen dat je tickets kunt kopen? Dat is een verhaal van communicatie, marketing, activering, promotie, et cetera.

“We hebben ook nooit meer leden gehad dan vandaag. We zijn als bond financieel sterker dan ooit. We zijn één van de ‘waauw- nations’ in het Europees voetbal. Men komt bij ons kijken naar onze jeugdopleiding, naar onze digitalisering, enzovoort. Overal worden we als voorbeeld genomen, maar in eigen land zijn we geen sant. (lacht)

“Wat de voorzitter betreft: ik kan zeer goed werken met François De Keersmaecker. Ik zal hem dan ook nooit afvallen. Komt er onder impuls van de profclubs een andere voorzitter, dan zal ik daar ook mee werken. Tenzij hij mij weg wil natuurlijk, maar dat zien we dan wel. Ik zal mij nooit bemoeien met de voorzittersverkiezing van juni.”

U wordt ook verweten dat u niks heeft gedaan om tweede klasse beter te maken.

“Dan zeg ik: ik ben met mijn handen en voeten gebonden aan wat de eersteklasseclubs beslissen. Ik heb initiatief genomen, er is een studie geweest van Ernst & Young, maar het advies om de eerste klasse uit te breiden, is afgeschoten. De CEO van de voetbalbond werkt operationeel. Ik voer een beleid uit, ik heb zelf geen politieke of reglementaire macht. Daar zijn de liga’s en de vleugels voor verantwoordelijk.

“Dat zagen we nog met de tifo van Standard. Ik ben meegegaan met Ludwig Sneyers van de Pro League die over dat soort problemen gaat. Uit solidariteit, maar wie kreeg alle vragen? Ik. Ik kan wel zeggen dat ik 100.000 euro boete wil, maar dat is mijn bevoegdheid niet. Toch stellen de media mij de vraag waarom ik niks aan de tweede klasse verander en waarom ik Standard niet straf.”

Is dit nog wel werkbaar voor u?

“Niet koste wat het kost, maar ik zal hier niet over één nacht ijs gaan. Ik gun niemand mijn easy exit, maar ik vraag mij wel af hoe dit verder moet. Ik heb een prachtig team van medewerkers in alle afdelingen, mensen die mij steunen en er elke dag vol voor gaan. Alleen voor hen wil je al doorgaan. Maar dit is niet meer een verhaal van weerstand tegen verandering door middel van open discussie in een raad van bestuur. Hier wordt parallel een spel gespeeld waar heel veel tegengestelde belangen elkaar ineens vinden, onder meer in hun aversie tegen het Brussels stadiondossier. Dat werkt verstorend en is schadelijk voor het Belgisch voetbal en de voetbalbond.

“Ik zie mij dat gevecht wel aangaan, maar wil mijn raad van bestuur dat ook? Zijn die sterk genoeg om door te gaan? Ik weet dat niet.”

Steven Martens

Advertenties

Column Meningshebbers in De Morgen van 31 jan 2015

Meninghebbers

Eens in de zoveel tijd zit sport voorin in Het journaal of het VTM Nieuws. Dat heb je om de vier jaar in de zomer, want dan staan onveranderlijk het EK voetbal en de Olympische Spelen op het programma. In de andere pare jaren heb je om de vier jaar eerst Olympische Winterspelen en later die zomer ook nog eens de Wereldbeker voetbal. Ook wie anders nooit sport volgt, zit dan ineens voor de buis gekluisterd en analyseert het gebeuren als een expert.

Daarnaast heb je de pop-ups. Ineens doet zich iets voor in de sport wat zelfs de sporthater beroert: een dode of meer dan één, een doping- of een ander schandaal, een rel. Hét sein, ook voor de niet sportvolgers, om zich expert te voelen en daar ineens een mening over te ventileren, zelden geholpen door veel voorkennis of terreinervaring, laat staan context, en meestal vertrekkend vanuit een paternalistisch of dogmatisch standpunt.

Die pop-ups komen in alle gedaantes, weze het als hobbyfilosofen met een journalistenkaart, schrijvers/schrijfsters die niemand leest, academici of politici met veel tijd, politiek correcte culturo’s of meno/penopauzerende blogsters/bloggers zonder lezers. Ze krijgen fora op allerhande opiniepagina’s, facebooken zich lam en twitteren als kolibries in de hoop te worden geretweet.

Bij de eerste mening die er compleet naast zit, kan je een glimlach niet onderdrukken. Bij de elfendertigste naast-de-kwestie-mening denk je: waar haalt zo’n man of vrouw de pretentie om hier überhaupt ook maar iets over te zeggen?

Doping is bijvoorbeeld zo’n populair item. Hoe meer en hoe zwaarder de doping, hoe wereldvreemder de opinie’s. “Niet langer verbieden”, zegt de libertijn. “Repressie werkt niet”, zegt de theoreticus. Terwijl de praktijk juist uitwijst dat repressie wel werkt en je na drie gesprekken met topsporters beseft dat ze bij een gedoogbeleid in geen tijd zouden ontploffen van het spul. “Ontploffen als vrije keuze”, poneert de hobbyfilosoof daarop. Sorry, neen.

Pop-upmeninghebbers hebben mij al verweten een misogyne, racistische, holebihatende rechtse zak te zijn omdat ik mij vrolijk, zo nodig lichtjes druk had gemaakt in columns over:

– de vrouwen in de topsport, die zich zo graag met de mannen willen meten, maar die het door hun meestal hormonale beperkingen altijd en overal moeten afleggen,

– het geleuter over al die mannelijke topsporters die niet uit de kast zouden willen komen, waarbij ik de vraag stelde waarom ze jaren na hun carrière nog steeds niet uit de kast waren gekomen en er op wees dat het in de topsport (de nadruk ligt hier op ‘top’) nu eenmaal voordeliger is om lesbisch te zijn dan om homo te zijn,

– de Afrikanen (let op de geografische omschrijving, dit geldt dus ook voor de witte Chris Froome) die het cultuurgewijs toch net even iets lastiger hebben om zich aan de strakke discipline van de topsport te confirmeren.

Bij de soms felle reacties dacht ik onveranderd: lees eerst eens wat er echt staat, lees ook wat wetenschappelijke artikels en goede boeken, volg wat cursussen, ga een paar jaar naar topsport kijken, praat met mensen in die wereld en als je dan nog steeds de wijsneus wil uithangen, draai zeven keer je tong om en kom dan eens terug. Maar neen, hoe complex het fenomeen ook, ineens heeft iedereen zomaar een mening klaar. Hoe minder de meninghebber van sport kent, hoe dwazer de mening, hoe liever men ze heeft op de opiniepagina’s, jammer genoeg.

Neem nu deze week de tifo met de onthoofde Defour. Iedereen mág daar een mening over hebben, maar niet alle meningen zijn relevant en moeten worden afgedrukt. Vrije meningsuiting in een voetbalstadion? Komaan zeg. Ie-der-een die ooit in een voetbalstadion was bij een risicowedstrijd weet dat één vonk genoeg is om een heel stadion te laten ontploffen. En die tifo was geen vonk, maar een vlammenwerper in een benzinestation. Wie nooit bij een risicowedstrijd in een voetbalstadion was, moet zijn mond houden. Dat geldt binnen hun specifieke context ook voor alle andere heikele thema’s in de sport en wellicht ook daarbuiten.

Meninghebbers

Column over tifo Standard/onthoofde Defour op site DM van 26 jan 2015

Dit was van het meest wansmakelijke dat ooit op onze velden te zien was

Stel, u speelt voetbal voor geld, voor heel veel geld, onfatsoenlijk veel geld zelfs. Net voor de wedstrijd staat u in de spelerstunnel en u heeft net goeiedag gezegd aan een aantal van uw ex-ploegmaats, want u bent veranderd van club en via een omwegje heeft u de ene traditieclub voor de andere geruild. Dat is niet abnormaal op de kamelenmarkt van het voetbal, maar op de één of andere manier is het een halszaak voor de fans van club waar u vandaan komt.

De ploegmaats van weleer reageren wat koeltjes in dat tunneltje, maar dat is ook normaal in een stammenoorlog. U weet dat dit een heet namiddagje wordt maar wie de hitte niet  kan verdragen moet maar uit de keuken wegblijven (of niet veranderen van club), dus u bent voorbereid.

Bon, de hymne van de Pro League weerklinkt en de twee ploegen komen uit de tunnel. U kijkt rond en u ziet een gigantisch spandoek waar normaal de harde kern van Standard zit: een tifo heet zo’n onding. Op dat doek staat een tekst – Red or Dead – en naast de tekst een psychopaat met een een zwaard in de ene hand en uw eigenste hoofd in de andere. Ik denk dat uw knieën dan een knikje krijgen.

Maar goed, u bent voorbereid en wellicht goed geadviseerd over wat te doen en te laten en u speelt uw verdienstelijk matchke. Het haatdoek is inmiddels opgerold want anders zien een paar duizend man geen bal en dat willen ze niet. U speelt niet slecht, maar u pakt een ongelukkige gele kaart bij het wegtrappen van een bal.

En vervolgens pakt u nog eens geel want u trapt overdreven enthousiast een bal over de zijlijn omdat een speler geblesseerd ligt. U krijgt uw tweede geel en dus rood. Voetbalfans zijnde hebben die zich tot dan redelijk gedragen, maar nu beginnen uw eigen fans hun zitjes uit te breken. De tegenstander scoort twee keer tegen uw ploeg en u verliest met 2-0. Ik denk niet dat het met u nog goed komt.

Wat bezielde Boucaut om de wedstrijd die hij nooit had mogen beginnen niet gewoon stil te leggen toen Proto met van alles werd bekogeld?

Wat bezielde Standard om deze tifo toe te laten? Ze wisten er niet van, aldus de officiële uitleg, en voorzitter Roland Duchâtelet nam er na afloop afstand van. Postuum dan wel, want Bob Claes – commercieel directeur bij Standard – tweette voor de wedstrijd vrolijk een fotootje van de tribune met die ‘Red or Dead’ en de tekst ‘Come on you Reds!’

 Come on you Reds! #rsclpic.twitter.com/70vPaQ8pkj

Wat bezielde Standardtrainer Ivan Vukomanovic ondanks een open doelkans hem aangeboden door Peter Vandenbempt op de radio om géén centimeter afstand te nemen van die extreme uiting van haat. Integendeel, de domoor vergeleek zelfs met de derby tussen Rode Ster en Partizan in Belgrado. Als de Balkan de norm wordt, is het kalifaat niet ver af.

Wat bezielde de Profliga of welke instantie dan ook om vorig jaar al niet op te treden toen een al even agressieve en haatdragende tifo werd ontrold waarop Scarface Anderlecht neermaaide met een machinegeweer?

Een vergoelijkende uitleg luidt nu dat het telkens creatieve variaties zijn op filmklassiekers en die spandoek van gisteren was dan weer een verwijzing naar ‘Friday the 13th’ en het hoofdpersonage Jason. Het zal allemaal wel, maar je moet al behoorlijk niet van deze wereld zijn om een afgehakt hoofd in deze tijden niét te associëren met IS. Afgezien nog van de vaststelling dat horrorfilms toch eerder passen bij de verknipten in deze maatschappij, heb ik toch gezocht naar beelden van die meneer Jason met afgehakte hoofden: geen gevonden. Het zwaard van de Jason op de tifo is daarenboven een krom zwaard. Dit was ‘Friday the 13th’ meets IS en dat is van het meest wansmakelijke dat ooit op onze velden te zien was.

