Column over WK wielrennen en Peter Sagan op demorgen.be van 28 sep 2015

Heel even was Peter Sagan een wielerpaus die de planeet wilde verbeteren

Vraag: “Peter Sagan, dit moet de mooiste dag zijn uit uw wielercarrière.” 
Antwoord: “Ja, maar weet u, ik hoop nu dat de wereld wat beter kan worden. Want met wat er allemaal aan de hand is in Europa en de wereld en zo, wil ik dat de sport als motivatie kan dienen voor de mensheid. En ik hoop ook dat we nog lang sport kunnen doen en zien.”
De geïnterviewde zat op een wolk en leek even de weg kwijt, maar dat lag aan zijn gebrekkig Engels, vandaar ook deze vrije vertaling. 
De interviewer van de UCI was echt de weg kwijt; die wist niet wat hij hoorde. Hij aarzelde even en stelde zijn vervolgvraag waar hij ongetwijfeld de hele dag had over nagedacht. “U heeft uw plan kunnen uitvoeren?” Sagan keek hem aan: “U bedoelt in de race?” Inderdaad. Voor de verbetering van de wereld zou het wat kort dag zijn geweest, zo vijf minuten na de koers, dus volgde een knikje aan de andere kant. Toen ging het weer over het WK en hoe hij iedereen – ook onze moedige Belgen – uit het wiel had gekletst.
Jammer. Heel even was Peter Sagan uit ‘Slovakia’ een wielerpaus die de planeet wilde verbeteren,  maar dat zijn Slovakije lak heeft aan de vluchtelingenstroom en de solidariteit in Europa, dat ze maar tweehonderd vluchtelingen willen onderdak geven, dat het dan nog allemaal christenen moeten zijn, zou hij dat wel weten? En als hij het weet: keurt hij dat goed? Misschien wilde hij zijn eigen regering wel te kakken zetten, maar de man met de UCI-microfoon interesseerde het geen ene moer. Mij wel, maar alleen was ik niet in Richmond, dus kon ik het hem niet vragen.
“Peter Sagan wereldkampioen, daar kan ik mee leven.”
“Ik ook.” 

Het duurde maar heel even voor het olijke duo Wuyts-De Cauwer de ontgoocheling had verbeten dat er geen Belg had gewonnen en in het geval van De Cauwer niet zijn Greg (Van Avermaet). Richmond was het makkelijkste WK-parcours in jaren, aldus Tom Boonen vooraf, maar hij voegde er snel aan toe dat een makkelijk parcours niet hetzelfde is als een makkelijke wedstrijd. Slim van Boonen en hij kreeg gelijk. Na de wedstrijd vond hij het al wat lastiger.

Peter Sagan wereldkampioen, daar kan iedereen mee leven. Zelfs Greg Van Avermaet vond Peter Sagan sterker. Hij had hem van de zomer wel kunnen kloppen in de Tour, maar het was opvallend dat Sagan na die rit vooral boos was op zichzelf. Hij had een fout gemaakt, wist hij. Misschien wisten onze wielerkenners dat ook, maar keken ze de andere kant op.

Sagan wereldkampioen is de bekroning van de éénmans-FC Barcelona van de koers: altijd weer aanvallen, altijd weer het kijkvolk vermaken. Iedereen moét kunnen leven met dit resultaat. De twee meest aanvallende renners van het jaar 2015 – Greg Van Avermaet en Peter Sagan – hebben de laatste kasseienklim beheerst als een hommage aan hun mooi jaar. Voor Sagan – de meest getalenteerde van de twee – lag de regenboogtrui klaar. Voor Greg Van Avermaet een schouderklop en nog een kras op zijn ziel. Zoals zijn mentor José De Cauwer het treffende verwoordde: “Goed gereden, maar gene prijs.”

We hebben ons best gedaan, daar in Richmond, maar we hebben geen medailles. Niet bij de juniores, niet bij de vrouwen, niet bij de beloften en niet bij de profs. Niet in tijdrijden en niet op de weg. Net als vorig jaar in Ponferrada hadden we bij de profs renners vooraan in de finale. Weer werd het niks.

We winnen niet op hele zware parcours (Firenze). We winnen niet op iets minder zware parcours (Ponferrada). We winnen ook niet op lichte sprintparcours (Kopenhagen). En we winnen ook al niet meer op mini-Ronde van Vlaanderen parcours met bergskes en kasseien (Richmond). We winnen alleen op een bergske dat we kennen van de training (Cauberg) en als die ene van ons een superjaar heeft. Philippe Gilbert, onze wereldkampioen van 2012, eindigde ook nu weer eerste Belg.

Voor een founding nation van het cyclisme dat de volgende UCI-voorzitter wil leveren, is dat mager. Een klein land kan niet altijd winnen, maar mag het iets meer zijn dan goed gereden, gene prijs?

Advertenties

Verhaal over de marathon in De Morgen van 26 sep 2015

Wie loopt de marathon in 1u59.59?

Ze zijn donker, klein, licht en komen altijd uit Oost-Afrika. Ze lopen steeds harder en verdienen steeds meer. Maak kennis met de marathonlopers, dit weekend aan het feest op het recordparcours van Berlijn. ‘Sub two hour? Why not.’

Geen van de 11.000 deelnemers aan de marathon van Berlijn op 1 oktober 1989 kon vermoeden dat enkele weken later de Muur zou vallen en dat de editie van 1990 een Oost-Duitse winnares – Uta Pippig – zou kronen. Haar overwinning was symbolisch, drie dagen voor de officiële eenmaking van Duitsland.

Aanvankelijk begonnen als een loopwedstrijd van de bezettingstroepen met start op de weide voor de Reichstag en via Checkpoint Charlie naar de aankomst op de Kurfürstendamm, zou de Berlin Marathon vanaf 1990 door de Brandenburger Tor lopen.

De belangstelling voor die eerste editie die deels door Oost-Berlijn ging, was overweldigend en is steeds groter geworden. Boston is de oudste en meest legendarische, New York de zwaarste en de grootste, Londen de rijkste, maar Berlijn is van alle zes Marathon Majors (daarbij horen ook nog Tokio en Chicago) ongetwijfeld de belangrijkste, met tien wereldrecords waarvan de laatste zes bij de mannen.

Een snel parcours was aanvankelijk geen bekommernis. De Brit James Ashford, die dertig jaar geleden het parcoursrecord op 2u11.43 uur bracht, opende de ogen van de organisatoren. “Berlijn is veel sneller dan Londen. Hier kun je makkelijk onder de 2u10.” Vorig jaar liep een collega van Ashford onder de 2u03.

Echt bijzonder kun je ‘Berlijn’ niet noemen. Morgen zijn start en aankomst in het park Tiergarten op de Straße des 17. Juni, vernoemd naar de grote opstand in 1953 van DDR-arbeiders tegen het regime. De lange, brede laan vormt samen met de vroegere Oost-Duitse Unter den Linden een 11,5 kilometer lange streep door de stad. Onderweg staat de Brandenburger Tor, nu een landmark maar vroeger in niemandsland tussen Oost en West. De aankomst ligt morgen een paar honderd meter na die stadspoort.

Bovendien is het weer er haast altijd perfect eind september: weinig wind en koel. En ze hebben geld om de beste lopers te halen: Berlijn is goed gesponsord, door BMW in de eerste plaats, maar niet het minst ook door zijn deelnemers: 40.000 lopers aan 100 euro betekent 4 miljoen euro, alleen al aan inschrijvingsgeld.

Plan mislukt

In 2012 stonden veel favorieten aan de start, maar één was bijzonder gemotiveerd. De Keniaan Geoffrey Mutai had in 2011 de snelste marathon ooit gelopen in Boston, toen hij in 2u03.02 het parcoursrecord met drie minuten had verbeterd. Zijn tijd werd niet als record geratificeerd omdat Boston een wedstrijd in lijn is, met die bewuste dag flink wat windvoordeel. Mutai was toch ontgoocheld. Hij won na Boston ook nog New York in een nieuw record.

Een jaar later zon hij in Berlijn op revanche. Hij liep samen met zijn dorpsgenoot en trainingspartner Dennis Kimetto. Het plan was om samen te blijven na het afhaken van de laatste hazen en het wereldrecord te verbreken, maar toen de klok op de voorrijdende auto kilometers lang bleef staan op 2u50 terwijl ze in werkelijkheid aan drie minuten per kilometer liepen, bleef van het plan niks over.

Dat was buiten de agressief lopende Mutai gerekend. Hij gooide er een 5K-split (tijd over 5 kilometer) van 14.18 tussendoor en ineens zaten ze weer op wereldrecordschema.

Maar marathons vereisen spaarzaam lopen en de plotse versnelling had de vier Keniaanse benen afgesneden. Samen liepen ze naar de eindstreep, maar om fysiologische, dan wel economische redenen kwam het nooit tot een sprint. Mutai won, en verdiende een half miljoen dollar als eindwinnaar van de Marathon Majors, de grootste prijzenpot in de atletiek. De frissere Kimetto had kunnen winnen, maar dan was er voor geen van beiden geld geweest.

Bovendien: Kimetto’s tijd zou nog komen. Zoals vorig jaar, toen hij als eerste door de grens van 2u03 ging. Hij liep een bovenaardse split van 14.10 tussen de 30 en 35 kilometer, voor amateurs het zwaarste deel van de marathon omdat de koolhydratenverbranding moet worden vervangen door vetverbranding. Zijn recordverbetering met haast een halve minuut, daar hadden zijn collega’s vóór hem vijf jaar voor nodig gehad. Hij deed het in een jaar.

En toen laaide de discussie opnieuw op: kan de mens ooit een marathon lopen onder de twee uur?

Ultieme ondergrens

De eerste die zich aan een prognose waagde, was de bekende Amerikaanse fysioloog Mike Joyner. In 1986 ontwikkelde hij een loopeconomisch model en kwam tot de vaststelling dat de ondergrens van de mens over 42,195 kilometer precies 1u57.58 bedroeg. Zijn berekening was gebaseerd op het theoretisch fysiologisch vermogen van de mens omgezet in tijd, iets wat men in het wielrennen ook vaak probeert via de wattages met klimtijden.

Wat Mutai overkwam in 2012, een foute tijdsaanduiding, is misschien de oplossing voor een ridicuul snelle tijd. In een Engels experiment uit 2011 moesten fietsers tegen hun persoonlijke beste tijd rijden en die proberen verbeteren. Alleen fietste hun virtuele ik eigenlijk twee procent sneller dan werd aangegeven. Alle testers wonnen van zichzelf en verbeterden dus hun eigen persoonlijk record.

Sportfysioloog Tim Noakes, auteur van het gezaghebbende boek Lore of Running, denkt dat de beperking zich vooral in de hersenen van de atleet afspeelt. “Onder twee uur is mogelijk, als je de atleet niet confronteert met de tijd. Wie een record aanvalt, streeft naar een verbetering met enkele seconden, en werkt onbewust naar een bepaalde grens toe. Gaat er iets mis, dan mist hij die grens.”

Wat ook ongetwijfeld helpt, behalve het bedriegen van het lopersbrein, is het verleiden van zijn portemonnee. Met uitzondering van Usain Bolt lopen de best verdienende atleten niet op spikes, maar op ultralichte loopschoenen en op asfalt. Toplopers kunnen tot 250.000 dollar verdienen als ze in een grote marathon starten. Wie in Boston start en wint, krijgt minimaal 300.000 dollar bijgestort.

Het Kalenjin-fenomeen

Kenianen hebben al een tijdje begrepen dat ze op de atletiekbaan nog maar weinig te zoeken hebben. De nieuwe generatie loopt er nog wel op, maar alleen als snelheidstraining. Niet langer de medailles op kampioenschappen zijn het doel – tenzij op de Olympische Spelen – maar prestaties in de grote stadsmarathons. De nieuwe generatie is zonder uitzondering Keniaan en zonder uitzondering Kalenjin, de bevolkingsgroep die op het hoogplateau van de Riftvallei is geboren.

Toch is dat een relatief recent fenomeen. De eerste Keniase wereldrecordhouder dateert van 2003 en heette Paul Tergat, de laatste Keniaan die eerst de 5 en de 10 kilometer liep en vervolgens naar de marathon overstapte. Vervolgens was zijn concurrent op de baan, de Ethiopiër Haile Gebreselassie, twee keer aan de beurt. Hij brak door de 2u04-grens, maar pas met Patrick Makau in 2011 begon de Keniase hoogconjunctuur.

