Verhaal over Bradley Wiggins in De Morgen van 28 maart 2015

De laatste kunstjes van Sir Wiggo

Op 12 april wil Bradley Wiggins (34) Parijs-Roubaix winnen, op 6 juni het werelduurrecord verpulveren en volgend jaar in Rio zijn vijfde en zesde olympisch goud winnen. Om het daarna op een nooit gezien zuipen te zetten? ‘Definitely, ik heb mij te lang moeten inhouden.’

Het is hoogst uitzonderlijk, maar zondag doet er nog eens een Tourwinnaar mee in Gent-Wevelgem en (als alles een beetje volgens plan verloopt) rijdt hij vooraan, zoals eerder dit seizoen in Gent-Gent, toen hij Ian Stannard mee aan de overwinning hielp. Sir Bradley Wiggins (35 eind volgende maand), die de Tour de France won in 2012, is begonnen aan een drietrapsmissie.

Doel nummer één is Parijs-Roubaix winnen, de wedstrijd die voor alle Angelsaksische renners – van Australië waar zijn roots liggen, en de VS tot Engeland waar hij opgroeide – het mythische van de wielersport belichaamt. Ter voorbereiding reed hij Gent-Gent, zondag Gent-Wevelgem, volgende week de Driedaagse van De Panne en zondag 5 april de Ronde van Vlaanderen. “Bedoeling is recht blijven, de cobbles verteren, tonen dat ik in die kopgroep thuishoor en dan als in een tijdrit een streep trekken richting Roubaix.”

Hij meent het en vier weken geleden, in de dagen voor Gent-Gent, was hij nauwelijks aanspreekbaar tot hij werd gewezen op zijn verleden in de Arteveldestad, waar hij haast drie jaar woonde samen met papa Gary en mama Linda. In zijn eerste biografie In Pursuit of Glory zit een foto met als onderschrift ‘samen eendjes voeren aan een vijver in Gent’. De vijver waarvan sprake is de kom van de roeibaan Watersportbaan.

“Honestly? Ik heb nooit goed geweten waar die foto is genomen. Ik ben er ooit eens naar op zoek gegaan toen ik de Six van Gent reed. Is dat in de buurt van de olympische wielerbaan in Gent? F*ck, daar hebben we vóór Peking getraind. Zo vaak dat we daar hebben rondgereden en ik heb dat nooit geweten.”

Gebroken gezin

Bradley Marc Wiggins, geboren in Gent op 28 april 1980, was niet voorbestemd voor grootse dingen. Toen eind 2012 na zijn zevende olympische medaille de koningin hem de titel van ridder had verleend, nadat hij in 2005 en 2009 al ‘Commander’ en ‘Officer of the British Empire’ was geworden, filosofeerde hij: “Asjeblieft, niet Sir Bradley Wiggins. Ik heb die titels aanvaard; had ik neen gezegd, mijn opa zou zich in zijn graf omdraaien. Noem mij maar Sir Wiggo van Kilburn, want kinderen uit Kilburn (een arbeiders- en migrantenwijk in Noordwest-Londen, HV) worden niet verondersteld ridder te worden.”

Ridder Wiggins was een moeilijke jongen, die opgroeide in een gebroken gezin: vader zoop een eind weg, moeder kreeg slaag en hartzeer. Zesdaagserenner Gary zou zijn vrouw en kind dumpen voor een andere vrouw en nog later terugkeren naar Australië. Hij trof zijn zoon voor het laatst in de buurt van Melbourne. “I was like: who is this guy? Hij was een wrak, getekend door de alcohol, maar deed niks anders dan opscheppen over hoe snel hij nog zou kunnen fietsen, véél sneller dan ik.”

In januari 2008 kreeg Bradley midden in de nacht telefoon. Zijn vader was opgenomen in een kliniek 100 kilometer boven Sydney. Een overval, een dronkemansruzie? Een staaf had zijn schedel vermorzeld en die nacht nog ging hij dood aan zijn verwondingen.

Het jaar begon triest – “zelfs mijn ma was aangedaan” – maar nadat Bradley Wiggins zijn vader was gaan begraven aan de andere kant van de wereld, zou 2008 zijn eerste jaar van glorie worden. Die zomer pakte hij dubbel olympisch goud in de achtervolgingsnummers op de wielerbaan.

Via de baan naar de weg

Wiggins is een product van het nieuwe Britse sportbeleid dat in de steigers werd gezet na de rampzalige Spelen van Atlanta in 1996, toen de Britten met hun ene, lamentabele gouden plak achter België eindigden in de medailletabel. In Atlanta won GBR geen enkele wielermedaille, in Sydney vier jaar later (brons voor Wiggins) en Athene 2004 waren dat er al vier.

In Athene won Wiggins zijn eerste gouden plak, op de individuele achtervolging, een nummer dat is opgegaan in de omnium. In Peking 2008 en Londen 2012 gingen zeven van de tien te winnen gouden medailles op de wielerbaan naar Britten, waarvan in Peking twee voor Bradley Wiggins.

In Londen reed de man met de retrobakkebaarden niet langer op het houten ovaal, maar op de weg. Hij zette zich in de wegwedstrijd 150 kilometer op kop, maar het mocht niet baten. De ontsnapte groep bleef weg en zijn maat Mark Cavendish kon inpakken. Twee dagen later – met die flinke training en een gewonnen Tour in de benen – klopte hij Tony Martin met 42 seconden en pakte goud in de tijdrit.

Het Britse recept staat compleet haaks op het Vlaamse wielrennen dat het moet hebben van veel wedstrijdjes op de weg, liefst op typisch Vlaamse wegen en hellingen. Britse talenten worden anders ontwikkeld: via de wielerbaan zoekt men naar grote motoren en die krijgen de nodige wielersoftware opgeladen via een uitgekiend trainings- en wedstrijdprogramma om in de diverse wieleronderdelen uit te blinken.

De baan als tussentijds objectief, maar ook als middel voor het uiteindelijk doel: de weg. In Peking liet Wiggins een eerste ballonnetje op: “Ik denk dat ik het eens ga proberen in een grote ronde.” Een jaar later eindigde hij als derde in de Tour de France.

Meteen na zijn eerste olympische medaille in 2004 in Athene reed Bradley Wiggins al voor een wegploeg, maar hij was tot 2008 vooral bekend als een uitgesproken proloogspecialist.

Na zijn begin bij het team van Linda McCartney deed hij alle Franse ploegen van die tijd aan: Française des Jeux, Crédit Agricole en Cofidis, met wie hij voor het eerst naar de Tour mocht. Later zouden vooral Angelsaksische teams volgen.

In de vijftien jaar als prof reed de moeilijke jongen Wiggins voor maar liefst zeven ploegen. Na Parijs-Roubaix start hij zelf team nummer acht op, het continentale Team Wiggins, een spin-off van Team Sky waar hij nu al vijf jaar op de payroll staat.

100.000 hoogtemeters

Team Sky kwam als zelfverklaard powerhouse in het wegwielrennen in 2010. Vanuit een knowhow wars van alle traditionele invloeden op en onder de wielerbaan van Manchester bij elkaar gezocht, werd een ambitie geformuleerd: binnen de vijf jaar een Tour de France winnen. Het liep even anders: twee jaar later waren ze al aan de beurt en ze wonnen er twee op rij.

Van Sky kun je zeggen wat je wilt en in dat jaar van de opstart is de spot gedreven met al hun speciallekes – ze hadden zelfs Jaguars als volgwagen, godbetert – maar zij hebben de velorution, zoals de Britse machtsgreep in het wielrennen aangeduid wordt, naar de weg vertaald.

Wiggins: “Ik had Frankrijk meegemaakt, waar renners wedstrijden rijden om te trainen. Wij deden het anders: wij gingen meer trainen en we reden minder wedstrijden. Als we reden, was het om te winnen. Train hard, ride hard.”

De trainingen van Bradley Wiggins worden sinds 2010 overzien door een zwemtrainer, Tim Kerrison, een van de Australiërs die de Britten down under gingen halen omdat ze niet genoeg kennis op het eigen eiland hadden.

Het begin was niet optimaal. Na de derde plek in de Tour met Team Garmin-Slipstream, was Bradley Wiggins naar Sky verkast, maar die lente had hij zijn voorlopig laatste flinke dip. De Australische Vlaming Scott Sunderland was toen zijn directe baas en die kon al tijdens de Driedaagse in maart 2010 met spijt in het hart melden dat Wiggins tijdelijk verloren was voor de goede zaak. “We hebben hem vier weken niet gevonden en toen hij eindelijk zijn telefoon opnam, was hij stomdronken. Conditie nul. Game over voor dit jaar.”

Het jaar 2010 werd niks en 2011 was niet veel beter, met een opgave na een zware val in de negende etappe van de Tour.

In 2012 stond zijn hoofd goed en de Tour had meer dan 100 kilometer tijdrijden op het programma. Het was de editie waarin al snel duidelijk was dat er aan de Sky’s niks te doen viel. In het meervoud, want het was ook de Tour waarin Chris Froome zich maar heel moeilijk kon schikken in zijn rol als meester-helper en verschillende keren ostentatief zijn kopman bergop in verlegenheid bracht.

Wiggins won de Tour, maar was zo pissed dat hij het deel van de premie waar Froome recht op had, nooit betaalde. Tot hij er veertien maanden na datum lucht van kreeg dat het hele verhaal in een boek zou verschijnen. Ineens stortte hij de beloofde 40.000 euro wel door, maar toen had Froome zelf al een Tour gewonnen. Zonder Wiggins, die hij er niet bij wilde.

