Verhaal over KV Kortrijk in De Morgen van 25 april 2015

Het mirakel van de Veekaa

Een hobbelig veld, een bouwval als stadion, de beste spelers verkocht en de club te koop. Máár: veel goals vóór, weinig tegen, een gezonde balans en een vierde plaats. Tonnen plezier beleven ze bij KV Kortrijk, het lelijke eendje van play-off I waar zelfs Anderlecht vanavond voor terugdeinst.

Vanavond, als die van Kortrijk van de bus stappen aan het Constant Vanden Stockstadion, zal Anderlecht-manager Herman Van Holsbeeck klaar staan om hen te verwelkomen. Yves Vanderhaeghe, Kortrijk-trainer maar ook zes jaar Anderlecht-speler, zal een warme gloed voelen. “Het is de enige manager en de enige club die dat doet, ook met ons. Toen we daar vorig seizoen gingen winnen, waren ze heel eerlijk: verdiend gewonnen. Dat is Anderlecht, toch net iets meer klasse dan de rest.”

‘De rest’ is in Kortrijk toch vooral een metafoor voor Club Brugge. Dat is niet eens de aartsvijand, om de zaken even duidelijk te stellen. Neen, de aartsvijanden zijn al een eeuwigheid de ‘Boeren’. Die van Waregem, SV Zulte Waregem om precies te zijn, en dat wordt bij thuiswedstrijden subtiel uitgedrukt in het gooien van groenten naar de Waregemse doelman, die makkelijk een week soep zou kunnen maken van wat hij naar zijn hoofd krijgt.

Dat een fusie met het 15 kilometer verder gelegen Zulte Waregem economische logica zou zijn, doet hier niet ter zake. Evenmin dat KV Kortrijk zelf is ontstaan uit de fusie van Stade en Sport. Zo’n fusiescenario tussen de ‘Kerels’ (de bijnaam van KV Kortrijk, HVDW) en de ‘Boeren’ spoort niet met de emotie, punt uit. Dus is in Kortrijk na een oplijsting in de krant van de eersteklassers en hun financiën met leedvermaak vastgesteld dat ze in Waregem een beetje hun hand hebben overspeeld.

KVK kwam eruit als een gezond bedrijf en dat is weleens anders geweest. In 2001 ging de club nog failliet. De advocaat die het faillissement begeleidde, werd voorzitter en zit daar nu nog steeds. Inmiddels droomt Joseph Allijns zelfs van het bondsvoorzitterschap.

Maar nog even terug naar Club Brugge. Zonder zaken op de spits te drijven, in Kortrijk vinden ze Club Brugge huilebalken die zich al te snel benadeeld voelen. Zoals laatst in play-off I, toen ze werden weggespeeld maar er nadien vooral gezeik was over het vermeende harde spel van Kortrijk en de onrespectvolle behandeling die Michel Preud’homme te beurt was gevallen.

Onder de rust was Preud’homme nogal wervend aangesproken door een fan en had daar al even wervend op gereageerd. Later bleek die fan evenwel een ontgoochelde Club-fan te zijn, uitgenodigd door een KVK-sponsor. En na de wedstrijd had de Club-trainer door een haag van rood-witte supporters, weliswaar afgescheiden door zes stewards, spitsroeden moeten lopen richting bus. Hem waren de bedreigende woorden “en we zwaaien met zijn allen naar Michel” toegeroepen, waarop bevriende pers zich had afgevraagd of we zo de beste trainer van het land niet wegjoegen.

Niet doodrelativeren

“Pfff. ‘En we zwaaien met zijn allen…’, dat is om te lachen natuurlijk”, zegt Yves Vanderhaeghe. “Ik maak erger mee. Laatst nog op een verjaardagsfeestje werd ik zomaar de huid vol gescholden door een Club-fan en dit jaar ben ik winkelend met mijn dochter in Roeselare ook al voor het vuil van de straat uitgemaakt. Waarop mijn dochter van 13 dan zegt: ‘Papa, dat is toch niet meer normaal?’ Neen, dat is het niet, maar ik maak daar zo geen spel van. Ik vraag dan: mijnheer, wat is uw probleem?”

Je kunt de onderhuidse gevoelens van KV Kortrijk geen frustratie noemen, want daarvoor nemen ze zichzelf niet te erg au sérieux. Ze beseffen dat voetbal een spel is van veel geluk en het had ook helemaal anders kunnen uitdraaien dan die vierde plek na de reguliere competitie. Maar hun prestatie doodrelativeren willen ze ook weer niet; ten slotte stonden ze daar met hun 54 goals
na dertig wedstrijden mooi te blinken en haalden ze verdiend de eindronde met de top zes, terwijl ze her en der waren getipt als degradatiekandidaat.

Een club die in de etalage staat en geen gekke dingen meer kan en wil doen, met een beperkte omkadering en beperkte middelen, die iedereen en alles wat supergoed kon voetballen heeft verkocht en die toch meedoet om de prijzen, is niks minder dan een mirakel. Maar is er ook een geheim? Volgens de – nog steeds – Oostendse trainer Fred Vanderbiest ligt het aan het veld. Dat is niet goed, hobbelig dus, liet hij optekenen in Sport/Voetbal- magazine, en er zou ook een niveauverschil zijn en dat zou het fysieke spel van Kortrijk goed uitkomen.

Ik heb er twee dagen staan op kijken en de Meensesteenweg aan de ene kant ligt inderdaad lager dan de Moorseelsestraat aan de andere kant, waardoor het verval aan één straatkant groter is, maar het veld zelf lijkt geen hellend vlak. Ook chef scouting Claude Verspaille weet nergens van en Yves Vanderhaeghe valt helemaal uit de lucht. “Dat is een verzinsel. We hebben een slecht veld, dat wel. Maar ik heb begrip en geduld; het gaat hier niet zo snel door die beperkte middelen. Ons veld is in het tussenseizoen gedraineerd en de hobbels zijn daar het gevolg van. De grond moest zich nog zetten na het steken van die drainage en dat is inmiddels gebeurd.” Hij besluit met een kwinkslag: “Ons veld is een meerjarenplan.”

Het Veekaa-gevoel

Afgelopen donderdag trainde Vanderhaeghe, die een week eerder voor drie jaar had bijgetekend, op het wedstrijdveld. Zelden gezien bij eersteklassers, maar ook dat had een reden. KV Kortrijk heeft dan wel een oefencomplex dat luistert naar de niet al te bescheiden naam Wembley, verdomd jammer dat de sproeiinstallatie er kapot is. “Het is al zes jaar dat ik die problemen ken, maar nu komt het in orde, heb ik de indruk”, zegt Vanderhaeghe. “Ik kon het risico niet lopen om op een beenhard veld te trainen. Maar kijk, ik wil niet als klager overkomen. Ik weet hoeveel het bestuur voor de club doet.”

De training op donderdag bestond uit pass- en afwerkingsvormen, gevolgd door een lange sessie tennisvoetbal waar ook Vanderhaeghe aan deelnam, even enthousiast als in zijn paarswitte dagen als speler. De training zelf was één groot feest en na afloop vertoonden achtereenvolgens Teddy Chevalier en Ivan Santini hun kunsten in het doel. Topschutter Santini besloot met een sessie strafschoppen nemen en stoppen samen met assistent-trainer Adnan Custovic. Op kousenvoeten nog wel. Het plezier spatte eraf.

Er is dus geen geheim van de Veekaa, maar is er een Veekaa-gevoel? Jawel. Het rood-witte gevoel neemt toe, van week tot week, al viel de verkoop voor play-off I-abonnementen dan weer tegen door die drie avondwedstrijden. Een streep door de rekening voor de min 12-jarigen, op wie de club zo hard inzet om een nieuw en trouw cliënteel aan zich te binden.

Het is een werk van lange adem, de club weer geliefd maken in een regio waar binnen een straal van 15 kilometer drie Belgische eersteklassers en één Franse topploeg hun markt moeten vinden en waar ook Club Brugge zwaar rekruteert. Het supportersparlement dat de trainingen volgt, is dan ook beperkt: een klusjesman van Aziatisch origine die zich door de lentewarmte puft, twee vrouwelijke fans, een plaatselijke fotograaf en later op de persconferentie zes journalisten, hoofdzakelijk lokale beat writers. “Er is veel pers”, zegt Vanderhaeghe op de persbabbel en hij meent het.

Geen spoor van de jongeren die KV Kortrijk hebben herontdekt en geregeld met een mars vanuit de Burgemeester Reynaertstraat, hun uitgaanscentrum, naar het stadion trekken. Zij feesten bij thuiswedstrijden, een voorafname op een leuke zaterdagavond/nacht. De borden van de Okido-actie in hun staantribune achter het doel getuigen van een uitwas die ook in andere clubs zorgen baart: Okido staat voor ‘Op KVK is druggebruik ongepast’.

Import-export

De plaatselijke zeefdrukkerij GMG Lucas doet haar best om het Kortrijk-gevoel aan te wakkeren. De ene na de andere sticker heeft ze al gelanceerd. Rood-wit, met het logo van KV Kortrijk en daarop zegswijzen als ‘Ontdek ons opnieuw’. Of iets cryptischer: ”t Gras groeit niet sneller als ge eraan trekt’. Ook direct: ‘Ik ben altijd stand-by, maar nu even niet, kzin naar de Veekaa’.

‘Klein budget, grote fun’ was er pal op, maar die ene vlag die de hele Veekaa-filosofie dekt, moeten ze nog eens zeefdrukken: ‘KVK toont zich meester in de beperkingen’. Neem nu wat zich elke maandagochtend afspeelt onder Tribune 4. Op wedstrijddagen wordt hier de pers verwelkomd. Op niet-wedstrijddagen is dit het zenuwcentrum van de scouting. Scoutingcoördinator Claude Verspaille, oud-speler van KVK en van andere clubs waaronder Club Brugge, zit er aan een computer. Elke maandagochtend verzamelt de staf voor de corebusiness: een rondo spelers beoordelen en bekijken. Vaak schuift ook de oud-voorzitter en mede-eigenaar Arsène De Gryse aan.

