Column Heinwee in De Morgen van 30 jan 2016

Heinwee

De laatste week van de wintermercato is een interessante en de laatste dagen, die nu zijn aangebroken, zijn zo mogelijk nog interessanter. Anders dan zijn collega’s vindt Hein Vanhaezebrouck de winter het beste moment om in te kopen. Het laatste anderhalf jaar bewijst hij zijn grote gelijk als aankoper, die weet wat hij wil, en als coach, die weet wat hij met een speler wil.

AA Gent heeft zich weer gevoelig versterkt, dat bleek al meteen in de wedstrijden thuis tegen Club Brugge en uit bij Standard met een wervelende Wikheim en een stevige Deaux. Zelfs voor de regisseur Sven Kums hebben ze nu al een vervanger met Rob Schoofs. Gent denkt nog altijd vanuit het vroegere schaarstemodel: zuinig en goed inkopen, duur verkopen en verkassen wat overbodig is.

Ook Anderlecht heeft nieuwe spelers gehaald, maar of die een versterking zijn, moet nog worden afgewacht. De Brusselaars zijn niet zo bedreven in het laten renderen van wintertransfers de laatste jaren. En bij nader inzien zijn zomertransfers ook hun fort niet meer, nu niet iedereen die twee voeten heeft en een bal kan raken automatisch bij hen terechtkomt.

Hoe dat met Club Brugge zit, is ook niet duidelijk. Er is wat kwaliteit weg, die vooral op het laatst in de weg liep (Vázquez), maar of de transfers nu meteen verbredingen dan wel versterkingen zijn, moet nog blijken. Standard is ook een groot vraagteken. Die gekke/ geniale Knockaert is weg en Edmilson is gekomen, maar die liep in zijn eerste thuiswedstrijd al meteen te verdedigen. Dat was bij Gent wel anders geweest.

Interessant is ook hoe debad boys, of wie daarvoor doorgaan, door hun respectievelijke clubs worden geloosd. Standard heeft laten lekken dat de mensgeworden zeis Yatabaré terug zou moeten naar Olympiakos om dan weer te worden verkocht en inmiddels is hij verpatst aan Werder Bremen. Wellicht was dat ook de vurige wens van Standard, want Yatabaré heeft een al te hoog Boko Haram- gehalte als hij schoenen met noppen aantrekt. Het gevaar bestond dat hij binnenkort ook flink wat Belgische speeldagen aan zijn broek zou krijgen.

Benito Raman is al twee keer uitgeleend sinds hij in september 2011 als 16-jarige Tim Smolders kwam vervangen in de basis van Gent. De eerste keer was bij Beerschot, waar hij opviel door zijn doelgerichtheid en prompt werd gehuurd door de trainer van KV Kortrijk, Hein Vanhaezebrouck. Dezelfde die hem bij zijn Gentse kern hield bij het begin van het kampioenenseizoen, wat een goed idee was want Raman scoorde in de play-offs de 2-3 uit bij Club Brugge, een van de belangrijkste doelpunten in de geschiedenis van blauw-wit.

Dit seizoen liep het voor geen meter. Eerst was er het snookerincident en vervolgens opende hij met een volstrekt debiele oneliner de Gentse doos van Pandora. Dat ene zinnetje zorgt nu al weken voor beroering overal waar Club Brugge zich vertoont. Een pronostiek: Benito Raman speelt nooit meer in het Gentse blauw-wit.

Andere pronostiek: Anthony Vanden Borre speelt dra weer in het paars-wit. Zoals Yatabaré geen misdadiger is, en Benito Raman een hele aardige jongen is die het allemaal zo niet had bedoeld, zo zal Anthony ook wel een oké gast zijn. Of dat een goede reden is om terug te komen op eerdere statements als daar zijn “nooit nog in de A-kern”, “een mooie toekomst, in de B-kern” en “einde verhaal op Anderlecht” is niet zeker.

Dit is het nieuwe economisch realisme dat op Anderlecht wordt gepredikt, met financiële bazen die een hekel hebben aan kapitaalsvernietiging en dat is ongetwijfeld van toepassing op het dossier Vanden Borre. Een jaarsalaris naar paars-witte normen
en geen enkel rendement, daar moet een boekhouder gek van worden. Omgekeerd wordt een trainer gek als die in zijn niet al te stabiele kleedkamer uitgerekend de meest labiele van alle spelers door de grote poort ziet terugkeren, ongetwijfeld met een grijns op zijn gezicht. Dat is ook een verschil tussen Hein Vanhaezebrouck en zijn collega’s: hij heeft zijn kleedkamer in één zomer – die van 2014 – op orde gekregen en geregeld houdt hij grote schoonmaak. Met de steun van zijn bestuur, nóg een verschil. De periode na Vanhaezebrouck heeft nu al een naam: Heinwee.

 

30-01-2016-De-Morgen-p22-Heinwee-single

Advertenties

Verhaal Kunstgras in De Morgen van 30 jan 2016

Hoelang moet kunstgras nog in de hoek staan?

AA Gent laat maandag in de Ghelamco Arena een nieuwe grasmat aanleggen. Met natuurgras uiteraard, want kunstgras is slecht: knoken gaan kapot, voetballers worden mietjes, het is duur, het discrimineert vrouwen en de Hollanders kunnen er niet meer door winnen. En toch: ‘Het beste gras is kunstgras.’

Toen de Rode Duivels eind vorig jaar voor hun kwalificatie-interland naar Andorra reisden, ging het maar heel even over de bakker en de beenhouwer en de garçon in het belastingvrije elftal. Al heel snel verlegde de focus zich naar het kunstgrasveld, dat eerder door de grote Gareth Bale van Wales was neergesabeld als”the worst pitch ever”. “Kijk eens hoe die zwarte vulling opspringt”, wees de commentator ons op het veld bij een close-upje toen er weinig te beleven viel. “Dat zijn gemalen autobanden.”

Daags na de wedstrijd kwam in het Technologiepark van de UGent in Zwijnaarde alvast één man werken met licht bezwaard gemoed. Stijn Rambour is als afdelingshoofd chemie en kunstgras van de Vakgroep Textielkunde een wereldwijde autoriteit op het vlak vanartificial turf. Hij certificeert kunstgrasvelden in Europa en test momenteel velden met het nieuwste slijtagetoestel volgens de recente technische eisen van de wereldvoetbalbond. Wie zijn specialisme aanvalt, moet correct blijven.

“Kunstgras is over het hele jaar genomen het best mogelijke gras”, zegt Rambour. “Het kan alles wat een natuurlijke grasmat kan, en dat een heel jaar lang, zomer en winter. In Andorra ligt niet de beste versie en ze leek mij ook niet goed onderhouden.”

De betere versie ligt in Sint-Truiden boven op een parking. Het thuisveld van het plaatselijke STVV heeft kunstgras sinds de renovatie van Stayen. Elke tegenstander vindt ‘Stayen uit’ een moord op het voetbal, een aanslag op lijf en leden, en wordt daarin bijgetreden door de analisten, meestal uitgewoonde voetballers.

Ook trainer Hein Vanhaezebrouck van AA Gent is een ex-voetballer, met slechte knieën bovendien, en de facto een kunstgrashater. “Voetbal moet op gewoon gras worden gespeeld.” Waarna een opsomming volgt van wat er allemaal fout zou zijn aan de artificiële versie. Anderhalve maand geleden sprak hij ineens anders: “In december in Sint-Truiden voetballen is ideaal, want het weer heeft geen vat op dat kunstgras.”