Het recept van Wiggins en Froome was identiek: tussen maart en juni 100.000 hoogtemeters halen op training en tussendoor ook nog wat wedstrijden afwerken. Bedoeling was het vermogen te verhogen, vooral op grote hoogte.

Andere factor was het gewicht, vooral dan bij het klimmen en daar had Wiggins het moeilijker mee dan Froome. In zijn tweede biografie My Time over zijn boerenjaar 2012, schrijft hij aan het eind letterlijk: “Het is zwaar geweest met al die opofferingen. Ik denk niet dat ik dit nog een jaar kan.”

Dat waren profetische woorden en hij zette het, jawel, op een zuipen. Niet zo erg als tussen 2004 en 2008, toen hij ontgoocheld door het gebrek aan belangstelling voor zijn exploten uit verveling een obsessie ontwikkelde voor Belgische bieren. “Ik zal er op een goeie dag wel 800 verschillende in huis hebben gehad.”

De bedoeling was elke dag een ander bier nuttigen en daartoe reed hij geregeld met een camionette naar Brussel voor inkopen. Op een dag kwam zijn vrouw thuis en had hij twaalf Belgische streekbieren op. Er volgde een scheldpartij en bezinning. Hij wist wat er scheelde: “Het zijn die Australische genen die mij vatbaar maken voor verslaving”.

“De Tour was een lange, verre reis. Ik ben er geweest en ik hoef niet terug. Ik hoop de komende drie jaar stilaan thuis te kunnen komen.” Dat zei hij eind 2012 tegen The Guardian, waar hij voor het eerst het ballonnetje opliet van Parijs-Roubaix. “Ik heb pavés gereden in Frankrijk als jonge renner and I was quite good at it. Later, toen ik 69 kilo woog om die bergen omhoog te vliegen, kon ik geen oneffenheid meer aan. Maar nu zit ik weer rond de 80 en dat is veel, véél beter.”

Werelduurrecord

Meer nog dan Roubaix, dat eindigt op een wielerbaan die hij ook al heeft verkend – “laag blijven in de sprint en je wint” – zit hij met het werelduurrecord in zijn hoofd. Hij sprak er ooit over met zijn vader, die Eddy Merckx nog persoonlijk had gekend. “Dat zei hij tenminste, ik weet niet of het waar is. Waarschijnlijk probeer ik het op 6 juni op de olympische baan in Londen. Waarschijnlijk, maar niet zeker. Ik heb acht weken na Roubaix. Het record staat op een degelijke 52,5. Nu, 54 of 55 was al wat problematischer geweest. Men zegt dat ik 55 zou kunnen halen, maar ik heb met Chris Boardman gesproken die mij de raad geeft dat record al eens op een training aan te vallen, al was het maar een half uur, om te weten wat nodig is om het een uur vol te houden. Ik heb één voordeel. Ik weet nog wat het is om laag in de baan op de zwarte lijn te rijden. De wielerbaan blijft mijn biotoop.”

Terug naar de roots

Dat zal ook nodig zijn als hij wil slagen in het derde deel van zijn missie waarmee hij de cirkel rond wil maken: zijn terugkeer naar het British track team en dan meer in het bijzonder de ploegenachtervolging. De vier van Londen 2012 die de fabelachtige 3.52,499 neerzetten zijn Ed Clancy, Geraint Thomas, Steven Burke en Peter Kennaugh.

Alleen Clancy rijdt niet voor Sky of Team Wiggins, maar wat maakt het uit? Baanwielrennen is de eerlijkste discipline in het wielrennen die er is. Geen sprake van favoritisme, afspraken of ‘resultaten be-haald in het verleden. Zoals baancoach Shane Sutton eerder al zei: “Hij was ooit mijn project en hij is nog steeds mijn vriend, maar zonder Wiggo reden we een seconde sneller in Londen dan in Peking. The times will tell.”

Waarop Sir Wiggo repliceerde: “Ik reed in Peking op de individuele achtervolging helemaal alleen 4.16, vier seconden sneller dan Burke (die brons won, HV). Ik ben niet bang voor die tijden. Het is het liefste wat ik ooit heb gedaan: op kop, alleen tegen de luchtmassa, niemand vóór mij en sneller rijden dan alle anderen achter mij. That’s what I’m good at. Dat heeft mij al die medailles opgeleverd en zelfs de Tour heb ik zo gewonnen.”

Bradley Wiggins

Advertenties

Column over Bjarne Riis in De Morgen van 28 maart 2015

Bjarne Riis

Laat ik eens iets bekennen: in 2010 zat ik op een haar na bij Saxo Bank-SunGard, het team van Bjarne Riis. Het haar heeft een naam: Alberto Contador (zie verder).

In 2010 zocht Bjarne Riis een communicatiedirecteur en dat was mij ter ore gekomen. Via een andere Belgische werknemer van de ploeg informeerde ik of ik met mijn profiel – sportjournalist, met doping als specialisme – überhaupt wel een optie was.

Dat was ik zeker. “Extremely interested and willing to talk” mailde hij en Riis en ik spraken voor het eerst in de Ronde van Zwitserland. We spraken een tweede keer op 6 juli, na de rit naar Arenberg over een deel van de kasseien van Parijs-Roubaix. Die dag verloor hij zijn kopman Fränk Schleck door een val. Ik dacht dat de afspraak niet meer zou doorgaan, maar Riis daagde toch op, sloeg mij op de schouder en zei dat hij blij was mij te zien. “We hebben iets te vieren”, zei hij.

Toch niet dat u uw kopman bent kwijt gespeeld, grapte ik en hij kon er gelukkig om lachen. “No, we will talk business” en we gingen vooral een goede fles kraken van zijn eigen wijngaard. Voor wie er aan twijfelt: Château Riis bestaat echt en was best oké, al was ook de combinatie met de eigen kookwagen, bemand door een voormalige souschef van Noma, geslaagd.

Kort na de Tour zou ik een voorstel ontvangen. De Zwitserland-piste voor mijn salaris zou mij dan ook worden uitgelegd en – beloofd – ik zou er beter van worden. Ik dacht: ik zie wel. Op 28 juli raakte bekend dat Contador bij Astana zou vertrekken en op 3 augustus tekende hij een tweejarig contract bij Saxo Bank-SunGard. Ik dacht: halleluja, die er ook nog bij.

Ik wachtte op het voorstel, maar er kwam niks. Half augustus polste ik voorzichtig via sms en mail, maar geen respons. Ik hoorde uit betrouwbare bron dat Riis in een wak zat. Reden? Onbekend.

Pas op 30 september 2010 kwam naar buiten dat Alberto Contador positief had getest op clenbuterol. Dat was de fameuze zero, zero, zero… passage. En toen viel mijn euro. Contador had zijn nieuwe werkgever meteen op de hoogte gesteld en Riis wist er al van in de eerste week van augustus, het moment dat de radiostilte intrad.

Ik heb dus al bij al een uur of vijf met Riis gepraat en na die vijf uur was ik onder de indruk van zijn overredingskracht, stijl, charisma en visie op topsport. Jawel, we hadden het ook over zijn dopingverleden en vooral over wat dat met een mens deed. “Ik draag het als een kruis en dat verdien ik, maar het maakt er mijn leven niet makkelijker op. Er zijn dagen dat ik niet uit bed wil komen. De mensen rond mij moeten dat weten en ik vraag hen allemaal om mij op de slechte momenten een beetje te helpen.”

Enige tijd geleden was een documentaire over Riis op televisie. Hij leek mij nóg kwetsbaarder dan in 2010. Een proces dat toen al was ingezet – slapeloze nachten, twijfels, slechte dagen – had zijn tol geëist en hem in een depressie gestort. Toegeven wat hij allemaal als ploegleider nog had uitgevreten, zoals Tyler Hamilton in 2002 naar Fuentes sturen, was er niet bij.

Het laatste nieuws was dat hij nog steeds onder de antidepressiva zat en het allerlaatste was zijn verwijdering als ploegleider eerder deze week. “Het zijn niet de resultaten die hem de das hebben omgedaan”, zei de Russische teameigenaar Oleg Tinkov tussen zijn beledigingen richting het Deense volk door. Neen, vast niet. Het zullen de dips zijn geweest en het onvermogen om met die stress om te gaan: het soort zwakheden dat een oligarch niet kan hebben.

Een berekende gok: Bjarne Riis zullen we niet snel in de karavaan terugzien. Zijn vertrek wordt bejubeld door de hardliners, maar is ook een verlies voor het bloedarmoedige wielrennen. Tegelijk is het logisch omdat hij te vaak, te lang, te veel heeft geriskeerd. Daarom moeten we hem niet als slachtoffer zien, maar mogen we nog hopen dat hij rust vindt? Bjarne Riis moet misschien nooit meer werken, wel nog veel verwerken.

Bjarne Riis

Verhaal over de voetbalanalist in De Morgen van 21 maart 2015

Analyse van de voetbalanalist

De ene Jan is leuk, de andere Jan niet. Iedereen heeft wel een mening over de heren die ons verblijden met hun diepere en ook minder diepe voetbalinzichten. Sommige analisten worden zelfs bedreigd, maar ook onderling kunnen ze lang niet altijd door één deur.