De tachtiger vergadert dan onder de foto van zijn zoon Jean-Marc, die begin 2012 op 41 jarige leeftijd overleed. Jean-Marc zette KVK op de juiste koers: een kringloopwinkel voor voetballers op een zijspoor of waar niemand de potentie van ziet. Bij de foto van Jean- Marc hangt een spreuk: ‘Is ’t ne goeie, of is ’t nen hele goeie?’ Dat was zijn klassieke vraag als de scoutingcel weer eens enthousiast was over een speler.

Claude Verspaille is argwanend als het over de import-export gaat, want dit is waar KV Kortrijk beter in wil zijn dan de concurrenten. AA Gent is de grootste afnemer de laatste jaren, maar soms halen ex-KVK’ers de topcompetities: denk maar aan Ervin Zukanovic (via Gent naar Chievo in Italië, HVDW) of Cheikhou Kouyaté (via Anderlecht naar West Ham, HVDW).

Verspaille: “U zegt kopen? Wij kopen niet, wij moeten spelers halen die einde contract zijn want er is geen geld om te kopen.” Ivan Santini is het beste voorbeeld. Verspaille: “Wij leggen een database aan en we wachten geduldig tot het moment dat de speler in wie wij potentie zien van de radar verdwijnt. Dat was zo met Santini. Geen spek voor onze bek toen hij van Zadar naar Freiburg ging, maar toen hij zijn carrière opnieuw wilde lanceren, toch ineens een optie. Hij wilde niet echt komen en we hebben hem moeten overhalen, maar ik denk dat hij blij is en ik begrijp eigenlijk niet dat hij hier nog speelt. We zullen hem kwijt zijn, schat ik. Hij is een ideale targetspits voor Engeland, maar hier (wijst naar de desktop) zit zijn vervanger al klaar.”

Het ongewenste kind van play-off 1 is uitgegroeid tot een huwbare partij. De familie De Gryse wil de club verkopen aan wie de juiste prijs betaalt. Die prijs is hoog en wordt misschien nog hoger, al is het met voetbal zoals met de beurs: resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Maar met een verwachte winst van meer dan 1 miljoen euro oogt de balans zuiver, al zitten de tv-rechten voor de onverwachte play-off 1 deelname daar voor een deel tussen.

Yves Vanderhaeghe weet wat nu moet gebeuren. “We mogen nu geen spelers meer onder hun waarde verkopen. Tegelijk zouden we misschien met het stadsbestuur en met andere investeerders een financieel plan kunnen opstellen dat kan leiden naar een nieuw stadion.”

Het laatste woord is voor collega Frank Buyse, zelf ex-speler van de club en in een van zijn vorige levens zelfs nog even manager. “Ik dacht dat het nooit meer goed zou komen, maar ik heb vorig jaar een toneelvoorstelling georganiseerd gebaseerd op het Gentse Uw dikke ma zit aan de Zuid en de belangstelling was overweldigend. We hadden negen volle zalen van driehonderd man en KV Kortrijk heeft zelfs gesponsord, vroeger ook ondenkbaar.

“Er is iets gegroeid rond die club die nu ook goed wordt beheerd. Ik zie hoe die Kortrijkse jeugd, die daar in Tribune 2 staat, achter die club is gaan staan. Ik zie hoe mijn dochter fan is geworden. Voor het eerst in de veertig jaar dat ik die club ken, denk ik: er is een toekomst voor KV Kortrijk.”

25-04-2015-De-Morgen-p20-Het-mirakel-van-de-Veekaa-Achtergrond-Meester-in–double

Advertenties

Column over Recuperatie en Vazquez in De Morgen van 25 april 2015

Recup

Was er een bijscholing dan? Er is door Belgische trainers nooit méér over VO2max gesproken dan dit seizoen en vooral de laatste weken. Ik las al dat de norm 55 zou zijn. Die 55 staat dan voor milliliter zuurstof die per minuut per kilogram lichaamsgewicht wordt opgenomen. Bij anderen las ik dat 60 de ondergrens zou zijn en iemand had het over 70, maar dan wel voor de internationale top.

Groot gelijk hebben ze, onze trainers. In de intermitterende sport voetbal – een sport met terugkerende korte sprints of verplaatsingen op maximale of sub-maximale snelheid – is de fysieke conditie de discriminerende factor geworden. Al zijn er nog steeds die denken dat een voetballer vooral moet kunnen tikken en ballen en dat lopen voor de domoren is die niet genoeg techniek bezitten.

Natuurlijk moet hij (en zij ook) een minimale balbehandeling op de mat kunnen leggen en tegelijk zien hoe het spel verloopt en vooral hoe het zou kunnen verlopen. Maar spelers die voor zichzelf en voor hun ploeg tijd en ruimte kunnen creëren, hebben ook meer tijd dan anderen om een goede pass af te leveren en het spel te zien. Conditie als voorwaarde voor techniek en tactiek.

Wat is nu het meeste trainbaar: de techniek, het tactisch vernuft of de conditie? Techniek en vista als aangeboren verworvenheden is onzin die in het voetbal lang opgang heeft gemaakt. Techniek kun je tot je 50ste nog aanleren en vista ook, al is het geen slecht idee om daar zo snel mogelijk mee te beginnen want tussen 10 en 20 gaat het tien keer sneller. Op La Masía, de jeugdschool van FC Barcelona, leert men de kind-voetballers ruimte te creëren door middel van allerlei oefeningen in combinatie met snelle verplaatsingen. Je moet daar niet slim voor zijn. Soms bespeur je bij fantastische voetballers met geniale ingevingen niet de minste intelligentie.

In tegenstelling tot techniek en spelinzicht dat grotendeels kan worden aangeleerd, is conditie voor een deel genetisch bepaald. Die is dus moeilijker trainbaar, al valt het te vrezen dat de conditionele groeimarge van de speler in niet geringe mate wordt bepaald door de kennis van de fysieke coach.

Daarom is het experiment play-offs heel interessant. Ineens krijgt een spelersgroep, die uitblonk in het ritme van één wedstrijd per week en af en toe eens een dubbele opdracht, gedurende een aantal weken een hels ritme van twee tot drie wedstrijden per week voor de kiezen.

Club Brugge zit aan meer dan vijftig wedstrijden en moet aan het eind van het slopende seizoen nog eens vol aan de bak. Michel Preud’ homme zegt dat hij zijn fysieke coach Renaat Philippaerts de opdracht heeft gegeven om de groep fysiek klaar te stomen voor die zware weken, die dan ook nog eens aan het eind van het seizoen vallen.

Dat lijkt mij onbegonnen werk, zelfs voor vakman en professor-on-leave Philippaerts, die bij mijn weten in het tussenseizoen niet aan genetische engineering heeft kunnen doen. Fysieke conditie is genetisch bepaald en dus beperkt trainbaar. Als gevolg daarvan is ook het recuperatievermogen begrensd.

Als je één Bruggeling zou willen monitoren, dan Víctor Vázquez. Hij is een product van La Masía, weet wat voetballen is, kan ruimte creëren, ziet het spel en heeft zijn conditie verbeterd. Hij was de typische buitenlander voor de Belgische competitie: gevonden in de solden met een (fysiek) steekje los. Knap van de herstellers van Club wat ze ervan hebben gemaakt, maar de vraag is nu of de fysiek beperkte Vázquez dat ritme kan volhouden. Wellicht niet.

Frisheid wordt de discriminerende factor in die laatste zeven wedstrijddagen van de play-offs en die contractuur van Vázquez tegen Dnipro, ik geloof daar niet in. Dat was voorgeschreven rust. Als Vázquez toch alle wedstrijden zou spelen en blijven lopen als een Duracell-konijn, weet dan dat er nog een andere factor is die al het voorgaande overrulet: manipulatie van de hersenen. Dat staat nog in de kinderschoenen, maar men heeft al gevonden dat de mond spoelen met koolhydraten, zonder die door te slikken, op de hersenen hetzelfde effect heeft als de eigenlijke inname van koolhydraten. Zijn bloedwaarden onder nul en zijn CK-waarden door het dak? Als ze Vázquez kunnen wijsmaken dat hij niet moe is, maakt Club een grote kans.

25-04-2015-De-Morgen-p22-Recup-column-single

Column over Club-Anderlecht op demorgen.be van maandag 20 april

Hoe meer ik naar het voetbal ga, hoe minder ik ervan begrijp 

Ik heb veel betere voetballers gezien bij Anderlecht dan bij Club Brugge, maar ik heb Club Brugge gezien met een wil en een onverzettelijkheid waarmee wedstrijden worden gewonnen en dat deden ze dan ook

Ik ben naar het voetbal geweest gisteren, naar Club Brugge- RSC Anderlecht, en ik heb in de 58ste minuut de beste doelman van België, zijn doel open en bloot, een makkelijke bal zo maar in de voeten zien trappen van Dennis Praet van Anderlecht. De Gouden Schoen van 2015, de in theorie beste speler op onze velden, heb ik de bal daarop gewoon naast het lege doel zien zetten. Soms vat een actie een hele wedstrijd samen: ik ben naar het voetbal geweest en ik heb dan wel misschien een spannende wedstrijd gezien, maar alleszins geen goede wedstrijd.