Gras in Gent: 500.000 euro

In zijn thuishaven is dat wel even anders, heeft hij inmiddels ondervonden. Gent speelt zijn derde seizoen in het nieuwe stadion. Alles kan er, alles is er, in de Ghelamco Arena, alleen wil het gras er niet te best groeien. Natuurgras heeft behoefte aan veel licht en veel wind, en gesloten stadions zijn juist gebouwd om de wind buiten te houden, met daarboven ook nog eens een ruim bemeten dak dat de toeschouwers droog houdt, maar ook veel licht wegneemt.

Hoe noordelijker, hoe moeilijker het gras het heeft in die nieuwe tempels. De eersten die dat ondervonden, waren de godenzonen van Ajax. Twee jaar nadat de nieuwe Amsterdam ArenA de deuren had geopend in 1996, lag er al een achtste grasmat.

Gent doet het met twee matten per jaar, maar wie de voorbije weken de moeite nam om de Ghelamco Arena binnen te lopen, had de schade kunnen opmeten van de duels tegen RSC Anderlecht en Club. En had de enorme batterij lichten gezien die het gras de indruk geven dat het altijd zomer is in de Ghelamco. Tijdens de wedstrijden vlogen de zoden evenwel in het rond en dus verwachtten de media een oprisping van Vanhaezebrouck. Er kwam niets. “Het heeft te veel geregend.”

Vanhaezebrouck weet allang dat maandag, daags na de thuiswedstrijd tegen Beveren, de Ghelamco Arena al zijn tweede grasmat van het seizoen krijgt en een hele dure deze keer. AA Gent zag in de winterstop op last van de UEFA een grasexpert – een echte grasdokter – en die schreef een lijvig rapport. Zijn conclusie was duidelijk: de grasmat die er ligt, voldoet niet voor de Champions League; oprollen die handel en een nieuwe mat leggen tegen de komst van Wolfsburg.

Manager Michel Louwagie met een lichte zucht: “Voor ons drukke programma op drie fronten zijn matten die zes tot acht maanden wortelen niet goed genoeg, dus komt er nu een grasmat die achttien maanden heeft kunnen wortelen.”

Om dat gras op orde te krijgen, transfereerde Gent in het tussenseizoen zelfs degreenkeepervan Sporting Lokeren, een primeur voor het Belgische voetbal. Tijdens de winterstop werden dan nog eens kapitalen uitgegeven om de mat die in september was gelegd (kostprijs 80.000 euro) tot leven te wekken. De veldverwarming ging volle bak, de lampen die het veld beschenen, draaiden overuren en er werd ingezaaid zonder op een zakje zaad te kijken.

Afgezien van de enorme ecologische voetafdruk van voetbal – onder het veld verwarming, erboven lampen, en geen leds voor alle duidelijkheid – is er ook de directe kost. “Omdat jullie mij de vraag stelden, heb ik het uitgerekend”, zegt Michel Louwagie. “Ik ben zelf een beetje geschrokken: wij zullen dit seizoen aan 500.000 euro zitten, waarvan 150.000 euro alleen voor die nieuwe grasmat.”

Daar heb je het aller-aller-beste kunstgrasveld voor in een groot stadion en daar speel je minimaal zeven jaar op.

Kunstgras biedt bovendien de luxe dat je veel meer activiteiten kunt inplannen zonder bang te zijn dat het veld niet meer wedstrijdwaardig is. Terwijl gras maximaal driehonderd uur per jaar kan worden bespeeld, is dat voor kunstgras ruim tweeduizend uur. Onderhoud beperkt zich tot één keer per week borstelen door één man die in drie uur rond kan zijn. STVV meldt bij monde van manager Philippe Bormans dat daarnaast twee tot drie keer per jaar een groot onderhoud met een borstelmachine gepland staat. Kostprijs: telkens 500 euro. Daarbovenop is er nog eens een keuring van de FIFA en die kost 1.500 euro per seizoen.

 

Jawel, de conservatieve FIFA die er decennia over doet om de meest logische reglementswijziging toe te passen, is al mee met kunstgras. Er is zelfs al een heel WK op gespeeld, zij het niet zonder protest. Maar wat is dat kunstgras eigenlijk? Stijn Rambour: “De betere kunstgrasvelden liggen op een drainerende laag van steenslag of vulkaangesteente. Daarbovenop ligt een schokabsorberende mat en dan pas de eigenlijke grasmat van polyethyleen, met een tussenvulling van zand en rubber of kurk.”

De slechte reputatie van kunstgras is een gevolg van de eerste versie die AstroTurf heette en in de jaren zestig werd ontwikkeld voor het American football. De polyamidevezel (nylon) was te stug voor voetbal en leverde brand- en schaafwonden op. Een tweede generatie vezels bestond uit polypropyleen en werd heel snel toegepast in het veldhockey, waar het zelfs verplicht werd. Het zand tussen de vezels maakte slidings in het voetbal nog steeds riskant.

Men zocht verder en kwam in 1996 uit bij de derde generatie, een mat gemaakt van polyethyleen en zo goed als identiek aan echt gras. De lengte van de vezels veranderde (40 tot 60 millimeter), ze stonden wijder uit elkaar en het tussenmateriaal werd zand met bovenop een laag rubberkorrels. De noppen van de schoenen konden daardoor in het gras drukken zoals bij natuurgras.

De vierde generatie kunstgras is nog in volle ontwikkeling. Men zoekt nu naar een alternatief voor de rubberen vulling tussen de vezels, waardoor het gras nog natuurlijker lijkt. Kurk lijkt het pleit te gaan winnen, omdat het samendrukkende effect van kurk nog beter op dat van gras lijkt.

Rare uitschuivers

Maar slaan van dat onveilige kunstgras je knieën niet in een knoop die alleen orthopeden nog kunnen ontwarren? Volgens kinesist Lieven Maesschalck is trainen of spelen op kunstgras geen indicator voor meer of andere blessures. “Een egale mat kan zelfs blessures vermijden.”

De Zweedse dokter Jan Ekstrand deed namens de FIFA als eerste onderzoek naar de bewering dat blessures vaker zouden voorkomen op kunstgras. Zijn conclusie: “Het aantal blessures blijft gelijk. De aard van het letsel verschilt wel licht: op kunstgras heb je minder spierblessures en iets meer enkelblessures. Vreemd genoeg vonden we meer brandwonden op gewoon gras dan op kunstgras.Artificial turfheeft een slechte naam bij trainers en spelers, maar dat is gebaseerd op de ervaring met de eerste generatie velden. Met de tijd zal de weerstand verminderen.”

In België wordt kunstgras geassocieerd met Roland Duchâtelet, eigenaar van het stadion in Sint-Truiden, wat ook niet helpt natuurlijk, maar voetbalgeesten rijpen altijd traag, weet Gent-manager Michael Louwagie met zijn dure natuurgras: “Ik wil best wel geloven dat kunstgras beter is, maar ik krijg mijn spelers er niet op.”

Met de bouw van nieuwe stadions en de intrede van financiële kostenbewaarders in het clubmanagement zal toch de druk toenemen om van dat natuurgras afscheid te nemen. Tot zolang zullen de voordelen van kunstgras onder de mat worden geveegd. Die zijn overweldigend: je raakt er niet méér door geblesseerd, het is niet weergevoelig, de mat is overal gelijk van kwaliteit, de bal springt niet hoger op en rolt ook niet sneller of trager, rare uitschuivers zijn onbestaande en je kunt meer activiteiten plannen in je stadion. En dat voor een jaarlijkse afschrijving van 100.000 euro.