Afgelopen woensdag was er Barcelona-Manchester City. Naar Camp Nou waren voor 2BE (VTM) Jan De Wyngaert en Tom Soetaers afgevaardigd. In de studio zaten Aad de Mos en Marc Degryse voor de analyses, gestuurd door Tom Coninx. Tegelijk was ook Proximus 11 in de ether met de andere wedstrijd Dortmund-Juventus. Daar lieten Wim De Coninck en gelegenheidsanalist Yves Vanderhaeghe hun licht schijnen over de gebeurtenissen.

“Champions League is leuk om te doen”, aldus De Coninck. “Als je wat zegt over een speler of een ploeg krijg je niet meteen alle shit over je heen.”

Behalve als je Tom Soetaers heet. Na 28 seconden tweette ene A.L.: ‘Tom Soetaers, aub val dood’.” Wim De Coninck weet dat je weinig analisten actief op Twitter zal vinden, Aad de Mos uitgezonderd. “Als je dat doet, vraag je om ellende. Het is zo al erg genoeg. Supporters vinden dat wie neutraal is of dat probeert te zijn, tegen hun club is. Ik heb ooit na een winnend doelpunt van Standard, waarbij ik in de tribune zat en commentaar gaf, een zware slag op het hoofd gekregen van een Standard-supporter. Dat geeft je toch te denken. Natuurlijk doe je daarna aan zelfcensuur; wie iets anders beweert, liegt.”

De Coninck is een ancien onder de lieden die verondersteld worden ons het hoe en waarom van het meest onvoorspelbare spel uit te leggen. Bij hem begon het zeventien jaar geleden omdat zijn hoofdtrainer bij Gent, Lei Clijsters, geen zin had om tijdens een wintertoernooi de indoormatch Cercle-Germinal Ekeren mee te becommentariëren. Hij stuurde zijn assistent naar Gui Polspoel van toen nog SuperSport. Polspoel protesteerde om zo veel dedain, maar was na afloop razend enthousiast over zijn sidekick en de onderbetaalde T2 van Gent had er een bijverdienste bij.

Ook de duizendpoot onder de analisten Marc Degryse (columnist/interviewer bij Het Laatste Nieuws en Foot Magazine, maar ook analist voor alle zenders behalve Proximus 11) debuteerde al in 2002. Hij is net als De Coninck meermaals fysiek belaagd. Degryse: “Op Standard kreeg ik een slag in mijn nek op weg naar mijn auto. En twee jaar geleden was ik weekendkrantjes gaan halen. Ik kwam op de fiets Club-hooligans tegen die de training waren gaan verstoren en ben moeten wegvluchten. Plezant is anders.”

Rik of zo

Ooit, beste lezertjes (m/v) was er alleen de voetbalcommentator en die was heilig. Hij heette Rik of zo, en als rond de 45ste minuut Rik of zo was uitgepraat, kregen we een kwartiertje Kunstzaken en konden we allemaal naar de ijskast of de wc. De voetbalcommentator wist alles en als hij echt Rik heette, wist hij méér dan alles, want dan bepaalde hij samen met de bondscoach de opstelling.

Geen sprake van dat hij zich door iemand zou laten bijstaan om de wedstrijd te analyseren. Niet vooraf of achteraf, en al helemaal niet tíjdens, want de echte voetbalcommentator doet het alleen, zoals op de VRT al jaar en dag een gewoonte is, nietwaar Frank Raes?

“Dat is niet mijn schuld of verdienste, zo u wil. Toen de commerciële zenders en later de betaalzenders kwamen, wilden ze zich onderscheiden door er een ‘colour commentator’ bij te zetten. Ik zou er nu niet meer aan wennen. Wij proberen journalist en analist in één persoon te verenigen. Bovendien, vaak zijn die duo’s toch niet goed op elkaar ingespeeld.”

Dé analist bestaat niet. Dezelfde persoon kan in in vele gedaantes komen: als cocommentator bij de wedstrijd, als colour commentator voor comic relief (een komisch moment zoals Boskamp, ‘Bossie met het lampie’), als gast aan een opzettafel naast het veld of achteraf met de nodige recul in de studio. In Extra Time op maandagavond bij de VRT vervellen journalisten tot analisten en dat is dan weer de VRT-voetbaldieren Filip Joos en Peter Vandenbempt op het lijf geschreven.

Een accent mag, maar minimale taalvaardigheid is een vereiste. Uitgezonderd Jan Boskamp, die als zijn Rotterdams niet toereikend is, of hij zijn gelijk niet krijgt, de halve studio ‘voor de harses’ slaat. Of doet alsof, want Bossie heeft een hart van koek en is misschien daarom erg geliefd bij vrouwen.

Een punt kunnen maken in tien seconden, helpt ook. “Kill your darlings: liever krachtig en onvolledig, dan volledig en langdradig”, aldus Wim De Coninck. “Controversieel is ook goed en het mag grappig zijn, krijg ik soms als raad mee, terwijl voetbal niet altijd grappig is en controverse soms goedkoop is.”

In slaap gevallen

Altijd is de analist een voetballer op rust of een trainer – ook op rust en vaak op zoek, maar dan naar een baan. “Geen goede uitgangspositie, hebben we geleerd”, zegt een programmamaker. “Trainers met ambitie hebben de neiging zichzelf in de markt te zetten. Dat is ook de kritiek op Aad de Mos (VTM), die zo graag nog eens een club zou hebben.”

Carl Huybrechts was namens de toenmalige BRT in 1982 de eerste om in het Nederlands taalgebied gebruik te maken van trainers of (oud)-spelers die de wedstrijd analyseerden in een omkaderend programma. Onder meer de revaliderende René Vandereycken, de net gestopte Arie Haan en de beginnende columnist Jan Mulder waren zijn gasten. “Mulder was toen al tegendraads”, zegt Huybrechts. “Iedereen vond de Brazilianen van 1982 zo goed. Hij zei dat ze ‘helemaal niet konden voetballen’.”

Het feest duurde niet lang. Na een heel saaie wedstrijd hadden Huybrechts en zijn studiogasten afgesproken om bij het signaal ‘terug naar de studio in Brussel’ te doen alsof ze in slaap waren gevallen. “De bazen konden er niet om lachen en we zijn toen tijdelijk afgevoerd, maar de kritieken waren goed en we zijn op dat elan doorgegaan.”

Alras volstond de analist en zijn analyse niet meer. Het moest met publiek in de achtergrond, liefst supporterend. De cijfers wezen uit dat vooral vrouwen de kleurrijke fans wel konden smaken. Na een tijdje ging ook dat vervelen en kwam naast de analist ook de occasionele BV zitten, niet altijd bovenmatig gehinderd door veel voetbalkennis maar wat gaf het?

Vooral in de omkaderingsprogramma’s van Mark Uytterhoeven verzopen de analyses in het amusement, maar de kijkcijfers schoten wel de hoogte in toen met het WK van 1990 schoorvoetend de eerste BV’s hun intrede deden.

De mix sérieux-amusement sloeg aan, en heel af en toe tegen. Voor zijn studioprogramma rond het WK van 2002 nodigde Carl Huybrechts ook Herman Brusselmans uit, een BV, maar in potentie evengoed een analist, want ooit een begaafde ex-voetballer van Lokeren. “De wedstrijden in Japan werden bij ons ’s ochtends om 11 uur uitgezonden en op heel wat scholen werden de lessen een uurtje geschorst. Toen ik Herman vroeg wat hij van de wedstrijd vond, zei hij ‘niets gezien, ik heb in de eerste helft een Miss Belgian Beauty gebeft’. Die zaten in ons decor namelijk. Waarna tegen Herman een veto werd uitgesproken.”

Geen vrouwen

Analisten zijn vaklui die worden betaald om naar de studio te komen. Veel andere gasten zijn allang blij dat ze mogen aanschuiven om hun naamsbekendheid te upgraden.

Bij elk groot toernooi wordt de roep om een vrouwelijke analist sterker. Vrouwen genoeg in de omkadering, maar dan als WAGS (wifes and girlfriends, van voetballers) of BV’s. Alleen in Engeland mag een vrouw gewoon over voetbal praten. Jacqui Oatley is sinds 2007 collega van hoofdanalist Alan Shearer.

In Engeland wordt beter betaald dan bij ons. Daar heten ze pundits, afgeleid van het Sanskrietwoord pandita dat ‘eigenaar van kennis’ betekent. Als de spelers in Engeland veel meer verdienen dan in de Jupiler League, geldt dat ook voor de pundits. Thierry Henry tekende vorig jaar bij BSkyB voor zes jaar en krijgt daarvoor 5,69 miljoen euro. Per jáár. Zijn collega Gary Neville krijgt ‘maar’ 1,7 miljoen euro.

Hoeveel worden onze moedige analisten betaald om hun rust, reputatie en leven op het spel te zetten? Dat zou variëren tussen 250 en 750 tot één enkele keer 1.000 euro per optreden, waarbij de VRT van alle zenders de slechtste en traagste betaler is. Voor Jan Mulder ligt dat bedrag een stuk hoger. Mulder wil ook altijd inclusief logies in The Dominican, een prachtig hotel in het centrum van Brussel.

Lagere verloning

De concurrentie is groot en dus is de wereld van de analisten/cocommentatoren hard. Dat zorgt voor een apart sfeertje onder de vakbroeders van wie geen enkele zeker is over zijn inkomsten voor volgend seizoen. De markt verschrompelt, en in die steeds kleinere vijver worden steeds weer andere vissen uitgezet, recent nog Eric Van Meir en Patrick Vervoort. Een analist die liever anoniem blijft: “Werkloze trainers en spelers zonder club worden aangeboden door hun manager. Dat houdt de prijzen laag. Ik leef er niet van, maar ik krijg vandaag voor een avond studiowerk 250 euro minder dan tien jaar geleden.”