Ik heb een tifo gezien net voor de wedstrijd, waarvan ik mij het nut afvroeg want ik kon niet goed lezen wat ze nu eigenlijk bedoelden, maar misschien was het niet om de tekst te doen maar om de kleurtjes. Of misschien was het gewoon bedoeld om mee te gooien, want dat deden de mensen  uiteindelijk met de A3-tjes die ze op hun stoel hadden gevonden. (Wie houdt zich bezig met gekleurde blaadjes op stoelen te leggen, een heel stadion vol, zonder zich te vergissen? Dat bedacht ik ter plekke en ik kwam er niet uit. Ik ken zo niemand. Hoop ik.)

Al dat werk en de mensen maakten er papieren proppen mee en gooiden die naar het hoofd en de benen en het lichaam van de Anderlechtspelers, bij voorkeur als die hoekschoppen moesten nemen. De toeschouwers die hun papieren projectielen niet tot in de hoek kregen, gooiden ze dan maar gewoon op het veld. Anderen gooiden voetzoekers, naar Steven Defour.

Ik ben naar het voetbal geweest en ik heb al heel snel in de wedstrijd een aanslag gezien van Anthony Vanden Borre op de enkels van Victor Vazquez. Zo zag het er althans uit en bij het herbekijken van de beelden is het duidelijk dat Anthonieke met Vazquez een Simonneke in gedachten had, maar waar hij Moses Simon van Gent een paar weken geleden niet eens kon raken, had hij nu Vazquez frontaal mee.

Ik heb daarop Vazquez zien kronkelen van de pijn, op de grond zien slaan van ellende, zien weghinken, zien opgelapt worden langs de zijlijn en nog wel drie volle minuten lang zien trekkebenen, waarna hij bij de eerste goeie diepe bal in zijn richting als een jonge hinde naar het doel van Proto liep. En toen wist ik het niet meer. Ook niet toen ik Tom De Sutter onthoofd zag neervallen nadat weer Anthonieke hem had geraakt, waarna Tom fluks rechtstond want de scheidsrechter geloofde hem niet.

Ik heb een Anderlecht gezien dat hoog en fel storend, met Mitrovic vooropgaand in de strijd, makkelijk Club Brugge afhield. Dat scoorde via Mitro met een hakje achter het steunbeen en door de benen van Timmy Simons voorbij een grabbelende Mat Ryan. Dat vervolgens een tweede keer had kunnen scoren via Mitro, maar dat naliet. Dat ook Praet, zie hoger, een open doelkans zag missen, Ryan een afgeweken vrije trap zag keren met een mirakelsave, een dubbele strafschop op Acheampong niet zag fluiten en een doelpunt zien afgekeurd worden voor buitenspel dat geen buitenspel was.

Ik ben naar het voetbal geweest, maar de thuisclub had niet goed begrepen dat het voetbal ook goed kan worden gespeeld en dat je die ene kans die je krijgt, niet aan Davy De fauw moet overlaten. Tot Obbi Oulare in het veld kwam en vuur in zijn ploeg kreeg, maar de manier waarop hij scoorde met een gezichtsbal in plaats van een kopbal, verdiende ook al geen schoonheidsprijs.

Ik heb (gisteren althans, want volgende week is het misschien andersom) veel betere voetballers gezien bij Anderlecht dan bij Club Brugge, maar ik heb Club Brugge gezien met een wil en een onverzettelijkheid waarmee wedstrijden worden gewonnen en dat deden ze dan ook. No Sweat, No Glory doen ze nu al weken alle eer aan. Ik ben naar het voetbal geweest, naar Club-Anderlecht en ik heb een Anderlecht gezien dat achterin geconcentreerd, in het midden gecontroleerd en voorin uitgekookt speelde, maar dat dit seizoen voor de zevende en achtste keer tegen Club Brugge een goal slikte op een stilstaande fase.

Ik ben naar het voetbal geweest gisteren en hoe meer ik naar het voetbal ga, hoe minder ik ervan begrijp.

Verhaal Heidi Rakels in De Morgen van 19 april 2015

Altijd een beetje nerd geweest

Ooit reisde ze als judoka de planeet rond om bij de allerbesten te behoren: ze won zelfs een olympische medaille. Vandaag trekt ze als CEO van een softwarebedrijf opnieuw de wereld rond, en weer wil Heidi Rakels de beste zijn. ‘Ik moet over mijn grenzen gaan, en dat is prima.’

Bij het afscheid en vóór het koppel Lafortune-Rakels weer in het werk duikt, komt het onderwerp op ‘humor voor nerds’. Of ik de cartoons van Dilbert ken? Neen, niet echt.

Heidi Rakels: “Dilbert – een nerd dus – zit aan zijn bureau en denkt: ‘Wat een fantastische dag, geen menselijke interactie’. Tot iemand langskomt en zegt: ‘Hoe gaat het ermee vandaag?’ Waarop Dilbert: ‘De dag was goed begonnen’. Grappig, niet?”

Om het ijs te breken, had ik haar een paar uur eerder de foto met haar olympische plak getoond. Goudgele krullen, guitige ogen en een glimlach, zo werd Heidi Rakels ooit het troetelbeertje van het Belgian Olympic Team. Dat was 1992 in Barcelona. Zij was atlete, ik perschef. In die tussenliggende jaren hebben onze wegen elkaar nog wel eens gekruist, maar ook niet meer dan dat.

Tot ze een paar weken geleden in Het journaal verscheen, na ook al een interview op Radio 1. Dat Heidi een half of een heel genie was, dat wisten we, maar nu ook al businesswoman? Hoog tijd om verleden en heden aan elkaar te knopen met een van de meest fascinerende en evengoed mysterieuze atletes die België ooit heeft gekend.

Aan tafel in haar woonkamer in Herent, een pauze nemend in een lange werkdag, lijkt ze vandaag nog sprekend op de foto in het officiële boek van Barcelona ’92.

Haar man, Eric Lafortune, en ik moeten lachen bij haar eerste reactie: “Goh, dat was zeker drie of vier dagen na de kamp. Kijk eens hoe dik ik toen alweer was. En euh… ik ben wel wat ouder geworden, vind je niet?”

Ter duiding, eerst wat judogeschiedenis. Ooit had België een van de sterkste judoteams in de wereld. De aanjager was Jean-Marie Dedecker, later politicus en nu (eigen woorden) bijgezet op het kerkhof van ter ziele gegane politieke partijen. Zijn wil was wet en zijn wil was dat zijn uitermate getalenteerde, maar ietwat luie poulain Ulla Werbrouck de voorkeur kreeg boven haar oudere concurrente Heidi Rakels in de zware categorie tot 72 kilogram, jarenlang de speeltuin van de toen pas afgehaakte Ingrid Berghmans.

De vechtjas in Rakels nam daar eerst geen vrede mee. “Ik had het gevoel dat ik in een wereld kwam waar mij geen plaats werd gegund. Als je ziet hoe Ulla nadien olympisch kampioene werd, was de voorkeur voor haar terecht. Zij was de betere judoka, maar ik wilde ook naar de Spelen.”

Elf kilo in zeven weken

De gymnaste Heidi Rakels was pas met judo begonnen toen ze 17 was. Haar weg naar de top had ze helemaal alleen bewandeld. Nationale trainingen bezocht ze met bus en trein. Judo werd haar passie. Maar omdat een diploma ook handig was voor later, ze haar ouders niet wilde teleurstellen én ze nu eenmaal makkelijk leerde, werd ze en passant ook burgerlijk ingenieur computerwetenschappen.

Tegelijk zocht en vond ze een uitweg voor haar olympische droom. Terwijl we het verhaal reconstrueren, zit haar man mee aan tafel omdat we het straks ook over vandaag en over zijn specialisme zullen hebben. Eric Lafortune kreeg het destijds maar half mee hoe zijn voormalige medestudente het aanpakte, en het hele verhaal heeft ze hem nog nooit verteld, maar het verbaast hem niks. “Heidi kickt op uitdagingen. Nog steeds.”

Hoewel ze het advies kreeg door te schuiven naar een hogere categorie, deed ze wat niemand haar ooit had voorgedaan en iedereen haar ontraadde: ze zakte twee gewichtscategorieën. “We waren op stage in Japan waar het altijd zwaar trainen was en ik at de hele dag door om maar kracht te hebben. Uitgerekend daar besloot ik voor de -66 te gaan. Nicole Flagothier (een andere grande dame van het judo uit die tijd; HV), kwam niet bij van het lachen toen ik haar van mijn plannen vertelde. ‘Jij? En je doet niks anders dan snoepen. Impossible.’ Zeven weken later en elf kilo lichter vocht ik in het toernooi van Parijs voor het eerst in de -66 kilogram.”

Een half jaar later beleefde ze in Palau Blaugrana, de sporthal in de schaduw van Camp Nou, haar moment de gloire. Ze was een goede week voor haar kampdag in Barcelona gearriveerd met nog vier kilo te veel. Enkele loopjes met te veel kleren aan, een dieet van magere yoghurt gedurende een paar dagen en niks meer drinken de laatste 24 uur: bij de weging zat ze onder het streefgewicht. “Vier kilo is niet veel als je weet hoe het moet. Ik had geluk, want de weging was om zeven uur ’s ochtends, terwijl ik maar moest vechten om vijf uur die avond. Ik woog zeker weer 69 kilogram met wat ik toen nog heb gedronken en gegeten.”

Een dag na de kansloze afgang in de -72 van haar concurrente Ulla Werbrouck (die zich blesseerde), won zij brons. Langs de mat coachte niet haar nemesis Dedecker, maar de grote Robert Van de Walle, die een dag eerder afscheid had genomen met een zevende plaats.

Zes operaties

Er zijn veel verhalen verteld over de effecten van het strenge dieet op de atleet en op de mens Heidi Rakels. “Dedecker schreef in zijn boek dat veel later verscheen, dat ik nog steeds last had van mijn eetstoornis, terwijl die al lang achter de rug was. Hij wist er eigenlijk niets van, maar dat verschillende keren afvallen je hele systeem ontregelt, heb ik wel gemerkt. Als reactie eet je nadien te veel en word je veel gemakkelijker dik.”