Is de marathon onder de twee uur voor binnenkort? Neen. Voor ooit? Wellicht wel. Vóór de laatste recordverbetering moest er nog 3,5 minuut worden overbrugd en dat was precies evenveel als in de dertig jaar daarvoor. Rekening houdend met de wet op de verminderde meeropbrengst waar records aan onderhevig zijn, zou het nog eens dertig jaar kunnen duren. Maar na 1998 is het record vier keer sneller verbeterd dan in de decennia vóór 1998.

De perfecte race en perfecte tijd zal gelopen worden op een windstille dag bij 5 graden. Berlijn eind september valt eigenlijk te vroeg. De perfecte race heeft ook een saai, vlak parcours. Berlijn is ideaal, maar de Poolse stad Debno schijnt nog betere condities te hebben met lange rechte stukken en weinig bochten. Ideaal is ook een muur van hazen, en niet twee of drie zoals nu, die de recordlopers letterlijk uit de wind zetten.

Uiteraard moet er ook een dikke pay cheque aan de eindstreep klaarliggen. Op de weg is het prijzengeld de laatste twintig jaar vervijfvoudigd. Er kan nu al ongeveer 25 miljoen dollar worden verdiend in de grootste wegraces van de planeet. Op de atletiekbaan is het prijzengeld haast gehalveerd over die periode en wordt voor de grote meetings geschat op 1,2 miljoen dollar.

De ideale loper in die ideale race zal stijf zijn in de heupen en in de lage rug en ook over lange benen en smalle kuiten beschikken, wat zijn loopeconomie ten goede komt. Vooral Oost-Afrika heeft een overaanbod aan dergelijke atleten. Bovendien zal de recordhouder klein en licht zijn: 1m60 en minder dan 50 kilo lijkt ideaal. Tussen 1990 en vandaag is de gemiddelde lengte van de marathontoppers met 3,5 centimeter gedaald. Wellicht zal hij ook jonger en onbevreesder zijn dan de kampioenen van vandaag, die gemiddeld 28 jaar oud zijn.

Een marathon onder de twee uur is een beetje Star Trek: gaan/lopen waar geen mens ooit is geweest. In tijd uitgedrukt is het een 5.000 meter in 12.17 en een 10.000 meter in 25.36 waard. De huidige wereldrecords op die afstanden zijn 12.37 en 26.17. Een marathon onder de twee uur betekent acht keer 5 kilometer in 14.13 en dan nog 2 kilometer alles uit de kast halen. De enige die ooit een tussentijdse vijf kilometer liep in minder dan 14.13 is huidig wereldrecordhouder Dennis Kimetto, vorig jaar tussen de 30ste en 35ste kilometer, in zijn geval een onwaarschijnlijke tussenspurt van 14.10.

Verdachtmakingen

Of onwaarschijnlijk ook ongeloofwaardig is, zal nog moeten blijken, maar zijn prestatie vorig jaar kan worden vergeleken met aan het einde van een lastige Tourrit in een nieuwe recordtijd de Ventoux oprijden. In elk geval zijn de verdachtmakingen niet van de lucht en is men er steeds meer van overtuigd dat de Kenianen niet alleen genetisch en cultureel een streepje voor hebben.

Kenia is de laatste jaren zwaar in opspraak gekomen door een totaal falend dopingsysteem waarbij de atleten in eigen land nooit of nauwelijks werden gecontroleerd, niet op urine en al helemaal nooit op bloed. Bovendien heeft onderzoeksjournalistiek aangetoond dat Keniase dokters en apothekers maar wat graag epo leveren.

Anderzijds zijn recordverbeteringen normaal in een discipline (zoals de marathon) die lang het ondergeschoven kindje van de atletiek was, zeker nu de beste talenten meteen voor de weg kiezen. In Berlijn staan vier lopers aan de start die al onder de 2u05 hebben gelopen: Eliud Kipchoge, Emmanuel Mutai, Geoffrey Mutai – drie Kenianen – en de Ethiopiër Feyisa Lilesa. De eerste twee zijn trainingspartners.

Kipchoge gaat alvast voor het wereldrecord. Onder de twee uur lijkt hem ook geen probleem. ‘Sub twee uur betekent dat je twee halve marathons na elkaar in 59.30 moet lopen. Dat is 1u59 opgeteld: haalbaar als het allemaal meezit.”

Het raadsel Radcliffe

En de vrouwen? Die lopen zeker géén nieuw record in Berlijn. In april 2003 arriveerde de Engelse Paula Radcliffe in Londen na 2u15.25. Radcliffe is daarmee tot op minder dan 10 procent van het mannenrecord genaderd. Tegelijk heeft haar prestatie voor de vrouwen ook de stilstand op de langste afstand ingeluid.

In 1992 publiceerde Nature een artikel van de wetenschappers Ward en Whipp die voorspelden dat de vrouwen ooit de mannen zouden kloppen op de marathon. Het zou in 1998 gebeuren. Al snel werden de twee Amerikanen de risee van de sportwetenschap. Een criticus gebruikte hun model om te bewijzen dat in 2064 de vrouwelijke marathonloopsters sneller zouden lopen dan de mannelijke 100-meterlopers. Nonsens, dus.

Het bijproduct van die fantastische prestatie van Radcliffe die in achttien maanden 3 minuten en 22 seconden van het wereldrecord haalde, is een dopingbeschuldiging. Radcliffes naam stond op de lijst van sporters met vreemde bloedwaarden die onlangs werd gelekt aan de ARD en The Sunday Times. De fervente voorvechtster van strenge straffen voor epo-zondaressen, is nu zelf lijdend voorwerp van de niets ontziende Engelse achtervolgingsjournalistiek.

Voorlopig houdt Radcliffe stand. Haar schommelingen kunnen nog steeds worden verklaard door hoogtestages en andere externe factoren. Haar recordtijd roept evenwel meer vragen op dan een afwijkende bloedwaarde: 2u15 uur bij de vrouwen is 1u59 waard bij de mannen.

De grootste supporter van de Oost-Afrikaanse wonderlopers en hun queeste naar de ‘sub two hour marathon’ is dus een bleke Britse: hoe langer het duurt voor de mythische grens valt, hoe verdachter Paula Radcliffe zal zijn.

(Grafieken in de pdf hierbij)

Kipchoge liep geen wereldrecord, maar liep kilometers met zijn binnenzolen als flappers aan zijn schoenen (even googelen).

Marathon

Column Belgian Cycling Team in De Morgen van zaterdag 26 sep 2015

Belgian Cycling Team

Column van voor het WK. maandag op demorgen.be column van na het WK.

Ik probeer alle sportfilms minimaal één keer te bekijken, ook over sporten of milieus waar ik niks mee heb. Prime toonde van de week When the Game Stands Tall van Thomas Carter, een film over high school football. Niet direct mijn wereld, maar IMDb (Internet Movie Database) gaf 6,7 op 10 en dat is heel wat. Dus kijken.

When the Game Stands Tall is het waargebeurd verhaal van De La Salle High School in Richmond, een stadje ergens in Oakland, en hun coach Bob Ladouceur, die samen 151 wedstrijden op rij wonnen. 6,7 als waardering is veel te hoog en dat komt wellicht omdat wie helemaal niks met American football heeft natuurlijk nooit kijkt en ook nooit slechte punten geeft. Wie wel geïnteresseerd is, zal dit wel een hele goede film vinden.

Ik onthield twee dingen. In de eerste plaats het belang van een hele goede teacher-coach in de cruciale jaren als de adolescent het meeste kneedbaar is als atleet en als mens. Ten tweede hoe de anders zo superindividualistisch ingestelde Amerikanen zo makkelijk het teambelang laten voorgaan op het eigen belang en ook daarnaar handelen. Verbazingwekkend hoe Team USA altijd weer boven zichzelf uitstijgt, in alle sporten, op alle continenten.

In de film heeft de sterspeler in zijn laatste wedstrijd voor zijn middelbare school nog één touchdown (doelpunt) nodig om een record te breken, maar hij verkiest een hommage aan zijn team en aan zijn coach boven de kans om die touchdown te scoren. Bij nader inzien, met dank aan Google, blijkt dat laatste geheel verzonnen, maar de rest is echt: het belang van het team, de waarden van de sport en het respect voor de coach.

Van Richmond, Californië naar Richmond, Virginia is een eind, maar misschien zit die film uit 2014 wel op de betaaltelevisie van het Wyndham Virginia Crossings Hotel & Conference Center in Glen Allen. Dat is een hele mond vol maar daar resideert de beschutte werkplaats die ook weleens het Belgian Cycling Team wordt genoemd.

Zou het geen goed idee zijn dat bondscoach Carlo Bomans vanavond de film op een groot scherm aan zijn elitetroepen vertoonde? Met de melding: we weten wel dat in ons wielrennen de som van de delen meer is dan het geheel, maar het kan ook andersom. Je hoeft elkaar niet noodzakelijk de duvel aan te doen en je moet de coach niet altijd uitlachen.

Want hoe zit dat nu met onze Belgen? Welnu: de bondscoach (Carlo Bomans) neemt men niet serieus. Maar de bondscoach selecteert, daartoe geholpen door de bondsdirectie en de grote wielersponsoren. Hij selecteert de grote renners op basis van resultaten uit het verleden en vraagt vervolgens of ze het leuk zouden vinden om het WK te rijden en hoeveel vriendjes ze willen meenemen.

Zodoende heeft de bondscoach de renner die de laatste jaren het minste heeft gewonnen (Tom Boonen) de meeste helpers meegegeven. De renner die de meeste koersen vooraan heeft gereden (Greg Van Avermaet) kreeg minder helpers. Hij kreeg ook vooral de concurrent uit zijn eigen BMC-ploeg (Philippe Gilbert) mee. Die twee gunnen elkaar wel het licht in de ogen, maar niet in de laatste 10 kilometer van de koers en al helemaal niet in de Vlaamse klassiekers.

Conclusie, na het lezen van de interviews: Boonen wint graag zelf, maar weet dat het niet makkelijk wordt. Gilbert en Van Avermaet winnen ook liever zelf. Indien niet, is Boonen een goede tweede. Iedereen mag dan winnen, zolang het maar die andere uit de eigen ploeg niet wordt. En om het nog gecompliceerder te maken, heb je van de tweede sterkste Belgische ploeg ook één talentrijke renner (Tiesj Benoot) die wel beweert dat hij zich wegcijfert voor de kopmannen, maar die ook zijn eigen kans wil gaan.

In teamsport moet een geheel meer zijn dan de som van de delen. Dat bereik je door zorgvuldig te selecteren in functie van je tactiek. In echte ploegsporten weten ze al langer dat je met de beste elf haast nooit de beste ploeg vormt. In het wielrennen weten ze dat ook, maar ze handelen er nooit naar.

Verhaal over (semi)elektrisch rijden in De Morgen van 19 sep 2015

Mijn auto, draad, stopcontact

Elektrisch rijden is zoals goed vrijen: zuinig, zoemend en zacht is het betere werk maar bij hoge nood kan het ook echt hard. Nog wat meer stopcontacten voor mijn speciale stekker en het leven is perfect.

Zeven maanden heb ik hem, mijn plug-in hybride auto, en nog steeds is het een feest als ik keyless op de startknop duw, de klik hoor, de juiste lichtjes zie opflikkeren, het rempedaal induw en de hendel van P naar D kan. Waarna ik het gaspedaal induw zoals elke andere autorijder en de auto van de oprit rolt, zo de weg op. Hij rijdt! Altijd weer een wonder.

Ik ben geen autofreak en ik rij niet graag, maar rijden hoort bij de job en dus zit ik aan mijn achttiende auto en aan ruim één miljoen gereden kilometers. Het begon met twee aftandse Peugeots. Met de klim op de sociale ladder en getrouw aan onze Belgische bedrijfswagencultuur kwam ik steeds in andere, duurdere segmenten met na een carrièreswitch twee moordbakken op rij: een VW Touareg en een Audi Q7. Het was mijn wake-upcall.