Ze zijn met veertien die min of meer regelmatig opduiken in uw huiskamer en ze hebben altijd wel iets over elkaar op te merken. “Marc Degryse is soms te drammerig.” “Wesley Sonck? Spreekt altijd over zichzelf.” “Ariël Jacobs, Eric Van Meir en Patrick Vervoort zijn
te oppervlakkig.” “Wim De Coninck is iets te veel schoolmeester.” “Eddy Snelders en Franky Van der Elst zijn soms te langdradig.” “Aad de Mos spreekt zichzelf tegen en Geert De Vlieger neemt moeilijk een echt standpunt in, net als Gert Verheyen als hij als jeugdbondscoach internationals moet beoordelen.”

“Boskamp? Jan Mulder prijst hem als grappige Hollander uit de markt. En ze hebben ruzie gehad tijdens het WK en kunnen niet meer door één deur.”

Iedereen heeft kritiek op iedereen. Vervelend voor die jongen, maar alleen over Tom Soetaers is men het eens: slechte stem, te licht, te vroeg gebracht en zit er alleen omdat hij veteranenvoetbal speelt met de chef sport van VTM. Filip Joos wijt veel kritiek aan het fenomeen televisie. “Veel vaker dan bij iets wat gedrukt staat, menen mensen op televisie iets te horen wat je eigenlijk niet hebt gezegd.”

Aan de stok met Wilmots

Is er een recept om te overleven in de bijrol van analist? “Geen blad voor de mond nemen, zonder te schofferen of te provoceren.” Voor Marc Degryse is het dansen op een slappe koord. Sommige trainers kunnen gewoon moeilijk om met kritiek. Zelfs bij Michel Preud’homme, de gelouterde man van de voetbalwereld, is het sterker dan hemzelf.

“Als je al niet mocht zeggen dat hij zich in Gent had vergist met zijn veldbezetting, dan weet ik het niet”, zegt Degryse. “Ik heb het ook aan de stok gehad met Wilmots, met wie ik nota bene twee WK’s heb gespeeld. Hij kwam mij na de wedstrijd in Bosnië aanpakken dat het moest ophouden met ‘raconter des conneries’. Ik had hem in de uitzending gecomplimenteerd met zijn offensieve aanpak, en gezegd dat hij daarmee had bewezen naar zijn spelers te willen luisteren. Dat laatste wilde hij niet horen. C’est moi qui décide, zei hij.”

De Voetbalanalist

Column over Sporza en Gatz in De Morgen van 21 maart 2015

SPORZA

Minister Sven Gatz heeft niet gescoord bij de VRT met zijn opmerking dat er te veel van dezelfde sport op de openbare omroep is, maar minister Sven Gatz is dan ook geen minister van Sport maar van Cultuur en bij de culturo’s gaat een ferm standpunt tegen sport er altijd in.

Misschien een beetje naast de kwestie, maar om een breder kader te schetsen hier toch in een paragraafje een eerdere column samengevat. Cultuur kreeg in 2014 net geen 480 miljoen euro uit de Vlaamse begroting. Per Vlaamse inwoner is dat 75 euro. Sport kreeg net geen 130 miljoen euro, ongeveer 20 euro per inwoner. Sport is de grootste democratiserende en integrerende kracht voor een maatschappij. Cultuur is ondanks het vele subsidiegeld altijd een passe-temps voor een elite gebleven.

En toch heeft minister Sven Gatz ook een beetje gelijk.

Hij zei onder meer: “Moet je elke avond voetbal kunnen kijken?” Neen.

Of: “Moet je de Ronde van Vlaanderen van minuut één uitzenden?” Neen.

En nog: “De openbare omroep moet geen sport- en entertainmentzender zijn. Het evenwicht moet beter.” Groot gelijk, maar over welk evenwicht heeft hij het dan?

Het verbaast dat hij het bijvoorbeeld niet had over veldrijden. De VRT heeft het veldrijden tot in de melkweg gepromoot en heeft ons laten geloven dat parochiaal toneel hetzelfde was als Broadway. In een samenzwering met de ondeskundige wielerbobo’s zijn heel wat waardevolle atleten verloren gegaan voor mondiale wielerdisciplines omdat ze bleven steken in de Vlaamse modder. Tegelijk zijn de Golazo’s en andere opportunistische organisatoren slapend rijk geworden.

Verbazend dat Sven Gatz in zijn interview met De Zondag niet één keer Sporza heeft genoemd. De VRT heeft begin deze eeuw Sporza uitgebouwd tot een sportmerk dat door het medialandschap rolde als een bulldozer. Kwaliteit was ineens niet meer belangrijk, in de eerste plaats niet met betrekking tot het personeel dat al die sport in de huiskamer moest brengen, maar ook niet in het aanbod. Dat werd nooit bepaald door internationale uitstraling van een sport, laat staan dat er benchmarking aan te pas kwam.

Het aanbod was geheel afhankelijk van welke rechten konden worden verworven. Met andere woorden: hebben we de rechten, dan is het wereldsport. Hebben we die niet, dan telt het niet. Ander criterium: doen er van ons mee en kunnen ze winnen, dan zijn we erbij (als het betaalbaar is). Denken we dat ze niet kunnen winnen, dan gaan we niet.

Vandaag luidt een veelgehoorde kritiek dat twee mannen op een fiets een rechtstreekse tv-uitzending waard zijn. Kan u zich indenken dat een chef sport van de VRT een kwarteeuw geleden 500.000 frank (12.500 euro) vroeg voor de productie van de Omloop Het Volk, nu Het Nieuwsblad, en dreigde niks uit te zenden tot er boter bij de vis kwam? Toen de BRTN in 1994 het voetbalcontract kwijtspeelde aan VTM, was er heel even paniek bij de monopolist en veranderde het geweer snel van schouder: van de ene dag op de andere werd alles wat op wielrennen leek een wereldsport.

Erger nog dan Sporza zelf, wordt soms gezegd, is het marktverstorende effect van Sporza op de andere media. Genoeg gehoord op allerhande redacties: het komt niet op tv, dus doen wij er ook niks aan. Dat is meer nog de schuld van die redacties natuurlijk, want die hadden maar sterkere cheffen sport moeten aanstellen en beter moeten weten in plaats van onder de druk van de tv non-events als Omloop en modderlopen in Hamme-Zogge het statuut van wereldkampioenschap navelrijden te verlenen. Toen de commerciële zenders ook begonnen in te zetten op voetbal en veldrijden, was het hek helemaal van de dam.

Willen we nu dat Gatz het kind met het badwater weggooit? Liever niet, om eerlijk te zijn. Er kan veel kwaad worden gesproken van Sporza, maar vorige zondag kon je daar wel een Oostendse en een Keniaan Belgisch kampioen veldlopen zien worden. Behalve dat overaanbod voetbal en wielrennen, zit Sporza misschien niet zo heel ver verwijderd van die sterke Vlaamse sportzender.
Van een lappendeken aan sportuitzendingen wordt niemand beter. Ideaal, maar wellicht niet toegestaan voor een of andere mededingingsautoriteit, blijft een situatie waarbij de openbare en commerciële omroepen de handen in elkaar slaan en een kwalitatief en divers sportaanbod brengen op een aparte Vlaamse sportzender.

Column Sporza:Gatz

Column op site over play offs via demorgen.be 16 maart 2015

Nog iemand bezwaar tegen de play-offs?

Nog iemand (die niet uit Genk komt of thuis een groenzwarte sjaal heeft) bezwaar tegen het play-offsysteem? 
Niemand (behalve enkele journalisten van de oude stempel)? Dacht ik al. 

Sinds Nieuwjaar zijn misschien drie wedstrijden gespeeld waarin niks op het spel stond. Zulte-Waregem tegen KV Oostende van gisteren was er zo één. Voor het overige was er altijd iets te beleven, zijn nóóit meer punten nodig geweest om bij de eerste zes te geraken en hebben ze onderin nóóit beter gevoetbald. Dat Moeskroen play-off 2 mag spelen is een regelrechte schande, maar dat is in beginsel terug te voeren op de aanwezigheid in onze eerste klasse van die club als een filiaal van een buitenlandse club. Aan de nieuwe CEO en nieuwe voorzitter van de Pro League om daar iets op te verzinnen.

Club Brugge hoopt nog steeds op de verdamping van zijn buur, maar of dat het stadiondossier vooruit helpt, valt nog af te wachten

Dat Cercle play-off 3 moet spelen is jammer, maar bij Club Brugge wrijven ze zich in de handen. Zij hopen nog steeds op de verdamping van hun buur, maar of dat het stadiondossier vooruit helpt, valt nog af te wachten. Dat Genk play-off 1 niet haalde, is niet meer dan normaal. Men mag van Alex McLeish zeggen wat men wil – dat hij aardig is en zo en dat zijn Schots zo schattig klinkt – maar sinds de wedstrijd op Gent kan geen mens beweren dat hij iets van voetbal kent.

Het Genkse middenveld werd daar voor de rust weggespeeld dat het niet mooi was en toen ze uit de kleedkamer kwamen, had hij nog niks veranderd. Dat Emilio Ferrera voor die man moest wijken moet zowat de grootst mogelijke belediging zijn. Stuur lovely Alex terug naar Schotland en haal een goeie Belgische coach, in godsnaam. En dat ten slotte Charleroi in play-off 1 zit, is een zegen voor het Belgisch voetbal; eindelijk een concurrent ten zuiden van de taalgrens voor de Luikse hegemonie.