Geen gras meer afrijden, geen gras meer dichtprikken tijdens de rust. Drie uur borstelen door één man, na een wedstrijd, zoveel wekelijks onderhoud volstaat voor een kunstgrasveld, maar het is wel essentieel. Rambour: “Als het veld niet wordt onderhouden, gaan de korrels tussen de vezels samenklitten en vormen bolletjes, waardoor de noppen niet meer in het gras kunnen drukken. En dan wordt het wel gevaarlijk.”

Het mag vreemd lijken, maar van alle landen heeft Nederland de meeste kunstgrasvelden. Heel lang werd aangenomen dat die infrastructuur juist de reden was voor het typisch Nederlandse spel gebaseerd op snelle balcirculatie en techniek. Begin december van vorig jaar ging in het Nederlandse topsportcentrum Papendal een congres door dat luisterde naar de mooie naam ‘Het ideale veld’. Heracles-voorzitter Jan Smit, trotse bezitter van een kunstgrasveld in de eredivisie, wist zich na afloop van het grote gelijk verzekerd. “Er zijn geen objectieve redenen om kunstgras af te branden. Er zijn alleen maar voordelen. Iedereen moet dat nu maar eens toegeven.”

Als er geen objectieve redenen zijn, dan zijn er genoeg subjectieve. Een columnist van de Nederlandse sportkrantADzocht naar
een oorzaak voor de mindere resultaten van Oranje en kwam uit bij het kunstgras. “Sinds ons voetbal overspoeld wordt door dat vermaledijde kunstgras, hebben wij als groot opleidingsland godbetert niet één wereldtopper voortgebracht. Onze kunstgrasvoetballers zijn comfortvoetballers geworden die walgen van een zompig veld vol kuilen en hobbels.”

Dat Nederland van alle nationale selecties zowat de kleinste gemiddelde lengte heeft, terwijl in Nederland juist de langste bevolking ter wereld woont, heeft minder te maken met het speeloppervlak dan wel met een verkeerde selectie en detectie. Desalniettemin besloot de columnist: “Het is de schuld van de kunstgrasmaffia.”

Discriminatie op WK

Hoezeer de weerstand tegen kunstgras ingebakken zit in het collectieve voetbalverstand (of het gebrek daaraan), werd vorig jaar duidelijk in de aanloop naar de World Cup voor vrouwen in Canada. De Amerikaanse Abby Wambach en de Duitse doelvrouw Nadine Angerer, twee wereldtoppers, verzamelden 23.000 handtekeningen om te protesteren tegen de kunstgrasvelden waar hun World Cup op zou worden gespeeld. “De mannen krijgen echt gras en de vrouwen moeten op onveilig kunstgras; dat is discriminatie.”

Ze dienden een klacht in voor een inbreuk op de Canadian Human Rights Act. De FIFA boog niet, ook niet toen Wambach na de eerste ronde het kunstgras de schuld gaf van een gebrek aan goals. Waarna de VS ineens wel begonnen te scoren en voor de tweede keer wereldkampioen werden in een finale met zeven goals (5-2 tegen Japan).

Abby Wambach zat op de bank en over mensenrechtenschendingen door kunstgras heeft niemand nog iets gehoord.

Column Matchfixing in De Morgen van 23 jan 2016

Matchfixing

Vorige week vertoefde ik in wielermiddens. Voor een sportjournalist zijn er maar twee middens meer: het voetbal of het wielrennen. Het wielrennen is een veel boeiender milieu dan voetbal, dat zeker. Wielrennen lijkt een beetje op een antiekzaak in een oude volkswijk in een mooi land: je vindt er naast mooie spullen ook interessante mensen met mooie verhalen. Voorgaande is als metafoor bedoeld. Er is voor elk wat wils in de koers, ook parels, als je maar goed kijkt.

Voetbal is meer egaal, meer gecontroleerd, mainstream, voorspelbaarder, ook in de positieve betekenis van het woord. Je kunt in het voetbal al eens een voorafname doen en op iemand rekenen, zolang niet te veel geld in het spel is. En als je heel veel geld hebt, kun je de boel kopen en sturen, wat in het wielrennen al wat lastiger is. De Johnny’s en Marina’s die bij het voetbal horen, moet je maar weten te mijden.

Maar goed, het wielermilieu, vorige week, aan de Costa Blanca. Twee ploegen zaten in mijn hotel en allebei hadden ze met veel plezier – leedvermaak haast – de actualiteit van de laatste weken gevolgd. Die FIFA, wat was dat zeg? En de IAAF, die jarenlang positieve tests van de Russen had verzwegen. Lachen! “Daarmee vergeleken is de UCI een voorbeeldbond.” Dat was een correcte conclusie: de internationale wielerunie was inzake dopingbestrijding een wegbereider. Verdomd jammer dat onze media dat anders blijven zien.

Het wielermilieu had zich ook nog mateloos gestoord aan het ‘et alors?’ van atlete Ria Stalman die haar steroïdengebruik had opgebiecht en het schouderophalen dat daarmee gepaard ging. Dat hadden ze afgezet tegen de obsessie om die arme ex-wielrenner Michael Boogerd alsnog te schorsen als ploegleider van Roompot.

En dan het tennis. Omkoping alom blijkt nu, tot in de top vijftig. Grappig: de heilige boontjes van het tennis die uitslagen regelden. Toen heb ik het wielervolk wel van repliek gediend. Combines en afspraken die in hun sport tot de onuitgesproken gewoontes behoren, zijn in de andere sport redenen om voor het leven te worden geschorst. Omkoping of matchfixing is hetzelfde lot beschoren als doping: overbelichting en panische reacties. En dat is veel eer voor wat gerommel in de marge. Natuurlijk zou het goed zijn als alle sport 100 procent eerlijk zou verlopen, maar sport is een spiegel van de maatschappij en dan weet je het wel. Omdat de sportbonden onder druk van de publieke opinie evenwel integrity units hebben geïnstalleerd die hun nut moeten bewijzen en hun salaris verantwoorden, duiken op gezette tijden berichten over omkoping op. Die bewakers van de sportieve eer leven in een perfecte symbiose met journalisten die van berichten over omkoping en matchfixing hun USP, hun uniek verkoopargument, hebben gemaakt.

Je kunt je afvragen of het regelen van een wedstrijd erger is dan een been doormidden schoppen (of een poging daartoe). Voor het ene krijg je gevangenisstraf terwijl je van darmkanker bent geopereerd, voor het andere mag je een paar wedstrijden in een knusse skybox toekijken. Een paar jaar geleden presenteerde Europol nog een studie over matchfixing in het voetbal. ‘Investeringen’ en ‘return’ opgeteld bedroeg de illegale gokbusiness per jaar 2,5 miljoen euro. Dat was toen 0,014 procent van de Europese voetbalbusiness en daarin was 0,2 procent van het voetbalpersoneel betrokken. Conclusie: het Europees voetbal is zowaar een en al maagdelijke zuiverheid. De sportieve integriteit is alvast minder in het gedrang dan de fysieke.