Geen vergissing mogelijk: een Q7 is een fantastische auto. Ooit ben ik ermee in één ruk naar het WK in Firenze gereden op een autoluwe dag tegen een gemiddelde van 125 per uur, tanken en plasstops inbegrepen. De auto gaf geen krimp en ik ook niet, maar qua imago was het een ramp. Drie jaar lang stond ik met die Q7 bovenaan in de voedselketen van de weg: de kleine autootjes – en ongeveer alles is kleiner dan een Q7 – maakten zich uit de voeten, of de kleine autootjes bleven ostentatief 110 rijden op de linkerstrook, als een opgestoken middelvinger naar mijn drieliter. Neen, die Q7 maakte niet het beste los in mijn mede-weggebruikers en ook niet in mijzelf.

Na weer eens een carrièreswitch besloot ik het geweer van schouder te veranderen. Ik geloof niet alle doemberichten van die lobby van klimaatopgewarmden, maar we vervuilen te veel, te vaak. Hoewel mijn Audi maar de helft uitstootte van die Chrysler – een Amerikaanse bak, dát was pas een vergissing – moest het drastisch anders.

Een kennis reed met een Toyota Prius, en was daar enthousiast over. Alleen had hij als gepensioneerde geen enkel fiscaal voordeel, mopperde hij. Mijn oren spitsten zich: groen, fiscaal voordelig en comfortabel rijden, was dat te combineren? Ik probeerde een Prius, maar heeft u al eens een Prius gezien? Juist, geen gezicht. In een Prius gezeten heb je daar zelf minder last van, en het rijcomfort beviel mij ook nog, maar het vooruitzicht om 40.000 kilometers per jaar meewarig te worden bekeken, trok niet aan.

Veel verwarring

Een slimme fietsvriend kwam op een woensdagavond aanzetten met zijn nieuwe auto. Een witte Volvo V60, maar niet zomaar een Volvo. Een V60 met naast het kenteken de aanduiding D6. Bij Volvo gaat het van D2 tot D6, en dat heeft te maken met de motor. “Zo, high end full option?”, luidde de vraag. “Jaaa. Maar vooral ook elektrisch.”

Om een lang verhaal wat korter te maken: ik bestelde een testrit, reed een uurtje met de Volvo V60 Plug-In Hybrid en twee maanden later liep ik de garage binnen om er een te bestellen. Op 21 februari van dit jaar mocht ik mijn achttiende auto afhalen. Ik zou voortaan groen rijden en fiscaal gunstig.

Eerst even wat uitleg bij de verschillende elektrische auto’s, want uit foute krantenberichten begrijp ik dat er veel verwarring bestaat. Aan het ene uiteinde van het segment veronderstelde groene auto’s heb je de volledig elektrische auto. Bij de kleinere modellen is de Nissan Leaf een van de meest verkochte, bij de top-end auto’s is de Tesla de bekendste. Deze auto’s rijden volledig op batterijen en als de batterij op is, geraak je geen meter meer vooruit voor die opnieuw wordt opgeladen.

Vervolgens krijg je de elektrische auto’s met range extender. Die rijden eveneens op batterijen, maar hebben ook een verbrandingsmotor die dient om de batterij terug op te laden: voorbeelden zijn de Opel Ampera en de BMW i3. Aan het andere uiterste van het gamma zit de hybride Toyota Prius die op brandstof rijdt, maar tegelijk ingebouwde batterijen oplaadt die de auto mee aandrijven. Een Prius kan dus niet volledig elektrisch rijden, maar wel zuiniger en relatief schoon.

Tussen die volledig elektrische auto’s en de hybride, zit mijn Volvo V60 Plug-In Hybride. Ik heb een tank van 45 liter diesel (eigenlijk 47 liter) en een batterij van 12 kilowatt. Praktisch: achteraan rechts zit de klep voor de tank, vooraan links zit die voor het stopcontact want zo worden die dingen opgeladen, meestal in een gewoon stopcontact.

Alles draait in dat segment om de autonomie van de batterij. Die is essentieel bij een volledig elektrische auto, niet relevant bij een hybride auto die ook van pomp naar pomp moet rijden en minder relevant bij een plug-in hybride omdat die altijd kan terugvallen op de motor. Meestal een benzinemotor, maar in mijn geval is het een dieselmotor, een 2,4 liter vijfcilinder.

Bang voor de lege batterij

Hiermee zijn we beland bij de problematiek die in het Engels range anxiety heet: de schrik om met een lege tank, in dit geval batterij, te vallen. De verkooppraatjes zeggen dat er duizend keer meer stopcontacten zijn in dit land dan tankstations, maar dat is onzin. Haast alle stopcontacten zitten achter een voordeur en hoe zou u reageren als iemand zomaar aanbelde met de vraag om zijn/haar stekker eventjes in uw stopcontact te mogen steken. Bovendien is een auto in vijf minuten volgetankt, bij een gewoon stopcontact duurt het soms vijf uur.

Ik ken het verhaal van een poenerige Tesla-eigenaar die op enkele kilometers van zijn vergaderplek met een lege batterij viel en te voet verder moest. Tesla heeft hele speciale eigen laadstations waar het gratis tanken is, maar van die superchargers vind je er in België welgeteld drie. Voor wie volledig elektrisch rijdt, is het dus uitkijken, en vooral goed plannen.

Ik zou die schrik niet moeten hebben, want als mijn batterij leeg is, gaat de auto gewoon over op diesel. Mijn auto heeft een autonomie van 50 kilometer puur elektrisch en dan haalt hij een maximale snelheid van 120 kilometer per uur.

Zoals alles in de wereld van de auto moet je dit met een korreltje zout nemen: 40-45 kilometer volledig elektrisch is dichter bij de waarheid en bij 120 gaat hij al snel diesel mee verbranden, bijvoorbeeld als de weg helt. Dat gebeurt trouwens zonder dat je het merkt. De 1,8 liter verbruik uit de folder waar ik ook deels voor ben gevallen, is een aanduiding bij alleen maar korte elektrische afstanden. Ik verbruik over de laatste zeven maanden gemiddeld 4,5 liter, zo laat de boordcomputer weten.

Elektrisch rijden heeft op mij een dubbel effect. Enerzijds ben ik trager gaan rijden. Ik heb mijn Coyote-abonnement niet verlengd en de radarverklikker ligt nu te verkommeren in een kast. Op de autoweg staat de adaptive cruise control (in optie maar een aanrader voor elke auto) op 125 km/u. Verder onderneem ik geen bruuske inhaalbewegingen, want dan loopt het verbruik op tot wel 25 liter per 100 kilometer en dat spoort niet met de nieuw verworven groene status.

Anderzijds heeft deze autoswitch mij in de voedselketen van de E40 en E17 wel enkele trappen teruggezet. Mijn oude gabbers met hun Q7’s of Q5’s bumperkleven mij nu van de linkerstrook, maar evengoed had ik laatst een Polootje achter mij aan dat bij voorkeur door mijn auto naar voren wilde.

Ik observeer en de antropoloog van de weg in mij stelde tussentijds dit vast: Audi-, BMW- en Mercedes-rijders, in die volgorde, hebben het minste geduld, maar ze verbleken inzake onbehoorlijk rijgedrag bij de Landrovers/Range Rovers. Buiten categorie lomp en brutaal zijn de bedrijfswagens en helemaal geschift zijn de white van men, de bestelwagenchauffeurs die overigens ook in andere kleuren komen. Zo, dat lucht op.

Heel af en toe verander ik van gedaante en rijstijl. Ik heb drie rijmodi op mijn dashboard: ze heten PURE, HYBRID en POWER. PURE gebruik ik voor afstanden onder de 50 kilometer of om de laatste kilometer uit mijn batterijtje te persen als ik richting huis rijd met een rustig streepje Stan Getz op de achtergrond. HYBRID is standaard. De auto rijdt dan elektrisch bij alles wat minder snel dan 120 is en op beide als het wat rapper moet of lastiger gaat. Ten slotte is er POWER, de magische knop. Als het hard moet, dan kan het verdomd hard. Elektrisch levert hij 70 pk en de dieselmotor doet 215 pk in het zakje. In POWER krijg je alles samen: 285 pk en van 0 naar 100 kilometer per uur in 6,1 seconde. Ik duw alleen op POWER als ik snel wil inhalen of bij het invoegen op de autoweg. Beloofd.

Achterlijk

Ik streef naar zo veel mogelijk elektrisch rijden met de hulp van het dashboard dat aangeeft op welke energiebron de auto beroep doet. Dat heeft als gevolg dat overal waar ik parkeer, ik uitkijk naar een stopcontact. Noem het gerust een stopcontactobsessie. Thuis niet
in het minst. Soms wordt het gewoon vergeten, maar elke avond plug je best je auto in het stopcontact en bij voorkeur na tien uur. Het gedoe met de kabel die daar maar ligt te slingeren in die kofferbak is een minpuntje, maar het is een kleine moeite voor een groenere planeet.

Thuis heb je dus in de eerste plaats een stopcontact nodig. Die heb ik, zegt u. Neen, die hebt u niet, want die moet op een apart circuit liggen, beveiligd door een aparte zekering en een verliesstroomschakelaar. In vijf uur is mijn autobatterijtje weer vol. Dat kan ook sneller, op locatie bij een speciale laadpaal met een andere zogeheten Mennekes-kabel die ik wel eens vergeet mee te nemen. Met als gevolg een tweede obsessie: de laadpaal/kabelobsessie.

In zeven maanden rondhossen heb ik twee plekken gevonden waar ik kan opladen: in de treinstations van Gent en Brugge. Gratis nog wel, wat ook weer niet hoeft. Het is altijd weer afwachten of de voorbehouden groengeschilderde plaatsen door niet-elektrische lomperiken zijn ingenomen, nu de kranten hebben bericht dat de politie niet kan weten welke auto wel of niet elektrisch is. Neen, dat kun je niet weten, beste politie, maar als er geen draad uit de auto komt en die is niet verbonden met de laadpaal, ga er dan maar van uit dat die auto geen elektrische is.

België is een achterlijk land als het om laadpalen gaat. De getallen verschillen, maar er zouden er iets meer dan duizend staan. Over vier jaar moeten er 20.000 staan, las ik ergens. Noorwegen schijnt het paradijs te zijn. In Frankrijk zijn er ook veel, stond in de krant, maar ik heb ze niet gevonden. Alleen is de elektriciteit daar zo spotgoedkoop dat geen enkel hotel bezwaar maakt als je een kabeltje aanlegt.

Van al onze buurlanden, loopt Nederland weer eens voorop. Amsterdam, Hilversum, Utrecht: overal vind je ze. Laatst bij de NOS detecteerde de receptie dat ik een plug-in had en gaf mij spontaan een kaartje om bij de laadpaal mijn auto op te laden. Bij de VRT weet ik niet of er laadpalen staan. Die hebben we wel bij De Persgroep en die plaatsen zijn altijd leeg. Ik vroeg prompt een oplaadkaartje, maar dat krijg ik niet van de baas. Lege plaatsen, lege elektrische laadpalen, een elektrische auto, maar ik mag niet opladen op mijn werk, zelfs niet tegen betaling.

Andere vaststelling: de groene stad Gent met die groene schepen van Milieu Filip Watteeuw die alle auto’s naar de randparkings wil verbannen, is maar groen als dat uitkomt. De laatste grote stadsontwikkeling op gronden van de stad, was die rond het Ghelamco- stadion. Welnu, op de hele site is geen laadpaal te bekennen, tenzij dan de exclusieve Tesla Supercharger aan de Holiday Inn maar daar past mijn stekkertje dan weer niet in.

O jawel, er zijn laadpalen in België en er komen er hopelijk steeds meer, maar dan krijg je het probleem of je wel juist die kaart hebt die bij de laadpaalprovider past. Ik heb een kaart van Blue Corner gekocht in al mijn enthousiasme, maar ik zou niet weten waar en hoe ik die moet gebruiken.

Elektrische auto’s zijn belachelijk duur. Die van mij kost – zonder de korting voor journalisten – 69.000 euro, full option, btw inbegrepen. Dat is nogal wat en minder had ook gekund natuurlijk, maar dat bedrag is in een vennootschap volledig aftrekbaar omdat de CO2- uitstoot maar 48 is. Een andere auto van dezelfde orde is maar voor de helft aftrekbaar. De Voordelen Alle Aard – bijtelling bij de personenbelasting – bedragen goed 90 euro per maand, zeven keer minder dan mijn vorige auto.