Haar anorexia sportiva heeft ongetwijfeld een rol gespeeld in haar hoge blessurelast. Tussen Barcelona en Atlanta werd ze in tweeënhalf jaar tijd zes keer geopereerd: vier keer aan de schouder en twee keer aan de kruisbanden van haar knieën.

“Voor die schouder ben ik uiteindelijk in Lyon geopereerd, waar later ook Vincent Kompany terechtkwam. Ik heb door die schouder nooit meer onbevangen kunnen judoën zoals in Barcelona. Ik ben wel een categorie hoger gaan vechten, waardoor ik gelukkig weer kon eten wat ik wilde.”

Ze haalde opnieuw de Spelen, die van Sydney, waar ze een unicum was met haar 32 jaar en met haar medische geschiedenis. En weer vocht ze om brons. Ze werd vijfde nadat ze eerder de halve finale van een Chinese had verloren. “Ik wist niks van haar en alle vorige kampen had ze tegen een linkse gevochten, dus ik wist nog niks, want ik was rechts. Uitgerekend die kamp – mijn slechtste ooit – staat op YouTube, ik weet het. Vreselijk, terwijl die in de kwartfinale tegen de bijna onklopbare Italiaanse Emanuela Pierantozzi misschien mijn beste kamp ooit was, maar die staat er natuurlijk niet op.”

En nog had ze niet genoeg. Ze wilde ook Athene 2004 halen. Arme Heidi kan niks anders, luidde toen het verhaal, het zal duren tot ze haar op de tatami bij elkaar moeten vegen. “Ik had in 2000 gewerkt als zelfstandig programmeur, maar toen ik een BLOSO-contract kreeg als topsporter, was ik toch liever judoka. Ik ben uiteindelijk pas gestopt omdat ik niet meer won en mijn olympische selectie miste. Ik heb echt nergens spijt van en zou het zo opnieuw doen, ook het vermageren.”

Resultaatgericht

Heidi Rakels was 36 jaar, en had twaalf jaar eerder een diploma in de computerwetenschappen gehaald, als bij toeval. Programmeren, daar snapte ze in het eerste jaar burgerlijk ingenieur aanvankelijk niks van, dus ging ze dat vak zo hard studeren dat ze er supergoed in werd. Het werd haar specialisme.

“Ik denk dat de professoren graag hadden hoe ik programmeerde, want ik deed precies hoe zij het wilden. Anderen zoals Eric waren als student al aan het programmeren en deden het vaak op hun manier.

“Tijdens het jaar studeerde ik niet veel, maar in de blok en de examens van zeven tot middernacht. Ik deelde het aantal pagina’s door het aantal uur en mijn enige ontspanning op een dag was een brood gaan kopen. Ik kan heel geconcentreerd werken.”

Na veertien jaar als judoprof bleek er zo veel te zijn veranderd in de programmeertalen dat ze opnieuw moest gaan blokken. Ze koos voor Java, een slimme zet. Maar nu bleek haar temperament niet te sporen met de vereisten van de klassieke werkplek. Heidi Rakels miste de structuur en vooral het tempo van de topsport: resultaatgerichtheid stond niet langer centraal. Loondienst stond gelijk met uren kloppen. Niks voor haar, concludeerde ze.

“Een korte opdracht, zes weken of zo, met een duidelijke oplevertermijn, dat had ik nodig. Ik leverde altijd op tijd op. Ik ben zo ooit voor zes weken begonnen bij Belgacom en uiteindelijk ben ik er met verschillende opdrachten drie jaar gebleven.”

Bij nog een andere werkgever was ze een collega-student van weleer tegen het lijf gelopen. Eric Lafortune, zoon van zevenvoudig olympisch karabijnschutter François Lafortune, kende haar nog maar al te goed. “Tijdens mijn studies zag ik Heidi meer in de krant dan in de les, maar ineens waren we collega’s.” Heidi vertrok bij die werkgever, werd zelfstandige, leerde tussendoor ook nog voor tuinarchitect, en privé werden ze een stel.

Wat doet een programmeur in zijn vrije tijd? Ook programmeren, maar dan voor de lol. Eric Lafortune was enige tijd daarvoor begonnen met het zogeheten open source-programma ProGuard, dat al snel zou worden opgenomen in de software developer kit voor apps op het Google Android-platform. “Kleiner en sneller maken van de app en bescherming tegen hackers, daar draaide het om. Drieënhalf jaar geleden ben ik dan begonnen aan een commerciële versie, DexGuard, die nog veel beter beschermt tegen hackers. Twee weken nadat het op internet stond, werd die al gekocht door een IJslandse bank.”

Rollercoaster

Lafortune en Rakels – inmiddels hebben ze de NV GuardSquare opgericht – begonnen aan een rollercoasterverhaal waarin ze af en toe de pedalen dreigden te verliezen. Een Amerikaans bedrijf bestookte hen met patentendreigingen en er volgden vijandige overnamepogingen.

Heidi: “Slapeloze nachten heeft ons dat opgeleverd. Wisten wij veel. Patenten geschonden? Misschien hadden ze wel gelijk. Neen, ze hadden geen gelijk. We stuurden twee brieven terug en we hoorden niks meer.”

Eric: “En de overnamebiedingen waren nooit ernstig. Ze waren veel te laag. Hoeveel? We hebben de raad gekregen niet over geld te communiceren. Nu hebben we hulp, omdat Heidi die is gaan zoeken. Ze heeft doorgezet, is gaan netwerken, terwijl ik daar niet te veel in geloofde.”

Heidi: “Ik wist dat ik naar buiten moest komen en hulp zoeken. Bleek dat er veel ondersteuning is voor start-ups als de onze. Wij wisten daar niks van. Ten slotte heb ik mijn extraverte kant aangesproken en ben ik naar enkele beurzen gegaan. Netwerken, ik, jawel. Een beetje tegen mijn natuur, maar het moest.”

Eric: “Heidi kwam toen Jurgen Ingels tegen, de oprichter van de betaalsoftware Clear2Pay, dat hij vorig jaar heeft verkocht voor 375 miljoen euro. Jurgen investeert nu in ons bedrijf, maar hij helpt ook echt mee aan de uitbouw.”

Heidi: “Eric zegt altijd: waar ik niet verder zie dan bits en af en toe een byte, heeft Jurgen visie. Dat is wat overdreven, maar ik wist meteen dat hij ons kon helpen. Hij had alles meegemaakt wat wij meemaakten. Ik kon maar twee minuten met hem praten, maar ik kreeg hem mee in mijn verhaal. Ik moet geen geld, zei ik, ik moet uw goeie raad. Maar we hadden wel geld nodig, want organisch groeien bestaat niet in deze business: het moet snel gaan.”

Hun product DexGuard heeft voorlopig weinig concurrenten. Als Heidi Rakels een app tegenkomt die een gelijkwaardige software zou kunnen gebruiken, gaat ze onder de motorkap kijken en stelt steeds weer vast dat er niks gelijkaardigs onder zit. “Over drie jaar moet elke bank-app zichzelf hebben beveiligd tegen hackers en wij hebben echt het beste product, want wij hebben een voorsprong van tien jaar, de tijd dat Eric hier al mee bezig is.”

Eric: “Er zijn Chinese en Russische concurrenten die iets in dezelfde zin hebben ontwikkeld, maar westerse banken zullen daar niet snel mee in zee gaan en dat is een beetje ons geluk.”

Windsurfen op Tenerife

De rolverdeling binnen het management is duidelijk. Eric zorgt voor het product, Heidi runt de business. Ze hebben al verschillende programmeurs in dienst. “Ik programmeerde vroeger ook en al vind ik van mezelf dat ik er iets van kan, als ik het aan Eric gaf, begon hij er zo aan te schaven dat ik nauwelijks nog iets herkende van wat ik had geschreven.”

Eric: “Ik ontken niet dat er iets obsessiefs zit aan het achter de computer kruipen en die te laten doen wat jij wil, maar het valt wel mee met ons. Wij gaan bijvoorbeeld ook graag windsurfen.”

Ook daar is de uitdaging niet ver: ze windsurfen niet zo maar op een vlak meertje, maar aan El Medano, een van de windsurf-hotspots op Tenerife.

Heidi: “Ik denk van mezelf dat ik geen nerd ben, al ben ik dat misschien wel altijd een beetje geweest. Maar nerds zijn leuke mensen met een ongelooflijk gevoel voor bizarre humor. Het is wel een totaal andere humor dan die van het judo.”

En zo werd voormalig judoka Heidi Rakels een paar maanden geleden CEO van een veelbelovende start-up die zijn intrek neemt in het Innovatie- en Incubatiecentrum in Heverlee. De introverte topatlete van weleer die af en toe geplaagd werd door faalangst, reist wat af en gaat in alle werelddelen op zoek naar resellers voor hun product. Ondertussen werft ze ook in België aan.

Eric: “We werken allebei hard, maar ik sta te kijken van de energie die Heidi erin stopt. Het gaat nu wel heel snel vooruit.”

Heidi: “Ik pak dit op dezelfde manier aan als een olympische voorbereiding, met alle voldoening als het lukt en met alle ergernis als het tegenzit. Ik heb er vrede mee dat ik blijkbaar zo over mijn grenzen moet gaan dat er nu weinig tijd is voor genieten. Genieten kan toch pas als je eerst hard hebt gewerkt.”

Heidi Rakels

Column Onzin-cijfertjes in De Morgen van 18 april 2015

ONZIN-CIJFERTJES

Steven Defour is na twee speeldagen in play-off I de metronoom van Anderlecht, want Steven Defour had 173 balcontacten over die twee wedstrijden. Anderlecht domineerde bij Standard, dat was een ander cijfer in de krant. Het won meer duels, had veel meer balbezit, drie keer zoveel corners, gaf zestig passes meer dan Standard en die waren ook nog eens nauwkeuriger. Goed zo, Steven en RSCA.