We hebben nu drie weken geen eersteklassevoetbal. Volgende week kunnen we ons een beetje druk maken over de bekerfinale met een onuitgegeven strijd tussen de twee sterkste clubs van het land en een week later kunnen we ons heel erg druk maken over waarom Wilmots onze sterrenverzameling maar niet aan het voetballen krijgt.

In het eerste weekend van de paasvakantie is de Jupiler Pro League terug en dan kan het gezeur weer beginnen over de halvering van de punten: een schande, tegen de geest van het voetbal, onsportief, en verzin nog maar wat. Ook dat bezwaar komt hoofdzakelijk uit de koker van journalisten die al heel lang meegaan, zo lang dat ze elke verandering – ook in gunstige zin, zoals meer spanning, meer spektakel, meer geld – ondergeschikt maken aan tradities waarvan geen mens meer weet waarom die ooit tradities zijn geworden.

Play-offs zijn de ideale manier om spanning in te bouwen, maar dan alleen als de pariteit hoog genoeg is. In het Belgisch voetbal is die minimaal

Play-offs zijn visionair, maar wel jammer van de halfbakken versie. Dat de punten niet op nul worden teruggezet, is een toegeving aan de economische realiteit en het gebrek aan herverdeling in het Europees voetbal. Play-offs zijn de ideale manier om spanning in te bouwen, maar dan alleen als de pariteit (de onzekerheid van de uitkomst) hoog genoeg is. In het Belgisch voetbal met één ploeg die de laatste tien jaar zes titels won of tweede werd (Anderlecht dus) is de pariteit minimaal.

De correlatie tussen de grootte van het budget en het resultaat wordt uitgedrukt in R. R=0 is ideaal en zou betekenen dat er geen verband is tussen het budget en de eindstand. Dat is in geen enkele sportcompetitie het geval. Sommige competities in de VS halen 0,2 of in die buurt. In België en in de meeste Europese competities is de correlatie tussen 0,7 en 0,9, belachelijk hoog.

Om al deze redenen behouden we niet de behaalde punten, zetten we ze ook niet op nul, maar delen ze door twee. Met andere woorden: we doen alsof we het spannend maken – in België meer dan in de rest van Europa – maar als de prijzen worden verdeeld zijn het toch altijd dezelfde die winnen.

 

Column over Mourinho in De Morgen van 14 maart 2015

Mourinho

“PSG verdiende het.” Dat is het slimste wat José Mourinho deze week heeft gezegd. Alles daaraan voorafgaand en alles daarna behoort tot de categorie bs, stierenstront.

“Wij houden van Mourinho”, schrijven of zeggen journalisten soms. In welke hoedanigheid dan? Als sit-downcomedian op persconferenties? Kan ik inkomen. Als stand-upcomedian langs de lijn? Misschien ook nog. Als voetbalcoach? Neen toch.

Woensdag heb ik eerst naar Tegen de sterren op gekeken – mijn guilty pleasure en gek van Meskens N., ik beken – en vervolgens ingepikt in het voetbal dat ik veiligheidshalve op de digicorder had staan. Het stond 0-0, maar ik miste Ibrahimovic. Met missen bedoel ik niet dat ik niet zonder kan; ik zag hem gewoon niet lopen. Cavani wel en nog wel wat volk, maar niet die Zweedse giraf. Op Sporza website dan maar gaan checken. Rood verdorie. Teruggespoeld. Herhalingen. Uit 37 verschillende hoeken. Ik ben een Mulder- volgeling: het is bij mij al snel rood, maar hier dacht ik: als dit ook al rood is? En dan die negen Chelseaspelers huilend om een kaart. Engelse fair play? Neen hoor, dat was Portugese whining. En die stomme scheidsrechter trapte er nog in ook.

Ik zweer het, ik was geheel onbevooroordeeld beginnen te kijken omdat het allebei bijeengekochte teams zijn. Chelsea is een privéspeeltje van Roman Abramovitsj die eerst al het geld zo doneerde, maar na te hebben gezien hoe Malcolm Glazer dat had gefikst bij Man United prompt zijn geleend geld in de boekhouding opnam. (Dat heet leveraged buyout, handig voor als u een keer slim wil doen.)

Ook PSG is gewoon speelgoed, maar dan van Qatar Sports Investment en dat is perversie in het kwadraat. Mijn voorkeur ging dus uit naar de koopploeg die het meeste zou bijdragen aan het spektakel. Voor competities als de Champions League, die wereldwijd worden uitgezonden, zijn niet alle kijkers supporters. Ze zijn consumenten van een dienst, een spektakel en hopen bij de aankoop geamuseerd te worden.

Amuseren en voetbal is zo al een heikele combinatie, want tot zijn essentie herleid is het een oneerlijk spel. In geen enkele spelsport wint zo vaak de slechtste of meest negatieve of zwakste ploeg. Woensdag was het haast zover. Eerst stond het 1-0 voor de Engelsen. Om dat doelpunt te scoren, waren die een halve keer over de middellijn gekomen met aanvallende bedoelingen en het was prijs. Tien minuten of zo voor tijd. Jammer.

De Parijzenaars waren slechts met tien, maar zetten Chelsea onder hoge druk. Chelsea plooide terug. Er was geen meter gras meer tussen de Londense lijnen, maar die van PSG liepen er toch netjes tussen. Het werd 1-1, op een mooie kopbal, vier minuten voor tijd. Verlengingen. Daarop volgde een strafschop voor de thuisploeg. Terecht, meesterlijk omgezet door Eden Hazard, maar jammer dat het daardoor 2-1 werd.

Chelsea had niks, maar dan echt helemaal niks getoond. PSG daarentegen zette Chelsea weer onder druk en zes minuten voor tijd kopte Thiago Silva de 2-2 binnen. Ik heb toen een gil gegeven en ik was vast niet alleen: behalve de Chelseasupporters zal de hele wereld hebben gegild.

Ik begrijp de trainers uit mindere competities niet die absoluut willen gaan kijken bij Mourinho. Wat kan je daar nu leren? Hoe je moet verdedigen? Alsof dat een kunst is, met zeven achterin. Ik begrijp ook de journalisten niet die Mourinho op handen dragen. Voor zijn spektakel op de persconferentie, maar wat heeft deze man al bijgedragen aan het amusementsproduct voetbal? Eden Hazard beter gemaakt? Je kan maar vermoeden hoe goed hij nu zou zijn als Mourinho zijn trainer niét was. Het voetbal van José Mourinho is de negatie van zijn sport.

“Als je twee keer laat scoren op corner, verdien je niet te winnen”, sneerde ‘The Special One’ naar zijn spelers. Topcoach hoor en topmens, die Mourinho. Parkeert zijn bus voor zijn eigen doel, haalt die niet eens weg als de anderen met tien vallen en geeft zijn spelers dan ook nog eens de schuld.

Mourinho

Portret Tom De Sutter in De Morgen van 14 maart 2015 (met goede bijlage)

‘Ik ben niet die brave jongen in de spits’

Zijn vrouw komt zelden kijken, de laatste weken heeft hij geen Champions Leaguematch gezien en op een rustdag ging hij naar Batibouw. Vergis u niet: alles voor zijn sport, maar Tom De Sutter (29) heeft zo zijn eigen logica om te overleven in Circus Voetbal. ‘Bij een slechte wedstrijd stort mijn wereld niet in’, zegt voor de slotmatch van de reguliere competitie tegen Westerlo.

Ik léés kranten, natuurlijk. Ik heb zelfs een abonnement op De Morgen. Ideaal, er staat niet te veel sport in.” Kan tellen als statement in een wereld waarin als receptuur voor het behoud van de geestelijke gezondheid elke letter ofwel wordt uitvergroot, of in het andere geval verdrongen.

Tom De Sutter kan na een jaar zonder prijs weer aanknopen met een goede gewoonte die hij zich als speler van de grote concurrent eigen had gemaakt: kampioen worden. Vier en een half seizoenen speelde hij voor RSC Anderlecht, drie keer werd hij kampioen. “Het hadden ook vier titels kunnen zijn, maar door een stom reglement dat alleen in België geldt, moesten we testwedstrijden spelen tegen Standard.”

Anderlecht verloor die in mei 2009. Tom De Sutter, halfweg dat seizoen overgekomen van Cercle Brugge, speelde twee keer mee. Hij scoorde niet en dat was het begin van een halfslachtige relatie met de achterban van Anderlecht. De perceptie met betrekking tot Tom De Sutter was snel klaar: te oud voor de poppen, te jong voor de liefde of niet goed genoeg voor de Belgische top, in casu Royal Sporting Club uit Anderlecht.

Dat was een déjà vu. De geboren Balegem-naar en speler van Wetteren werd ooit door Club Brugge warm gemaakt om als zestienjarige zijn voetbalopleiding op Jan Breydel af te maken. Vier, vijf keer per week reden ma of pa de 140 kilometer heen en terug naar Olympia om zoonlief in 2005 noodgedwongen voor derdeklasser Torhout te zien kiezen.