Matchfixing heeft bestaan, bestaat nog en zal altijd bestaan, maar is verre van de bedreiging die men ons wil laten geloven. Het is bovendien een zelfvernietigende business, want bij de minste twijfel droogt de geldstroom van de eerlijke gokkers op en dan is de fixer de enige die nog gokt op geregelde wedstrijden en daar wordt die niet rijk van. Een veel groter probleem lijkt de macht van de officiële gokbedrijven. Die staan op de shirts of op de boarding en zitten in de bestuurskamers. Dáár moet ooit ellende van komen en die zal veel groter zijn dan een stel Aziaten die in een goor achterafkantoortje een Facebook-berichtje sturen naar de nummer honderd van het tennis met de vraag om een set met 6-0 te verliezen.

Column over Dakar op demorgen.be van maandag 18 jan 2016

De doden van de Dakar krijgen een naam, de locals niet. En intussen raast de moordrace verder

Dit stukje gaat niet over sport, maar over opzettelijke doodslag als sport verpakt: sommigen noemen dat de Dakar. Ik ben er nooit bij geweest als journalist, maar ik heb er goede herinneringen aan. Elk jaar was de karavaan des doods wel goed voor een columnpje en een van de betere edities was toch toen die werd afgelast. Ik schreef een brief aan de schuldige, met name Osama Bin Laden, wiens aanhangers hadden gedreigd met een aanslag.

Ik citeer uit eigen werk. We schrijven januari 2008.

Beste O, 
Goed gedaan van u, want dit is zowat het meest onzinnige evenement in de geschiedenis van de homo ludens. Wat ben ik blij dat deze Club Med voor would-be overlevingskunstenaars van de baan is. Weet u dat er al vijftig mensen zijn gestorven in negentwintig jaar Dakar? Jaja, we weten wel dat u met één opblaas-Mohammed moeiteloos dezelfde score haalt, maar als u er nu eens een gewoonte van zou maken om elk jaar rond deze tijd heel luid BOE te roepen vanuit uw woestijn? Deal? Dan schijten die 4×4-jeanetten collectief in hun broek en heeft u deze krant alvast mee.

Einde citaat.

Ik had die column geschreven om tegemoet te komen aan de dwingende eis van onze hoofdredacteur van toen. Die had ooit zelf de Dakar gereden samen met Koen Wauters, die in 2008 ook niet kon starten, en de hoofdredacteur wilde dat ik gepaste aandacht besteedde aan de afgelasting. Hij was niet erg opgezet met de teneur van mijn stukje, niet geheel tot mijn verbazing wil ik na al die jaren bekennen, maar dat was in tempore non suspecto, toen de tenen nog niet zo lang waren (of toch, en we er opzettelijk gingen op staan).

Vandaag kan dit niet meer, niet vanwege onze onvolprezen hoofdredactie, maar omdat je met zo’n column de gecombineerde banvloeken van Youssef, Montasser en Abu over jezelf afroept. En daarna hun volgelingen en dáárna politiek al te correct Vlaanderen. Vervolgens zou het Centrum voor GK zich ook nog bemoeien en zou ik een klacht bij de Raad voor Journalistiek aan mijn been hebben. Alleen al om niet voor die laatste te moeten verschijnen, en om niet weer die ene juriste met haar rare vragen achter mij aan te krijgen, zal ik voorgaande nooit meer schrijven.

Maar nu, de Dakar. Osama’s clubje had uiteindelijk aan één BOE genoeg: de ongelukskaravaan raast sindsdien niet meer door in Afrika, maar door Zuid-Amerika. Argentinië, Chili, Peru en Bolivië. 

Of ze nu door de Afrikaanse zandbakken dan wel de Zuid-Amerikaanse pampa’s rijden, het resultaat blijft hetzelfde. Op gezette tijden verongelukt iemand van de organisatie – een rijder als er wat geluk mee gemoeid is – maar de meeste doden vallen onder de omstaanders. De doden van de Dakar krijgen een naam, de locals niet.
Volgens Wikipedia zitten we nu zelfs al aan zeventig doden sinds 1979 waaronder 28 deelnemers: negentien met de motor, zes met de auto en één met de truck. Twee kregen een kogel door hun hoofd van lokale rebellen, één keer door de Touaregs en één keer door het Polisariofront, waarvan ik mij nu prompt afvraag waar die in godsnaam zijn gebleven. Van de 42 niet-deelnemers die doodgingen, is de organisator Thierry Sabine (helikopterongeluk) de bekendste. Daarnaast stierven veertien journalisten en zevenentwintig toeschouwers, waaronder vier kinderen.
De meeste toeschouwers hebben geen naam. De dode kinderen heten Boubacar Diallo, Mohamed N’Daw en Tomas Soldavini. Van het meisje van vijf dat op 11 januari 2005 langs de weg naar Dakar met haar ouders stond te kijken en al spelend tussen de wielen van een aanstormende vrachtwagen terecht kwam: geen naam. Ook deze editie gingen er twee dood: opnieuw, geen naam. En de moordrace raasde verder. 
De winnaar editie 2016 kennen we wel: die heet Stéphane Peterhansel. Hij kwam dit weekend als eerste over de eindmeet in Rosario.

‘Koers, een sport voor oude mannen’ in De Morgen van zat 16 jan 2016

DISCLAIMER

De geïnterviewden en de auteur wensen u er op te wijzen dat u na het lezen niet op de boodschapper(s) moet schieten. Dit is een ‘zeikverhaal’, maar het is de waarheid, niks anders dan de harde waarheid en als niemand in die mooie sport ze onder ogen wil zien, zal er geen mooie sport wielrennen meer zijn. (De PDF heeft ook een grafisch element met harde data.)

Een sport voor oude mannen

Koers bokst boven haar gewicht, ruziet al decennialang, zit op een wankel economisch model, leeft in de trage samenleving van weleer en heeft een aanhang die geleidelijk afsterft. ‘We zijn een sport van de jaren 50.’

Koersaficionado’s die doctoreren in de economie moeten waken voor een depressie. Economie-professoren Daam Van Reeth en Wim Lagae, beiden behorend tot de KU Leuven, zien de toekomst van hun passie somber in. Bij de start van het nieuwe seizoen, morgen in Australië, en met de verschijning van het standaardwerk The Economics of Professional Road Cycling, samengesteld door Van Reeth en met Lagae als auteur, bracht De Morgen de twee koersproffen samen en confronteerde hen met enkele stellingen.

De conclusie?
Lagae: “Ik vrees dat we een negatief verhaal brengen.” Van Reeth: “Inderdaad, maar we kunnen niet anders.”

De koers is van ons, omdat niemand anders ze wil

Lagae: “Vlaanderen is gek van wielrennen, maar daar houdt het ook op. Wij kijken wel nog naar een lange vlakke etappe met een vroege ontsnapping die zeker wordt teruggegrepen, waarna ze sprinten en vallen, zoals in de Scheldeprijs. Wielrennen zou moeten beseffen dat het een nichesport is en nood heeft aan een groter cliënteel wil het de strijd met ander entertainment niet verliezen.”

Van Reeth: “In Vlaanderen is de kijkdichtheid voor wielrennen nog boven de 10 procent. Nederland en Denemarken halen tussen 5 en 10 procent, en dat is het dan. De Tour meldt dat 3,5 miljard mensen wereldwijd kijken. Alle gerapporteerde kijkcijfers in het wielrennen, ook die van de Ronde van Vlaanderen en van het WK, moet je delen door tien. Er kijken dus geen 3,5 miljard maar 350 miljoen mensen naar de Tour, gecumuleerd. Gedeeld door twintig ritten zijn dat 17,5 miljoen kijkers per rit, steeds dezelfde kijkers welteverstaan.”