Afgelopen woensdag was het Atlético-Real voor de Champions League. Real had op het veld van de stadsgenoot 58 procent balbezit, schoot twee keer zoveel op doel (8-16), vier keer zo precies (2-8 ‘on target’) en passte haast dubbel zoveel: 239 tegen 464 passes. Lijkt op eenrichtingsvoetbal, maar Atlético had evengoed kunnen winnen, zegt het gevoel (waarmee vaak iets mis is, maar dat terzijde).

En Standard-Anderlecht dan? Die alomtegenwoordige Steven Defour werd in een andere krant ervan beticht “in de war” te zijn geweest. Hij kwam nooit in de wedstrijd. De uitslag van Standard-Anderlecht was 3-1. Zelden is Anderlecht op het veld van Standard zo weggespeeld, aldus de unanieme commentaren van de schrijvende en pratende sportmedia.

Statistieken bewijzen soms alles en soms niks. Statistieken moeten representatief zijn: twee wedstrijden ver in de play-offs statistieken op de mensheid loslaten, is nonsens. Halfweg na vijf wedstrijden is al riskant; na tien wedstrijden lijkt logischer. Statistieken moeten relevant zijn. Statistieken moeten de essentie meten, want meten zonder te weten maar denken dat je het weet, dát is pas tijdverlies.

Daarom is het goed om te kijken waar het in voetbal om draait. Voetbal is het spel met de minste goals, bijgevolg met de grootste kans dat toeval de uitslag bepaalt. Meet dus vooral de acties of de parameters die dat toeval beïnvloeden. Trond Sollied had één parameter: balls in the sixteen.

Sollied had gelijk. Balbezit is pas waardevol, als je erin slaagt om ballen in de zestien te krijgen. Balbezit per speler is ook waardevol (zie Defour), maar al veel belangrijker is de verticale spelprogressie, met andere woorden: wat doet een speler met een bal op een gegeven moment? Hoeveel schuift hij ons spel op, richting overkant? Creëert hij ruimte met zijn acties?

Een verdediger die maar tien keer aanvallend aan de bal komt en daarvan drie keer over veertig meter een haarfijne cross trapt in de rug van de verdediging, met drie kansen tot gevolg: gauw opstellen. Maar wat als hij zelf te traag is om de ruimte in zijn rug te belopen: niet opstellen? Dan had Frank de Boer nooit gespeeld op het WK van 1998 en had hij nooit de cross aller crosses gegeven op Dennis Bergkamp tegen Argentinië. In zuivere sportstatistiek mag het waardecijfer (10 op 10) van die actie nooit afhangen van de fenomenale kap en de goal van Bergkamp die daarop volgde.

Voetbal is simpel en ook weer niet, omdat het zo’n onberekenbare sport is, super-interactief en weinig repetitief. In voetbal wint soms de slechtere ploeg die maar de helft van de tijd aan de bal is, drie keer over de middenlijn sukkelt, maar wel drie op drie scoort. In elke andere sport scoren de tegenstanders altijd meer, en winnen.

Daarom heeft voetbal een probleem met statistiek en zeggen cijfertjes onmiddellijk na een wedstrijd niks. Een wedstrijd herbekijken en cijfermatig in kaart brengen, waardoor ook het proces en niet alleen het resultaat zichtbaar wordt, dat is voetbalstatistiek. En lul niet langer over Moneyball, het verhaal van baseballmanager Billy Beane, vereeuwigd in een film. Versimpeld dus, waardoor het lijkt alsof Billy Beane warempel statistiek gebruikt om spelers te evalueren.

Dat klopt, alleen had baseball al honderd jaar statistiek en heeft Billy Beane andere cijfergegevens gebruikt, zoals ‘on base percentage’, iets wat je zou kunnen vergelijken in het voetbal met terreinwinst. Beane wist zich ook gesteund door Sabermetrics, een organisatie van fanatieke hobby-statistici die zich al jaren de kop breken welke baseballstats de doorslag geven. Daarom een oproep aan de verlichte geesten van het edele voetbalspel: ga op zoek naar de juiste parameters en statistieken die er toe doen en kom dan eens terug met die gecommercialiseerde onzin-cijfertjes.

Onzin-cijfertjes

Column ‘De koers is van ons, maar…’ op demorgen.be 13 april 2015

De koers is van ons maar op het einde wint de laatste tijd altijd een ander 

 

 De Duitser John Degenkolb wint Parijs-Roubaix. ©PHOTO NEWS
 

Het heeft een paar kilometer gescheeld of anders had de hele Parijs-Roubaix een (ex)renner van Topsport Vlaanderen voorop gereden. Eerst Tim Declercq en enkele kilometer nadat die moest lossen, kwam Yves Lampaert, tot voor een paar maand ploegmaat van Declercq.

Het tewerkstellingsproject scoort misschien iets minder overwinningen dan vorig jaar, maar het bewijst zijn nut, dag na dag, wedstrijd na wedstrijd, klassieker na klassieker zelfs. Het is een uniek model, dat ons door andere landen wordt benijd, in de eerste plaats omdat wij het enige land zijn waar zoiets kan met overheidsgeld.

Een ander uniek model heeft uiteindelijk gewonnen: Team Giant-Alpecin. Ooit begonnen als Skil-Shimano, later heel even 1t4i (one team, four innovations) geheten en nog later Argos-Shimano, WorldTour vanaf 2013, vervolgens Giant-Shimano en nu Team Giant-Alpecin. TGA is officieel een Duits team, maar het management is hoofdzakelijk Nederlands. Iwan Spekenbrink is de general manager, Geert Broekhuizen – een Nederlander die in Gent is blijven plakken – doet de marketing, de meeste sportdirecteurs zijn ook Nederlanders en de service course is in Deventer.

Er rijden twee Belgen: master LO Bert De Backer, die gisteren als springplank fungeerde voor de latere winnaar, en Zico Waeytens, master hardrijden. Keep Challenging is het motto van het team. De missie klinkt voor de klassieke wielrennerij op het arrogante af: ‘De sport vooruit helpen, door de limieten van technologie, innovatie en atletisch vermogen te verleggen. Onze uitdaging is wielrenners van over de hele wereld te inspireren.’

Het is duidelijk dat de ambitie ‘een alternatieve omgeving bieden voor topsport’ de klassieke teams nogal op de zenuwen werkt, al zal het hypocriete wielerwereldje dat nooit toegegeven. Met alternatief wordt bedoeld: het zal bij er bij ons clean aan toegaan en als het niet clean kan, dan maar niet.

De inmiddels uit de hand gelopen sportieve ambitie van Spekenbrink en co was de beste sprintploeg ter wereld worden. Ze hadden namelijk uitgevlooid dat in het moderne en steeds cleanere wielrennen meer en meer ééndagswedstrijden op sprints zouden eindigen. En in rittenwedstrijden werd ook gesprint en een Touretappe was een kleine klassieker waard.  En zo won Marcel Kittel in de Tour van 2013 vier ritten en troefde hij tot op de Champs Elysées Cavendish af. Daar is een film over gemaakt en die heet ‘Nieuwe Helden’. Op youtube is de trailer te vinden. https://youtu.be/GiiASMXzxeo

Kittel speelt de hoofdrol en zijn sidekick is een andere Duitser, ene John. John Degenkolb dus, die zich in de trailer de vraag stelt wat hij moet doen om de mensheid ervan te overtuigen dat hij clean rijdt. De mensheid, dat is een metafoor voor de Duitse pers en het Duitse publiek, dat wielrennen had afgezworen na het Fuentes-schandaal.

In de film zie je hoe John Degenkolb het keer op keer op puur vermogen moet afleggen tegen Marcel Kittel in sprints bergop, op grote hoogte. Jaaa, Vlaanderen-Koersland, dat is moderne wielertraining, en met hoogte wordt bedoeld: veel hoger dan de Kwaremont. En ook niet op kasseien. Dat was twee jaar geleden. Vandaag ligt Kittel ziek in de lappenmand en wordt hij overvleugeld door zijn één jaar jongere landgenoot, die zachtjes is gebracht en die een grotere motor combineert met pure snelheid, wat dit jaar is gebleken in de langste èn in de zwaarste klassieker.

Die talentontwikkeling bij Team Giant-Alpecin is geen toeval en staat haaks op de mand-met-eieren principe die in het Belgisch wielrennen al jaar en dag wordt gehanteerd. Wij gooien een mand met eieren bij voorkeur tegen de kasseien en we doen verder met het ei dat niet breekt. Blijkt dat het ei wel sterk is, maar verder niks speciaals kan, dan proberen we daar toch koersen mee te winnen. Niet dus.

Conclusie na de laatste ‘Vlaamse’ klassieker: de koers is van ons maar op het einde wint de laatste tijd altijd een ander: een Zwitser, een Engelsman, een Welshman, een Noor, een Nederlander ook al eens, en gisteren was het de beurt aan een Duitser.

Column ‘Cynisme’ in De Morgen van 11 april

Het cynisme is nergens stuitender dan in het wielrennen

(Deze column schreef ik eind vorige week en werd zaterdag in de krant gepubliceerd. Een dag later reed een half peloton door gesloten slagbomen en bewees hiermee eigenlijk geen haar beter te zijn dan alle anderen die zij de schuld geven.)