Verder is er geen belasting op inverkeerstelling en moet je ook nog de besparing op het brandstofverbruik meerekenen. Maar het moet mij weer overkomen dat sinds ik die auto heb, de elektriciteit alleen maar in prijs is gestegen en de diesel alleen maar gedaald. Bovendien is onlangs de prijs van mijn auto ook gezakt.

“Je bent een eco washer”, verweet een groene kennis lachend. Eco washers zijn alleen groen voor de fiscale voordelen en daar zal wel iets van aan zijn. Wie groen wil rijden, moet het kunnen betalen en moet die auto vooral in een bedrijf kunnen inbrengen. Zo krijgt de eco washer een mooi cadeau van de overheid.

Uiteraard klopt er iets niet als een Porsche Cayenne S-E Hybrid van 85.000 euro zonder opties voor 90 procent fiscaal aftrekbaar is. In Noorwegen is men daar achter gekomen toen de dure Tesla in één maand de best verkocht auto was.

Halleluja zeg!

Ten slotte, na zeven maanden: is elektrisch rijden plezant? Jazeker, erg. Zo plezant zelfs dat ik warm gemaakt door de Tesla World Conference van volgende week in Antwerpen, ook eens een Tesla ben gaan testen. Halleluja zeg, dát is pas een moordkar. Dat ding heeft niet alleen het dashboard van een vliegmachine, het ís ook een vliegmachine met zijn 328 tot 500 plus pk afhankelijk van de versie.

Maar ik heb niet gevlogen, wel integendeel. Naast mij hadden ze tijdens de testrit voor alle veiligheid Shari gezet, die alles van de auto wist, en samen hebben we rond vijf uur in de namiddag een testrit gemaakt in de buurt van Aartselaar. Op een schooldag, als de A12 aan beide kanten potdicht zit, en dus reden we vooral op gewone wegen maar ook dat was een verademing. Het ging zoemend, het ging zacht, het ging hard als het moest. Liefst 100.000 euro kost deze nieuwe droomauto – 120 procent aftrekbaar en voor wie naast een Supercharger woont, gratis in verbruik. Dat wordt sparen, rekenen en verhuizen.

Column over Merci Merckx in De Morgen van 19 sep 2015

Merci Merckx

Zijn trektocht langs de slagvelden van Eddy Merckx vond Karl Vannieuwkerke zo uitzonderlijk dat hij maar één wens had: dat de serie in de scholen zou worden vertoond. Omdat we als Belgen zouden beseffen hoe groot Eddy Merckx was.

We zijn halfweg en ik ben, in tegenstelling tot de tv-recensenten van de kranten die het unaniem zeer goed vonden, niet overtuigd. Dat Merckx een grote was, de grootste Belgische sportman ooit, mag inmiddels bekend zijn. Om dat nog eens elke aflevering te laten herhalen door bewonderaars en tegenstanders uit die tijd is overdaad. Idem voor het opvoeren als geloofwaardige bron van die ene dinosaurus-journalist die in de perszaal van de Tour nog op een schrijfmachine tikt. De onderzoeksjournalistiek beperkte zich tot nog toe tot het opsnorren van de podium-miss van 1969. Mét handtekening van Merckx.

Filmisch en qua scenario steekt het goed in mekaar, het decor is prachtig en de regisseur weet het mooi in scène te zetten, maar inhoudelijk worden rare keuzes gemaakt. Zoals in de eerste aflevering, toen de overgang van Parijs-Roubaix naar Luik-Bastenaken- Luik verliep via Frank Vandenbroucke. Het waren twee coureurs, maar ze hebben verder weinig gemeen.

Het opzet van Merci Merckx is niet nieuw, en dat hoeft ook niet: het is een trektocht zoals Ten oorlog meets een road trip à la Michael Palin. Onderweg laat Vannieuwkerke op de slagvelden geen kruisjes achter, maar kleine Merckx’jes. Net als Palin is hij een beetje vaak in beeld. Zo vaak, dat als kindjes van een lagere school de serie te zien krijgen, ze ongetwijfeld zullen denken dat Karl Vannieuwkerke de ster is/was. Niet die jonge god van die zwart-witbeelden of die opa die daar op de baan van Vincennes fietst, maar wel die guitige man die met rare helm en bril op een Vespa rijdt, die de Tre Cime naar boven wandelt of die door de Pyreneeën cruist met een 2CV.

Ik heb Karl hoog zitten als sportkenner met een brede interesse. Als host in een talkshow is hij ad rem, zelf een beetje veel aan het woord maar altijd goede voorzetten gevend. Ik weet ook dat hij die serie heeft gedraaid in een periode dat hij niet alleen ziek was, maar vooral niet wist of hij zou genezen. Alle begrip, en daarom hield ik mij in, maar de geschiedvervalsing in de laatste aflevering vond ik erover.

Het ging toen over Savona 1969 en Merckx’ eerste positieve plas, op amfetamines. “Ik heb geen enkele Italiaan gevonden die gelooft dat Merckx echt schuldig was”, besloot Vannieuwkerke, daarmee de indruk wekkend dat hij op onderzoek was uitgetrokken. Hij had het bewuste hotel gefilmd en wat antieke Italianen aan het woord gelaten en daarmee moesten we het stellen. Zo, had Karl hiermee dat nationale drama voor eens en voor altijd opgelost? Jawel, maar hij had de uitkomst niet juist.

De aflevering begon met de officiële mededeling dat Merckx positief was bevonden bij een urinecontrole en niet meer mocht starten. Waarna een uittreksel volgde uit het befaamde op-de-rand-van-het-bed-van-de-huilende-Eddy-interview van Jan Wauters.

Wauters vraagt: “En dat (positief op amfetamines, HVDW) na een vlakke etappe waarin niets te verliezen of te winnen was?”

Antwoord van Merckx: “Ja, was het (de positieve plas, HVDW) nu nog na een tijdrit geweest of zo, dan had ik het kunnen geloven.”

Say no more, zeker? Altijd al is de foute conclusie getrokken dat Merckx in Savona uit de wedstrijd is gezet omdat hij in Savona positief is bevonden. In de pre- historie van de dopinganalyses kreeg men de resultaten pas een dag of enkele dagen later. De rit naar Savona was 1 juni. Twee dagen voor de rit naar Savona was er… een tijdrit, gewonnen door Merckx.

Ik weet het, Merci Merckx is geen docu op Canvas maar amusement op Eén, en dan moet het niet te moeilijk zijn. Maar mag een hagiografie ook nog een beetje juist zijn? En mogen we van een journalist een minimum aan journalistieke correctheid vragen?

Het spijt mij Karl, maar voor de scholen is Merci Merckx alvast geen geschikt materiaal, tenzij misschien in de godsdienstles bij de andere fabeltjes. Wel op de universiteit, in de cursus historische kritiek, om te tonen hoe het niet moet.

19-09-2015-De-Morgen-p22-Merci-Merckx-column-single-web

Verhaal over geld van de Champions League in De Morgen van 17 sep 2015

Rijk, rijker, rijkst

Als AA Gent vanavond tegen Lyon de eerste stap zet naar Champions League-winst, heeft het uitzicht op maximaal 58 miljoen euro. Elke club uit een groot voetballand verdient dan minimaal 80 miljoen euro. Welkom in de wondere, oneerlijke wereld van de Champions League.

Voor alle duidelijkheid: AA Gent zal San Siro in Milaan niet halen en daarom de Champions League niet winnen maar dat is precies de bedoeling van deze Champions League, die vijfentwintig jaar geleden voor en door de hele grote Europese voetbalbedrijven is uitgedacht. Gaandeweg is die zelfs omgebouwd tot een vehikel om meer geld te verdienen dan hun tegenstanders uit minder rijke landen of steden.

AA Gent mopperde een beetje bij de loting: niet sexy en toch wel zwaar. Niet sexy is voor interpretatie vatbaar. Als het de bedoeling is om een kans te maken op sportieve winst, dan is die groep juist wel sexy. In groep H zit geen megateam en heeft de laagste opgetelde omzet van alle groepen. Alleen in groep G was het misschien nog iets beter toeven, zoals blijkt uit de grafiek van de verschillende omzetten per groep.

In groep G was FC Chelsea ongenaakbaar, hoewel op de sukkel in eigen Premier League. Maar voor Gent was Dinamo Kiev uit de derde pot nog interessanter geweest dan vaste Champions League-klant Lyon en uit de tweede groep lijkt FC Porto minder sterk dan Valencia. Daar tegenover staat dat Gent in de enige groep zit met drie tegenstanders die in een begenadigde dag te pakken zijn.

De grafiek houdt rekening met de laatst bekende omzetcijfers uit de jaarrekeningen. Voor Gent is dat al een probleem, want door de titel is de Gantoise in een andere wereld terechtgekomen, zowel qua inkomsten als uitgaven. Zo wordt het bestuur van Lyon niet ontvangen in het eigen bijzonder hoogstaande restaurant in de Ghelamco, maar in de driesterrenzaak Hof van Cleve van Peter Goossens. Adel verplicht, zeker in het voetbal.

Elf miljoen winst

Laten we de Europese rekening van de Koninklijke Atletiek Associatie Gent maken. Die draait zonder Europees voetbal een omzet van meer dan 30 miljoen euro waarvan 12 miljoen uit de operaties in de stadionhoreca. 20 miljoen komt uit de pure voetbalactiviteiten, zijnde tv-rechten, ticketverkoop en transfers. Dit seizoen komt daar nog eens minimaal 16 miljoen euro bij uit de Champions League- deelname.

Die bestaat uit 12 miljoen euro deelname voor de zes poulewedstrijden, de ticketinkomsten (1,2 miljoen voor drie thuiswedstrijden) en de ‘market pool’ (geschat op 3,3 miljoen en waarover verder meer). Een gelijkspel of misschien zelfs winst (500.000 of 1 miljoen euro bonus) wordt hier niet meegerekend. In het scenario dat geen enkel punt wordt behaald, wat niet ondenkbeeldig is en wat Anderlecht ook een paar keer overkwam, is die eerste deelname aan het kampioenenbal minstens 16,5 miljoen waard.

Maar tegenover buitengewone inkomsten staan vaak ook buitengewone kosten. Gent speelt in een hypermodern stadion, maar niettemin heeft het moeten verbouwen: de bezoekerskleedkamer voldeed niet voor de UEFA, de perstribune moest worden omgebouwd, het stadion aangekleed en het veld is ook opnieuw aangelegd. Bovendien hebben de spelers een dikke kampioenspremie gekregen en die wordt dan weer betaald met Champions League-geld. Als ze wedstrijden zouden durven winnen, betekent dat nog meer premie.

Manager Michael Louwagie countert maar wat graag iedereen die AA Gent rijk rekent: “Onze buitengewone kosten bedragen net geen 5 miljoen euro. Het bedrag van de market pool kennen we nog niet, maar we weten wel dat Club Brugge als uitgeschakelde ploeg van de play-offs daar 10 procent van krijgt. Dat is een nieuwe regeling die dit jaar ingaat. Netto houden we iets meer dan 11 miljoen euro over aan deze campagne en daar reken ik dan niet de aanwerving van spelers bij die we zonder de Champions League niet zouden hebben gehaald.”

Op maat van de grote clubs

AA Gent hoopt derde te kunnen worden. Dan zou het boven zijn klasse boksen, want Gent zat als nieuwkomer zonder veel Europese resultaten bij de loting in pot 4. Het is niet de bedoeling dat Gent lang meegaat. De hele competitieformule is erop gericht om tegen de lente de grootste Europese clubs tegen elkaar te zien voetballen. Competitief evenwicht is in het voetbal een hol begrip. De beste teams zo vaak mogelijk tegen elkaar, dat is het geheim voor een goede voetbalbusiness. Niks erger dus dan in mei een finale AA Gent-FC Astana: een halfleeg stadion, mopperende sponsors en tv-zenders zonder kijkers.