NOOT ACHTERAF: de afbeelding bestaat wel en is mij toegestuurd.

Ook al dit seizoen, op 19 oktober, maakten rellen uitgelokt door diezelfde Standardsupporters een einde aan de wedstrijd Standard-Zulte-Waregem. Toen kreeg Standard een boete van 5.000 euro ocharme, plus één speeldag met gesloten deuren. Die laatste straf werd teruggedraaid door het Belgische Arbitragehof voor de Sport en de Standardfans konden opgelucht ademhalen.

Het is te hopen dat de geschillencommissie nu lang genoeg zoekt tot ze ergens een regeltje vindt – integriteit van het spel aangetast, aanzetten tot geweld en haat, weet ik veel – en vervolgens goed doordacht motiveert. Standard een zak punten aftrekken, vijf wedstrijden zonder supporters laten spelen en laten afkoelen in play off 2. Minstens.

Column Absurdistan over cross/doping in De Morgen van 24 jan 2015

ABSURDISTAN

En ik die dacht dat ze voor hun tijdelijk gelijk al minstens naar het Europees Hof moesten, maar nu heeft het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (BAS) Tom Meeusen, Bart Wellens en Laurens Sweeck gevolgd in hun zaak tegen de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond (KBWB). Die is daardoor verplicht de renners te selecteren of in geval van niet-selectie te motiveren waarom ze niét zijn geselecteerd en die motivatie mag niks te maken hebben met hun betrokkenheid in een lopend dopingonderzoek.

De renners hadden gelijk dat ze deze zaak aanspanden. Het Arbitragehof had gelijk dat het deze beslissing nam, waartegen geen beroep mogelijk is. Maar de KBWB had ook gelijk dat ze de renners in eerste instantie niet selecteerde. Iedereen had gelijk, maar het grootste gelijk moet nog komen en dat is wellicht voor het Vlaamse antidopingagentschap (NADO Vlaanderen) als die straks met de staalharde bewijzen komt dat de renners hebben gezondigd tegen de dopingreglementering.

Zelfs als hij naar alle waarschijnlijkheid over afzienbare tijd twee jaar aan zijn broek krijgt, dan nóg kan Tom Meeusen ondertussen in Hoogerheide zijn ding doen en meer dan waarschijnlijk ook in Tabor volgende week op het wereldkampioenschap veldrijden. Winnen wordt een ander verhaal, want Meeusen had niet bepaald ‘de moral’ de voorbije twee weken, maar misschien dat die extra rust in combinatie met wat nijd hem vleugels geeft.

Iemand is onschuldig tot het tegendeel is bewezen en dat geldt zelfs voor een wielrenner die bij dokter Mertens patiënt was en daar domme/verboden dingen heeft gedaan. Alles wijst erop dat Meeusen en zijn kompanen effectief twee jaar aan de kant moeten, maar 100 procent zeker is het niet. En dus is het correct dat Meeusen mag starten.

De edele strijd tegen doping in de sport wordt iets minder edel van het moment dat de bewijslast wordt omgekeerd en het rechtsprincipe ‘onschuldig tot…’ met de voeten wordt getreden. Anderzijds zijn daar wel weer goede, specifieke redenen voor. Die zijn min of meer wielergebonden, want wielrennen mag dan niet de eerste dopingsport zijn, geen enkele andere sport heeft meer geleden onder het dopingspook.

Precies om zich in te dekken tegen retrograde aanpassingen van podia – zoals de Tour de France, waar zowat alle winnaars zijn verwijderd of in opspraak kwamen – heeft men onlangs besloten dat renners onder verdenking beter niet worden geselecteerd voor kampioenschappen of wereldbekers. Dat werd verordonneerd door de privéorganisatie UCI of de internationale wielerbond vanuit Zwitserland en dat werd overgenomen door de Belgische vzw de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond.

Men mag mij nooit verdenken van al te veel sympathie jegens de KBWB, maar inzake doping heeft de wielerbond de laatste vijftien jaar een strakke lijn gereden en die ook steeds aangehouden. Dat de KBWB nu wordt terechtgewezen door het BAS is niet haar schuld maar een evidentie die het gevolg is van de uitzonderingspositie die de sport steeds weer vraagt, maar nooit krijgt.

Deze affaire Meeusen en co. is iets groter dan we allemaal denken en vooral veel groter dan de betrokkenen willen laten uitschijnen. Die hebben het over een spuitje hier en een onschuldig prikje daar. Was ozon dan doping? Wisten we niet. Mochten spuiten niet? Jeetje, een vergissing. Die gespeelde naïviteit is mooi en zal hen misschien clementie opleveren bij het grote publiek, maar als de disciplinaire commissie van de wielerbond straks moet oordelen en de bewijzen worden hard gemaakt, dan zijn er volgend jaar minimaal twee profs minder.

Het veldrijden heeft een dodelijke bloedarmoede kunnen overleven en zal ook dit wel doorspartelen. Als deeldiscipline van het wielrennen is het relatief gevrijwaard gebleven van dopingverhalen, maar dat heeft in de eerste plaats te maken met een gebrek aan controles in het verleden.

Ondanks die lage pakkans werd Meeusens ploegleider Danny De Bie in 1991 omwille van fraude bij de dopingcontrole uitgesloten van deelname aan het WK in Gieten. En was er uiteraard de infame Mario De Clercq (nu ploegleider bij Sunweb-Napoleon Games) die vier jaar kreeg in 2003 in de zaak-Landuyt (net als onder meer Museeuw). In het veldrijden vindt men dat niet erg. De Clercq heeft nooit één letter schuld bekend en toch wordt nu al jaren een grote prijs naar hem genoemd, nota bene in de tuin van de bondsvoorzitter. In Absurdistan ligt in het cyclisme altijd om de hoek.

Absurdistan

Interview Patrick Lefevere in De Morgen van 24 jan 2015

‘Het wielrennen wordt veel te zwaar. En te saai’

Om zijn zestigste verjaardag te vieren, werd een perslek georganiseerd over de strafklacht voor belastingontduiking tegen Patrick Lefevere. Geen reden om op te geven, vindt de man met de meeste kilometers in het peloton. ‘Het is nu of nooit voor de koers. Zonder onze mecenassen dreigt de marginaliteit.’

In Argentinië en Australië is de koers begonnen en over een week is Marseille al aan de beurt. En dan hebben we het niet over het modderploeteren, weidebeklimmen of trappen omhoog lopen met de fiets, maar over het echte wielrennen, op de weg, op die glimmende rossen van carbon.

Another ride, another year? Niet voor Patrick Lefevere, wiens dag- en levenstaak het is om zijn biotoop op gezette tijden een geweten te schoppen. Gesprek met een zielsverwant.

Stel dat u de baas bent van het hele wielrennen. Wat zou u doen?

Patrick Lefevere: “Proberen niet nog meer terrein te verliezen tegenover de andere sporten. Het wielrennen heeft sinds 1998 zwaar afgezien: eerst de Festina-affaire, daarna de ruzie tussen ASO (organisator van onder meer de Tour de France; red.) en de internationale wielerbond UCI – wat volgens mij het wielrennen meer schade heeft berokkend dan al de rest – en de affaire Armstrong.”

U zit ongeveer een kwart eeuw in het wielermanagement of het wielerbeleid. Na UCI-voorzitter Hein Verbruggen was van visie weinig nog te merken.

“Klopt. Verbruggen had visie, maar hij was ook te veel dictator. Nu hebben we Brian Cookson, maar ik heb de indruk dat die aan de hand loopt van zijn ondervoorzitter David Lappartient, die als Fransman zelf uit de hand eet van ASO. Lappartient is daarnaast voorzitter van de Franse bond, van de Europese bond en van de Conseil du Cyclisme Professionnel, dat is een beetje veel samen, niet?

“Ik heb ook niet de indruk dat hun eerste bekommernis erin bestaat het product wielrennen aantrekkelijker te maken. Dat product verliest terrein en dat zie je ook aan de kijkcijfers. De koers wordt vooral slecht in beeld gebracht. Enerzijds vergrijst de bevolking en zijn er wellicht steeds meer mensen die graag vier uur lang naar wielrenners in een landschap willen kijken, maar het nieuwe publiek waar wij ons ook moeten op richten, wil een attractiever product. Voor hen moet het sneller en spannender, liefst samengevat in een uurtje of minder.

“Of stop mensen in een stadion en ze worden gek. Veldrijden is een stadionsport. Wegwielrennen ook heel af en toe: op de Muur, de Paterberg, Carrefour de l’Arbre of op een bekende col als l’Alpe D’Huez waar ooit eens één miljoen mensen hebben gestaan. Zonder noemenswaardige problemen en daarin zijn we dan wel weer beter dan het voetbal.”

Wielrennen vergelijkt zichzelf graag met voetbal, maar de top-20 in het Europees voetbal had in 1996 een gemiddelde omzet van 64 miljoen euro. Nu is dat bijna 300 miljoen, maal vier en een half.

“In 1996 zat ik bij Mapei en wij hadden met 8 tot 10 miljoen euro het grootste budget van de wereld. Vandaag houdt ons budget het midden tussen 16 en 20 miljoen, het dubbele. Daarboven zit Sky, waarvan men zegt dat er 30 miljoen euro in omgaat. Tussen Sky en onze ploeg zitten wellicht Katusha en Astana, die volgens mij geen echt budget hebben. Als ze geld nodig hebben, hoeven ze het maar te vragen.

“BMC en nog een aantal ploegen zitten op onze hoogte. Vervolgens komen de Fransen: ik weet dat AG2R het met 12 miljoen moet rooien, toch al een behoorlijke som. In die buurt of net daaronder zit dan het Belgische Lotto. De kloof met het topvoetbal is niet bepaald verminderd. Real Madrid zit aan 550 miljoen. Dat hebben alle profwielerploegen niet eens samen.”

De Europese voetbaleconomie is 20 miljard euro waard, waarvan de helft door honderd ploegen wordt gegenereerd. Uw budget is iets meer dan de helft van dat van AA Gent, subtopper in de twaalfde Europese voetbaleconomie…

“…en wij zijn in het wielrennen top-3 in de wereld. Naar uitstraling zijn we top-2 en wat overwinningen betreft zijn we nummer één. U hoeft mij niet te overtuigen van het verschil in economische waarde tussen wielrennen en voetbal hoor, maar Manchester City en Paris St-Germain zijn wel eigendom van rijke Arabieren.”

Wat is het verschil tussen een rijke Arabier bij PSG en die rijke Tsjech bij uw ploeg?

“Niet veel, inderdaad. Of toch. Als die Arabier opstapt, is er wel een andere rijke die zijn rol overneemt. Neem bij ons Zdenek Bakala weg, bij Saxo-Tinkoff Oleg Tinkov, bij BMC Andy Rihs, bij Garmin Doug Ellis en bij Orica-Greenedge Gerry Ryan, en wij zijn een marginale sport. Daarnaast sponsoren drie loterijen een ploeg en zijn Katusha en Astana eigenlijk teams van een land. Profwielrennen heeft geen gezond businessmodel, daar ben ik inmiddels wel al achter.”