Lagae: “Sponsoren geloven die gecumuleerde cijfers soms nog, maar de tv-stations weten beter. Wielrennen is een dalurensport. De sport staat op omdat er mooie plaatjes bij horen van de streek waardoor ze rijden, maar de dag dat voetbal een zomersport wordt en gaat concurreren met wielrennen, wordt dat een andere zaak. In voetbal gebeurt elke minuut wel iets, in wielrennen niet. Soms rijden ze uren naast elkaar.”

Van Reeth: “Wat VTM nu doet, kleine lokale Belgische koersen uitzenden en die groeperen, wordt een Belgische versie van de Coupe de France. Ik ben benieuwd naar de kijkcijfers.”

Lagae: “Die wedstrijden zijn ooit al gecoverd door EXQI en Sporting Telenet, maar ik denk dat de kijkcijfers hoger zullen liggen op VTM. Het zegt veel over de populariteit en kijkdichtheid van wegwielrennen in Vlaanderen.”

Van Reeth: “En toch raakt ook bij ons wielrennen de jeugd kwijt. De gemiddelde leeftijd van de Belgische en Nederlandse kijker is 58-59 jaar. Ik vraag mijn studenten altijd of ze naar de Tour kijken: van de Vlaamse studenten is dat 5 procent. Van de buitenlandse heeft er soms al eens één een rit gezien.”

Lagae: “Bad demographics, zijn dat. 58 jaar is een goede fit voor Plus Magazine of Kerk en Leven, niet voor een tv-sport. De oudere kijkers vallen weg omdat ze doodgaan, maar aan de onderkant komt er niemand bij.”

Het economisch model van wielrennen is onhoudbaar

Van Reeth: “Dat de budgetten van alle teams de laatste kwarteeuw jaarlijks met 6 tot 7 procent zijn gestegen, en in België zelfs met 10 procent, is niet te verantwoorden. De waarde van wielrennen is niet in die mate toegenomen.”

Lagae: “De budgetten staan niet in verhouding tot de tv-rechten en de andere inkomsten. Ook de lonen niet overigens. Geen enkele renner zou meer dan 1 miljoen mogen verdienen in deze sector. Er wordt steen en been geklaagd over de lage prijzengelden, maar dat is ongeveer het enige wat marktconform is.”

Van Reeth: “In het wielrennen heb je drie grote bedrijven die sponsoren: Sky, Movistar en Dimension Data. Voor het overige zijn het lokale bedrijven, fietsenmerken, overheids-bedrijven zoals Katjoesja, drie loterijen en veel mecenassen.”

Lagae: “Wielrennen is te groot voor onze kmo’s en veel te klein voor de wereldspelers. Rabobank en T-Mobile waren de laatste en die zijn weggepest. Ik heb een sterk vermoeden dat het beladen dopingverleden van het wielrennen nog meespeelt.

“Er is een economisch model, maar geen economische hefboom. Een organisator kan heel moeilijk geld verdienen met wielrennen. Ticketing is onbestaande en ook moeilijk te organiseren. Drie van de laatste vier wereldkampioenschappen zitten in de financiële problemen.”

Van Reeth: “De Tour is terug op de Duitse nationale zenders. Juist ja, tegen amper 5 miljoen euro en slechts een uurtje per dag. In andere landen moet je die wedstrijd zoeken op kleine betaalzenders. Voor pakweg onze Ronde van Vlaanderen is dat nog erger. Spanje heeft ooit badminton uitgezonden in plaats van de Ronde: ze hadden vier miljoen kijkers.”

 

De Tour de France en eigenaar ASO zijn de grote boosdoeners

Lagae: “Een marktleider moet ervoor zorgen dat de sectoriële taart steeds groter wordt en dat doet ASO niet. Ze is een monopolist die alleen aan zichzelf denkt en die profiteert van het gebrek aan visie van een sector die slecht wordt gemanaged.”

Van Reeth: “ASO en de Tour denken eerst aan zichzelf. Ze organiseren veel en houden zelfs verlieslatende wedstrijden recht. Ze betalen ook dubbel zoveel prijzengeld uit dan ze moeten. Als ik zou kunnen kiezen tussen hoofdsponsor worden van een team voor 10 tot 15 miljoen of hoofdsponsor worden van de Tour voor 5 miljoen – meer exposure voor veel minder geld – ik zou het wel weten.”

Lagae: “We zijn in twintig jaar geen meter opgeschoten omdat ASO altijd dwarsligt. De UCI maakt een revolutionair plan, zwakt dat af tot een zachtgekookt ei en toch roept ASO onmiddellijk dat ze heel erg boos zijn en uit de WorldTour stappen. Dat is slecht voor het welzijn van het wielrennen. Elke cohesie van de ploegen wordt door ASO ook meteen aan flarden geschoten.”

Van Reeth: “De Tour en ASO spinnen garen bij de verdeeldheid en de onkunde van de wielerwereld, maar het is niet hun schuld dat de UCI en de ploegen er niet in slagen hun sport goed te beheren. En zij klagen niet, want na het slechte jaar 2014 zijn de kijkcijfers opnieuw gestegen.”

Lagae: “De teams moeten wel hun fixatie op de tv-rechten van de Tour opgeven. Ze moeten er juist zelf voor zorgen dat er veel meer tv-rechten worden betaald voor een interessant wedstrijdprogramma. Drie weken Tour, dat mag blijven. Het is een uniek evenement hebben we van de zomer nog gezien in Utrecht en Antwerpen en de editie van 2015 zat goed in elkaar met spannende ritten. Behoud naast de Tour de monumenten en klassiekers en plan daar rond wedstrijden op interessante locaties.”

Het wielrennen moet nieuwe markten aanboren

Van Reeth: “Vijf weken koers in Frankrijk en Spanje, vier weken in Italië; dat zijn honderd koersdagen in drie landen. Dat moet anders.”

Lagae: “Maar doe toch vooral goed waar je goed in bent en bewaar de traditie hier in Europa. Wielrennen is een logistieke nachtmerrie en de ploegen kunnen niet overal in de wereld een service course onderhouden. Bovendien vind ik niet dat je in pakweg Qatar moet gaan rijden als de temperaturen daar te hoog oplopen. Wat is daar de economische hefboom? Welke tv betaalt daarvoor? Staan te kijken: twee man en een paardenkop, pardon een kameel.”

Van Reeth: “Dat is op zich geen bezwaar. Je hebt als organisator niks aan al die mensen langs de weg van de Ronde van Vlaanderen, want toeschouwers vertegenwoordigen geen economische waarde. Zo kan een Arctic Race in Noorwegen zonder mensen langs de weg ook prachtige tv opleveren, alleen al door de mooie omgeving. Ik zou de traditie zeker behouden, maar daarnaast zou ik landen opzoeken waar geld is, zoals de Verenigde Staten, Australië, Canada.”

Lagae: “En waar de wegeninfrastructuur nog een groot peloton aankan, iets wat bij ons verleden tijd is. Wielrennen is in die veertig jaar dat ik het volg steeds gevaarlijker en gecompliceerder geworden. Anderzijds heeft nooit één structuurverandering plaatsgevonden, zoals in andere sporten. Voetbal kwam met de Champions League, en ook triatlon heeft zichzelf helemaal heruitgevonden met kortere, snellere events, weg van die lange slopende Ironman, die uiteraard ook is blijven bestaan.”