“Ik voelde niet echt druk, maar als voetballertje probeer je toch onbewust iets terug te geven. Veel ouders rijden al die kilometers en hoeveel kinderen breken door? Ik brak niet door en ik was niet eens kwaad. Ik had niet het gevoel dat ik klaar was om bij Club door te schuiven naar de A-kern. Dan denk je: derde klasse zal wel mijn niveau zijn en misschien haal ik ooit wel tweede klasse. Na een jaar kwam Roland Rotty van Cercle mij halen. Terug naar eerste, daar had ik echt geen rekening meer mee gehouden, want ik was al begonnen met studeren en had zelfs al een jaar marketing in Gent afgewerkt.”

Erkenning

Zoals leeftijdsgenoot Nicolas Lombaerts, die naar Gent moest verkassen om door te breken en aan rechtenstudies was begonnen, was voor Tom De Sutter die andere concurrent van Club de springplank naar hoger. “Dat jaar bij Torhout heb ik mij ook goed geamuseerd met voetballen en met het studentenleven, maar toen ik die kans kreeg bij Cercle ben ik ervoor gegaan.

Dat is een beetje een constante in mijn carrière. Eerst hoge verwachtingen, dan iets minder en zelfs kritiek, en vervolgens vecht ik terug. Als het moet, als de nood hoog is, kan ik blijkbaar altijd iets meer brengen. De erkenning? Die komt pas veel later, heb ik al geleerd.”

Die erkenning verloopt via de media, ondervond hij tot zijn scha en schande en hij ziet zichzelf niet bepaald als het grootste slachtoffer. Daarvoor heeft hij een goede concullega in gedachten. “De media maken of kraken een speler. Neem nu Olivier Deschacht. We hebben contact, over de clubgrenzen heen, jawel. We hebben weleens samen gefietst, maar ik fiets te snel naar zijn goesting en ik heb weleens getennist en dat kan hij te goed, naar mijn goesting. Ik respecteer vooral de voetbalspeler ‘Olli’. Hij had vorige week vijfhonderd wedstrijden in het eerste van Anderlecht en nu pas beginnen ze hem voor vol te aanzien, terwijl hij er twee jaar geleden ook al vierhonderd had. In Anderlecht!

“Types als Deschacht en bij ons Timmy Simons halen seizoen na seizoen hetzelfde hoge niveau maar krijgen soms niet de waardering die een frivole voetballer na één goed seizoen krijgt. Zij moeten elk jaar opnieuw overtuigen en die aanvaller kan een hele carrière teren op twee opvallende goals die iedereen zich herinnert.”

Dat noemt men tegen de eigen winkel spreken, want de spits Tom De Sutter leeft zelf van die momenten. Met name bij Anderlecht wisselde hij de goede momenten af met mindere en verloor vaker dan hem lief was het vertrouwen van de coach. Ariël Jacobs was niet zijn favoriete sportieve baas, geeft hij toe. “Als je naast de ploeg viel, zag hij je niet meer staan. Dodelijk is dat voor een speler. John van den Brom was ook streng voor mij, maar hij was er voor iedereen.”

Hoe Tom De Sutter nuchter over zijn carrière vertelt, lijkt hij op de eerder vermelde Olivier Deschacht. Ook hij heeft na al die jaren een soort rustige vastheid gekregen waar geen tegenslag of dip tegenop kan. “Er zijn gelijkenissen. In zijn plaats kochten ze verdedigers, maar uiteindelijk staat hij daar nog. Voor mijn plaats kopen ze altijd spitsen, maar ik speel ook nog altijd. Er zijn jaren geweest dat ik mij daar zenuwachtig in maakte, maar ik heb er nooit echt mijn slaap voor gelaten. Ik weet wat ik kan. Ik ben een goede targetspits, niet te snel, maar balvast. Dat ik bij Anderlecht af en toe naar de bank verhuisde, kan ik niemand verwijten, ook mijzelf niet. Eerst had ik te maken met de jonge opkomende Romelu Lukaku en vervolgens haalden ze Dieumerci Mbokani. Die waren beter dan ik en dan heb je daar vrede mee.”

Padelclub

Revanchegevoelens tegenover Anderlecht zijn hem vreemd. Ten slotte lieten ze hem in de zomer van 2013 gaan naar een andere topclub, toen hij bij FCB als vervanger van Carlos Bacca werd ingehaald. Het leek een beetje thuiskomen. Nu bij Club Brugge krijgt hij te maken met een atletischere versie van hemzelf: Obbi Oulare.

“Waarom zou ik schrik hebben van Obbi? Als ze beter zijn, zijn ze beter. Wat mij wel ooit heeft gestoord, is dat etiket van de brave jongen in de spits. Daardoor belandde ik op het tweede plan, want die andere – die niet beter was dan ik – had wel een moeilijk karakter en van die waren ze dan bang. Ik ben op Anderlecht ook wel eens uitgefloten toen het niet draaide. Neen, uitfluiten is niet wat ik zou doen met mensen, maar ik heb het leren aanvaarden. Zoals ik ook de fora op de sociale media heb leren aanvaarden. Het is te zeggen: ik weet dat ze bestaan, maar sinds de beloften kijk ik nooit meer wat erop staat.

“Rudy Heylen, onze mental coach bij Club, heeft mij geleerd mij te concentreren op de essentie. Ik haal veel uit onze gesprekken en ik kan ook wat kwijt, want er is geheimhouding tussen hem en de spelers. Hij heeft mij ook gezegd dat ik best iets meer smeerlap, iets meer opportunist mag zijn. Herkende je dat? Dat moet ik Rudy melden. (lacht) Ach, ik ben geen 22 jaar meer en bij een slechte wedstrijd stort mijn wereld niet meer meteen in. Ik denk nu: volgende week schop ik er misschien wel vier in.”

De voorbije wedstrijden schopte hij er twee heel belangrijke in. Heel opportunistisch, maar ook daar wordt hij niet euforisch van. Ze kunnen hem niet meer afpakken wat hij al heeft, is een goede samenvatting van de levensfilosofie van de voetballer Tom De Sutter, inmiddels begiftigd met een palmares met daarop drie titels, weze het bij de vijand. Alleen tegenover Timmy Simons, die er ook twee heeft met Club en nog eens drie met PSV Eindhoven, moet hij het afleggen. Na De Sutter en Simons houdt het op bij Club met de spelers die weten wat er nodig is om kampioen te spelen.

“Ik weet het ook niet. Ik denk niet dat we nu iets anders moeten doen, maar gewoon moeten vertrouwen op ons spel. We spelen goed, ondanks dat dipje, maar daar komen we wel uit. Ik vertrouw vooral op onze conditie. Je ziet dat alle ploegen tegen ons meekunnen tot de zeventigste minuut, maar die laatste twintig minuten kunnen wij het verschil maken.

“Het wordt ons een beetje aangepraat alsof wij heel erg gespannen zijn met het oog op de titelstrijd. Daar is niks van aan. De coach gaat tekeer, dat wel, maar alleen tijdens de wedstrijd. In de loop van de week is hij best in voor een grap en is het echt wel losser. Ik heb met Michel Preud’ homme wel de beste trainer ooit in mijn loopbaan, zowel fysiek, tactisch als mentaal. Ik herinner mij de eerste keer dat we hem zagen: er kwam iemand binnen in die kleedkamer.”

Als hij niet zou voetballen, zou hij ondernemen. Zijn vader is ondernemer – “marmeren trappen en zo, tekenen en plaatsen, met zeven man in dienst” – en zijn moeder is, nu alle kinderen het huis uit zijn, als opgeleide verpleegster terug in de ouderenzorg gestapt. “Daar heb ik respect voor. Na vijfentwintig jaar weer in de verpleging gaan, uit vrije wil. Ik wil later ook werken, maar ik kan de kat uit de boom kijken omdat ik goed heb verdiend, en dat is een ongelooflijke luxe waar ik mij van bewust ben. Inmiddels ben ik begonnen aan iets waar ik heel veel zin in heb.”

In het voorjaar verrijst in het recreatiegebied De Gulden Kamer in Sint-Kruis-Brugge een padelclub, een investering van Tom De Sutter en twee vrienden. Padel is tennis voor wie niet kan tennissen en niet wil lopen, in een glazen kooi waardoor ook het ballen rapen minder moeite kost. Hij ziet die laagdrempeligheid juist als een troef. “Je moet geen vier jaar les volgen zoals in tennis om het gevoel te krijgen dat je plezier krijgt in het spel. Van de eerste keer dat ik het in Spanje speelde, was ik verkocht.”

700.000 euro bedraagt de investering in de club die geheel zelfstandig zal worden gerund door De Sutter en vrienden. “Zo’n club oprichten en beheren, ondernemen in de sport, dat is echt de nacarrière waar ik van droom. Als je met de koersfiets passeert en je hebt dorst, ben je ook welkom. In ons businessplan is een goed draaiend clubhouse een essentieel onderdeel.”

Met die padelclub en nog wel wat andere leuke besognes buiten het voetbal in gedachten, zo vertrekt de ondernemer/voetballer Tom De Sutter morgen naar zijn werk dat erin bestaat om morgenmiddag het bescheiden Westerlo partij te geven. Hij zal zijn vrouw en dochter een afscheidszoen geven en zijn auto glimlachend van het naburige Varsenare over de Gistelsesteenweg naar Sint-Andries sturen.

Zijn vrouw zal hij pas na de wedstrijd terug treffen. Thuis. “Als ik iets speciaals heb gedaan, heeft ze het al via sms vernomen en dan heeft ze al gekeken. Ze is tegen Moeskroen nog eens in het stadion geweest, voor het eerst in anderhalf jaar. Ze houdt niet zo van voetbal en dat vind ik fantastisch. We kijken thuis ook weinig. Laatst heb ik wel Anderlecht gezien in de competitie, maar dit jaar keek ik nog niet naar de Champions League. Ik weet dat ik kan leren van het kijken naar andere spitsen, maar dat doe ik dan op YouTube.