Dat zal niet gebeuren, maar in den beginne had dat wel gekund. Toen was de Europacup voor Landskampioenen een bekertoernooi met loting en directe uitschakeling: ploeg A speelde een keer thuis tegen ploeg B en omgekeerd. De opgetelde winnaar ging door en er werd opnieuw geloot. Voetbal is een kansspel verpakt als sport. Geluk is het doorslaggevend element en hoe kleiner de serie, hoe groter de factor geluk. In die eerste opzet gebeurde het geregeld dat grote teams – hoewel die evenveel domineerden als vandaag want Real Madrid won de eerste vijf edities – toch werden uitgeschakeld.

Pas met de Champions League in het seizoen 1992-’93 veranderde alles en werd de Europese supercompetitie gedesigned op maat van de grote clubs. Directe uitschakeling verdween in de eerste fase en de korte serie van twee wedstrijden werd er een van zes in een poule van vier. Een misstap op een mistige avond in een ver land kon voortaan altijd worden rechtgezet.

Maar dé grote revolutie in 1992 was natuurlijk de marketingaanpak met gecentraliseerde sponsoring en tv-rechten. In de eerste editie van de Champions League in het seizoen 1992-’93 werd 29 miljoen euro verdeeld onder de zestien deelnemers, gemiddeld 1,81 miljoen per team. Club Brugge was toen aan de beurt namens België en incasseerde 2,65 miljoen euro. De tijden zijn veranderd en de bedragen ook. Vanaf deze editie 2015-’16 wordt het prijzengeld opgetrokken naar 1,2 miljard euro, weliswaar voor 32 deelnemende teams, maar toch gemiddeld 37,7 miljoen euro.

Dat gemiddelde haalt AA Gent alleen als het de halve finale speelt, want ‘gemiddeld’ is in de Champions League een zeer theoretisch begrip. De herverdeling van de geldpot is al bijna een kwarteeuw een bron van discussie en ergernis, vooral voor clubs uit kleine landen. In de eerste zeven jaar van de Champions League, tot het seizoen 1998-’99, werd al het beschikbare geld nog verdeeld op basis van sportieve prestaties. Wie meer won, verdiende meer.

Uit de tabel hierbij blijkt dat voetballand Nederland tot 1999 mooi gelijke tred hield met bijvoorbeeld Frankrijk, het kleinste van de grote vijf voetballanden, en ook in de buurt bleef van de andere G5-landen. De Nederlandse clubs verdienden die eerste zeven jaar 44 miljoen euro aan de Champions League. Frankrijk tikte af op 47 miljoen. Ajax speelde toen twee finales (waarvan één werd gewonnen) en een halve finale.

België kwam er nooit echt aan te pas. Na Club Brugge was Anderlecht twee keer aan de beurt maar de volgende vijf edities kon België maar één team afvaardigen en dat was dan nog Lierse SK, dat zijn Europese wedstrijden in Gent moest gaan spelen.

Hele zak geld

In 1999 dreigde een revolte van de Europese topclubs. Die hadden zich begin de jaren negentig verenigd in de zogeheten G14, de veertien en later de zestien economisch machtigste clubs in Europa. Die G14 waren in de herfst van 1998 in het grootste geheim benaderd door Media Partners, een consortium dat zich in Milaan had gevestigd. De machtige heren achter MP waren Silvio Berlusconi (AC Milan en de latere premier van Italië), de Duitse tv-magnaat Leo Kirch, de Australische mediamogol Rupert Murdoch (Sky) en de Saudische prins met de onmetelijke portemonnee Al-Waleed Bin Talal al-Saud.

Zij wilden een Super League met deelnemers die van de pan-Europese competitie hun primaire business zouden maken. De nationale competities zouden ondergeschikt worden. Eén miljard euro aan inkomsten werd vooropgezet, maar de G14 was zo slim om ook
met de UEFA te gaan praten. Die zagen de bui meteen hangen en pimpten hun eigen prijzenpot. Ineens kon drie keer meer worden verdiend in de Champions League: van 135 miljoen euro naar 405 miljoen. De G14 bleven voor hun Europees voetbal dan maar wijselijk bij de UEFA.

Maar ze hadden en passant wel een verzoekje neergelegd: voortaan zou een deel van het te verdienen geld niet meer worden uitbetaald volgens sportieve prestaties, maar op basis van de marktwaarde van het team. Een moeilijke oefening die werd opgelost door de waarde van de tv-rechten in het land van de deelnemende club als verdeelsleutel te hanteren.

De UEFA reserveerde meteen de helft van het beschikbare geld voor de market pool: het meest oneerlijke en minst solidaire systeem dat de sport ooit heeft gekend. In de eerste ronde er uit of de finale spelen, zolang een team uit een land kwam waar de lokale tv heel veel wilde betalen voor de Champions League, was het voortaan van bij de start verzekerd van een hele zak geld.

Lyon profiteerde maximaal

Vooral het Nederlands voetbal leed onder die ingreep. Goed spelen betekende niet meteen meer geld. Zo werd de kloof tussen de Nederlandse clubs en de Franse daardoor onoverzichtelijk groot: in de vijftien jaar dat de market pool bestaat, haalden de Nederlandse clubs 330 miljoen euro uit de Europese pot. De Franse clubs, die niet beter presteerden, verdienden 920 miljoen euro. De Engelse clubs spannen de kroon met 1,65 miljard euro. Bij deze bedragen is de jaargang 2014-’15 nog niet bijgeteld.

Een van de clubs die het meest profiteerde van die market pool, is precies de tegenstander die AA Gent vanavond treft, Olympique Lyonnais. Hun timing was perfect. want hun eerste Champions League-deelname viel precies in het eerste seizoen van de market pool en dat hielden ze dertien edities op rij vol. Tot en met het seizoen 2002-’03 werden ze telkens kansloos uitgeschakeld in de eerste ronde. In dat jaar verdienden ze 23,8 miljoen euro. Onze landskampioen KRC Genk overleefde ook de eerste ronde niet en kreeg

6,3 miljoen euro. Pas vanaf 2003-’04, na honderd miljoen euro uit de Europese vetpotten te hebben gekregen zonder enige sportieve verdiensten, kon Lyon eindelijk eens een ronde overleven.

Toen Michel Platini aantrad als Europees voorzitter, wilde hij af van de market pool, maar kwam al snel op zijn stappen terug. Vanaf het seizoen 2012-’13 werd de market pool verminderd naar 45 procent en vanaf deze editie bedraagt die nog 40 procent van de 1,2 miljard euro aan beschikbaar geld. Als de verdeelsleutels van de voorbije jaren gelden, krijgt AA Gent 130ste van de 482,9 miljoen euro in de market pool. Dat geeft meteen aan hoe veel (weinig) de tv-rechten in België maar waard zijn. Misschien wordt het iets meer want 2BE zendt vanaf dit jaar weer alle speeldagen uit en heeft wellicht meer betaald. Voorlopig stopt de teller voor AA Gent bij 3,7 miljoen euro, min 10 procent voor Club Brugge. Lyon kan nu al rekenen op 20 miljoen uit de marketingpot.

Het meest flagrante voorbeeld van hoe oneerlijk en onsolidair deze ‘herverdeling’ wel is, stamt uit 2003-’04. Toen won FC Porto de Champions League onder leiding van José Mourinho; het is de enige winnaar in zestien edities die niet uit het selecte groepje rijke clubs kwam. Porto kreeg daar 19,7 miljoen euro voor. Alle ploegen die ze hadden uitgeschakeld verdienden tot 10 miljoen euro meer. Het verschil was de market pool. Gevolg: de beste spelers van Porto en de trainer werden weggekocht door halvefinalist Chelsea. AA Gent is bij deze gewaarschuwd.

HANS VANDEWEGHE

FC Astana, de rijkste voetbalclub ter wereld

Het Ghelamco-stadion heet voor drie midweekwedstrijden Stadium of Ghent en dat is een even correcte benaming want zonder de stad Gent was er geen stadion en zonder stadion was er geen titel en zonder titel geen Champions League.

Sporteconoom Stefan Szymanski – Engelsman maar professor aan de University of Michigan – bestudeert al jaren de voetbaleconomie. In zijn recentste werk Money and Football legt hij uit hoe je tot een succesrijke voetbalclub komt.

“Succes is gelijk aan winnen. Winnen doe je met betere spelers. Spelers kun je opleiden, maar dat volstaat niet meer. Je moet betere spelers kunnen kopen en kopen kan alleen als je geld hebt. Dat komt van twee bronnen: een nieuw stadion of een rijke eigenaar.” Gent heeft dat nieuwe stadion en wil geen rijke eigenaar, die andere nieuwkomer in het kampioenenbal – FC Astana – heeft het allemaal.

In Lissabon beleefde het Europees voetbal gisteravond een primeur: FC Astana gaf er Benfica partij en is daarmee het eerste centraal- Aziatische team dat in de Champions League aantreedt. Een behoorlijke uitdaging voor de Champions League, dat graag overal in Europa precies op de seconde de wedstrijden aftrapt. In Astana, drie tijdzones verder dan Moskou, zal dat niet lukken en daar speelt men dan om 16 uur onze tijd.

Bij FC Astana moet u zich iets voorstellen als de Astana-wielerploeg, maar dan in het voetbal. Eerst was er niks, dan richtte men een voetbalclub op en nu behoort die tot de beste 32 ploegen in de wereld. Van winst in een voetbalcompetitie die de vergelijking kan doorstaan met de Tour of de Vuelta is nog geen sprake, maar dat is een kwestie van tijd menen de eigenaars en dat zijn geen gewone wereldburgers.

FC Astana is onderdeel van Samuryq-Qazyna, een fonds van staatsrijkdommen. Een nationaal beleggingsfonds dus waarin het gasbedrijf KazMunayGas, banken, mijnen, luchtvaartmaatschappijen, luchthavens en spoorwegen zijn ondergebracht. Waarde: 66 miljard euro, give or take. In theorie is het daarmee de rijkste voetbalclub van de wereld. Dat geld veel en zo niet alles bepaalt in het voetbal, heeft FC Astana aangetoond door amper zes jaar na de oprichting al de Champions League eindrondes te halen. Het moest daartoe drie ronden overleven: eerst ging Maribor uit Slovenië voor de bijl, vervolgens HJK Helsinki en in de play-offs lootten ze erg gelukkig Apoel Nicosia. 1-0 werd het thuis en 1-1 op Cyprus.

FC Astana behoort net als de wielerploeg ook tot de presidentiële sportclub die in 2012 werd opgericht. President Nursultan Nazarbajev was dan ook in de wolken bij de kwalificatie: “Astana zal de wereld ontvangen.” De wereld bestaat voorlopig uit Atlético de Madrid, SL Benfica en Galatasaray AS. Istanbul ligt precies in het midden, maar met name de Iberiërs vloekten zich een been uit: straks moeten ze 6.000 kilometer vliegen voor een matchke dat ze best niet onderschatten.

Interview Besnik Hasi in De Morgen van 12 sep 2015

‘Er zijn grenzen aan mijn dankbaarheid’

Toen de assistent in maart 2014 overnam als hoofdtrainer sloeg hij een straat in die ooit naar de uitgang van zijn geliefde RSC Anderlecht zou leiden. Eén titel en anderhalf jaar later staat Besnik Hasi (43) na zes speeldagen aan kop, maar heeft hij al een crisis moeten bezweren. Zo gaat dat bij ‘de mooiste en moeilijkste club’ van België.

Tijdens het gesprek was de Anderlechtse communicator en spindoctor David Steegen gaan joggen en uitgerekend hij verbaasde zich er bij zijn terugkeer over dat zijn T1 – hoewel twee trainingen die dag en op de toppen van zijn tenen lopend – nog steeds in het vergaderzaaltje zat. Het was niet bepaald Zomergasten, want bij precies 59 minuten en 59 seconden is de Voice Memo-app op de iPhone stopgezet. Natuurlijk had dit nog wel een paar uurtjes kunnen doorgaan, dan leer je een mens beter kennen en een voetbaltrainer is, jawel, ook een mens. Besnik Hasi in de eerste plaats.

De Albanese Kosovaar van geboorte, maar al twintig jaar in België, is een man van vele oorlogen en dat mag je letterlijk nemen. Hij weet dat het pad van een hoofdtrainer vooral bezaaid is met valkuilen en boobytraps, en hij meent te weten dat de pers erop uit is hem te laten struikelen. Kun je hem dat kwalijk nemen?