Hoe kan het zichzelf heruitvinden en ergens hoger uitkomen?

“Ik zie niet direct hoe we dit op korte termijn kunnen oplossen. De atleten zijn op hun top, de fietsen ook, alles is beter dan ooit en toch is wielrennen soms een saaie sport. De parcoursen kunnen wel beter. Zevenentwintig hellingen in Luik-Bastenaken-Luik, moet dat echt? Als je vroeger op La Redoute demarreerde, kon je een beslissing forceren want er waren nog twee hellingen. Wie daar nu demarreert, wordt uitgelachen door het peloton want er komen nog zeven hellingen.

“Iedereen is tegen doping, maar het wordt wel steeds zwaarder. En de oudere renners hebben het over hun tijd waarin ze tweehonderd koersen reden per jaar. Ze vergeten er wel bij te zeggen hoe ze dat dan deden.”

Om de drie maanden een anabolenkuurtje met Deca-Durabolin.
“Om de drie maanden…?” (zucht) U had ook kritiek op de Ronde van Vlaanderen, waar weer extra hellingen zijn aan toegevoegd. Ja goed, misschien heeft die parcourswijziging ook te maken met wegenwerken, maar het moet niet zwaarder. Dat is mijn boodschap. Hoeveel renners starten er nu nog om te winnen? Tien, misschien. In het wielrennen wint een derdeklasser nooit van een eersteklasser, in het voetbal kan dat wel.”

Hoe zou het wielrennen zijn inkomsten kunnen verhogen?

“Ticketing is een optie, maar dat zal het verschil niet maken. Een andere mogelijkheid is sponsoring van de World Tour: grote bedrijven die daar een pak geld tegenaan gooien, een beetje zoals de Champions League in het voetbal. Dat is niet voor morgen. Ik zoek het meer in de nieuwe media. Er kijken 3,5 miljard mensen ooit wel eens naar de Tour.”

Begin alstublieft niet opnieuw over die tv-rechten die u wilt van de Tour, want dat zal hooguit een miljoen per team opbrengen.

“Het zal toch altijd één miljoen zijn. Nu krijgen we niks. De Tour wint elk jaar nog aan belang en dat is niet goed. Ik zeg vlakaf: geen enkele grote ronde heeft recht op 22 dagen in het moderne wielrennen. Haal wat van die saaie etappes af, maak het korter en gebalder en op maat van de consument van vandaag.”

De kijkcijfers dalen en uw 3,5 miljard kijkers is een overschatting…

(onverstoord)”…als van die 3,5 miljard er zich 10 miljoen een app aanschaffen en enkele renners volgen waarvoor ze een euro per week per renner betalen, is dat een extra inkomstenbron.

“We hebben dat al eens uitgeprobeerd in de Amstel Gold Race, maar twee Franse ploegen mochten niet meedoen van de Tour de France. Jammer. Later heeft de Tour het zelf uitgeprobeerd in de Tour de Picardie. Zij willen natuurlijk niet dat de ploegen zelf zich met dat soort producten bezighouden.

“Dat is nu het drama van de wielersport: er zijn veel partijen, maar ze roeien nooit dezelfde kant op. Wij hebben met elf ploegen een start-up opgericht onder de naam Velon. Daarmee willen we de markt exploreren. Een aantal ploegen ziet er het nut niet van in of wordt bewerkt om niet mee te doen. En ondertussen wordt het wielrennen voorbijgefietst. Door andere sporten nog wel.”

Heeft u al eens met Cookson samen gezeten?

“Neen. Vorig jaar was ik bij de Ronde van Californië en daar heb ik hem gezien. Hij was toen een paar maanden verkozen en is zich niet eens even komen voorstellen. Net voor mijn vertrek schoot hij mij aan: we should talk once. Ik stelde hem voor om samen te zitten met de geldschieters zoals Tinkov, Bakala en Ryan. Goed idee, zei hij. En ik heb nooit meer iets gehoord.”

Maken de Oost-Europeanen de dienst uit in het wielrennen, nu Igor Makarov van Katusha zelfs de European Cycling Union in zijn binnenzak heeft zitten?

“Weet je dat ik die Makarov nog nooit heb gezien? Als hij voor mij zou staan, ik zou hem niet herkennen. Ik heb wel ooit de Bugatti van zijn zoon zien staan naast onze bus.

“Het is altijd hetzelfde: als al die mannen met geld die in het wielrennen zitten, nu eens samen zouden worden gebracht door de UCI om te horen hoe zij de toekomst van die sport zien, maar neen. Ze vragen ons, we moeten daarvoor anderhalf uur in de auto naar Montreux, krijgen een powerpoint van een uur, koffiepauze, nog een uur powerpoint en dan is het lunch. Ik heb daar geen zin meer in. Ik heb een Zuid-Afrikaanse advocaat die het plezant vindt om daar naartoe te gaan.”

Kan er aan de zijde van het personeel, de renners, wat veranderen? Harder werken, misschien?

“Best niet. Nogmaals, we zijn tegen doping, maar het wordt wel steeds zwaarder en langer. Dit jaar kon ik na 15 september haast geen renner meer op zijn fiets krijgen, omdat ze weten dat ze begin januari al opnieuw in conditie moeten zijn voor Australië. De renners die nu dat programma rijden, zijn net geen maand weg.

“Ze hebben nu ook andere vrouwen dan Merckx met zijn ideale rennersvrouw Claudine Acou. De generatie Museeuw-Bomans- Peeters was de laatste die ik nog kon motiveren om in het voorjaar een maand weg te blijven. Vandaag duren trainingskampen twaalf dagen maximum. En mijn renners zijn dan nog erg vaak in actie. Haast allemaal zitten ze tegen de honderd koersdagen aan, of er zelfs over.”

Zelfs Tom Boonen zit aan negentig.

(sarcastisch) “Ik heb nochtans niet de indruk dat die veel heeft gekoerst. Oké, ik wéét wel hoeveel hij heeft gekoerst, maar de indruk wordt gewekt dat hij niet veel in actie was.”

Is hij dat vele geld nog waard?

“Sta mij toe daar na Roubaix op te antwoorden, net zoals ik daar voor Mark Cavendish op zal antwoorden na de Tour. Tom heeft de fysieke capaciteiten nog om onze klassiekers te winnen. Of hij het ook mentaal nog kan opbrengen, kan ik zo niet inschatten. Ik weet ook niet of hij veel meer uit zijn carrière had kunnen halen. Een trainer had niet veel kunnen bijdragen, maar een mentale begeleider om hem te overtuigen om drie weken door te bijten in de Tour, die had wel kunnen helpen.

“Boonen was drie jaar geleden al een discussiepunt in onze raad van bestuur, maar Frans De Cock (ex-eigenaar van sponsor Unilin; HVDW) heeft hem met hand en tand verdedigd en daarna won hij alles wat hij moest winnen. Hem nu al beoordelen, is hetzelfde als Cavendish een contract geven vóór de Tour. Hem verlengen, waarna hij in vijf massaspurts op rij geklopt wordt door Kittel, dát zou pas dom zijn.”

Wielrennen worstelt met zijn salarissen. Klopt het dat jullie topverdiener 2 miljoen euro vangt?

“Ik zeg niet neen.”

Bij een Belgische voetbalclub met een vergelijkbaar budget is dat 350.000 euro. Hoeveel krijgt de minst betaalde renner bij jullie?

“70.000. Ik weet waar je naartoe wilt. Het probleem in het wielrennen is dat er tussen de topsalarissen en de 500.000 niemand zit. Een paar hebben dan die 500.000 en de rest zit daar onder. Het merendeel verdient tussen de 100 en 200.000.

“In het wielrennen is het prijzengeld ook belachelijk laag. Wij hebben de Tour gereden, drie etappes gewonnen en met de hele ploeg samen 77.930 euro verdiend. De eindwinnaar van de zwaarste sportwedstrijd ter wereld krijgt 450.000 euro en betaalt daar nog 30 procent belastingen op, waarna het geld ook nog wordt verdeeld.”

Volgens het Kortrijks gerecht betalen u en uw renners niet genoeg belastingen.

“Ik heb niks anders, niks beter en niks slechter gedaan dan alle andere internationale ploegen in het wielerpeloton.”

In België houdt de sporter driekwart van zijn bruto salariskost netto over. Waarom gaat u dan nog creatief boekhouden in Luxemburg?

“Ik geloof niet dat wij iets illegaals hebben gedaan, maar dat zal de rechtszaak uitwijzen. Wij hebben al langer een ruling met de fiscus over onze activiteiten.”

Ziet u heil in een salarisplafond in het wielrennen?

“Neen. Op dat vlak ben ik liberaal. Je krijgt wat ze je waard vinden. Betaal je te veel aan een renner, tant pis.”

In dezelfde Tour rijdt een renner die 5 miljoen euro verdient, en dertig centimeter verder verdienen zijn collega’s een paar honderd keer minder. Dat is bijna uitlokking: ga voor die klapper, desnoods illegaal.

“Doel je op de Astana-dopinggevallen? Ik weet niet of dat de reden is. De broers Iglinski waren al gevestigde waarden, veel klappers konden die niet meer maken en wat die drie jonge gasten uit de opleidingsploeg betreft, daarvan heb ik het verhaal gehoord dat een ex-mechanieker ineens ploegleider is geworden en die gasten heeft gedopeerd.

“De zaak Astana is een moeilijke affaire, ook voor de UCI. Er komt een hele zak geld in het wielrennen met dank aan de Kazakken. Anderzijds, ik heb ook zo’n opleidingsploeg met AWT-GreenWay. Als daar een paar Tsjechen het zot in hun kop krijgen en beginnen pakken, ben ik ook besmet.

“Nu we toch weer bij doping zijn aanbeland: ik weet niet of het bij de profs nog een item is. Aan de onderkant, om dat profcontract te versieren, worden wel risico’s genomen.”

In België verwijt u de staatsploegen Lotto Soudal en Topsport Vlaanderen dat ze talent weghalen met staatsgeld, maar de hele goeie talenten kiezen toch voor u?

“Ik heb het vooral over de opleidingsploeg van Lotto. Die zijn talenten komen weghalen bij onze opleiding met beloftes over geld en daar wil ik niet in mee. Ik word er nerveus van en vandaar dat ik het nu anders aanpak. Ik ga de scoutingstoer op. Laat de anderen maar opleiden, ik zal de talenten wel uitkiezen.

“Wat Topsport Vlaanderen betreft, heb ik wel al gehoord dat ze daar renners aanraden om niet naar ons te komen, maar naar om het even welke andere ploeg. Vooral Walter Planckaert heeft daar het handje van weg. Ik zou niet weten waarom. Toch niet omdat ik hem in 1978 Kuurne-Brussel-Kuurne heb afgepakt? (lacht) Ik won toen omdat drie koplopers de verkeerde weg hadden genomen en Walter werd als winnaar gedeclasseerd.”

Krijgt u steun van uw collega-ploegleiders in uw strijd?

“Weinig of geen. Meestal omdat ze het niet zien. Ze denken van jaar tot jaar: als ik maar mijn sponsoring rond heb, dan is het allang goed.