Hoe zullen we over twintig, dertig, veertig of misschien vijftig jaar terugkijken naar het wielrennen van vandaag? Misschien als volgt: Weet je nog toen we wedstrijden reden op de openbare weg, van punt naar punt, met op elke kruising oude mannetjes in een nylonhesje die met een bordje het verkeer moesten tegenhouden? Weet je nog hoe we dat zijn kwijtgeraakt, niet alleen omdat jaar na jaar meer en meer wielrenners zich een breuk vielen, maar omdat de weginfrastructuur en het verkeer dat niet meer toelieten? En weet je nog hoe we daarmee zijn opgehouden na die ene wedstrijd waarin x doden (zelf in te vullen) zijn gevallen?

Vorige maand publiceerde het International Journal of Sports Medicine een studie van het sportmedisch instituut van Valencia over trauma- en overbelastingblessures bij profwielrenners. De studie betrof 65 renners die hadden gereden tussen 1983 en 1995 en 65 renners die actief waren tussen 2003 en 2009 en vandaag nog steeds rijden. Om de studie in één zin samen te vatten: renners hebben vandaag twee keer meer kans op traumatische blessures dan hun collega’s uit de jaren tachtig en negentig.

In mensentaal: ze vallen dubbel zoveel en daar moet dan nog worden bij opgemerkt dat ze in Valencia maar telden tot en met 2009. Iedereen die wielrennen volgt, weet dat de situatie voor de wielrenner de laatste vijf jaar er zeker niet beter op is geworden. Inzake blessures was de renner vandaag maar op één aspect van de studie beter af dan vroeger: er worden minder peesletsels gemeld door overbelasting. Dat heeft enkele oorzaken: de goede zit op de fiets, de hoge trapfrequentie, de stabiliteitsoefeningen, die allemaal op hun beurt het gevolg zijn van – niet onbelangrijk – het terugdringen van anabolicagebruik. Daardoor zijn superverzetten bij lage omwentelingen verleden tijd.

Alleen dat vallen, dat gaat van kwaad naar erger. Er is wellicht geen enkele fysieke sport te bedenken met meer traumablessures dan overbelastingletsels. De gemotoriseerde sporten even buiten beschouwing gelaten, komt alleen eventing in de buurt. In die sport klaagt de grootste atleet van de twee zelden, maar als het toch gebeurt en het ziet er niet te best uit, wordt die met een schot afgemaakt. De andere atleet, die bovenop zit, heeft men na twaalf doden in anderhalf jaar sinds 2008 iets beter beschermd. Een koprol van het paard en een landing op de rug met de berijder eerst, betekende in een kwart van de gevallen de dood of minimaal einde carrière.

Sinds 2008, meldt de internationale bond trots, zijn ‘maar’ zeven doden meer gevallen onder de berijders en werden ‘slechts’ twaalf paarden afgemaakt. Hallucinante getallen, maar eventing slaagt er wel in de sport steeds veiliger te maken door de wedstrijdbelasting te verminderen en de hindernissen aan te passen, waardoor paarden minder over kop gaan.

In het wielrennen is dat andersom. In de Ronde van het Baskenland eerder deze week stonden in de laatste rechte lijn twee paaltjes. Niet in het midden van de weg, want dan hadden ze er vast wel een oud mannetje met een vlagje voor gezet, maar een beetje opzij verstopt zodat een uitwaaierend sprintend peloton er geheid zou opknallen. Wat ook gebeurde.

Ook in alle Vlaamse klassiekers is dit jaar zwaar gecrasht, en toen moest de veredelde kermiskoers genaamd Scheldeprijs nog worden gereden. De organisator maakte zich druk dat Kittel, Cavendish en Greipel niet wilden starten en sprak tegen dat zijn wedstrijd gevaarlijk was. Waarna er voor de vierde keer in zeven jaar tijdens de massaspurt werd gevallen. Vier op zeven kansen dat renners verminkt achterblijven, is dat nog normaal? De organisator hoorden we achteraf niet, want de Noor Alexander Kristoff had gewonnen en daar kon hij mee leven.

Het cynisme van organisatoren, ploegen en bonden tegenover hun atleten is nergens stuitender dan in het wielrennen. Wielrenners krijgen misschien geen nekschot zoals de paarden, maar geen andere sport die haar kinderen aan een hoger tempo verslindt. Iemand zal toch eens moeten opstaan om die kwalijke evolutie een halt toe te roepen.

Interview Johan Museeuw in De Morgen van 4 april 2015

‘Ik snap die mannen in de wagen niet meer’

Vlaanderens beste klassieke renner van de laatste veertig jaar fietste de voorbije week met zijn leerlingen, fileerde de koers in de kranten en netwerkt morgen voor Proximus. Maar waarom zit Johan Museeuw (49) niet in een ploegauto of bij de VRT? ‘Ik zou meer kunnen betekenen in de koers.’

Een waanzinnige opeenstapeling van wielerwedstrijden op onze kleine kluit: de heilige week voor de katholieken is ook de heilige week voor de Vlaamse wielerliefhebbers en al helemaal de week van Johan Museeuw. Hier, tussen Meerbeke (vroeger) en Roubaix heeft hij zijn grootste triomfen behaald. Elke steen wist hij te liggen, van elke bocht kende hij de draai, om elke hoek wist hij hoe de wind stond. Dit was Johan Museeuwland. No country for weak men, zoals de voorbije weken weer eens is gebleken.

“Met die wind in Gent-Wevelgem zaten we aan de limiet”, zegt Johan Museeuw. “Als Gert Steegmans, met zijn fiets toch om en nabij de honderd kilo, van de weg wordt geblazen, dan weet je het wel. Maar dan: neutraliseren. Oké. In De Moeren? Waar moet je met die tweehonderd wielrenners en hun fietsen naartoe? Rustig verder rijden naar Wevelgem is een optie, maar die wind blijft.

“Alles is terug te voeren op hoe men met de wielrenners omgaat: de gezondheid is geen bekommernis. Wij hadden destijds niks te zeggen en vandaag hebben ze nog niks te zeggen. Een deel daarvan is onze schuld, dat zeg ik er meteen bij: onze generatie heeft zo veel fouten gemaakt dat renners vandaag nog steeds geen poot hebben om op te staan.”

Het is toch niet omdat jullie naast de pot hebben gepist, dat renners moeten verongelukken? Jij lag naast Fabio Casartelli op 18 juli 1995.

Johan Museeuw: “In de afdaling van de Portet-d’Aspet in de Tour, ik lag in zijn bloed. Ik ben opgestaan, heb helemaal alleen de rit uitgereden, ben buiten tijd aangekomen maar opgevist. Het eerste wat je vraagt aan de arrivée: hoe is het met Fabio? ‘Fabio is dood’, antwoordt men dan. Oké. We hadden nog een week Tour en ik durfde niet meer naar beneden. Na een week rij je weer als daarvoor.

“Wat ik bedoel met onze generatie, is dat er door onze schuld een no needle policy is gekomen, méér controles dan ooit binnen en buiten de koers, en daar kan men verder niks op tegen hebben. Maar al het andere is níét veranderd. De Tour duurt nog altijd 23 dagen en als ze genoeg geld krijgen van start- en aankomstplaatsen, dan leggen ze met plezier een etappe van 250 kilometer in. Mét vijf cols? Daar vegen ze hun charel aan. Maar de mannen van de Tour zijn wel de eerste om te eisen dat het clean moet zijn.

“Er zou een parcourskeuring moeten komen voor elke koers van niveau door een ex-renner. Die herkent onmiddellijk de gevaarlijke punten: te lang, te zwaar, een vluchtheuvel die verkeerd ligt: dat ziet een buitenstaander niet. De wielerbonden kunnen dat ook niet: als ik zie welke parcoursen die soms goedkeuren.

“Het is niet normaal hoe vaak er gevallen wordt. Of ze kunnen niet meer sturen, of het parcours is gevaarlijker geworden, of er scheelt iets met het materiaal. Hoge velgen en een andere zitpositie ten opzichte van de trapas maken dat de fiets anders loopt. Die stuurt direct weg, is veel nerveuzer. Ik zie nu ook pistiers vallen, en als er één ras is dat heeft leren sturen, dan wel de mannen die van de baan komen.

“Anderzijds rijden ze hun eerste koersmaand in de Emiraten. Honderd kilometer rechtdoor, draaien rond een kasteel en honderd kilometer terug. Mooi weer, mooie wegen, soms wat zijwind. Vervolgens komen ze bij ons terecht op die smalle, modderige wegen en het contrast is groot. Er zijn te veel renners die ook veel beter in conditie zijn en die allemaal denken dat ze kunnen winnen. Fabian Cancellara schat dat er vijftig renners te veel meerijden, waaronder veel cowboys, en dat zou wel eens kunnen.”

Die van ons denken ook dat ze kunnen winnen, maar ze winnen haast nooit. Koersen jouw opvolgers niet een beetje dom?

“Ik mag zeggen dat ik als renner superintelligent was – ik heb het nu over mijzelf als renner – want ik zag koers, ik durfde te pokeren, ik durfde risico te nemen.

“Ik heb vaak tegen mijn ploeg gezegd: nog niet, nog niet, wachten om op kop te rijden. Ik zie dat niet meer en ik snap bijvoorbeeld ook niet waarom Etixx-Quickstep zonder de kopmannen van in het begin van de koers initiatief neemt. Als die ploeg met al die sterke renners nu eens zou durven te pokeren, dan zijn ze niet met drie, maar met zés mee.

“Wat daar gebeurde in de Omloop Het Nieuwsblad was een dieptepunt, maar het was geen alleenstaand geval. Stijn Vandenbergh die achter Niki Terpstra rijdt, Tom Boonen die op een brug niet weg geraakt van Ian Stannard die uiteindelijk drie Etixx-Quicksteppers klopt. In Gent-Wevelgem reed Zdenek Stybar plat waarop Vandenbergh demarreerde en zijn oortje uit trok.

“Hoe ik dat zie? Of ik zie het onmiddellijk of ik zie het als ik de koers op maandag herbekijk. Nu ja, dit probleem is niet zo moeilijk te duiden: Vandenbergh, Stybar en Terpstra zijn einde contract.”