Van Reeth: “Wielrennen zou een voorbeeld moeten nemen aan biatlon en langlaufen. Daar hebben ze hun competitieformats aangepast aan de verzuchtingen van de tv-kijkers, met snelle spannende wedstrijden, met interessante formules als achtervolgingen en met prijzengeld dat hetzelfde is als van de Ronde van Vlaanderen.

“Met BMX heeft wielrennen spanning en spektakel in huis. Het IOC weet maar al te goed dat BMX de best bekeken wielerdiscipline was op de Spelen in Londen. Overigens, in de hele wereld is de 100 meter sprint of de openingsceremonie het best bekeken event van de Spelen, maar in Vlaanderen was dat de wegwedstrijd.”

Lagae: “Ik vrees dat we zijn blijven hangen bij het oude wielrennen, een concept van de trage samenleving van de jaren 50. Zolang we onszelf wijsmaken dat dit een wereldsport is die goed wordt geleid, zal ook niks veranderen. Wouter Vandenhaute had een miljard van CVC (verstrekker van durfkapitaal, actief in de formule 1, HVDW), Bakkala had Banque de Rothschild achter zich en toch lukte het niet. Grote spelers zijn mislukt. Er zijn te veel historische kansen gemist.”

The Economics of Professional Road Cycling door Van Reeth, Daam, Larson en Daniel Joseph wordt uitgegeven bij Springer Verlag en is te koop voor 165 euro.

Koers, een sport voor oude mannen

Column over Gouden Schoen en KAAG-RSCA in De Morgen van zat 16 jan 2016

We are Buffalo/Anderlecht

 

De Gouden Schoen is een gewone voetbalschoen met een heel dun laagje goud, zowel letterlijk als figuurlijk. Het is niet bekend hoe krasbestendig die is, maar ik heb weet van minstens één exemplaar dat naar het hoofd van de overspelige manlief werd gekeild. Die miste doel en vernielde ander huisraad. Aan de schoen was niks en de relatie houdt ook nog stand.

Winnaars van de Gouden Schoen komen in een mooi lijstje te staan, maar kopen er verder niks mee, tenzij dan het indirecte effect op het contract of gebeurlijke nakende onderhandelingen. Sven Kums heeft hem deze keer gewonnen, vóór twee van zijn mede-Buffalo’s. Het was natuurlijk hun sportieve baas Hein Vanhaezebrouck die met een lichte mix van sarcasme en verwondering de juiste analyse maakte. “We hebben ons wel moeten kwalificeren voor de achtste finales van de Champions League om die Gouden Schoen (en de zilveren en bronzen) binnen te halen.”

Heel juist. Na het behalen van de landstitel had Sven Kums in de eerste stemronde ocharme 25 puntjes gekregen. Laurent Depoitre, Danijel Milicevic en Brecht Dejaegere stonden toen na Aleksandar Mitrovic op plaats twee, drie en vier. In de Profvoetballer van het Jaar editie 2015, met de 360 collega-spelers als stemgerechtigden, stonden Depoitre en Milicevic respectievelijk op plaatsen vier en elf. Van Sven Kums geen spoor bij de eerste vijftien. Overigens had Club toen de eerste twee in de uitslag (Víctor Vázquez en Lior Refaelov), de Coach van het Jaar met Michel Preud’homme en de doelman van het jaar met Matt Ryan. Hein Vanhaezebrouck en Matz Sels werden telkens tweede. De spelers hadden moeten stemmen voor ze op vakantie vertrokken, ruim voor de kampioen bekend was en de uitslag werd ook nog eens bekendgemaakt in de week van 18 mei.

Drie dagen later klopte AA Gent Standard thuis en werd het kampioen. Eén conclusie dringt zich op: AA Gent werd begin mei 2015 nog beschouwd als een zwaktebod, een toevalstreffer die misschien kampioen zou worden, maar dan bij gebrek aan een echte traditiekampioen. En Kums, niet eens bij de eerste vijftien, was een gewone (mee)loper, ja toch?

Maar Gent bevestigde. Gent voetbalde zich naar de leiding. Gent speelde elf punten bij elkaar in de Champions League, meer dan de laatste drie Belgische deelnames (Anderlecht) samen. En ineens werd Sven Kums van een meeloper een wereldspeler. Dat is vreemd en dat kan niet alleen aan die elf doelpunten liggen dit seizoen, waarvan acht op strafschop. Ook niet aan zijn spel, want hij deed vanaf augustus precies hetzelfde als in het seizoen van de titel. Neen, Sven Kums werd ineens een hype, met dank aan de media.

Die zochten een gezicht voor het wonderbaarlijke spel van de Buffalo’s en dat kon niet alleen Hein zijn. Dus werd Sven Kums omgedoopt tot de Belgische kopie van Andrea Pirlo. Laat er geen twijfel over bestaan: alle lof wás terecht en zijn Europese wedstrijden wáren af, maar met het versturen van de stemformulieren van de Gouden Schoen ging het pedaal plankgas: Sven de metronoom, Sven de architect, Sven het verlengstuk, Sven de Pirlo en wat al niet meer. De media hadden gekozen – het Gala van de Gouden Schoen zou een Buffalo Night worden – en de kiesmannen (niet al te veel vrouwen in dat gezelschap), volgden gedwee. Afgezien daarvan, nog eens: terecht.

Maar zo weet u meteen wat Hein Vanhaezebrouck zal aangrijpen om zijn ploeg te motiveren voor morgen: “Mannen, ze hebben ons pas de laatste maanden voor vol aanzien. Laten we vorig seizoen nog eens overdoen. We are Buffalo. One team, one family.”

Morgen? Jawel, morgen is het Gent-Anderlecht. En als u wilt weten hoe Besnik Hasi zijn jongens zal motiveren, welnu, dat zal ongeveer zo klinken: “Gezien hoe het al AA Gent was dat de klok sloeg? Gezien hoe wij belachelijk zijn gemaakt? Olli heeft van De ideale wereld de Gouden Prothese gekregen. Pro-the-se godbetert. Gaan we ons hier ook laten wegspelen zoals in de heenwedstrijd thuis? Toch niet door Sven Kums mag ik hopen, want die was niet goed genoeg voor ons. En ook niet door Depoitre en al helemaal niet door Milicevic. En Sels beste keeper? Proto is de beste. We are Anderlecht.”

 

Column over BK veldrijden, Van Aert, Nys, et al. op Demorgen.be van 11 nov 2016

Sven Nys doet wat geen enkele topper hem ooit voordeed

 Wout Van Aert en Sven Nys. ©BELGA

Na het wereldkampioenschap veldrijden voor Belgen maakte de bewondering voor Wout Van Aert plaats voor een plotse opstoot van medelijden. “Ik heb de mooiste dag van mijn leven beleefd,” zei hij, droeg de overwinning op aan zijn vader en barstte in tranen uit. Je mag hopen voor deze talentrijke jongeman en zijn familie dat er niks ergs aan de hand was en dat hij bijgevolg een beetje overmand was.

Winnen in je achtertuin in een wedstrijd waarvan iedereen weet dat je hem zal winnen, daar mag je blij om zijn, maar er zijn nog veel mooiere dingen in het leven. Zoals winnen in een WK voor Belgen en Nederlanders, maar dat zal verdomd lastig zijn want in Zolder komt Wout Van Aert precies die twee Nederlanders tegen die net als hij veel te goed zijn voor deze parochiale discipline. Jarenlang hebben twee frisse jongens uit dezelfde Brabantse gemeente gedomineerd, gisteren en eergisteren wonnen van nieuwelingen tot elites haast alleen maar Kempenaars. Wie niet binnen wandelafstand van de Lilse Bergen was geboren, leek kansloos.