“Ik ben ook een wielrenner die is doorgegroeid, maar ik heb een beetje gestudeerd en heb tien jaar in de privé gewerkt. De meeste van mijn collega’s hebben geen enkele visie. Op twee uitzonderingen na en die mis ik. Ze hebben zichzelf wel buitenspel gezet, maar met Manolo Saiz (ploegleider betrokken in de affaire Fuentes; HVDW) en Johan Bruyneel (affaire Armstrong; HVDW) kon je wel een discussie houden over de toekomst van het wielrennen. Jammer dat ze er niet meer zijn.”

Waarom doet u dit nog?

“Omdat ik het graag doe, al heeft dat vooral te maken met de komst van mijnheer Bakala. Die vertegenwoordigt bijna de helft van mijn budget. Zonder hem had ik moeten blijven aanmodderen en daar zou ik op zijn afgeknapt.

“Heb ik nu door Bakala weer een grote mond? Ik heb wel een boost gekregen, maar een grote mond heb ik altijd al gehad. Ook zonder Bakala zou ik mijn gedacht blijven zeggen. Maar er zou niemand luisteren. Dat is het verschil.”

Naar welke koers kijkt u uit dit jaar?

“De tweede etappe van de Tour, die door Zeeland gaat. Ik hoop op wind schuin van achter. Ideaal om het dan in waaiers te trekken. We hebben dat ooit nog eens gedaan in de Tour en dat was de enige keer dat ik ooit van ASO felicitaties heb gekregen.”

LefevereDMjan2015

Column Gouden Schoen in De Morgen van 17 jan 2015

GOUDEN SCHOEN

Nu is het zeker. Na de Gouden Schoen 2014 komt het nooit meer goed tussen de Franstaligen en de Nederlandstaligen in de sport(journalistiek). Volgens de Franstaligen had Silvio Proto de Gouden Schoen moeten winnen. Dat moet dan zijn omdat hij goed Frans spreekt, niet omdat hij de beste speler van de competitie was of is. Ook de beste doelman niet, want Mathew Ryan van Club Brugge kreeg zelfs twintig punten meer.

Soyons sérieux, Silvio Proto is geen topkeeper. Hij heeft Anderlecht kampioen gemaakt omdat hij op cruciale momenten in de weg stond van enkele ballen die rechtdoor tegen de netten wilden vliegen. In de weg staan en op geregelde tijdstippen vallen – in de weg liggen– zijn verplichte nummers voor doelmannen. Ook Stijn Stijnen kwam ermee weg en zelfs van hem hebben we ooit geloofd dat hij een goeie was. Veel is daar niet aan, tenzij je Courtois of Ryan heet, want dan heb je het in de weg staan tot een edele kunst verheven.

Volgens een Franstalige analist was er ook een Vlaamse fatwa uitgesproken tegen Standardspelers, want Paul-José Mpoku had veel te weinig punten gekregen. Dat zou weleens kunnen kloppen, maar of het een fatwa was, betwijfel ik. Eerder speelde aversie, die men met wat slechte wil racisme zou kunnen noemen. Journalisten moeten niet te veel hebben van jonge spelers met rare kapsels en kapsones en al helemaal niet als ze zich haast uitluitend via Twitter tot de goegemeente richten.

Dennis Praet of Víctor Vázquez, daar wil ik mij niet over uitspreken want ik heb geen zin om We Are Anderlecht- of We Are Bruges-jihadi’s aan mijn voordeur te krijgen. U ziet, de autocensuur heeft ons allemaal in haar greep. Maar dat Dennis Praet zou hebben gewonnen door Franstalige stemmen, zoals eerst voorspeld, is niet zo zeker.

De 87 journalisten die mochten stemmen – ik ben daar niet bij – hadden 17 punten meer gegeven aan Vázquez dan aan Praet. Met de voormalige Gouden Schoenen erbij kwam Vázquez zelfs op 22 punten meer te staan.
De trainers, de scheidsrechter en de bobo’s kozen dan weer eerder voor Praet dan voor Vázquez. Je kan daar pyschoanalyses op loslaten, ik durf het toe te schrijven aan enerzijds toeval en anderzijds een conservatieve reflex. Maar dat laatste verklaart dan weer niet dat de grootste kenners onder de stemmers – de trainers – 21 stemmen gaven aan Praet en maar 11 aan Vázquez.

Dé doorslag gaf echter de eerste ronde, waarin Praet amper elf punten kreeg maar Vázquez nog minder: nul punten. Dus is de enige conclusie na deze spannende, maar daarom niet minder vreemde uitkomst, dat de formule dringend aan revisie toe is. Een prijs uitreiken over een kalenderjaar midden in een seizoen, terwijl de kwalificatieperiode twee halve seizoenen omvat die los van elkaar staan, is een beetje bij het haar gegrepen.

Tradities zijn er om gerespecteerd te worden en de Gouden Schoen is een blijver, maar als na het seizoen de beste spelers van dat jaar meestal naar het buitenland verhuizen en niet meer in aanmerking komen voor de prijs, is dat zonde en vervalst het de uitverkiezing. De nummers twee, drie, zeven en negen van de eerste ronde – Hazard, Kouyaté, Batshuayi en Harbaoui – kregen hun ticket naar het buitenland en zo gingen 172 punten door de goot- steen.

De Profvoetballer van het Jaar, die wel na het seizoen wordt uitgereikt, is de meest eerlijke trofee omdat de stemmen vooral van de spelers komen. Maar de Gouden Schoen is de meest prestigieuze. Elk nadeel, zoals de vreemde timing, heeft ook zijn voordeel. Dat We Are Bruges twee keer nipt de duimen moest leggen voor We Are Anderlecht, reken maar dat dit in Brugge hard is aangekomen. Dat zal je terugzien in de tweestrijd straks. Het Brugse duo kolkend en kokend, ook wel bekend als Verhaeghe-Mannaert, reageerde deze week bijzonder rustig, maar dat is stilte voor de storm. De Brugse messen worden geslepen. De aanval op het Anderlechtbastion is ingezet.

Gouden Schoen

Verhaal Vanhaezebrouck in De Morgen van 17 jan 2014

‘Ik heb meer driehoekjes dan Cruijff’

Van zijn zesde op de bank, vanaf zijn zestiende libero of centrale verdediger en organisator van het elftal. ‘Ik was geen verdediger om de kunst van het verdedigen. De opbouw, daar ging het mij om.’ Voor de clash op Moeskroen geeft Hein Vanhaezebrouck (50), de meest aanvallende trainer van België, een masterclass.

De wedstrijd was laat op een zondagavond en omdat de dag nadien nationaal werd gestaakt, was het verslag in de kranten summier, áls ze het al in de krant hadden. De dag van de staking was er ook geen Extra Time om het nog eens onder de aandacht te brengen. Maar wie die avond in het stadion was of toevallig op de betaalzender keek, zal het zich zijn leven lang herinneren. Op zondag 7 december 2014 gaf AA Gent een onwaarschijnlijke voetballes aan KRC Genk.

Die negentig minuten in de Ghelamco Arena speelde AA Gent het Voetbal volgens Hein Vanhaezebrouck. Analisten en journalisten waren het achteraf voor één keer roerend met elkaar eens: du jamais vu in België. Zijn minzame tegenstander-coach Alex McLeish was in de perszaal kort van stof: “Nooit in mijn trainersloopbaan is mijn team zo weggespeeld als vanavond.”

Maar voetbal is het spel van weinig goals en hoewel die avond Gent meer dan twintig doelrijpe kansen afdwong, scoorde het nul keer. Nul, zoals in 0-0, en daarom is Hein Vanhaezebrouck die wedstrijd al vergeten. Andere wedstrijden koestert hij wel. “KV Kortrijk thuis tegen Club Brugge vorig jaar blijft mij nog meer bij. Dat was ook een wedstrijd die je helemaal controleert en waarbij je ze meteen bij de keel grijpt: 4-1 was het resultaat.”

Balbezit is het eerste grote beginsel van het voetbal volgens Vanhaezebrouck. Soms zit zijn team aan 70 procent, het eerste half uur op Kortrijk zelfs 75 procent. “We willen de bal én we willen hem zo snel mogelijk afpakken van de tegenstander. Dat betekent: hoog druk zetten, op de helft van de tegenstander. Als we de bal eenmaal hebben, willen we er iets goeds mee doen. Kan het snel, via een strakke inspeelpass? Prima. Kan het niet, dan kiezen we voor geduld in onze opbouw. De bal willen, betekent niet dat je hem altijd hebt. Wij moeten ook soms terug en dus moeten we ook omschakeling kunnen spelen.”

Aan zijn spelerscarrière kan het niet liggen dat Hein Vanhaezebrouck zo compromisloos over voetbal denkt. Eerst als libero en later als centrale verdediger speelde hij in Harelbeke en in Lokeren, niet bepaald wereldploegen en ook niet dominant. Dat laatste wil hij nuanceren, een van de specialiteiten van het huis Vanhaezebrouck.

“Met Harelbeke in de top vijf en met Lokeren lang aan de leiding gestaan: zo middelmatig was dat toch niet? Ook bij die ploegen probeerde ik dominant te voetballen. Ik was geen verdediger om de kunst van het verdedigen en ik was zeker geen mandekker. De opbouw, daar ging het om.”

Bij Lokeren had hij Georges Leekens als trainer. Die herinnert zich nog hoe hij hem recycleerde. “Als Hein eerlijk is, zal hij toegeven dat hij op zijn laatste benen liep. Het was allemaal wat trager en wat minder en op een dag zei ik hem dat er voor hem een plaats was als assistent, maar dat hij dan wel moest stoppen met spelen. Even later zat hij bij de staff. De eerstvolgende wedstrijden kon hij zijn mond niet houden. Hij coachte meer dan ik en dat moest ik niet. Daarom heb ik hem scout gemaakt, om hem uit onze dug out weg te halen (lacht). Dat hij een bevlogen trainer zou worden, daar twijfelde ik geen moment aan.”

Tikitaka

Teams waar Hein Vanhaezebrouck fan van was? Hij was van alle teams wel ooit eens fan. “Eerst was het Standard, dan Anderlecht en dan Club Brugge, zoals elk kind. Internationaal is FC Barcelona de ploeg die mij het meest heeft geïnspireerd, vanaf de periode Cruijff. Het Italiaanse voetbal beviel mij minder, tenzij dan AC Milan ten tijde van Rijkaard-Gullit-Van Basten en met Franco Baresi achterin. Wat de pure voetbalfilosofie betreft, ben ik vooral fan van het latere Barcelona, de periode Messi.

Zoals zij in balbezit spelen, zie ik heel veel dingen terug van hoe ik het ook zou willen. In Kortrijk speelde ik al van in tweede klasse met drie verdedigers. Toen Pep Guardiola naar Barcelona terugkeerde, zag ik hoe hij ook met drie verdedigers speelde, met Dani Alves op één flank volledig offensief en aan de andere kant Éric Abidal een beetje voorzichtiger en minder aanvallend. Dat deden wij ook.”

Waarop Vanhaezebrouck de onnavolgbare zin uitspreekt dat het spel van Barcelona vergelijkbaar was met dat van zijn tweedeklasser Kortrijk. De suggestie dat het andersom misschien iets bescheidener of zelfs logischer klinkt – Kortrijk vergelijkbaar met Barcelona – wuift hij weg.