Onze Vlaamse renners groeien van bij de nieuwelingen op met kasseien en korte hellingen, maar ze worden geklopt door iemand die op een wielerbaan gedurende een baanronde op kop 700 watt en meer stampt.

“Geraint Thomas? Je zag wel in Harelbeke dat hij 700 watt kon duwen. Hij ging even links rijden en ze waren al uit het wiel. Eerst reed hij nog een meter van de kant, wat niet slim was van hem, want zo konden ze nog wat in zijn wiel blijven. Als je op kop gaat, moet je met zijwind helemaal op de zijkant gaan rijden.

“Greg Van Avermaet is een renner naar mijn hart, maar tijdens één koers denk ik vijftien keer: Greg, wat doe je nu? Sep Vanmarcke heeft hetzelfde probleem. Is dat faalangst? Geen koersintelligentie? Zijn ze té sterk? Dat zou ook kunnen, maar je krachten moet je opsparen voor de finale. Wat Jürgen Roelandts deed in Gent-Wevelgem, was jezelf in de vernieling rijden om een uur op televisie te komen.

“Ik snap ook die mannen in de wagen niet. Die komen dan naast zo’n Roelandts rijden die bezig is met zelfmoord te plegen en krijgen bijna een orgasme, terwijl ik denk: dom, dit leidt nergens toe. Soms denk ik dat ze in de auto’s nog niet beseffen dat de tijd van de epo voorbij is. Ik zie nog steeds dat mensen op kop rijden van wie men ook nog verwacht dat ze de finale moeten rijden. Dat gaat dus niet meer: het is het één of het ander.”

Ben jij van: in onze tijd was het beter?

“Het is vrij duidelijk dat onze tijd niet meer terugkomt en maar goed ook. Ik reed een voorjaar van Gent-Gent tot en met Luik- Bastenaken-Luik, als het een beetje meezat. Om te recupereren, hadden wij middelen ter beschikking die niet meer kunnen. Nogmaals: goed zo. Maar ik vind het wel jammer dat bij zo veel renners na Parijs-Roubaix het vat af is. Met een beetje minder zware wedstrijden zouden de renners langer meegaan in het voorjaar.

“Er zou natuurlijk ook iets aan de kalender moeten veranderen. Wij hebben hier al onze mooie koersen in twaalf dagen: Dwars door Vlaanderen, E3 Harelbeke, Gent-Wevelgem, voor wie wil de Driedaagse De Panne, en morgen de Ronde van Vlaanderen. Een maand geleden hadden we al eens de Omloop Het Nieuwsblad, waarvan je je kan afvragen of die op dat tijdstip niet in een verkeerd land wordt gereden, maar dan is het wel echt een koers van niks.

“Wat de teamdiscipline betreft: mij hebben ze nooit moeten zeggen wat er moest gebeuren, ook Patrick Lefevere niet. Ik nam zelf de beslissingen, maar er was een hiërarchie. Wat in Gent-Gent met Etixx-Quickstep is gebeurd, dat zou met Patrick in de auto niet waar zijn geweest.

“Nu, een goeie Boonen besliste ook zelf wanneer het tijd was om te gaan. Alleen is Tom niet meer dezelfde als in 2012 en vroeger. Ook dat herken ik: je beseft niet dat je minder bent, want je denkt dat je met ervaring het verschil kunt maken. Niet dus, en er is ook niemand die je zegt dat je minder bent.”

Jij begeleidt nu je renners van de wielerscholen waar je les geeft. Doe je dat op buikgevoel?

“Veel op buikgevoel, ja, omdat je je moet aanpassen aan hoe de atleet zich voelt. Ik weet natuurlijk wat ik al die jaren heb gedaan: ik heb destijds toch met iemand als Aldo Sassi (de overleden meester-trainer; HV) gewerkt. Al mijn trainingen heb ik genoteerd en dat hebben ze bij de huiszoeking in 2003 gelukkig niet meegenomen. (lacht) Ik schreef ook op wanneer ik goed was, en als je dan terugkijkt naar wat je hebt gedaan op training, leer je daar veel uit.

“Uiteraard is er veel veranderd. Ik reed aan 90 omwentelingen, nu trainen we soms aan 120. De vermogensmeting is ingeburgerd en die heb ik nog net meegemaakt. Die hoge trapfrequentie moet je dan weer ondersteunen door stabiliteitstraining, heb ik geleerd. Het is niet dat ik geen basis heb, maar een verkorte trainerscursus voor ex-wielrenners zou welkom zijn en die zou ik graag volgen.”

Je geeft drie halve dagen per week les. Wat doe je nog?

“Ik ben nu bezig met een Strava-parcours af te punten voor Esso dat zich daarin wil profileren. Een groot project, dat wordt gecoördineerd vanuit Londen. Dat heb ik dinsdag samen met mijn leerlingen afgereden, met de GoPro en de gps.

“Ik heb gewerkt voor Flanders Classics, maar nu werk ik voor Proximus Cycling Challenge die de hoofdsponsor van Flanders Classics is. En ik heb de Museeuw Cycling Academy in samenwerking met Kortweg Cycling Travel. Ik fiets met gasten rond Mojácar in Spanje en één avond hou ik een praatje en dan mogen ze alles vragen: over koers, doping en seks.

“Ik kijk vooral wat op mij afkomt. Is dat minder, dan rijd ik veel met de fiets. Is dat veel zoals nu en is het vooral veel met de fiets rijden, dan ben ik dubbel gelukkig. Je hebt een schoon leven, zeggen ze soms. Ja, maar dat heb ik wel zelf afgedwongen. Achttien jaar heb ik alles eraan gedaan om zo veel mogelijk koersen te winnen. Alles moest wijken, ook mijn huwelijk.”

Je hebt de eerste jaren na je carrière niet veel geschenken gekregen.

“Nee, maar ik heb mij herpakt na vijf moeilijke jaren. Het begin was zwaar. Ik ben ook overal en door iedereen afgeschoten. Je komt buiten en je vraagt je af: hoe kijken ze nu naar mij? Pas als je door die fase bent, kun je weer functioneren.

“Bij mij kwam dan ook het besef dat ik niet langer meer wilde liegen. Ik was niet de laatste die tegen de lamp vloog, uiteindelijk bleek ik één van de eersten en zeker niet de enige en ging ik op in de massa. .

“De aflevering van Kroost met Niels Albert van de week was heel herkenbaar. Zelfmoord zat er ook bij mij nooit in, maar met jezelf overhoop liggen, dat wel. Dat duurt tot je aanvaardt wat er is gebeurd, wat je fout hebt gedaan. Op een dag komt het besef dat mensen jou de rug hebben toegekeerd – soms je beste vrienden – omdat hen dat goed uitkwam.”

Je ziet koers, je analyseert duidelijk. Waarom ben jij geen ploegleider?

“Ik heb vorig jaar een aanbod gehad van BMC om tactisch adviseur te worden voor de voorjaarskoersen. Allan Peiper stond daar honderd procent achter, maar Jim Ochowicz (mede-eigenaar van de ploeg; HV) heeft dat tegengehouden. Waarom? Mijn verleden, denk ik.

“Dat is jammer, maar ik moet daar mee leven. Dus zit ik nu voor de televisie en krijg ik hartzeer van al de stommiteiten die ik zie gebeuren. Als ik met die gasten zou kunnen werken in de aanloop naar ‘mijn’ koersen, dan zou je iets anders zien. Ik vind het ook zonde dat Gilbert en Van Avermaet niet samen rijden in de Ronde van Vlaanderen. Gilbert is gemáákt voor de Ronde. Stel je voor dat een ploeg als BMC met een mooi tactisch plan met twee speerpunten aan de start komt. Je kunt haast niet verliezen.”

En bij Lefevere?

“Daar zal ik nooit terechtkunnen. Het waarom daarvan laat ik in het midden. Ik heb mij natuurlijk deze week weer niet populair gemaakt met mijn analyse van wat er fout is gegaan in die ploeg, maar ik zeg het zoals ik het zie.

“Weet je wat ze zullen zeggen achter mijn rug: ‘Ja, Johan is op zijn kop gevallen’. Dat klopt, ik heb ooit dat motorongeval gehad en daar een tijdje een letsel aan overgehouden en ik was twee jaar niet mijzelf, maar dat is echt wel voorbij.

“Ik zie dingen gebeuren waarvan ik denk: dit is niet normaal. Tom Boonen, die vorig jaar in Parijs-Roubaix op 80 kilometer van de meet begint te koersen. Hoe komt dat, denk je? Simpel: omdat hij druk voelt vanuit de eigen ploeg.

“Patrick leest dit niet graag en ik had hem aan de telefoon verwacht, maar ik heb mij wel voorgenomen om mij niet meer in te houden, ook als het ten koste van iets of iemand is. Ik schiet daar niks mee op. Ik zeg wat ik zie en ik kan alleen maar hopen dat men niet rancuneus is, zoals ik ook niet rancuneus ben. (fijntjes) Anders had ik hier niet met jou gezeten.”

Analist bij de televisie zou ook kunnen, al doet Eddy Planckaert dat goed.

“Heel goed, met de nodige humor ook. Ik was analist, in 2003, naast Karl Vannieuwkerke. Toen kwam die huiszoeking en werd ik van het scherm gehaald. Sindsdien ben ik blijkbaar niet meer gewenst. Ik heb het vermoeden dat ik als renner wel eens iemand van de VRT onheus heb aangepakt en dat dit zich nu nog wreekt. Laten we zeggen dat ik weet dat dit de reden is. (lacht)

“Ja, ik zou meer kunnen betekenen in de koers. Daar sta ik soms wel eens bij stil, in het bijzonder in deze periode als ik al die dommigheden zie gebeuren. Anderzijds heb ik mij vijf jaar geleden voorgenomen gelukkig te zijn en alleen nog dingen te doen omdat ik ze graag doe en ook om een beetje de kosten te dekken.