Na net geen uur praten zegt hij: “Het ging een keer over iets anders dan over tactiek, bedankt. Ik word er zo moe van om altijd hetzelfde verhaal te moeten doen. Ja, we kunnen beter. Ja, we zullen beter. Natuurlijk is het voorlopig niet goed, maar we hebben al schitterende halve helften gespeeld en ik voel dat de stabiliteit terugkeert.”

Ik ga u ook de verplichte tactische vraag stellen, dan hebben we dat alvast gehad. Dus: leg eens uit, a.u.b., waarom bent u van veldbezetting veranderd?

Hasi: “De laatste wedstrijd van het vorig seizoen, tegen Gent dat al kampioen was, heb ik 4-3-1-2 gespeeld, in plaats van de gebruikelijke 4-3-3 met één diepe spits. Waarom? Omdat ik die ene diepe spits die ons twintig goals gaf kwijt zou zijn. Dat had het bestuur mij voorspeld. ‘Besnik, twee gaan er vrijwel zeker weg.’ Dat waren Mbemba, ons slot op de deur, en Mitrovic, onze goalgetter.

“Mitro vervangen door iemand met hetzelfde rendement, dat kon niet want dat kostte een fortuin. Ik begrijp dat, ik denk dan mee met de club en ik heb dat ook doorgesproken. We zouden andere spelers halen en ik wilde een ander systeem proberen. Het verschil is dat de twee spitsen meer verdedigend werk moeten doen en ik wilde Defour en Tielemans hoger laten spelen.

“De groep heeft dat niet opgepikt en dan heb ik thuis tegen Lokeren een platte 4-4-2 gespeeld en in Westerlo een 4-3-3 met de punt naar achter en daar vonden de spelers zich goed bij. Maar je kent de voetballers: als ze het niet goed uitvoeren, is het de schuld van het systeem en als ze winnen, is het systeem automatisch wel goed.”

U bent als speler in 2000 bij Anderlecht gekomen en u maakte meteen het beste Europese jaar van de laatste kwarteeuw mee.

“Ik kwam van Genk en we moesten meteen in de laatste voorronde tegen FC Porto. Ik speelde en die hebben we uitgeschakeld: 1-0 thuis en daar die voorsprong gaan verdedigen. Maar ik had al last van een blessure en toen daar nog een andere bij kwam, was ik maanden uit. Tegen PSV ben ik terug in de ploeg gekomen en we hebben de tweede ronde bereikt van de Champions League, die toen nog in poulevorm werd af-gewerkt. Real Madrid zat daar onder meer bij.”

“Dat ik niet alles heb gespeeld in die zes jaar komt door mijn concurrent: Yves Vanderhaeghe (nu trainer van KV Oostende, HVDW). We waren hetzelfde type speler: bal recupereren en de aanval op gang brengen. Soms hadden ze er twee nodig en dan speelden we allebei, maar Yves heeft meer gespeeld dan ik.

“Anderlecht heeft ons allebei in dezelfde zomer gekocht en die onderhandelingen hebben lang aangesleept. De laatste dag kwamen we elkaar tegen in het stadion. Hij dacht wellicht: het wordt Hasi. En ik dacht: oké, Yves komt tekenen. Maar Constant Vanden Stock hakte de knoop door: we pakken ze alle twee. Nu hebben we maar één zes, dat is Leander Dendoncker. Youri Tielemans en Steven Defour spelen daar vaak, maar dat zijn eigenlijk twee achten (hoe hoger het getal, hoe offensiever, HVDW).”

U maakt nu zelf het bruggetje naar vandaag. Wat is het verschil met vroeger?

“Dat is niet te vergelijken. Kijk naar de ploeg die toen Champions League speelde: allemaal spelers van 27 tot 30 jaar. Walter Baseggio was de jongste bij ons, en ook die was al 22 en had ervaring in eerste klasse. Er was een totaal andere visie op wat de club moest doen. Jan Koller en Tomasz Radzinski waren de beste aanvallers in België; Anderlecht kocht die weg. Er waren twee goede verdedigende middenvelders die ze wilden in België? Ze kochten ons allebei.

“De jonge talenten van vroeger kregen een aanbieding van Anderlecht en zagen dat als een springplank. Of in mijn geval: als een eer, gevraagd worden door de eerste club van het land. Je dacht niet na: je ging gewoon.

“Nu redeneren jonge talenten dat ze Anderlecht niet nodig hebben om het in het buitenland te maken. Bovendien wordt Koller vandaag bij Lokeren weggehaald door een buitenlandse club met veel meer geld dan Anderlecht. De concurrentie is groter geworden op de spelersmarkt en niet alleen door buitenlandse clubs. Er zijn tegenwoordig ook meer Belgische clubs met veel geld.”

Iets meer rolmodellen die hen tonen wat de weg naar de top is – wat te doen en wat te laten -, is dat welkom?

“Ja, maar de mentaliteit van de jongeren is veranderd. Ik ga een beladen woord gebruiken: respect. Wij hadden dat vroeger toch net iets meer voor oudere spelers, terwijl ik nu de jonge gasten zie komen met een houding van: hé, hier ben ik en dát wil ik. Dat kun je negatief vinden, maar daardoor breken ze ook sneller door. En ik wil er ook niet tegenin gaan, want ik kan niet de hele maatschappij veranderen.”

Denkt u soms nog terug aan uw eigen voetbaljeugd en hoe die u heeft gevormd? U verliet Kosovo op uw 18de en ging in Zagreb voetballen in een land in volle oorlog.

“Ik tekende bij Dinamo Zagreb in 1990 enkele maanden na die fameuze wedstrijd tegen Rode Ster Belgrado met die vreselijke rellen die een voorbode waren voor de onafhankelijkheids- oorlog tussen Kroatië en Joegoslavië, later Servië.

“Toen de oorlog begon, heb ik mijn familie lang niet kunnen zien en ik was pas 18 toen ik vertrok. Ik zou het geen tweede keer willen meemaken, maar ik ben er een ander mens door geworden. Ik ben socialer en bekijk een mens als mens; ras en afkomst tellen niet. De reputatie van de Balkan is anders, ik weet het, maar geloof me dat er veel zijn die denken zoals ik.

“Later was er ook oorlog tussen Kosovo en Servië en ik heb ook veel Servische vrienden. Vorig jaar bij die interland tussen Servië en Albanië hadden we die rel rond die vlag van Groot-Albanië, die door een speler van Servië uit de lucht werd geplukt. Onze Mitrovic zat bij de Servische selectie én hij heeft zelfs mee rel geschopt. Natuurlijk ben ik op dat moment Albanees, maar ik kan plaatsen wat hij in een emotionele bui heeft gedaan. Mitrovic is een goede gast en mijn contact met hem was schitterend. Ik heb hem bij zijn terugkeer bij mij geroepen en gezegd: wat daar is gebeurd, dat laten we daar, we zijn op Anderlecht en hier speelt dit niet. Hij begreep dat.”

En als u nu het nieuws ziet, komt dan iets terug?

(zucht) “Ik zag dat beeld van dat jongetje op het strand voor het eerst toen ik de krant opensloeg. Dan komen meteen de tranen, want dan denk ik dat mijn dochters daar ook zouden kunnen liggen.

“Ik begrijp niet dat mensen dit elkaar kunnen aandoen. Ik begreep het vroeger niet in Joegoslavië en ik begrijp het nog steeds niet. Ik het gevoel dat er steeds minder medeleven is met die vluchtelingen. Jammer. Ik herinner mij nog hoe wij alleen al onder de supporters van Genk destijds anderhalf miljoen frank hebben opgehaald voor de vluchtelingen van Kosovo.

“Ik ben dat geld toen gaan brengen samen met een journalist van Het Belang van Limburg aan 350 families uit Gjakovë, mijn stad, die naar tentenkampen waren gevlucht. Alles helpt op dat moment. We hebben die mensen hun leven niet gered, maar we hebben compassie getoond en met dat beetje geld konden ze toch eens iets anders doen. Ik vind dat we met de Pro League ook iets moeten doen.”

Edel, maar uw eerste prioriteit blijft deze ploeg aan het voetballen krijgen.

“Jazeker, dat weet ik ook. Al staan we wel aan de leiding ondanks dat het hier al heeft gestormd, onder meer met de zaak-Vanden Borre. Ik ga daar niks meer over zeggen, behalve dat dit de enige mogelijke oplossing was. We hebben één rot-slechte wedstrijd gespeeld, op Oostende, en we zijn nog zoekende. Maar we hebben een aantal keer schitterende passages gehad en daarop bouwen we voort. De stabiliteit is terug, ik voel dat.”

Clubs zijn duiventillen. Jullie moeten wachten welke duiven op het hok vallen en een prijsduif wordt zo snel mogelijk verkocht. Dat maakt het er niet makkelijker op.

“Misschien niet, maar anderzijds haal je als trainer ook voldoening uit het afleveren van een jong talent. Neem nu Aleksandar Mitrovic: die hebben wij gekocht voor veel geld, en met veel meer winst doorverkocht.”

Trainers moeten niet praten in termen van winstmarges.

“Geen enkele trainer verkoopt graag zijn beste spelers, maar dit is de politiek van onze club die we hebben ingeslagen toen ik nog assistent was. Wij waren allemaal pro: eigen jeugd zien door-breken en talentvolle jongeren uit het buitenland beter maken en doorverkopen.

“Anderlecht is een transitclub geworden, België is een opleidingsland en daar ga ik niks aan veranderen. Uiteraard zou ik liever drie, vier jongeren zien in een oudere kern, waardoor de druk wat afneemt. Drie jaar geleden konden Massimo Bruno en Dennis Praet de stap iets makkelijker zetten, omdat ze omringd waren door mannen als Kouyaté, Mbokani, Jovanovic en Biglia, die de druk van de jonge gasten wegnamen. Onze Youri Tielemans is pas 18 en men verwacht dit jaar van hem dat hij er staat.”

Wat zijn voor u breekpunten in een relatie met een bestuur of een management?

“Respect en transparantie. Ik wil niet de absolute baas zijn, maar ik wil wel weten wat er speelt en waarom en dan zal ik het proberen te begrijpen. Zoals ik ook begreep dat Anderlecht er alles aan heeft gedaan om Alexander Scholz te halen in de winter. Echt alles. Maar als die voor Standard kiest, dan weet ik ten minste dat het niet de schuld is van de club. Boussoufa: zelfde verhaal.

“Weet je, bij Anderlecht zijn er heel korte lijnen en we doen alles in overleg. Een autoritair type trainer moeten ze hier niet. Na Ariël Jacobs hebben ze onderhandeld met een trainer die zei: ‘Dat is de leeftijd van de spelers met wie ik werk en die en die moeten weg.’ Ja hallo, dat waren net onze beste spelers. Dan was het onmiddellijk: ‘Bedankt mijnheer, maar dit gaat niet door.’

“Ik weet niet of ik te dankbaar ben. Ik sla ook op tafel bij mijn bestuur, maar dat moet dan niet in de pers komen. Jawel, er zijn ook grenzen aan mijn dankbaarheid. De dag dat ik niet meer gerespecteerd word, houdt het voor mij op. Wie mij respecteert, behandel ik ook loyaal. Ik ben de sportieve baas en mijn baas is Herman Van Holsbeeck. Hij heeft dan weer met de finan-ciële mensen te maken, maar ik zal nooit naar die mensen toestappen om mijn goesting te krijgen. Zelfde verhaal als ik met de voorzitter praat. Als dat gebeurt, weet Herman precies waarover het gaat.”

U zit op de mooiste, maar tegelijk moeilijkste positie bij de mooiste, maar tegelijk moeilijkste club van het land.

(denkt na) “Ik zou willen dat je dat zo opschrijft, want dat vat het ongeveer samen. Anderlecht is zo anders. Neem nu Kara Mbodj die bij ons komt. Wij wilden hem omdat hij de competitie kende en wij hem kenden als secuur. Bij Anderlecht begint hij weer van nul en in het begin was het echt niet goed. Hij heeft al ondervonden dat het niet telt wat je op een ander hebt gedaan. Dit is Anderlecht: híér moet het gebeuren en iedereen kijkt heel kritisch toe, nergens zijn ze sneller en onverbiddelijker met hun kritiek.”