“Ik kan het niet anders zeggen: wij waren eerder dan Guardiola. Dat ze het beter uitvoeren dan mijn ploegen, daar kan ik inkomen. Ik toon ook wel aan mijn groep beelden van hoe Messi, Xavi en Iniesta druk zetten. Althans vroeger, want ik heb de indruk dat Messi vaker stilstaat. Is er iets dat hem stoort of heeft hij het voldane gevoel van ‘ik zal wel voetballen als ik de bal heb’? Op hun top waren ze fenomenaal in de snelle recuperatie. Iedereen sprak over hun tikitaka-aanvalsspel, dat ook, maar hoe ze de bal terug in de ploeg kregen, dát was pas top.”

AA Gent probeert hetzelfde als Barcelona. Bal kwijt, betekent zo hoog mogelijk druk zetten. Dat moet met overleg, dus moet je daar op trainen. Er zijn verschillende manieren van druk zetten, leren we uit de masterclass. “Je kan superhoog druk zetten door de doelman te beletten een veldspeler aan te spelen, waardoor die moet uittrappen. Of je kan druk zetten zodat hij één speler wel kan aanspelen – niet toevallig de minst goede voetballer, die je in verlegenheid kan brengen als je hem vervolgens aanvalt. Zo maak je keuzes die afhangen van de gebreken van de tegenstander. Het meeste heb ik al aangegeven voor de wedstrijd en langs de kant moet ik ze alleen nog wat pushen.”

Sterkste groep ooit

Zoals elke goede filosofie verandert ook voetbalfilosofie niet ten gronde, wel de accenten. Bij Vanhaezebrouck is gaandeweg meer de nadruk komen te liggen op het fysieke werk. Met hun drie trainingen per dag tijdens de winterstage in Oliva werkten de voetballers van Gent haast zoals wielrenners. Om fysiek klaar te zijn voor de slag om play-off I en om er in de duelkracht op vooruit te gaan. Te beginnen vanavond in Moeskroen.

“In Europa gaat het er de laatste jaren veel sneller, veel atletischer, veel fysieker aan toe. Er wordt nu zelfs negentig minuten lang aan een hoog tempo gespeeld zonder merkbaar verval. Wij in België dachten altijd dat we een land waren van veel mentaliteit, vechtlust en fysiek voetbal, maar tegen heel wat landen komen we er al lang niet meer aan te pas. Komt daar nog eens bij dat we bij Gent ons pressievoetbal niet kunnen spelen zonder die goede fysieke conditie. Ik ben verbaasd hoe ze deze stage weer hebben verteerd; geen sprake van dat wij in maart in elkaar klappen.”

Waarmee we bij de wetenschap zijn aanbeland. Ook die heeft haast ongemerkt haar intrede gedaan in het voetbal. Hoe vaak heeft u al horen spreken over maximale zuurstofopname of VO2max in verband met voetballers? Hein Vanhaezebrouck roemt zijn zware motoren.

“Zo’n sterke groep heb ik nog nooit gehad. We hebben inmiddels meer dan twintig spelers met een VO2max van boven de 60 (70 is de norm voor een profwielrenner en de toprenners zitten rond en boven de 80, HVDW). Bij Genk en Kortrijk had ik er acht of negen. Wij selecteren daarop, al telt talent natuurlijk ook. Ik weet niet wat onder de motorkap van Messi zit, maar mocht die maar een VO2max hebben van laag in de vijftig, ik zou hem nog opstellen.”

Als Belgische topclubs het al moeten stellen met de kruimels die Europa laat liggen, dan is het nog zwaarder voor een subtopper
als Gent om talent met groeipotentie aan te trekken. Zolang ze maar goed genoeg kunnen voetballen, dan wil Vanhaezebrouck het gevecht wel aangaan om hen beter te maken. “Dat is trouwens makkelijker met spelers die van zichzelf weten dat ze niet de grootste talenten zijn en die het moeten hebben van hard werk. De echte sterren hebben het allebei: talent en werklust. Ik was op Man United een paar jaar geleden en Rooney was in alle oefenvormen de beste. Idem voor Cristiano Ronaldo bij Real.”

De absolute top, daar ligt de lat wat Hein Vanhaezebrouck betreft. Hij mag dan al vijftig zijn, hij behoort tot de nieuwe generatie Belgische voetbaltrainers, van het slag dat zich niet bij voorbaat neerlegt bij de suprematie van het buitenland. België zag jaar na jaar Anderlecht afgaan in de Champions League en concludeerde daaruit: geen spek voor onze bek. Nergens voor nodig, vindt de coach van AA Gent.

“Nicosia heeft de tweede ronde gehaald. FC Basel ook. Twee voorbeelden van teams uit kleine voetballanden die niet op voorhand op de knieën gaan. Anderlecht is daar nu ook bij met hun prestaties tegen Arsenal, met dank aan een aantal jonge spelers die zich niks hebben aangetrokken van de statistieken uit het verleden, maar puur van hun eigen voetbalkwaliteiten uitgingen.”

5-3-2 of 4-3-3

Nu we de bal hebben en de conditie hebben aangepakt, moet er worden gescoord. Ook daar is een plan voor en dat lijkt evidenter
dan het in de realiteit is. Nogal wat vakbroeders van Vanhaezebrouck laten de aanval over aan de intuïtie. Dat vindt hij grote nonsens. “Opbouw kan je ook leren. Het begint bij de keeper. Ik wil niet dat die uittrapt, maar juist opbouwt via een verdediger. Daartoe moet de veldbezetting optimaal zijn. Er is één heilig principe: het veld moet zo breed en zo lang mogelijk worden gemaakt. Zo lang mogelijk heb je niet helemaal in de hand, zo breed mogelijk wel. Als de tegenstander je dan wil vastzetten, moet hij ruimte laten en zo ontstaan er mogelijkheden.”

Hij weet hoe hij zichzelf zou bespelen, maar: “Ik zou wel gek zijn om dat hier uit te leggen.” Week na week verbaast hij zich over dingen die hij ziet en dingen die niet gebeuren. “Al toen ik met Kortrijk in tweede klasse speelde, dacht ik: waarom laten ze dit toe? Voor elke tegenzet bedenk ik natuurlijk wel een andere tegenzet.”

Hein Vanhaezebrouck is de man van 3-5-2 en niet van 4-3-3, het adagium van Barcelona en volgens de grootmoefti van het balbezit Johan Cruijff dé veldbezetting die de meeste combinatie-driehoekjes toelaat. Niet volgens Vanhaezebrouck: (droog) “Ik heb meer driehoekjes dan Cruijff. Weet je wat mij nu al het hele jaar verbaast: hoe verdedigend de grote ploegen bij ons komen voetballen. Anderlecht, Standard, Genk, Lokeren, noem maar op: allemaal streng in de organisatie. En dan lees ik dat Lokeren goed heeft gespeeld en ons kon afstoppen. Ja, maar wel ten koste van hun spel.

“Idem voor Genk. Het werd 0-0 terwijl het 10-0 had kunnen zijn, maar men schreef dat Gent het verschil niet had kunnen maken tegen een zwak Genk. Had ook gekund: Super Gent speelt Genk weg, maar vergeet te scoren. En tegen Standard werd in Voetbalmagazine Igor de Camargo de man van de wedstrijd terwijl hij twee ballen had geraakt: één geschenk dat niemand zou missen in het begin en een balrecuperatie aan het eind. Van dat soort analyses word ik nog weleens slecht.”

Hij was zelf analist, haast exclusief voor het internationale voetbal. Sinds zijn overstap naar AA Gent is hij ermee gestopt. Te druk met Gent, te druk met een huis bouwen. “Ik heb het Europees voetbal verwaarloosd, maar als we het over collega’s uit de Europese top hebben, dan ben ik de laatste jaren nog meer onder de indruk geraakt van Guardiola. Die kwam bij Bayern München dat alles, maar werkelijk álles had gewonnen, en wat zei hij: neen, we gaan het helemaal anders doen. In een paar maanden speelde Bayern zoals zijn Barcelona en ze werden nóg beter. Grote klasse.

“Van een andere orde is wat Louis van Gaal deze zomer flikte met Nederland. Hij wist dat hij achterin en in het middenveld slecht bediend was inzake kwaliteit, terwijl hij voorin twee aparte talenten had met Van Persie en Robben. Dus speelde Van Gaal een secure 5-3-2. Zeer on-Hollands en het werkte. Het had zijn tijd nodig om de ploeg dat systeem eigen te maken en hij vloekte toen hij merkte dat hij al meteen in het begin van het toernooi aan de slag moest. ‘Ik had die week extra goed kunnen gebruiken om mijn ploeg op punt te zetten.’

“In België was het andersom: bij ons werd gevloekt omdat we als een van de laatste teams aan de slag moesten, want we zouden ons vervelen. Terwijl je in die extra week natuurlijk had kunnen trainen op het samenspelen van Hazard en De Bruyne. Of op stilstaande fasen, dat had ook gekund.”

 

Column Parochianenkoers (bis) in De Morgen van 10 januari 2015

WAARSCHUWING: dit lezen – als u crossfan bent, of bobo – kan uw gezondheid schaden

Eerst even dit: aan de atletische prestatie van de heren (en dames) veldrijders mag niet worden getwijfeld. Een uur lang aan 90 procent van de maximale hartslag rijden, is behoorlijk zwaar. Het is wellicht ook behoorlijk gevaarlijk – daarover verder meer – maar niet alles wat zwaar en gevaarlijk is, mag je ook sport noemen.

Ten tweede kijkt Vlaanderen massaal naar veldrijden. Het format is subliem: in anderhalf uur – inclusief voor- en nabeschouwingen – ben je klaar. Maar kijkcijfers zijn geen argument. Er bestaat prachtige topsport waar veel naar wordt gekeken, er bestaat ook prachtige topsport waar geen hond naar kijkt.

Vervolgens zijn er alleen maar argumenten om veldrijden vooral niet als topsport te zien. De oorzaak van de populariteit van veldrijden is een klavertje van vier. Precies twintig jaar geleden geraakte de VRT, toen nog BRTN, het voetbalcontract kwijt. Het smeet zich daarop in het wielrennen en sindsdien volstaan drie mannen in fluopampers die samen naar een witte streep rijden om een tv-ploeg te sturen.

Voor de winterse zondagen was veldrijden een mooie aanvulling. Zoals steeds met sport op televisie was de insteek niet journalistiek, maar commercieel: wij hebben de rechten op deze of gene sport, dus wij promoten deze of gene sport. Toen ook een organisatiebureau als Golazo brood zag in de cross en voor hun B-wedstrijden en afgeleide producten een deal sloot met de VRT, was het hek van de dam.

Tweede oorzaak: op het juiste moment ontstonden mooie duels. Eerst Mario De Clercq tegen Sven Nys, later Bart Wellens tegen Sven Nys, dan Sven Nys tegen Niels Albert en tussendoor kwam af en toe een stoorzender als Erwin Vervecken voor een verrassing zorgen.

Derde reden: de wielerbonden van de provincies tot de nationale bond in Brussel weten dat veldrijden kannibaliseert op het echte wielrennen – op de weg, op de wielerbaan en op een mountainbike – maar ze verdienen een aardige stuiver aan de organisatievergunningen. Ten slotte: wij zijn er vreselijk goed in want we winnen alles. Het WK zandbakrijden in 2012 in Koksijde, waar zeven Belgen de eerste zeven plaatsen bezetten, was een absoluut dieptepunt.