“Neen, eigenlijk moet ik niet meer werken, ondanks die veroordeling, ondanks die scheiding. Véronique en ik kunnen het nog goed met elkaar vinden en met mijn kinderen gaat dat ook prima. Ik denk dat ik het goed heb geregeld, met respect voor Véronique die alles voor mij heeft opgeofferd. Een renner moet gepamperd worden en dat heeft zij gedaan. Zie je die twee daar zitten? (Twee jonge vrouwen van wie Museeuw de renner-vriend kent, eten in hetzelfde restaurant als wij; HV) Die moeten hier niet zitten, die moeten bij hun coureur zijn om hem in de watten te leggen.

Heb je spijt dat je twintig jaar geleden moest koersen en niet vandaag, nu het simpeler is?

“Ik kan van niks spijt hebben. Ik was de beste in mijn koersen, met alles wat wij ter beschikking hadden, en ik zou ook de beste geweest zijn zonder.

“Dat geldt evengoed voor Armstrong. We hebben allebei gekoerst in een periode dat het zonder niet kon. Punt uit. Ik ben daar heel eerlijk in. Ik herinner mij een Tour de France waar ik op en top voorbereid was en clean startte, maar ik kwam er niet aan te pas. Gasten als Claudio Chiappucci en Massimo Ghirotto reden ons naar huis waar en wanneer ze maar wilden.

“Renners voelen of iemand boven zijn kunnen presteert. Bjarne Riis was zo iemand van wie ik dacht: normaal kan die dat niet. Riis is als renner ver gegaan, maar achteraf ben ik wel een fan geworden van de sportdirecteur Riis. Klasse hoe die dat aanpakte en jammer dat hij nu weg is.”

Jij bent in de perceptie nooit herleid tot een dopingfabriek op twee wielen, zoals jouw generatiegenoot Lance Armstrong wel is overkomen.

“Wat met Armstrong is gebeurd, is een regelrechte schande. Dat weet iedereen die op een fiets heeft gereden. Hij zegt dat hij hetzelfde zou doen als hij in de situatie van 1995 zou terechtkomen, maar vandaag dan weer niet meer.

“Ik kan dat alleen maar beamen. Als je wordt weggereden door iemand die een wondermiddel heeft en die niet beter is dan jou, dan is de stap snel gezet. Ik ben blij dat het er vandaag anders aan toegaat. Een jonge gast die in onze tijd in het peloton kwam, reed zich stikkapot en eindigde nergens. Vandaag kunnen ze inpikken en zelfs winnen. Heel goed is dat.”

Ik heb nog één kopbreken: hoe vol zat jij toen je wereldkampioen werd in Lugano in 1996 op een parcours dat het jouwe niet was?

“Niet vol, helemaal niet zelfs. Ik had destijds 43,5 hematocriet en nu heb ik nog 45. Ik kon nooit veel bijspuiten, want voor ik het wist zat ik aan 50.

“Dat was ook de aanpak met mij: miniem, want ik had heel weinig nodig. Voor de Ronde en Parijs-Roubaix twee streepjes Diprophos op vrijdag en dat was alles. (aarzelt) Ik ga daar vandaag echt niet meer om liegen. Achteraf beschouwd had ik zelfs nooit de indruk dat die corticosteroïden echt werkten. Het zal wel meer het placebo-effect geweest zijn dan wat anders. Epo was een ander verhaal: dat voelde je werken.”

Wie wint zondag in Oudenaarde en de week erna in Roubaix?

“Geraint Thomas rijdt de finale van de Ronde van Vlaanderen en is favoriet, maar ik zie Zdenek Stybar ook dicht eindigen. Als ik ploegleider was, maakte ik van Stybar de enige absolute kopman, maar dat zal wel niet gebeuren. Dus zien we er wellicht weer vijf van dezelfde ploeg voor eigen rekening rijden.

“Ik denk dat Patrick Lefevere weet dat hij een probleem heeft in zijn ploeg. Na de Omloop kregen ze een mail: ze waren geselecteerd, maar ze moesten zich aan de tactische consignes houden. Of ze dat wilden bevestigen dat ze het daar mee eens waren. Per mail, nog wel. Er zal natuurlijk geen enkele ‘neen’ geantwoord hebben, maar in hun binnenste…

“Bradley Wiggins zal de ronde rijden, maar hem verwacht ik voor Parijs-Roubaix en ik hoop dat hij wint. De meervoudige olympisch kampioen en de meeste Britse medailles ooit, wereldkampioen, Tourwinnaar, wil onze koers, míjn koers winnen? Hijzelf wordt er niet beter van en toch wil hij in Roubaix de eerste zijn. Dat is een hele eer voor ons.”

Museeuw

Column Microcephalen in De Morgen van 4 april 2015

Microcefalen

Eens in de zoveel tijd is er een slimmerik die denkt dat hij het warm water heeft uitgevonden, terwijl hij in feite het wiel voor een tweede, derde of vierde keer uitvindt. Soms heeft hij ook veel geld, en na het licht te hebben gezien komt hij met een plan om het armlastige en ondergewaardeerde wielrennen op te stuwen. Deze week was het de beurt aan Oleg Tinkov, de flamboyante multimiljonair en eigenaar van Tinkoff-Saxo, om een revolutionair plan te ontvouwen.

Vreemd dat daarbij steeds wordt vertrokken van de verkeerde premissen.

Ten eerste is wielrennen niet ondergewaardeerd, maar misschien zelfs overgewaardeerd. Het grote probleem van de wieleraficionado’s is juist dat ze de precieze waarde van hun product altijd weer overschatten. Iedereen ziet hoeveel volk er in dit weekend Vlaanderen naar de koers komt kijken, merkt vervolgens ook dat er een miljoen of meer Engelsen wat grasgroene heuvels beklimmen voor een dertig seconden durende passage van het Tour- peloton en ziet ook veel volk staan bij de aankomst van de Tour de France, vooral dan op die ene mythische berg die van de zomer ook weer wordt beklommen. Daaruit wordt dan geconcludeerd dat het product wielrennen een gigantische markt laat verloren gaan.

Dat zou weleens kunnen tegenvallen. De kijkcijfers – de enige maatstaf om een sportproduct te waarderen – lopen in heel Europa terug en zijn behalve in België marginaal te noemen. Buiten Europa zijn ze nog minder dan marginaal. Wielrennen is en blijft een West- Europees fenomeen, enkele lokale oprispingen in andere werelddelen niet te na gesproken.

Ten tweede is dit businessmodel van wielrennen onhoudbaar. Meer dan de helft van de ploegen leven boven de stand door overheidssteun of mecenaat. Ticketing is onbestaande, tv-rechten evenzeer. Sponsoring is de enige inkomstenbron, maar van de grote bedrijven die in voetbal (EK, WK) en multisport (Olympische Spelen) investeren, is geen enkele actief in wielrennen.

Kunnen we ticketing oplossen? Ja, door gesloten circuits. Luik-Bastenaken-Luik dat vergeet te finishen op het F1-circuit van Spa is pure kapitaalvernietiging. Traditie? Excusez le mot, maar fuck de traditie. Zal er veel volk komen? Misschien, misschien ook niet. Zal het 50 euro mogen kosten? Neen. Tien euro gemiddeld zal al ruim bemeten zijn. Het koersvolk is gratis gewend.

Kunnen we de kwestie van de tv-rechten oplossen? Als we op vaste circuits rijden wel. Dan kunnen we de captatiekosten drukken, maar zoals het wielrennen nu wordt georganiseerd, is het onbetaalbaar aan de kostenzijde en zonder grote multinationals als sponsor moeten mecenassen tussenkomen om de renners een degelijk salaris te bezorgen.

En al die problemen, daar had Tinkov nu eens een oplossing voor. Middels een bericht op Facebook zette hij zijn theorie uiteen en haalde hij uit naar het anachronistisch wielrennen dat in de 20ste eeuw was blijven steken. De ‘anachronisten’ hadden ook een naam: ze heetten Saiz, Bryneel (sic) en Riis. Het is tijd dat die weg zijn, want ze zijn oldskool, stelde Tinkov.

Ten derde is dit plan niet revolutionair. Acht jaar geleden was ik zijdelings betrokken bij de plannen van Wouter Vandenhaute om investeerder CVC, bekend van de F1, in het wielrennen te brengen. Alles wat Tinkov nu aanhaalt, had Vandenhaute (met Bryneel in steun) ook al uitgevlooid. Minder zware en minder wedstrijden tout court, meer steden-wedstrijden, kortere ritten-wedstrijden, minder vastpinnen op traditie, meer spreiding en de beste renners die vaker, zo niet altijd tegen elkaar zouden rijden.

Het plan Vandenhaute in zijn eerste vorm met investeerder CVC liep spaak op de onwil van de UCI om zich daar ten volle achter te scharen, maar vooral op de onwil van Tour-eigenaar ASO om zich in te schrijven in het nieuwe wielrennen. Nadat Vandenhaute zijn plannen had ontvouwd in Parijs, kochten ze daar als een bende gekken alle grote en kleine wedstrijden op.

Wielrennen kan niet hervormen, zolang ASO zijn inkomsten niet herverdeelt, tweette Johan Bruyneel van de week. Correcte analyse. Eén privé-organisator gijzelt een hele sport en de betreffende sportbond zit erbij en kijkt ernaar, bang om dat laatste beetje macht te verliezen. Wielrennen is een sport van microcefalen, zei ooit een man die al dertig jaar in het wielrennen zit. Dat klopt: wielrennen is een sport van weinig hersenen en veel ruzie.

Microcefalen-pdf-