“Als ik thuiskom na een wedstrijd en het was niet te best, gaat het twee minuten over de wedstrijd en vervolgens zitten we weer in de realiteit van ons gezin. Zoals onze bouw. De grond hebben we, hier in de buurt van het stadion, prima gelegen als Club verhuist. Het plan is getekend en nu zijn we alles aan het uitzoeken. Vorige week op mijn vrije dag zijn we naar Batibouw geweest. Ik hoor van alles over domotica, daar wil ik mij dan in verdiepen. Boys and toys, jawel, ideaal om niet te veel aan voetbal te denken. Huisje-tuintje- kindje? Daar is niks mis mee en ik kom er graag voor uit dat mijn privéleven met mijn gezin het allerbelangrijkste is.”

De Sutter

Achtergrond bij zaak ‘ozondokter’ Mertens in De Morgen 13 maart 2015

De naald als misdaad

Alle sporters in de zaak rond dokter Mertens zochten de grijze zone op. Of ze voor hun ozon, over infusen en naalden tot corticosteroïden worden gestraft, is echter lang niet zeker.

Greg Van Avermaet, Bart Wellens en Tom Meeusen moeten vandaag voor de disciplinaire commissie van de Belgische wielerbond verschijnen. Meer dan waarschijnlijk wordt uitstel verleend. Aanstaande donderdag is het de beurt aan voetballer Karel Geraerts, die voor het Vlaams Dopingtribunaal zijn zaak komt bepleiten. Veldrijder Laurens Sweeck kreeg eerder uitstel tot 12 mei.

Hierboven staan de vijf eerder bekende namen. De Morgen kent alle namen uit het verhoor van dokter Mertens van 13 maart 2013, maar verkiest die niet te publiceren omdat niet duidelijk is of alle gevallen ook een vervolg krijgen voor een dopingrechtbank.

Dokter gaat vrijuit

Hoewel hij mogelijk wordt doorverwezen naar correctionele, lijkt huisarts Chris Mertens op het eerste gezicht weinig te verwijten. Behalve het aanraden van corticosteroïdengebruik aan Greg Van Avermaet – Diprophos, waarvoor de renner een eenvoudig attest kan afleveren – zijn in geen van de dossiers van dokter Mertens dopingproducten in het spel. Mertens was een adept van inspuitingen, dat wel, en er zijn bij hem ook lege spuiten Aranesp (epo van de tweede generatie) gevonden, maar Mertens is nu eenmaal huisarts. Het DNA-onderzoek van gevonden bloedresten en spuiten leverde geen enkele match op met een topsporter.

Het gebruik van ozon (bij Bart Wellens en nog bij heel wat andere sporters) zou voor een sporter wél als dopingpraktijk kunnen worden gekwalificeerd, maar zelfs dat is lang niet zeker (zie verder). En dan is er het spuiten van legale middelen of het toedienen van aminozuren via infuus. Dat is in eerste instantie alleen een dopinginbreuk als te veel wordt ingebracht omdat grote hoeveelheden de bloedwaarden zouden kunnen manipuleren. Voor profwielrenners is er een extra strenge bepaling: als zij spuiten, moeten ze dat melden.

Vaminolact

Hoe zwaar weegt het dossier? Tom Meeusen, Bart Wellens en Greg Van Avermaet zullen een straf moeilijk kunnen ontlopen. Het zal erop aan komen voor de advocaten om in hun pleidooi uit te leggen hoe onschuldig het gebruik wel (niet) verliep.

Bij Meeusen werden in zijn camper infusen Vaminolact en naalden gevonden. Dat kan wijzen op gebruik voor of na een wedstrijd. De Morgen vond in het dossier geen bewijzen van andere producten, maar de geruchtenmolen ziet dat anders.

Vaminolact is geen doping, maar een recuperatiemiddel op basis van aminozuren. Op de gebruiksaanwijzing staat vermeld dat het direct in de bloedbaan moet worden ingebracht. De verdediging van Sweeck en alle andere Vaminolact-gebruikers van dokter Mertens (ongeveer iedereen) zullen aanvoeren dat zij Vaminolact oraal innamen. Uit het pv van het verhoor van dokter Mertens blijkt evenwel dat het vaak gaat om baxters en infusen “zetten”.

Dit wordt al een eerste juridische discussie. Aangezien dopinggebruik niet is bewezen – er is geen positief urine- of bloedstaal – ligt de bewijslast voor kwaad opzet bij het bondsparket. Dat moet dus bewijzen dat er meer dan 50 milliliter is gebruikt, binnen de zes uur.

De meeste klanten van Mertens kregen ook spuiten met ijzer of homeopathische druppels. Spuiten is verboden, maar alleen
voor wielrenners, voor wie de no needle policy van de internationale wielerbond geldt. Dat beleid maakt echter geen deel uit van
de dopingregels van de Internationale Wielerunie UCI of het Werelddopingagentschap WADA, en dus ook niet van de Vlaamse Gemeenschap. De no needle policy valt onder de zogeheten Medical Rules van de UCI en stipuleert dat elke injectie binnen de 24 uur moet worden gemeld.

Het is niet duidelijk of de Vlaamse Gemeenschap kan straffen op basis van die regel. Sowieso zijn de straffen voor no needle geen twee jaar zoals bij doping, maar minimaal acht dagen en maximaal zes maanden en/of een geldboete.

Ozon

Was dokter Mertens niet de ozondokter en hingen niet alle sporters aan zijn (in beslag genomen) Humazontoestel? Neen.

Bovendien zijn er vier verschillende manieren om ozontherapie toe te passen. De verboden manier is het bloed uit het lichaam halen en terug inbrengen “in het circulair systeem” – van ader naar ader, zeg maar. In zijn eerste verhoor legde dokter Mertens meteen uit dat hij zelden de klassieke ozontherapie toepast omwille van het vergiftigingsrisico (ozon is een giftig gas) voor hemzelf. In heel wat mailverkeer tussen de sporter en Mertens komt ook het onderscheid tussen “klein en groot ozon” voor.

Klein ozon wijst wellicht op het inspuiten van ozon vermengd met bloed in een spier. Dat die praktijk courant werd toegepast door dokter Mertens bewijst een eerder wielerdossier waarin de atleet zich door Mertens voor het herstel van een langdurige virale aandoening liet behandelen met ozoninspuitingen in de bil. Dat maakte ook deel uit van het grote ozondossier-Mertens en was blijkbaar een soort testcase, die onder de mediaradar passeerde. De atleet werd op 30 december 2013 door de Belgische wielerbond vrijgesproken.

Het zal er dus voor alle sporters op aan komen om de rechters te overtuigen van het deugdelijk gebruik van ozon, in de bil dus.

Vrij testosteron

Het dossier-Mertens is een schoolvoorbeeld van overmedicalisering maar als dopingdossier staat het bol van de zwakheden. Injecties met ijzer werden zo maar als dopingpraktijk en homeopathische middelen als doping gecatalogeerd. Spuiten die dateren van voor no needle policy (4 mei 2011) werden ook als een inbreuk gezien. Een Powerpoint-presentatie van 2003 over ozon, aangeprezen als een vorm van bloeddoping, en bij Mertens aangetroffen, werd ineens een bewijs van een dopingpraktijk.

E-mails werden geïnterpreteerd als dopingbekentenissen en het vermelden van testosteron als bloedwaarde volstond om verdacht
te zijn. Dat overkwam Karel Geraerts van Sporting Charleroi. Hij en zijn dokter hadden het in hun mails over de bepaling van zijn vrije testosteronwaarde die ‘over vijf dagen’ zou komen. Zowel de politie als blijkbaar ook de Vlaamse Gemeenschap concludeerde daaruit dat hij een testosteronkuur zou krijgen. Tenzij hij andere vergrijpen op zijn kerfstok heeft, wordt het voor Karel Geraerts volgende week de vrijspraak.

Zaak Mertens

Column over CIRC-rapport op demorgen.be van maandag 9 maart 2015

De zin die het dopingrapport niet haalde (maar wel waar is)

 Ik zou een roundupje kunnen maken over de voorlaatste speeldag van de reguliere competitie in het voetbal. Of een ode aan Moses van Gent. Of aan Yves Lampaert. Of aan de Borlées. Maar ik zal het mij makkelijk maken en ik schrijf lekker een column over iets wat ik vandaag in de krant heb: het rapport van de CIRC, de Cycling Independent Reform Commission.

Het kan best dat ik bij het ontbijt vaststel dat ik de enige ben die het heeft, maar evengoed hebben alle collega’s dat rapport al en maak ik mij nergens druk om. Om eerlijk te zijn: ik maak mij er ook niet druk om (maar het zou wel leuk zijn als ik de eerste was), ik ben meer bekommerd dat het allemaal een beetje juist is.

Terwijl ik dit schrijf, loopt het tegen negen uur (op zondagavond) aan en een search naar CIRC op Twitter laat mij vermoeden dat het nog niet bij de Angelsaksische media is. Ze speculeren nog naar de bombshells. Vreemd.