Soms kwamen buitenlandse stoorzenders onze dominantie ridiculiseren: Lars Boom en Zdenek Stybar bijvoorbeeld. Zij zagen al snel de beperking van het veldrijden en maakten met hun superieure motor graag een doorstart in het echte wielrennen op de weg. Stybar, die het dubbele had kunnen verdienen in het veld, kwam nog één keer terug en werd wereldkampioen veldrijden.

De finaliteit van wielrennen kan onmogelijk een parochianenkoers voor modderfietsers zijn, die altijd door dezelfde parochie wordt gewonnen. Een land dat dit al te ernstig neemt, heeft geen topsportcultuur. Die hebben wij ook niet, want wij zijn kampioenen in het winnen van sporten of disciplines die andere landen niet zo serieus nemen.

Het is ook niet te begrijpen waarom Topsport Vlaanderen deze compleet zelfbedruipende economische bubbel sponsort. Om de toppers 15.000 euro per cross te laten verdienen boven op hun half miljoen vast salaris? De economie van het veldrijden is een schoolvoorbeeld van economische rente of surpluswinst. Dat is een winst of een vergoeding die veel hoger is dan nodig om een product te produceren. In mensentaal: met een minimale inspanning word je veel te rijk. Met de helft of een kwart zou je precies hetzelfde product krijgen. Dat geldt voor de meeste topsport, maar het veldrijden staat helemaal bovenaan.

Als laatste nog dit: het parcours in Erpe-Mere wordt omschreven gaande van ‘drassig’ tot ‘een zwembad’. Daar kunnen volwassen crossers wel tegen. Ik heb meer te doen met die nieuwelingen die zaterdagmiddag aan de slag moeten. Van jonge mensen, kinderen nog, is bekend dat het formidabele uithoudingsatleten zijn. Het is ook bekend dat het hart best niet te zwaar wordt belast of toch niet te lang. Ik heb ooit aspirantjes tijdens een kampioenschapscross ronde na ronde met een hoofd als een pompoen op hun fietsje uit een maïsveld zien zwijmelen en ik hoopte vurig dat er geen enkel hoofdje ontplofte, want dan had ik het kunnen gaan uitleggen. Een hart in de groei een halfuur lang maximaal belasten, kan nooit gezond zijn.

Parochianenkoers

Verhaal Niels Albert in De Morgen van 10 januari 2015

‘Mijn hart kon niet meer in overdrive’

‘Eén keer heb ik geweend. Toen ik in december in het jaaroverzicht mijzelf terugzag, die dag dat ik het bekendmaakte. Voor de rest gaat het, het ene moment al beter dan het andere.’ Op bevel van de cardioloog moeten stoppen, daar zal hij nooitvrede mee hebben, maar Niels Albert (28) houdt zich kranig. ‘Ik moet verder.’

“Komaan, komaan komaan. Denk aan die pedalen. Zet ze goed voor de opsprong straks. Jajaja, komaan, komaan komaan. Verdoeme, die rijden hard. De Wout zit à bloc, zie je dat? De Rob rijdt er zo naartoe. Ik denk dat de stress nu al begint.”

Even later komen we bij een verkouden Wout Van Aert, met een gezicht als een donderwolk. “De laatste twee toeren gingen niet meer jong. Ik weet niet wat er scheelt.” Hebben wij – fotograaf Franky Verdickt en ikzelf – exclusief gezien hoe de sensatie van het veldritseizoen en de gedoodverfde favoriet Wout Van Aert zondag weer geen Belgisch kampioen zal worden? Albert kalmeert het hele bos: “Er scheelt niks. Je ging hard, Wout, heel hard. Geen zorgen maken. Nog drie startjes en de dag zit erop.”

Onder het microklimaat van de Bosberg in Langdorp, waar de zon tussen de bladerloze bomen priemde, leek de lente een uurtje of twee in het land. Heel even was gekwetter van vogels te horen, alleen verstoord door het gehark van bos-soigneur Eddy De Rijck, het getater van Niels Albert en het gejakker van de crossers Van Aert en Peeters. Het was hun laatste bostraining vóór het Kempisch- Brabants kampioenschap veldrijden, ook wel het Belgisch kampioenschap geheten en bij uitbreiding het mini-wereldkampioenschap. Ploegleider Albert zag dat het goed was.

De avond ervoor was hij naar Aarschot gekomen. Voor een ‘klapke’. Een uitzondering is de atleet, weze het ex-atleet, die zelf met het voorstel komt om iets te eten en achteraf nog wat bij te praten. Ooit volgde ik Albert in de koude winter van 2009 in de week voor zijn eerste wereldtitel in Hoogerheide. De insteek was pure vooringenomenheid: hoe arrogant is die belager van Sven Nys wel niet? Wat bleek: niks arrogant, niks dikke nek. Niels Albert was een jonge gast, streetwise, met een open babbel en – bovenal – hij keek je recht in de ogen.

Dat was dinsdag toch weer iets minder. Nog eens praten over dat gedoe met die cardiologen die elkaar haast naar het leven stonden, daar had hij geen zin in. Filosoferen over zijn nieuwe bestaan, op het gevaar af dat oude wonden werden open gereten, moest dat wel? Zijn pijnlijke scheiding van zijn oude ploeg en zijn vriend Christoph Roodhooft, het waren geen van allen topmomenten.

Maar nu is er dat BK, de eerste keer dat hij een kampioenschap zal missen sedert 2002. En er is de terugval van het veldrijden, zijn ‘schuld’ en die van Nys. De tweestrijd met zijn dorpsgenoot Sven Nys herleidde het veldrijden tot een parochiaal kampioenschap, maar bracht het de laatste vijf jaar tot ongekende economische hoogten. Nys en Albert verdienden in hun vetste jaren rond het 1 miljoen euro. Hij ontkent het niet.

“Het was goed betaald, maar ik zou niet weten hoeveel ik heb. Wat vastgoed – appartementen vooral – mijn eigen huis dat ik heb gebouwd en nog wat weggezet. Sven en ik zaten aan de top en wat hij kreeg voor een cross, kreeg ik de laatste jaren ook. Maar ik had wel een hoger basiscontract bij BKCP dan hij bij Crelan.”

Maar kijk, nog voor hij arrogant dreigt te klinken, vergelijkt hij onze iPhones. “Jij hebt een 6, ik hou het bij die 5. Zie je hoe de mijne eraan toe is? Dat hoesje met die hoek af, die folie beschadigd… Ik kick niet op luxe, echt niet. Ik had een Audi SQ5 (313pk, 70.000 euro met wat opties, HVDW) maar die heb ik verkocht. Ik kreeg een Opel van de ploeg en dat is al lang goed voor mij. Chantal (zijn vriendin, HVDW) heeft een occasie Golf. Ze werkt nu ook weer fulltime.

“Het is mij altijd te prijzig. De beste aankoop die ik voor mijzelf vorig jaar heb gedaan, zijn botten van Aigle met daarin een warm velletje. Ik moet wel. Vroeger reed ik mij warm en nu sta ik een paar uur in de kou.”

Aan de beta-blokker

Hij haalt zijn schouders op en valt even stil. Dat zal hem de komende twee uur een paar keer overkomen, al of niet vergezeld van “ja, het is nu zo”. Het ijs is gebroken. Hij weet dat het niet de bedoeling is om hem de grond in te praten. Respect voor veldrijders dat ontelbare malen groter is dan voor het fenomeen veldrijden zelf. Dat kan contradictorisch klinken en veel crossers en hun achterban kunnen dat onderscheid niet maken, maar Niels Albert snapt het wel. Streetwise, door scha en schande geleerd en eelt op de ziel gekregen na een niet al te makkelijke jeugd.

Het godsoordeel dat hij over zich hoorde afroepen, was in de lente van vorig jaar bij een routinecontrole die uitging van zijn ploeg. Ook het hart werd beluisterd en bij hem hoorden ze ‘iets’. Het zou wel niks zijn, maar hij kreeg veiligheidshalve een bakje mee dat zijn tikker 24 uur monitorde.

“Er bleek wel iets aan de hand. Ik was verbaasd, maar als ik de film terugdraai ook weer niet. Ik had de laatste jaren af en toe een dag dat alles ging zoals in mijn beste momenten, maar er waren te veel dagen dat het niet ging. Dat ik moeite moest doen om uit de zetel te komen. dat ik niet vooruit geraakte en tegen Chantal zei: ‘Wat is er toch aan de hand met mij?’ Als ik eerlijk ben, dan denk ik dat ik hét al had vóór ik in 2012 in Koksijde wereldkampioen werd. Het is de enige koers die ik op dvd terug heb bekeken nadat ik was gestopt. Ik zocht iets, maar ik zag niks: het parcours lag mij zo goed en het scenario was zo in mijn voordeel dat ik zelfs met een hart dat geen 100 procent meer was toch wereldkampioen ben kunnen worden. Maar de weken daarvoor en daarna was ik nergens. En de jaren daarna was het ook harken. Al heb ik in Oostmalle in februari vorig jaar wel gewonnen, in mijn allerlaatste cross.”

Vanaf de zomer van 2012 bereikten ons berichten over een gebrek aan motivatie. Een verwende Niels Albert, die wellicht liever ging stappen dan in de zomer een lange duurtraining af te werken. Niels Albert leek hard op weg om de jongste has been van het peloton te worden en iedereen in zijn omgeving vloekte, niet in het minst op hem. Verdachte terugval, suggereerden anderen, waaronder concurrenten. En dan ben je in het wielrennen al snel bij doping. Hij haalt de schouders op.

“Ja, het is nu zo. Als ze dat willen denken, kan ik er ook een paar aanwijzen die ups en downs hadden. Christoph (Roodhooft, zijn vriend en ploegleider, HVDW) begreep er niks van. Hij dacht dat ik geen goesting meer had. Dat dacht ik ook, eerlijk gezegd, maar het ging gewoon niet. Er was iets dat mij afremde om in overdrive te gaan. Volgens de cardioloog was dat de toestand van mijn hart. En toch heb ik niet de indruk dat ik ooit langs de rand van de afgrond ben gereden. Vandaag ook nog niet. Ik voel niks, behalve dat ik geen conditie meer heb, maar ik mag geen sport meer doen in competitie, alleen nog recreatief.”

Re-crea-tief spor-ten, hij spreekt het uit met de snelheid waarmee een kleuter spruitjes eet. Dat wordt een lastige, Niels Albert weer aan het bewegen krijgen, al was het maar voor de gezondheid. Hij was zeven kilogram aangekomen, nu zijn er nog vijf bij. “Ik draag nog steeds de broeken van toen ik nog reed, dus het valt wel mee.” Hij let op, maar met mate en zal na afloop van zijn steak-friet een cappuccino met slagroom in plaats van gestoomde melk bestellen. Ter vervollediging van dit rapport: hij nam wel water, plat water, wellicht een oude gewoonte.

“Tja, sporten als een recreant, dat zie ik niet zitten. Ik zou het niet kunnen verdragen dat iemand mij voorbij rijdt omdat hij zijn motor verder mag opjagen dan ik. En minder dan dertig gemiddeld aanvaard ik ook niet. (lacht) Nu neem ik niks, maar als ik ga sporten moet ik aan de beta-blokker: 2,5 milligram bisoprolol. Ik heb al gevoeld wat die doen. Als je denkt nú geef ik gas, dan krijg je dat pedaal niet ingeduwd. Je gaat voluit maar aan vijftig slagen minder dan een jaar geleden en tegelijk kan je blijven praten. Een vreemde gewaarwording.”