Dagen van tevoren werden de kansen gewikt. ‘Van Aert favoriet.’ ‘Meeusen en Pauwels hebben een kans.’ ‘Klaas Vantornhout heeft ook een kans.’ ‘Deze en gene renner is een kampioenschapsrenner.’ “Wat is een kampioenschapsrenner?” Ik hoorde die vraag stellen in de ellenlange voorbeschouwing en het antwoord was naast de kwestie.

Een kampioenschaprenner in een fysiologisch overzichtelijke discipline – een uur in het rood rijden – is een renner die een therapeutische uitzondering heeft voor corticosteroïden maar daar doorgaans heel weinig gebruik van maakt, tenzij voor de crossen die hij wil winnen. Zo hebben we er in het verleden een paar gehad die nergens waren in de weken voor de kampioenschappen en dan als opgevoerde vespa’s de favorieten klopten. Ze wonnen geregeld, op WK’s en BK’s, en ze lullen dat het geen naam heeft.

Het parcours was kansloos, maar het zou een hoofdrol spelen. In mijn zondagkrant stond op de voorpagina nog in grote letters ‘Vooruitblik op het BK modderpoelrijden’. Na doorklikken, kwam je op een pagina waar schande werd gesproken over het supersnelle parcours want er was geen sprake van modder. Ook de bondscoach leverde weer eens deskundig commentaar. Aardige man hoor Rudy De Bie, altijd van (te) goede wil, maar hij zou eens een keertje minder commentaar moeten geven en niet nog voor halfweg de analyse te maken dat het BK er op zit als Wout Van Aert geen pech heeft, of niet valt. Waarop Van Aert natuurlijk viel. Een bondscoach is een deus ex machina die moet horen, zien en vooral zwijgen.

Wout Van Aert, moet daar nog iets over worden gezegd? Hij startte zonder zonnebril en je zag zijn gitzwarte ogen blinken. Als een speer vertrok hij, reed twintig minuten in de voorhoede en zette dan zijn grote motor in. In die wereld van kleine motoren, volstond dat ruimschoots. Tom Meeusen probeerde te volgen, maar zag af bij de beesten. Hij wilde aan het infuus, maar dat mag niet meer, en zakte fel terug. Wout Van Aert probeerde zichzelf nog uit te schakelen met een gevaarlijk uitziende val, maar zelfs daarvoor was hij te sterk. Groot kampioen, zonder meer. Zonde van het talent, maar die strijd heb ik opgegeven. Elk doet wat hij wil.

En dan Sven Nys. Toegegeven, ik kreeg het een beetje op de heupen van die hoeraberichten uit zijn entourage. “Schitterende training van Sven.” “Snelste rondje ooit op dat parcours.” Sven is er helemaal klaar voor.” Ik geloof het allemaal wel en ik geloof zelfs dat Nys helemaal niet slechter rijdt dan een paar jaar geleden, alleen is de tegenstand vandaag in die voorbije vijftien jaar gewoon sterker dan ooit. Misschien moeten Van Aert en Van der Poel eens een trainingsrondje rijden terwijl Paul Van Den Bosch daar met zijn klokje staat. Nys is een flinke motor, Van Aert en Van der Poel zijn grote motoren. Het verschil in de snelste ronde bedroeg gisteren precies één kilometer per uur en dat is toch al gauw vier procent.

Afgezien daarvan: Sven Nys doet wat geen enkele topper hem ooit voordeed. Hij kondigt een afscheid ruim van tevoren aan, gaat vervolgens een jaar op tournee, rijdt overal waar maar kan gereden worden, koopt een team, lost ondertussen nog wat privé-sores op, en blijft al die tijd presteren. Dit podium op het BK is een tiende nationale trui waard. Diepe buiging.

Verhaal over de Ballon d’Or in De Morgen van zat 9 jan 2016

Jongleren met gouden ballen

(onderaan PDF met grafische elementen)

De vijfde voor de Argentijnse, met groeihormoon opgekweekte fladderengel van Barça? Of toch de vierde voor die arrogante, geniale, egoïstische atleet van Real? Messi is favoriet voor de Ballon d’Or, en zo stond het van de week ook al heel even per abuis op de site van de FIFA.

Volgende week is trofeeënweek in het voetbal. Je zou het niet zeggen als je er onze kranten op naslaat, maar de meest prestigieuze voetbaltrofee die wordt uitgereikt, is niét de Gouden Schoen. Een prijs met een onmiskenbare verdienste omdat die de beste Belgische speler bekroont, welteverstaan op de Belgische velden.

Neen, dan staat de FIFA Ballon d’Or van maandag, voor de beste wereldvoetballer van 2015, enkele trapjes hoger. Nog nooit heeft een Belg die prijs gewonnen. Erger nog, nooit heeft een Belg op het podium gestaan. Zelfs in het jaar dat onze nationale elf de allerbeste ploeg van de wereld – toch volgens de FIFA World Ranking – is geworden, zal geen Rode Duivel het podium halen. Stof tot denken en relativeren, in de eerste plaats over die… eerste plaats. Op de longlist van 59 namen voor de Ballon d’Or stonden drie Belgen – Kevin De Bruyne, Eden Hazard en Thibaut Courtois. Toen de longlist een shortlist werd van 23 namen, was Courtois afgevallen. Nadat de shortlist drie genomineerden had gebaard, was er van Belgen geen sprake meer.

Deze FIFA Ballon d’Or bestaat vijf jaar en toch wordt met deze editie de zestigste verjaardag gevierd. Hoe dat komt? De originele Ballon d’Or is een uitvinding van de Fransen en was nogal eurocentrisch: van in 1956 tot 1994 konden alleen Europese spelers in Europa winnen. Dus is er op de lijst in 1995 wel ineens sprake van George Weah, de Liberiaan en voorlopig enige Afrikaan, maar niet van Pele, Garrincha of Maradona. Vreemd genoeg dan weer wel van Di Stefano (Argentijn van geboorte) en Eusebio (die uit Mozambique kwam) omdat die door Spanje en Portugal geassimileerd werden, zoals dat toen heette.

De FIFA vond de Ballon d’Or met te veel voetbaleer gaan lopen. De sluwe secretaris-generaal van de wereldvoetbalbond die ook graag Afrika en Zuid-Amerika een prijsje gunde (en zelfs wat meer hebben we recent geleerd) vond daar wat op. Het was de verguisde Sepp Blatter die de FIFA Player of the Year Award in het leven riep en meteen pimpte met een grootse show. Die prijs begon in 1991 en is negentien keer uitgereikt, telkens parallel met de Ballon d’Or. Twaalf keer gingen de twee prijzen naar dezelfde voetballer, die dus twee keer mocht opdraven. Nadat tussen 2005 en 2009 vijf keer op rij telkens dezelfde voetballer de twee prijzen won, zijn die gefuseerd en daarom is de vijf jaar oude FIFA Ballon d’Or maandag tegelijk zestig jaar oud.

El Conejo Dopado

Wat die Gouden Bal ook bijzonder maakt, is het magazine dat de prijs al zestig jaar organiseert en mee beheert. France Football staat erop om in het eerstvolgende nummer na de uitreiking een interview van de winnaar te publiceren. Dat verklaart meteen de gelaatsuitdrukkingen voorafgaand aan de uitreiking: de winnaar die weet dat hij wint en die zijn best doet niet al te veel te blinken en de verliezers die de bui zien hangen, want: niet geïnterviewd.