Toch zult u een keer ontslagen moeten worden en dan gevraagd worden door een andere club om helemaal uw goesting te krijgen.

“Ik wil niet ontslagen worden. Ik sta aan de leiding en toch heeft Anderlecht al een crisis moeten bezweren omdat ik van systeem ben veranderd. Ik weet het, dit is Anderlecht met zijn eigen gebruiken en gebreken. Eén daarvan is: winnen is niet genoeg, het moet mooi zijn. Drie keer met 1-0 winnen op een diefje en daarna gelijk spelen en je hebt vier slechte wedstrijden op je rekening. Maar ik kan niet zeggen dat ik dit niet wist: ik ben hier al zestien jaar.”

U ben door over te nemen van John van den Brom wel de eenrichtingsstraat ingeslagen die leidt naar de uitgang.

“Dat zei de voorzitter mij ook. Hij zei: je beseft toch, met de stap die je nu zet, dat er ooit een einde komt aan je tijd bij Anderlecht? Dat wist ik. De voorzitter wilde mij voor heel lang in de positie van assistent houden, maar ik had al aanbiedingen gehad van Albanië en van KV Mechelen en telkens had hij neen gezegd. Ik zei: ‘Voorzitter, eeuwig T2, dat gaat niet gebeuren. Ooit wil ik hoofdtrainer zijn: of ergens anders, of hier.’ Ik was dus bij mijn volle verstand toen ik die straat insloeg.

“Het verschil met vroeger is dat ik nu minder goed slaap: van de adrenaline als we hebben gewonnen of van het piekeren als we hebben verloren.”

Column ethisch dilemma in De Morgen van 12 sep 2015

Ethisch dilemma

Twee verschillende sporten hebben op twee verschillende wijzen deze week de grenzen van de ethiek afgetast. In het wielrennen werden we overvallen door een onvervalst ethisch dilemma. Lotto-Jumbo, een Nederlandse ploeg, verklaarde zomaar vanuit het niets dat ze Tom Dumoulin van Giant-Alpecin, technisch gezien een Duitse ploeg met een Nederlands management, zouden helpen om zijn leiderstrui in de Vuelta te behouden. Als hij die tenminste zou veroveren, want dat was nog niet eens zeker – sinds woensdag wel. Vandaag is de laatste dag om hem aan te vallen.

Meteen regende het reacties: kan niet, mag niet, competitievervalsing. Dat klopt, het mag niet. Als de ene Australiër de andere Australiër uit een andere ploeg geen wiel mag geven en daarvoor wordt gestraft, dan mag de ene ploeg ook niet de kopman van de andere ploeg een handje helpen om hem op de eerste plaats te houden. Maar dit is koers, de sport van het prisoner’s dilemma, altijd weer.

Die Nederlanders toch. Altijd zo calvinistisch to the point, op het naïeve af: “Wij steunen Tom Dumoulin.” Belgen zijn daar toch… euh… anders in. Bij ons zouden ze zeggen: “We rijden niet tegen.” Of ze dan vóór zouden rijden, valt nog te bezien. Wielrennen is met afstand de meest katholieke en dus de meest hypocriete van alle sporten en wellicht daarom is het ook ons favoriete regionaal tijdverdrijf.

In het voetbal raakte dan weer bekend dat een speler van Standard vorig jaar een trainer zou hebben betaald om opgesteld te worden. In elke andere club weet je dan over wie het gaat, maar Standard heeft meer trainers dan spelers gehad de laatste jaren en dan wordt het lastig. Iemand meende te weten dat de speler Jonathan Legear betrof. Waarop Legear klacht indiende.

De grens van de ethiek is in de eerste plaats opgezocht door de nieuwe voorzitter-eigenaar Bruno Venanzi. Waarom die zo’n bericht plompweg in een radioprogramma dropte, is een groot raadsel. Om aan te tonen dat het vóór zijn komst een janboel was? Om iemand terug te pakken? Of om zich interessant te maken? Dat laatste zou impliceren dat hij het ook maar van horen zeggen heeft en dat dit verhaal misschien niet eens klopt.

Maar goed, stel dat het waar is: mag het? Van mij wel, maar van de bondsprocureur niet. Hij zou dat onderzoeken. Ik dacht meteen: bemoei je met je eigen zaken, tafelspringer. Tot de brave man uitlegde dat de speler misschien de trainer had betaald om opgesteld te worden, waardoor de speler de wedstrijd misschien had kunnen vervalsen. Het grote matchfixingspook zowaar! Ook bondsprocureurs maken zich blijkbaar graag interessant.

Het zou niet de eerste keer zijn dat een speler en een trainer het op een akkoordje gooien om opgesteld te worden, maar een directe overdracht van fondsen zal zeldzaam zijn. Clubmanagers verplichten hun trainers soms om een speler te laten spelen. Vandaag zijn ook nog steeds trainers aan de slag die in de pocket zitten van een makelaar en die de voorkeur geven aan welbepaalde spelers van die makelaar, in de eerste plaats omdat ze zelf beter worden van een transfer uit diens stal.

Trainers hebben soms andere ondoorgrondelijke wegen om bepaalde spelers op te stellen, of spelers andere argumenten om opgesteld te worden. Chantage kan ook, merkte ik in het begin van mijn journalistiek bestaan.

Ooit was er een trainer die aanpapte met de vriendin van een speler en die speler wist dat. Het kon hem niet schelen want hij had nog een vriendin, die later zijn vrouw zou worden. Maar dat wist die trainer niet en toen de speler dreigde op de bank te verzeilen, chanteerde hij zijn trainer. Dat ging zo – ik citeer: “Jij p..pt (neukt zouden ze tegenwoordig zeggen) met mijn lief? Oké. Maar ik speel of ik vertel het aan de gazetten.” (Toen waren er nog veel kranten). De speler speelde tot hij zijn lief had gedumpt en toen vloog hij weer op de bank. Tegen die tijd kenden wij het hele verhaal. En dat wist de trainer. En wij wisten dat hij het wist. Hij vond dat vervelend. Wij niet. Dit vak is soms plezant.

Ethisch dilemma

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2015 De Persgroep Publishing. All rights reserverd

Copyright © 2015 gopress. All rights reserverd

Verhaal Black Pride (v.) over Serena Williams in De Morgen van 4 sep 2015

Black pride (v)

Serena Williams (33) kan deze week op de US Open voor het eerst sinds Steffi Graf in 1988 de grand slam halen: alle vier grote toernooien winnen in één kalenderjaar. Het begon allemaal met een 78 pagina’s dik ‘ontwikkelingsplan’ van haar vader.

Zestien jaar zit er tussen haar eerste grand-slamzege op de US Open en de editie van vandaag waarvoor ze weer favoriet is. Maar zo hard als in september 1999 zal de Amerikaanse Serena Williams wellicht niet moeten werken, als ze ten minste haar hoofd erbij houdt en het bijna 34-jarige lichaam mee wil.

Net geen 18 was ze in 1999 en al zevende reekshoofd in New York, maar niets liet vermoeden dat de hardhitter, de jongere zus van Venus en de dochter van big mouth Richard, de eerste stap zou zetten naar een fabelachtige carrière. In de grand slams (de vier majors: Australian Open, Roland Garros, Wimbledon en US Open) had ze na twee jaar op het profcircuit hooguit een paar keer de derde ronde gehaald. Ook de Australian Open en Roland Garros gingen dat jaar de mist in, hoewel ze in Parijs al reekshoofd was.

Op Wimbledon was ze niet verschenen – dat getik op gras was voorlopig geen spek voor haar bek – en nu wenkte New York. In de derde ronde klopte ze de toen 16-jarige Kim Clijsters. Tien jaar later zouden ze nog eens tegenover elkaar staan in wat één van haar dieptepunten zou worden en hét hoogtepunt voor de tweede carrière van Kim Clijsters, maar tegen Kim I liep het net goed af met 7-5 in de derde set.

Vierde ronde: drie sets tegen Conchita Martinez (6-2). Kwartfinale: drie sets tegen Monica Seles (6-2). Halve finale: drie sets tegen Lindsay Davenport (6-4). In de finale stond ze tegen Martina Hingis, een Justine Henin avant la lettre. Hetzelfde geniale tennis, maar te weinig power. In haar drang joeg Serena veel ballen buiten, maar nog meer binnen, Het werd 2-0, met een felbevochten tiebreak in de tweede set die redding bracht: 6-4, 7-6 (7-4).

De wereld maakte kennis met de jongere zus van Venus, die spontaan toegaf dat ze revanche wilde voor de nederlaag van Venus in de halve finale tegen de Zwitserse. In de tribunes plengden Oracene en Richard Williams, toen nog een koppel, samen met Venus na die goede afloop vele tranen, maar tijdens de wedstrijd was in die box toch vooral fist pumping te zien geweest. Het klassieke tennispubliek fronste de wenkbrauwen: zwart, veel praatjes en geen dankbaarheid, als dat maar goed zou komen.

Compton als leerschool

Rewind naar 8 september 1980. Richard Williams zit thuis in zijn huisje in Saginaw, Michigan en kijkt sport. Tussen baseball en American football door worden hoogtepunten getoond van de sport van het weekend, waaronder het vrouwentoernooi in Salt Lake City. Een vrouw van 25, Virginia Ruzici uit Roemenië, krijgt een cheque overhandigd van 40.000 dollar. Het commentaar daarbij: “Niet slecht voor vier dagen werk.”

In zijn boek dat vorig jaar verscheen met de niet mis te verstane titel Black and White: the way I see it vertelt pa Williams wat hem toen overkwam. “Ik had leren tennissen, nogal vreemd voor een zwarte man en ik speelde niet onaardig, ik had een goeie service. And I loved it. Ik geloofde niet wat ik op tv had gezien en ben een dag later een krant gaan kopen om te checken of dat klopt: zo veel geld voor een sportvrouw. Jawel, het stond ook in de krant en toen dacht ik: ik wil twee dochters en ik leer ze tennissen.”

Aldus de biografie, maar Venus Ebony Starr was al geboren op 17 juni 1980. Haar zus Serena Jameka Williams kwam op 26 september 1981. De familie verhuisde kort daarna naar Los Angeles omdat de industrie in Michigan op haar laatste benen liep. Richard Williams schreef een plan van 78 pagina’s voor hun ontwikkeling en in de harde wijk Compton leerde hij zijn dochters tennissen. Helemaal alleen, zegt hij, maar in de realiteit met de hulp van enkele tennisleraars in de buurt die nu nog een tenniscentrum voor kansarme buurtjongeren leiden.

Compton staat in de VS bekend als bakermat van de gangstarap, maar ook voor zijn hispanic bendes: de Bloods, Crips en Sureños. Halfzus Yetunde uit het eerste huwelijk van haar moeder, zou er sterven door een Crips-kogel die eigenlijk voor haar vriend was bedoeld.

Het was een harde leerschool en Richard vertelt hoe hij de toekijkende kinderen uit de buurt speciaal opzette om zijn dochtertjes bij elke slechte bal uit te joelen. “Alle beledigingen waren goed: ze moesten zelfs ‘nigger’ roepen. Ik wilde hen harden voor de wereld waarin ze zouden terechtkomen: een white upper middle class die hen niet met open armen zou verwelkomen.”

Haat en nijd

Bij de Williamsen draaide het om een klassen- en rassenstrijd, wat ook te begrijpen was. Vader Williams was opgegroeid in Louisiana, in de Deep South, waar zijn alleenstaande moeder op een katoenplantage werkte. “In een soort halve slavernij. Ja, daar heb ik toch wat nijd aan overgehouden”, gaf hij later toe.

“Ik heb de zussen op het circuit weten komen, het was van in het begin ‘wij tegen de rest van de wereld'”, zegt Sabine Appelmans, ooit 16de van de wereld. “Ze spraken haast tegen niemand. Ik herinner mij dat een speelster Venus Williams aantikte met haar tennistas en zich excuseerde. ‘Sorry hoor, was niet express.’ Waarop Venus terugsnauwde: dat zal wel.”

Eens ze hun plaats aan de absolute top hadden ingenomen, en de familie was bijgedraaid, is eerst Venus veel socialer in de omgang geworden. Serena Williams, de meest agressieve van de twee zussen, is daar ook van teruggekomen. In een poging om haar in een recent portret in The New York Times Magazine nog even te laten fulmineren, kwam de zwarte Jamaicaanse activiste en dichtster Claudia Rankine van een kale reis terug. Serena: “Je begrijpt mij niet. Het draait bij mij gewoon om winnen.”