De CIRC dus, de Cycling Independent Reform Commission, de commissie die het dopinggebruik in het wielrennen in kaart wil brengen en oplossingen aanreiken. Ik sta in hun rapport bij de ondervraagden en wel op pagina 227, tussen Damien Ressiot en David Walsh. De ene is van L’Equipe en de andere is van de Sunday Times. Voor alle duidelijkheid: ik heb dat rapport niet omdat ik ben ondervraagd. Hoe het wel in mijn mail is beland, vindt u het erg dat ik dit in het midden laat?

Aangezien dit een column is van bekentenissen: eigenlijk vond ik dat ondervraagd worden een hele eer. Ik bedoel maar: je hebt dan een pil van een boek geschreven over het fenomeen doping – weze het in het Nederlands – en dan zouden ze niet eens de moeite doen om met jou te praten? Dát was pas pijnlijk geweest en ik had al eens neen gezegd, toen de vraag was gekomen van special agent Jeff Novitzky van de Food and Drug Administration. Die zocht naar banden tussen de grote sportbobo’s van deze wereld (Verbruggen, Rogge) en Lance Armstrong en hij was getipt (ik denk door Ressiot) dat ik daar wel iets van kon weten.

Daar wist ik niks van en dat zaakje vertrouwde ik ook voor geen haar en al had ik maar al te graag lange Jeff eens ontmoet, ik heb mij verstopt achter mijn bronnengeheim als journalist. Maar de CIRC was andere koek. We konden ook aanbevelingen doen en ik heb mij twee dagen grondig voorbereid. Op woensdag 7 januari, tussen 14u30 en 15u30, was ik aan de beurt. Uiteindelijk heb ik drie uur later de verbinding verbroken en hebben we het hele dopingspectrum doorlopen.

Ze waren natuurlijk ook op zoek. We waren twee uur ver toen de vraag van één miljoen boven kwamen: “Wat weet u over dokter Gurt Lainders?”

“Geert Leinders?”, zei ik (de voormalige dokter van de Rabo-ploeg, HV), “He’s an okay guy. Nice man. Hij leeft een teruggetrokken leven in het Gentse waar ik hem wel eens zie zitten op een terras maar mij de moeite niet neem om hem aan te spreken. Hij associeert mij sowieso met doping en ik gun hem zijn rust. Hij is ook helemaal niet de dopinggoeroe waar hij wordt voor versleten, maar dat geldt ook voor Michele Ferrari, al wilt u dat natuurlijk niet horen. Al bij al denk ik wel dat Leinders is doorgegaan met het faciliteren of minimaal gedogen van dopingpraktijken, toen veel van zijn collega’s al een tijdje waren gestopt.”

De reactie van de ondervrager? “Hmmm. Interesting.”

Vervolgens werden andere namen van dokters gedropt en wist ik ineens waarom ze mij wilden horen. Al bij al was het een bijzondere ervaring. De mevrouw die mij interviewde en af en toe werd aangemaand om door te vragen door onzichtbare mensen in haar achtergrond, kende haar winkel en dat spreekt iets makkelijker.

Ik weet niet of de rest van mijn verhaal is blijven hangen. Soms denk ik van wel, als ik lees hoe ze de internationale wielerbond UCI prijzen om haar voortrekkersrol in de dopingbestrijding. Ze vroegen ook wat ik vond van Hein Verbruggen. “Fantastisch kerel, mooie momenten mee meegemaakt,” zei ik. “Maar zijn ruzie met WADA-baas Dick Pound is nefast geweest voor de perceptie van het dopingprobleem in het wielrennen en daarbij zijn Verbruggen en het wielrennen toch eerder het slachtoffer.”

Dat zinnetje heeft het rapport niet gehaald, maar dat had ik ook niet verwacht. Het is wel de waarheid, neemt u dat van mij aan.

Verhaal over CIRC-rapport in De Morgen van 9 maart 2015

WAARSCHUWING: WAT U LEEST, PAST MISSCHIEN NIET IN DE HEERSENDE HIJGSFEER ROND DOPING

‘UCI had meer kunnen doen’

De oude internationale wielerbond UCI was te zeer begaan met het imago van de wielersport en de gezondheid van de renners en heeft te weinig gedaan om dopeurs te betrappen. Samengevat in één zin is dit het rapport van de Cycling Independent Reform Commission, dat De Morgen kon inkijken een dag voor het openbaar gemaakt wordt.

2,75 miljoen euro heeft de Cycling Independent Reform Commission (CIRC) gekost en daarvoor heeft ze een rapport afgescheiden van 227 pagina’s, inclusief bijlagen. De berg heeft misschien geen muis gebaard, maar veel scheelt het niet. De verwachte dopingbommen en de ongemakkelijke bevindingen waarop door de zittende UCI-voorzitter Brian Cookson eerder werd gezinspeeld, vallen nogal mee.

Ze staan in elk geval niet in het rapport of het zou het retroactief toelaten van een attest voor het corticosteroïdengebruik van Lance Armstrong moeten zijn. Of misschien is het de vaststelling dat eind vorige eeuw het hele peloton aan de epo zat? Of dat er vandaag nog microdoses epo worden gespoten, maar wel buiten de ploeg om.

Voor een enkeling zal dat opzien baren, maar het rapport had ook als ondergeschikte missie om schuldigen aan te wijzen en die hebben ze gevonden. Als bij toeval wordt afgerekend met Cooksons voorgangers Pat McQuaid (2005-2013) en Hein Verbruggen (1991-2005). Zij lagen dwars bij zijn verkiezing in 2013 en krijgen nu het hele dopingprobleem op hun boterham, maar ook hier weer wordt in het rapport tegelijk koud en warm geblazen. Enerzijds konden Verbruggen en McQuaid veel meer hebben gedaan om het dopingprobleem aan te pakken, maar anderzijds wil het rapport expliciet níét gezegd hebben dat de voorzitters opzettelijk hebben laten betijen. Neen, de leiding van de UCI wilde het probleem beheersbaar houden en wilde liever geen renners betrappen en dat had ze niet moeten doen.

Samengevat: er was geen corruptie aan de top van het wielrennen, maar was de sport beter beheerd en was doping bestreden zoals het moest, dan had het probleem zo geen vlucht genomen.

De executive summary van het rapport komt tot de volgende conclusies.

Niet-bevestigde beschuldigingen van corruptie

De sommen geld die Lance Armstrong aan de UCI doneerde, kunnen niet worden gelinkt aan het verdoezelen van een positieve test in 2001, om de eenvoudige reden dat er in 2001 geen sprake was van een positieve test, zij het wel van verdacht hoge epowaarden.

De aantijging dat Armstrong geld heeft betaald om in 2005 een rapport (het Vrijmanrapport, zie verder) te helpen schrijven, kan niet worden hard gemaakt.

Niet toepassen van de eigen regels

De commissie heeft tot twee keer toe (Laurent Brochard in 1997 en Lance Armstrong in 2001) bewijzen gevonden van achteraf ingediende attesten die het gebruik van een medicament moesten wettigen. Dat werd toegestaan door de toenmalige hoofdgeneesheer van de UCI, de Nederlander Lon Schattenberg. Die wordt verweten dat hij als arts te veel inzat met de gezondheid van de renners, en het opsporen van frauderende sporters als een bijkomstigheid zag.

Een ander verwijt geldt McQuaid, die in 2009 toestond dat Lance Armstrong dertien dagen te vroeg in competitie mocht komen in Australië waarna die toevallig ook zijn deelname aankondigde in de Ronde van Ierland, waarin McQuaid belangen zou hebben gehad.

Voorkeursbehandeling voor Lance Armstrong

De UCI zag Lance Armstrong als de perfecte locomotief om na de doping-Tour van 1998 het imago van de sport op te smukken en de Amerikaanse markt te betreden. De UCI liet na om hem ondanks vermoedens van doping doelgericht te testen om hem te betrappen op dopinggebruik.

Toen Armstrong er in 2005 door L’Equipe van werd beschuldigd in 1999 positieve epostalen te hebben afgeleverd (resultaten van een juridisch waardeloze hertesting lekten uit), koos de UCI de zijde van Armstrong en liet een rapport schrijven door de Nederlandse advocaat Vrijman waarbij die de puur juridische kant van de zaak benaderde en Armstrong vrijpleitte.

(On)deugdelijk bestuur van de internationale wielerbond

De UCI werd door de eerste voorzitter (Hein Verbruggen) geleid op een autocratische manier, zoals nog wel meer bonden, stipuleert het rapport. De UCI was pas opgericht en groeide zeer snel. Er was een manifest gebrek aan transparantie, ook bij de kandidaatstelling van de tweede voorzitter Pat McQuaid bij zijn herverkiezing in 2013.

Het is vrij duidelijk dat dit de hoofdbrok vormt van het rapport: zó slecht waren de vorige twee voorzitters; zo goed doet de zittende voorzitter het nu.

De aanpak van de doping

Ook hier koud en warm. Enerzijds wordt de UCI geprezen om het snel invoeren van nieuwe testmethoden en bijvoorbeeld de voorlopersrol in het bloedpaspoort en wordt expliciet vermeld dat de CIRC niet suggereert dat de dopingpraktijken gebeurden met medeweten van of toegestaan door de UCI-leiding.

Anderzijds had de UCI niet zo bekommerd moeten zijn om het cleane imago van de sport en de gezondheid van de renner (sic). In plaats van het peloton te waarschuwen als er vooruitgang was geboekt in de testing, had ze op jacht moeten gaan.

Het rapport eindigt met een opmerkelijke conclusie: “De eerlijkheid gebiedt ons er op te wijzen dat de UCI meer deed dan andere sportbonden in de strijd tegen doping.”

CIRC1