Hommage aan De Vlaeminck

Al snel na het onheilsbericht ontstond gebekvecht in de pers tussen topcardiologen. De ene adviseerde om geen topsport meer te doen. De andere kon hem helemaal genezen. De namen zijn bekend en doen er verder niet toe, het gaat om wat het met hem deed. Gek werd hij ervan.

“Heel even heb ik nog hoop gehad, maar ik had één grote twijfel. De cardioloog die mij had afgekeurd stond algemeen en internationaal bekend als een topper in zijn vak. Maar die andere ook. Zou die eerste er dan helemaal niks van kennen? Al die congressen, al die publicaties, al die kennis, was die dan niks waard? Dat was mijn conclusie geweest als ik toch voor die operatie was gegaan. Bovendien, stel je voor dat je vanaf dan elke cross een uur lang moet rondrijden met een zwaard boven je hoofd dat elk moment kan vallen.”

Het gesprek komt uit bij Eric De Vlaeminck, de zieke ex-bondscoach. Eric leerde Niels Albert de knepen van het vak toen hij nog belofte was. Maar Eric droeg toen al een zwaar kruis: de dood van zijn eerder voor hartritmestoornissen afgekeurde zoon Geert De Vlaeminck in 1993 heeft hij begrijpelijkerwijs nooit kunnen verteren. “Dat was hier in de buurt, in Heist-op-den-Berg. Daar zou ik nog zelf een cross willen organiseren, als een hommage aan de De Vlaemincks. Ik weet dat het hem niet te best gaat en ik ken het verhaal van Geert, die hetzelfde probleem had als ik. Maar er zijn nog verhalen, zoals dat van Tim Pauwels. Is cross daarom per se een gevaarlijke sport? Dat weet ik niet, maar onze harten gingen wel vreselijk te keer als we volle bak reden.”

Daar was Niels Albert toch zo vreselijk goed in: twee ronden lang de gashendel opendraaien en de hele modderzooi achter hem à bloc zetten, tot ze hem niet meer zagen en de moed opgaven. Was dat niet geval, dan haalden ze hem terug. Dat was dan weer de truc van Nys – Albert in het vizier houden tot hij zenuwachtig werd – en hem pakken na halfweg.

“Ach ja, Nys en ik komen uit Baal-Tremelo, maar we zijn nooit vrienden geweest, hooguit concullega’s. Als Sven mij nu ziet staan, zegt hij goeiendag en vraagt ‘hoewist?’ Ik heb geen moeite met Sven en hij niet met mij. Als ik super was, kon hij mij niet kloppen, dat weet ik wel. En had ik vandaag nog gereden, dan was het voor mij makkelijker geweest met Wout Van Aert erbij. Ik denk dat we dezelfde stijl hebben. Stel je voor dat Wout en ik samen er een snok aan hadden gegeven.”

En dan, wie zou hebben gewonnen: de Wout van 20 of de Niels van 28? Daar wil hij niet op antwoorden en niet alleen omdat het gevoelig ligt. Vragen stelt hij zich wel bij de dominantie van zijn poulain en aangezien objectieve data in cross niet voorhanden zijn, blijft het bij gissen.

“Ik heb ook crossen gewonnen op jonge leeftijd, maar niet zoveel overmacht. Maar nu heb je naast Wout nog Mathieu van der Poel, Laurens Sweeck en zelfs Gianni Vermeersch doet nu mee voor het podium. Rijden die jonge gasten nu ineens zo hard of rijden die anderen ineens zo traag en waar ligt dat dan aan? Ik ben er niet uit. Ik weet echt niet wat ik had kunnen beginnen. Op mijn best zou Wout ook een lastige klant zijn geweest, een hele lastige omdat hij rapper is, dus had ik hem moeten lossen. Alleen kan hij ook onderweg heel rap rijden. (stilte) Maar daar moet ik nu niet meer aan denken. (nog meer stilte) Ja, het is nu zo.”

Nachten wakker gelegen

Naast zijn besognes als ploegleider bij de ploeg Vastgoedservice-Golden Palace is Niels Albert net voor nieuwjaar in Tremelo samen met een vennoot een fietsenwinkel begonnen: de Niels Albert Bike Store zowaar. Zwaar werken, dat is het, maar het geeft hem wel een regelmaat die gestopte topsporters vaak missen.

“Vroeger was het opstaan, eten, trainen, rusten, nog wat trainen of rusten en dat elke dag tot er wedstrijd was. Nu is het opstaan om zeven uur en tegen acht uur sta ik al in de winkel. Beetje vegen, de atelier opkuisen of zo. Ik help de mensen zo goed ik kan. Ik heb een beetje verkoopinstructies gekregen van Geert Vanhove, de baas van Vastgoedservice. Wat je moet doen en niet mag doen, hoe lang zo’n gesprek mag duren, want je kan niet een uur aan één stuk een fiets proberen te verkopen. Ik probeer altijd in de winkel te staan. Ik ben niet naïef: de mensen komen natuurlijk ook om mij te zien. Maar als er geen volk is, vind je mij zo snel als kijken in de atelier om aan de fietsen te prutsen.”

Met die winkel heeft hij wel op minimaal één ziel getrapt, die van zijn eigen fietsenmaker waar hij altijd langs ging en die op zeven kilometer daarvandaan woont. Zo’n concurrent, dat zal die niet leuk hebben gevonden. “Ik vermoed het niet en nog minder dat ik zijn mechanicien, die ook aan mijn fietsen werkte en van wie ik wist dat hij zijn job kende, ben komen halen bij hem. Het enige wat ik heb gedaan is die een aanbod doen en hij heeft toegestemd. Dat zijn de wetten van de markt, net zoals er wetten zijn van de topsport. En net zoals in de sport ben ik niet van plan te verliezen met die winkel. Ik denk dat we in die kleine maand een twintigtal fietsen hebben verkocht, maar de accessoires zijn natuurlijk even belangrijk.”

Hij klinkt ineens behoorlijk rücksichtslos. Zijn hart mag dan getekend zijn door dat geheimzinnig virus, als het moet maakt hij er al even snel een steen van. Zoals toen hij zijn jarenlange band met BKCP en meer in het bijzonder met de broers Roodhooft en helemaal met zijn ene vriend Christoph opzegde. Die harteloosheid ging fel over de tongen in het milieu. De sms waarmee hij meldde dat hij zou overstappen naar Vastgoedservice verdient geen schoonheidsprijs. Hij zocht hem, maar vond hem niet meer.

“Die bewuste sms is weg, maar het antwoord van Christoph heb ik wel nog. Hij had een dag gewacht en sms’te: ‘Ik wens je veel succes en plezier. Verder weet ik niet wat zeggen. Bedankt voor de mooie momenten, de minder mooie zal ik vergeten.’ (stilte) Met minder mooi bedoelt hij de keren dat hij op mij heeft gevloekt, dat hij dacht dat ik geen zin had.

“De aanbieding van Vastgoedservice kwam eind augustus. Een week heb ik haast niet geslapen. Ik wist niet wat ik moest doen. Dan heb ik de knoop doorgehakt omdat het project mij aanstond en het geld was ook oké. Toen heb ik die sms naar Christoph Roodhooft verstuurd.”

“Een paar weken later begon de cross, maar we hebben nooit gepraat. Ik vermoedde ook wel dat hij boos was. Maar ineens sprak hij mij begin december aan in Hamme-Zogge. Hij had mijn fiets van het WK van Koksijde nog staan en die hoorde eerder bij mij, vond hij. Of ik die wilde hebben voor mijn winkel als die openging. Ik heb niet veel teruggezegd, ik was geschrokken. We hebben elkaar eens aangekeken en kort daarna ben ik naar Morkhoven gereden – bijna blindelings, jawel – en ben die fiets gaan halen.

“Het deed raar om daar terug te zijn. Ik ben er een uur gebleven en we hebben de dingen uitgepraat. Min of meer toch. Daar was ik blij om. Ik zit goed waar ik nu zit, maar bij BKCP was het natuurlijk ook top. Ik ben vooral weggegaan omdat ik voor mijzelf geen taak zag bij die ploeg. Of ik had de job van Christoph moeten doen en wat had hij dan moeten doen? Heeft hij diep gezeten? Dat heb ik nooit geweten. Het moet hem geraakt hebben, want ineens vroeg hij: ‘Niels jong, was het hier dan zo slecht?’ Wat ik heb geantwoord? (haalt de schouders op) Neen het was hier niet slecht. Maar ja, het is nu zo.”

Albert

Fitter, slimmer, vrijer in De Morgen van 3 januari 2015

De wonderbaarlijke reconversie van zware jongens tot gediplomeerde fitnesstrainers

Fitter, slimmer, vrijer

Ze zitten voor drugs, afpersing, carjackings, soms zelfs moord. In de cel gingen ze blokken: fysiologie, anatomie. De bevrijding kwam met de kerstman: het attest van B-trainer van de Vlaamse trainersschool. ‘Hier wil ik iets mee doen, maar als ik buiten kom, word ik eerst Europees kampioen.’

De meest exclusieve fitnesszaal van België ligt driehoog aan de Bourgondiëstraat in Oudenaarde. Het ruikt er frisser dan in elke andere zaal, de muren zijn netjes geschilderd, van de grond kun je eten. Er staat wat cardio en er ligt ijzer, losse en andere gewichten. Te midden van dat alles: een multifunctioneel toestel.

Je moet al goed je best doen om er binnen te komen, waarna je er nog moeilijker buiten geraakt, maar als je wilt sporten, moet je in Oudenaarde zijn. Dat weten alle gevangenen in Vlaanderen, alleen is Oudenaarde wel een speciale gevangenis met 80 procent van de bevolking die aankijkt tegen levenslang of iets wat in de buurt komt.

Vorige week was het fitnesszaaltje het decor voor enkele korte toespraken en een plechtige overhandiging van het getuigschrift van het algemeen gedeelte Trainer B, de officiële cursus van de Vlaamse Trainersschool (VTS), een afdeling van Bloso. Er werd fruitsla en alcoholvrije wijn geserveerd. In 2013 begonnen zeventien gedetineerden aan de opleiding initiator fitness. Een aantal slaagde niet, een paar haakten af, sommigen kwamen vrij, anderen verhuisden, maar voorlopig zijn zes onder hen geslaagd voor het moeilijkste deel van het tweede traject van de trainersopleiding. Nu wordt van de cursisten verwacht dat ze een specifiek gedeelte voor een sport kiezen, in hun geval fitness omdat ze het initiatorniveau al hebben afgelegd.

“Trainer B omhelst heel wat theorie”, legt Guido Steens van de Vlaamse Trainersschool uit. “We hebben ons wat aangepast en de lessen gingen uiteraard in de gevangenis door, maar bij de examens hebben we onze lat even hoog gelegd als voor de cursisten buiten.”

Dit is een pilootproject voor VTS en het gevangeniswezen, in samenwerking met de vzw De Rode Antraciet, maar inmiddels is ook in Leuven Centraal de eerste cursus initiator fitness achter de rug. Fitness is bij de gevangenen alvast populairder dan loodgieten, zegt N. (27 jaar en sinds zijn vijftiende in en uit de instellingen en gevangenissen voor diefstal en geweldpleging). “Voor loodgieter was ik niet geslaagd. Voor dit wel, want dit interesseerde mij.”