Uiteraard werd in dat interview het incident van Indian Wells in 2001 opgerakeld, toen zus Venus forfait gaf met een knieblessure voor haar halve finale tegen Serena. Een dag later werd de hele familie uitgejouwd in dat overwegend blanke nest van rijken met pensioen. Ze won in een bijzonder vijandige sfeer die finale van Kim Clijsters die de Amerikanen op haar hand had.

Richard Williams vond er tijdens die finale niet beter op dan de ‘black power’ (gebalde vuist) te brengen. Time Magazine wijdde enkele maandan later een cover aan hen: Sisters against the world. In 2002 zou Venus de nummer één worden. Jarenlang boycotten de Williamsen de stad in de woestijn, tot dit jaar. Serena keerde terug, wellicht omdat het een verplicht toernooi was, maar gaf op… in de halve finale… met een knieblessure.

Indian Wells 2001 speelde nog bij een tweede incident, in 2009 op de US Open, niet toevallig weer met American darling Kim Clijsters als tegenstandster. Serena Williams, niet al te fit wat haar wel eens meer gebeurde, had het niet naar haar zin, stond in het verlies
en bij een voetfout-call van een lijnrechter ging het dak eraf. De laatste zin van haar tirade waarin ze in elke zin fucking had gebruikt, luidde: “Ik ga die fucking bal door je fucking keelgat rammen.” Ze kreeg een penalty aangesmeerd, de tweede waarschuwing al nadat ze eerder een racket had gesloopt, en de wedstrijd was ineens voorbij.

Casper de Rolls-Royce

Dat was 2009. We zijn nu 2015 en met haar zus op weg naar de uitgang en vader minder aanwezig, leidt Serena Williams haar eigen leven. Haar klassenstrijd lijkt afgelopen. De Williamsen zijn collectief opgestegen in de vaart der Amerikaanse volkeren en gedragen zich navenant. Serena woont met haar zus Venus in Palm Beach Florida in een mansion in een gated community. Ze hebben een kok ter beschikking en een personal assistent die elke ochtend de passende kleren klaarlegt en alles regelt. Er is een masseur stand-by en een vaste hitting partner woont dichtbij. Serena heeft een witte Rolls-Royce die ze Casper noemt.

Dat kan ze zich permitteren, want ze tikte vorig jaar 9 miljoen dollar prijzengeld bij elkaar. Niemand deed beter, maar commerciële inkomsten zijn belangrijker: van alle sporters stond Serena Williams op plaats 47 met 13 miljoen dollar, 10 miljoen minder dan de Russische Maria Sjarapova, die nu al elf jaar lang van Williams niet meer wist te winnen. Het vermogen van de 28-jarige Sjarapova wordt geschat op 170 miljoen dollar. Williams, vijf jaar ouder, zit aan 130 miljoen dollar. Tennislegende Chris Evert in The New York Times: “Ik denk dat de bedrijfswereld nog steeds valt op mooie blonde vrouwen.”

Of racisme alle verschil verklaart, is niet duidelijk. Imago is een vreemd fenomeen. Roger Federer verdient ook stukken meer naast de tenniscourts dan Rafael Nadal of Novak Djokovic. De meest gesponsorde atleten ooit zijn twee zwarten: Michael Jordan en Tiger Woods, maar geen van beiden heeft zich ooit als de boze zwarte geprofileerd zoals Serena Williams.

Tussen Ali en Jordan

De zwarte boze feeks uithangen helpt niet, maar het siert haar dat ze dit niet wil veranderen. “Ik heb woede nodig om te presteren, het spijt mij.”

Vergeleken bij de lange, slanke, blonde en blanke Sjarapova die als een langpootmug beweegt, is Serena Williams met haar atletisch lichaam een soort pantserwagen die harde slagen afvuurt vanaf de baseline en kan serveren als geen tweede. Eenmaal op gang, walst ze schreeuwend over de tegenstand.

In oktober 2014 werden zij en haar minder fysiek imponerende zus door de voorzitter van de Russische tennisbond en voornaam lid van het Internationaal Olympisch Comité Sjamil Tarpisjev nog ‘de Williams-broers’ genoemd. Hij werd prompt een jaar geschorst en mocht het gaan uitleggen bij het IOC waar hij wegkwam met wat semantiek.

Wie aan Serena Williams raakt – ook wie gewoon haar powertennis niet al te erg kan smaken – wordt door zwart Amerika meteen weggezet als racist. Wie opmerkingen maakt over haar opmerkelijke fysiek, zou daarmee automatisch insinueren dat zwarte vrouwen te mannelijk en niet-attractief zijn. Dat is een begrijpelijke reactie. Serena Williams is het eerste vrouwelijke sporticoon voor de zwarte Amerikanen. Ze hoort thuis in een rijtje, maar op respectabele afstand, met Muhammad Ali en Michael Jordan.

Haar dominantie in een van oorsprong blanke sport die in de VS als laatste (op golf na) met tegenzin de segregatie liet vallen, is opmerkelijk. De zwarte Althea Gibson ging haar in de jaren ’50 voor, Zina Garrison kwam later.

Maar deze mevrouw heeft alles in de pan gehakt wat er in de pan te hakken viel en dat al zestien jaar lang. Serena heeft in haar jonge jaren zelfs nog tegen Steffi Graf gespeeld (één keer gewonnen en één keer verloren) en tegen Martina Hingis tegen wie ze dertien keer speelde en toch zes keer verloor. Zelfs Arantxa Sanchez kruiste haar pad en dat is de enige speelster van wie ze meer verloor dan won (vier-drie in haar nadeel).

Nog beter geworden

Dat Serena Williams überhaupt het vrouwentennis domineert met een niet al te uitzonderlijke techniek en met een onmiskenbaar te hoog vetpercentage (ze geeft ridderlijk toe dat eten haar zwakke punt is), zegt ook iets over het vrouwentennis. In die sport zijn fysiek en techniek blijkbaar moeilijk te verenigen. Williams steekt boven het veld uit inzake atletisch vermogen en tennissen kan ze uiteraard ook: ooit had ze een half jaar niet gespeeld, deed twee kniebuigingen op haar strand in Florida en trok naar Australië waar ze prompt de Open won.

Justine Henin was eventjes meer dan haar evenknie door een paar jaar doorgedreven fysieke arbeid te koppelen aan een verbluffend slagenarsenaal. Haar track record ten opzichte van Serena Williams is de beste van alle toppers die de Amerikaanse in haar gloriejaren tegen het lijf liep: Henin won zes keer en verloor er acht.

“Serena wordt 34, dat is stokoud in tennis”, zei Sabine Appelmans deze week in De afspraak op Canvas. Appelmans (43) speelde in haar nadagen ook een paar keer tegen haar en was vooral onder de indruk was van haar kracht. “Ze is de laatste jaren nog verbeterd. Ik vind haar beter bewegen op de baan, wellicht door haar nieuwe coach.”

Het zou maar des Williamsen zijn als er nu nog iets zou misgaan in die laatste rechte lijn naar de 22ste grand-slamoverwinning, want een beetje drama is nooit ver weg bij die familie. Hoewel, van haar 25 grand-slamfinales won ze er 21. Eén grand-slamtoernooi scheidt haar nog van Steffi Graf, die er tien jaar over deed tussen de eerste en laatste overwinning.

Er is er nog één die beter deed: de Australische Margaret Smith-Court sloeg tussen 1960 en ’74 liefst 24 grand-slamzeges bij elkaar. Die mijlpaal kan ze volgend jaar halen en ook meteen haar vijfde (!) olympisch goud ophalen: ze won drie keer het dubbel met haar zus en de enkel in Londen in 2012.

John McEnroe weet echter nu al: “Serena is de allerbeste speelster ooit.”

Serena Williams

Column Halfvol over Rode Duivels in De Morgen van 4 sep 2015

HALFVOL

Kunnen we dit weekend die vluchtelingencrisis laten voor wat ze is en ons even concentreren op de Rode Duivels, want met hen gaat het iets beter, maar nog helemaal niet zo goed als we wel zouden willen. Dat is de unanieme conclusie in de sportmedia, na de met 3-1 gewonnen interland tegen Bosnië en Herzegovina, want zo heet dat land en níét Bosnië-Herzegovina. Die ‘I’ in de af-korting BIH staat ergens voor, namelijk ‘i’, dat naar ik mag aannemen Servo-Kroatisch is voor ‘en’. Voilà, dat is dan letterlijk de puntjes op de i.

Van puntjes gesproken, wat is het toch altijd weer genieten van de voor- en nabesprekingen van zo’n wedstrijd. In de tijd dat ze echt niemand anders vonden, heb ik het ook wel eens moeten doen. Vóór de wedstrijd komt het erop aan de gesprekspartners met één of twee weetjes te overdonderen en verder geen voorspellingen te doen waarop je achteraf kunt worden afgerekend.

Nadien kun je al eens wat stelliger uit de hoek komen, bij voorkeur met een sterk statement of een krachtterm in geval van een archislechte wedstrijd. Toen ik op tv mijn gedacht zei over voetbal, was dat in 2006 en 2008 en toen viel het nog mee met de reacties. Twitter bestond nog maar net en misschien (of wellicht) zaten kijkers, luisteraars en collega’s thuis hun kas op te vreten, maar geraakte dat niet tot bij ons. Nog steeds niet, bij mij althans, met dank aan een heerlijk filtertje op maat.

Echt smullen is het de dag na een wedstrijd. De meest fantastische lectuur is altijd weer het rapport van de spelers in de kranten. Ik heb twee kranten die zich aan quoteringen wagen en gisterenochtend zaten ze verrassend dicht bij elkaar: 70 voor de ene voor wie het glas halfleeg was, en 71 voor de andere, voor wie het glas halfvol was.

In beide puntenlijstjes stond Kevin De Bruyne bovenaan met een 8 (zeer goed), maar dat die oké was, kon de blinde ook zien. Discrepanties tussen beide beoordelingen? Nogal wat. Bij de ene was Witsel verdedigend goed, bij de andere verloor hij te veel duels. Alderweireld kreeg in de ene krant een 5 (net voldoende) en in de andere een 7 (goed). In de ene krant had hij het defensief niet makkelijk tegen Lulic, in de andere verdedigde hij stevig tegen Lulic die tegenover hem weinig verhaal had. Ik bedoel maar: nonsens. Wij zijn daar niet voor opgeleid, we staan niet in het veld en we zitten vooraf ook niet in de kleedkamer als de consignes worden uitgelegd. Punten geven: niet doen.

Ik heb ook een mening over België-Bosnië en Herzegovina, of wat had u gedacht: mijn glas is halfvol. Dit was gecontroleerd voetbal van onze Rode Duivels, inclusief het obligaat defensief slippertje, maar professioneel rechtgezet met niet al te veel zwoegen en zweten. Dit was ook geen wedstrijd zoals in Wales. Aan het eind van een slopend seizoen tegen een opgenaaid elftal van dravers is altijd lastig voor onze veel bevraagde vedetten. Twintig jaar geleden was dat andersom: toen zaten de B- en C-voetballers bij ons en konden wij occasioneel een wereldelftal verschalken.

Moeten we ons nog ergens zorgen over maken? Natuurlijk wel. We zijn een beetje het Nederland van de jaren 90 geworden: talent bij de vleet, wat zich niet altijd vertaalt in doelkansen, laat staan goals, en achterin niet secuur genoeg. Hoe Kompany en co. gisteren die goal weggaven tegen Dzeko en co. was bepaald lullig. De Rode Duivels rekenen er altijd op dat ze er eentje meer scoren dan de anderen, maar in het moderne voetbal moet je ook de nul kunnen houden. Nog de deugden van de oude en de nieuwe Rode Duivels verenigen en we kunnen alles winnen wat er te winnen valt.

Overigens nog dit, na de column van vorige week: voorlopig draagt Kevin De Bruyne zijn overgang naar Manchester City en zijn terugkeer naar de Premier League bepaald niet als een juk. Wel integendeel, en dat is alleen de allergrootsten gegeven.

Halfvol