Twee docenten waren ook aanwezig bij de prijsuitreiking. David De Wandel en Tom Verriest gaven de moeilijke vakken: fysiologie en motorisch leren. Ze catalogeren het als een bijzondere ervaring, zonder meer. “Die mannen wilden alles weten. Op elk detail werd uitgebreid teruggekomen. Ze waren als sponzen die alle kennis wilden opnemen. Hadden we gewild, dan waren we nog aan het discussiëren.”

Trainer B algemeen gedeelte – bestaande uit acht theoretische vakken – is zware kost, maar D. (22 jaar, in de gevangenis voor dealen) maakte korte metten met de cursus. Hij leerde alles vanbuiten, weten zijn collega-cursisten. “Hij wist alles wel te reproduceren, maar kon de verbanden niet leggen. Daar hebben wij hem dan mee geholpen.” Zijn vriendin C. was van alle cursisten het enige familielid of naaste die was ingegaan op de uitnodiging om midden in de week hun moment de gloire mee te maken. Ze kent haar D. “Hij is een perfectionist en hij wordt ambetant als het niet lukt. Ik ben zo blij voor hem.”

Voor bijna alle gevangenen stond ‘niet lukken’ gelijk aan geen A halen. D.: “De dag van de examens liet ik mij om 4 uur ’s ochtends wekken door de bewakers en begon ik te herhalen. Die deden niet moeilijk. Ze wisten hoe belangrijk het voor me was.”

Fitness en bij uitbreiding sport behoort tot het standaardgevangenisregime over de hele wereld. Meer zelfs, voor de langgestraften is het de enige manier om nog wat fysieke zelfwaarde over te houden aan het eind van hun lange opsluiting. “Als je niet sport in de gevangenis, zou je alleen maar werken en op je gat liggen. Dan ga je veel sneller dood. Sport houdt je hier in leven, het geeft structuur aan je bestaan. Als we buiten komen, zullen we blijven sporten en trainen.”

Taferelen uit de Amerikaanse films waarbij op overbevolkte recreatieruimtes de bendeleden onder elkaar afrekenen, daar is men in België niet mee vertrouwd. “Je hebt natuurlijk een hiërarchie in de gevangenis en die respecteer je best, maar ook de nieuwe jongen zonder spieren zal kunnen trainen. Integendeel, wij zullen hem helpen en bijstaan met advies, want we weten nu hoe we hem moeten begeleiden.”

Strebers in de cel

Oudenaarde is een sportgevangenis en staat ook bekend voor haar opleidingen. “We zoeken een meerwaarde voor hun activiteiten. Ze zouden gewoon kunnen fitnessen, maar wij dachten dat er meer uit hun passie te halen viel”, zegt attaché-gevangenisdirecteur Pieter Van Caeneghem. Al die ambities vonden elkaar in de trainerscursussen fitness.

’s Avonds heerst in Oudenaarde een opencelregime en dat was het moment waarop de cursisten vaak samen studeerden of discussieerden. Dat deden ze evengoed tijdens de zogeheten wandeling, het moment waarop de gevangenen een luchtje mogen scheppen en op basic toestellen hun kennis konden etaleren. Eén dag voor het examen gingen ze dan in een andere modus: iedereen ondervroeg iedereen.

H. en M. zijn goeie kennissen, afkomstig uit dezelfde streek. Zeven en acht jaar hebben ze aan hun broek. De ene zit voor drugsdelicten en de andere voor witwassen van drugsgeld. M. (40) vond het studeren zwaarder dan H. (33). M.: “Ik heb dan wel een diploma boekhouden-informatica, maar jij bent gewoon slimmer dan ik. En je hebt natuurlijk geluk gehad dat je twee weken strikt kreeg omdat ze die USB-stick in je cel hebben gevonden. De streber in jou vond dat wel fijn, hé, extra kunnen studeren?”

H.: “Ja, dat strikte regime waarbij ik op de cel moest blijven was eigenlijk een meevaller. Ik heb altijd graag gestudeerd, maar nooit iets afgemaakt. Nu heb ik het eens kunnen tonen. Op één vak na heb ik overal een A gehaald. Ik deed voor niet minder. Zelfs de pagina’s die we niet moesten kennen, heb ik toch gestudeerd want ik had niks anders om handen. Eindelijk heb ik nu ook een papiertje. Dat mocht ook wel, want al mijn broers en zussen zijn ofwel master of bachelor in iets.”

N. had het zwaarder. Die wisselde na het eerste gedeelte van de cursus van gevangenis. Hij stapte in het be.leave-programma voor drugsverslaafden in het penitentiair landbouwcentrum van Ruiselede, waar een halfopen regime heerst. “Ik ben niet eens echt verslaafd, maar ik dacht dat dit een snellere weg was naar de vrijheid. Ik mis Oudenaarde wel. Je hebt daar ten minste je eigen cel. Ik zat in sectie 6 samen met de langgestraften en daar voelde ik mij thuis. Het is er rustig, niemand zit er aan de drugs en ze laten je met rust.”

N. heeft na zijn twaalfde geen schoolbanken meer gezien. Zijn moeder verliet hem toen hij anderhalf was en ze bezweek op zijn zestiende aan een overdosis. Zijn vader was lid van een motorbende en zijn jeugd bracht hij door in kraakpanden. “Zonder eten in de frigo is overleven je eerste bekommernis. Studeren was niks voor mij. Tot deze cursus. Hoewel, de eerste keer dat ik die anatomie zag, keek ik mijn ogen uit. Ik zou dit nooit aankunnen, maar ik ben er toch aan begonnen.”

N. leerde alle spieren vanbuiten. Eerst in het Nederlands, vervolgens in het Latijn. Vervolgens deed hij hetzelfde met fysiologie en trainingsleer. Eenmaal in Ruiselede was feedback onbestaande door de afstand. Hij las artikels, zocht dingen op en bestelde extra boeken in de bibliotheek. Studeren deed hij in de recreatiezaal samen met nog tientallen andere gevangenen die een hels lawaai maakten.

“Moeilijk hoor. In mijn cel in Oudenaarde kon ik al mijn notities aan de muur hangen en zo studeren, maar in Ruiselede ging dat niet omdat we daar geen privacy hadden.” Aan het eind van de rit had hij allemaal A’s van de vakken die hij in Oudenaarde in ideale omstandigheden had kunnen afwerken en B’s van alles wat hij in Ruiselede in zijn eentje had moeten studeren. Toch kreeg hij een extra vermelding. “Omdat ik dwarsverbanden had kunnen leggen tussen de verschillende cursussen. Ik sta er nog van te kijken dat er iets in mijn bovenkamer zit.”

De tweede Tyson

De trots die van ‘de mannen’ afstraalt, is aanstekelijk. Hun dankbaarheid als je hen als normale wezens behandelt, is navenant groot. De docenten die voor hun lessen naar Oudenaarde trokken, deden dat aanvankelijk met de nodige schroom, maar die viel al snel weg. Ze zijn unaniem: “Je vergeet heel snel dat het gevangenen, soms zelfs zware criminelen zijn.”

Na een aantal lezingen in de gevangenissen kunnen we dat alleen maar bevestigen. In mijn geval ging het over doping in de sport en dat is sowieso een onderwerp waar ze graag gaan voor zitten want drugs- en dopinghandel, maar ook drugs- en dopinggebruik, gaan naadloos in elkaar over. Hun kennis van de producten is ongeëvenaard, al zal het straks bij het sporten zonder moeten, willen ze zich niet nog meer ellende op de hals halen.

Bij zo’n lezing ontspon zich een discussie met A. (43 jaar, eerst veroordeeld voor zware geweldpleging en vervolgens ook nog eens moord). A. zit al 20 jaar achter tralies en was tijdens mijn avondje ‘doping in de sport’ een heftige pleitbezorger van groeihormoon. “Goed gerief. Het houdt je jong. Als ik hier buitenkom, wil ik nog de jonge man zijn die ik was toen ik binnenging.”

A. was heel aardig, maar bij het gevangeniswezen staat toch een sterretje achter zijn naam. Hij is ook al een paar keer verhuisd van gevangenis en nadat hij de boel op stelten had gezet aan de ene kant van het land, belandde hij recent weer in nog een andere gevangenis 150 kilometer verder. Daar legde hij vorige week zijn laatste examen af. Dinsdag in de vooravond belde hij me op.

“Trainingsmethodiek was het vandaag. Het is prima gegaan. Ik zal geslaagd zijn. Dit is nu het tweede diploma dat ik haal in de gevangenis, na eerst voor de examencommissie mijn hoger secundair te hebben behaald. Dit geeft een goed gevoel omdat je die tijd nuttig besteedt. Met die sport heb ik toch wel mijn passie en een uitlaatklep gevonden.

‘Ik was nooit beter af dan als fitnessfatik (een fatik is een gevangene met een leidinggevende taak, red) in Oudenaarde. “Hopelijk kan ik terug naar Oudenaarde in afwachting van een terugkeer in de maatschappij. We zijn daar al mee bezig. In mijn stoutste dromen zie ik mezelf een fitnesscentrum uitbaten met daarbij een zaal voor vechtsporten. (aarzelt) Ik moet niet zoveel dromen zeker, maar zonder dromen is het nog lastiger.”

Dromen en vooral plannen, die hebben ze allemaal. M. wil met zijn diploma verder bouwen aan een bestaan als trainer. “Ik denk niet dat ik het specifieke gedeelte fitness ga volgen, maar als ik hier buitenkom – hopelijk tegen volgende zomer – stort ik mij op het voetbal. Ik wil mijzelf nog eens bewijzen en een gediplomeerd trainer worden. Ik heb gemerkt dat ik veel minder stress heb dan voordien, nu ik hierin ben geslaagd. Dit trainersdiploma halen is het hoogtepunt in mijn leven.”

H. denkt eraan een fitnesscentrum te beginnen. Natuurlijk kost dat geld, maar hij lacht een beetje mysterieus en zegt dat hij misschien nog wel wat fondsen weet te vinden. “Ik denk dat ik mijn les heb geleerd. Ik wil nu jongeren begeleiden.” Voor D. had het hele traject vooral een symbolische waarde: na zijn misstap de buitenwereld tonen dat hij wél iets kon en vooral iets kon afmaken.

N. heeft de grootste ambitie. Als alles volgens plan verloopt, zullen we nog van hem horen. “Ik weet dat ik een goeie bokser ben. Ik mik over 5 jaar op een Europese titel. Iemand die hier met mij binnen zit en die veel van boksen kent, noemt mij de tweede Mike Tyson, zo snel en krachtig ben ik.

“Tegelijk wil ik mij vervolmaken. Ik ga voor trainer A. Ik weet inmiddels al zoveel dat ik het gewoon in praktijk moet brengen. Laatst kwam hier een jongen binnen die in een auto-ongeval een halve verlamming had opgelopen. De directrice vroeg of ik wat aan zijn motoriek kon doen en ik heb allemaal oefeningen uitgedokterd om hem te helpen weer goed te bewegen. Zo’n jongen zien vooruitgaan, daar haal ik voldoening uit. Ik heb te veel mensen pijn gedaan vroeger; nu is het tijd om wat goed te doen.”

TrainerB