Het interview moet dus vooraf en liefst discreet gebeuren, maar de sportpaparazzi liggen op de loer. Zo meende Tuttosport in 2006 uit een vreemd bezoek te kunnen afleiden dat Gigi Buffon had gewonnen en wel met vijftig punten verschil. Fout, en toch was het groot nieuws. Zo groot dat de echte winnaar Fabio Cannavaro heel lang de France Football-journalist niet wilde geloven toen die op hem toestapte, hem vertelde dat hij had gewonnen en hem vroeg of ze hem thuis konden interviewen.

Overigens is Cannavaro een van de meest omstreden winnaars ooit. Niet alleen omdat hij de eerste verdediger was sinds Franz Beckenbauer en Matthias Sammer, ook niet omwille van het verdedigende voetbal van de Azzurri op het WK van 2006, maar door de vieze zaakjes waarin hij was betrokken. Cannavaro speelde een seizoen eerder bij het Juventus dat moest degraderen na een omkoopschandaal. Misschien had hij met die affaire niet rechtstreeks te maken, maar in 2005 was een video-opname opgedoken van Cannavaro die liggend op het bed daags voor een UEFA Cup-finale een infuus krijgt en duidelijk en in volle ernst over doping praat. “Dat was een grapje”, hield de Italiaan vol en hij won de Ballon d’Or en de FIFA Player Award van 2006.

Van doping gesproken: als Lionel Messi wint – en daar heeft het alle schijn van nadat een journalist hem heel even als winnaar op de site van de FIFA zag staan en daar een schermafbeelding van nam – zullen ze in Madrid schimpen. Niet op La Pulga of De Vlo, maar op El Conejo Dopado, het gedopeerde konijn zoals de Argentijnse fladderaar van de aartsvijand liefkozend wordt genoemd. Er is iets van. De gang van zaken mag dan al gekend zijn, geen reden om die niet minstens om de zoveel tijd te herhalen: na zijn verhuizing naar Catalonië kreeg Lionel Messi als opgroeiende tiener van zijn club FC Barcelona een behandeling met groeihormoon cadeau en werd 1m70, wat een erg succesvol eindresultaat is voor zo’n hormonale behandeling.

Een wielrenner met die voorgeschiedenis had natuurlijk nooit gekoerst, maar Lionel Messi is een voetballer en is speelgerechtigd. Hij was het afgelopen jaar, behalve dan voor de Madridistas, zonder discussie de beste voetballer van de planeet. Hij won alle trofeeën die hij kon winnen, zoals de Champions League, de beker en de titel in Spanje, de Europese Supercup en het WK voor clubteams. Hij was bepalend in alle cruciale wedstrijden. Zijn concurrent Cristiano Ronaldo – CR7 – won niks, maar scoorde in 2015 wel meer goals: 48 tegenover 43 voor Messi, die structureel dan weer meer assists op zijn naam heeft.

Episch duel

Cijfers zeggen niet alles, want als de statistici zouden beslissen, dan kregen we een totaal andere klassering. Volgens onderzoekscentrum CIES, dat zich baseerde op de gegevens van data-analist OPTA, waren de beste spelers van 2015 Thiago Silva, Dani Alves, Ilkay Gündogan, Santi Cazorla en Mesut Özil. Lionel Messi stond op zes en kreeg daarom een plaatsje in het CIES- dreamteam, samen met Kevin De Bruyne en Eden Hazard overigens.

Maar voetbal is geen repetitieve sport, wel een spel van momenten en Ronaldo en Messi zijn de meesters van het moment. Al gaat het op de duur wel vervelen. Sinds 2007, toen Ricardo dos Santos Leite – beter bekend door zijn rare roepnaam Kaká – de trofee won en CR7 en De Vlo tweede en derde werden, hebben ze de zeven volgende jaargangen netjes onder hun beiden verdeeld. Eén voor Ronaldo in 2008, dan vier op een rij voor Messi en de laatste twee jaar weer Ronaldo.

Veel heeft te maken met de verandering van het kiessysteem. Oorspronkelijk bestond de jury uit 96 journalisten. Nadat de FIFA aan boord kwam, werd het een panel van vijfhonderd notabelen, bondscoaches, team captains van nationale ploegen en media, maar dan op zijn FIFA’s: uit alle 209 federaties.

In 2010 hadden de journalisten onder de stemgerechtigden voor Wesley Sneijder gekozen, maar de vox populi koos voor Messi; in 2013 was Franck Ribéry de favoriet van de journalisten, maar het werd Ronaldo. Gemakzucht en gebrek aan kennis van het wereldvoetbal in die kleine voetballanden? Dat zal wel, maar toch lijkt het dat deze twee heren een episch duel aan het uitvechten zijn. Sinds de komst van Ronaldo (van Man. United) naar Spanje hebben ze elk bijna 300 goals gescoord, maar wie is nu de beste voetballer van deze planeet?

Het antwoord is (wellicht) Lionel Messi. De tweeëneenhalf jaar oudere Ronaldo is een veel betere atleet, een betere kopper en scoort makkelijker vanop strafschop. Ze houden elkaar in evenwicht op het gebied van scorend vermogen en flirten daarin met de perfectie. Messi heeft een betere pass, een (nog) betere vrije trap, maakt zijn ploeg veel beter dan Ronaldo die van hem en is gedisciplineerder.

Overvolle prijzenkast

Opvallend: Ronaldo is Nike, Messi is Adidas. Uit de meeste (subjectieve) schoenentests blijkt dat de Superfly CR7 van Ronaldo beter scoort dan de Messi 15. Cristiano Ronaldo is ruim beter vergoed voor commerciële hand- en spandiensten: 24,8 miljoen euro tegenover 20,2 miljoen euro.

Misschien zijn de prijzenkasten toch iets relevanter dan de schoenen en de bankrekeningen. Real Madrid heeft met de grootste omzet van alle sportclubs in de wereld beduidend meer te besteden dan FC Barcelona, maar tegenover de vier Champions Leagues en
de zeven landstitels van Messi en Barça zetten Ronaldo en Real maar één Champions League en één landstitel. Ronaldo werd wel eerder drie keer kampioen in de Premier League met Manchester United en won ook één Champions League in Engeland.

Messi de international is ook nog eens wereldkampioen geworden met de U20, werd tweede op het grote WK in 2014, twee keer tweede in de Copa America en – ook niet te versmaden en vaak vergeten – won olympisch goud in Peking. Cristiano Ronaldo verloor een EK-finale in 2004 in eigen land, tegen Griekenland godbetert, en dat was het dan.

Voor een interview met pit moet je dan weer bij CR7 zijn. Zo boeiend en onvoorspelbaar het voetbal van Lionel Messi, zo slaapverwekkend en voorspelbaar zijn quotes.

Column Zidane in De Morgen van 9 jan 2016

Zidane

Het debuut van Zinédine Zidane vandaag als coach bij de rijkste ploeg van de wereld is hét nieuws van het weekend. Kan een wereldvoetballer ook een wereldcoach worden? De zelfvervullende profetie zegt neen, maar misschien kraakt Zidane wel de gelukscode die anderen niet konden achterhalen.

Laat u toch vooral niks wijs-maken. Of een voetbaltrainer slaagt, is voor 25 procent afhankelijk van zijn voetbal-IQ, voor nog eens 25 procent van zijn voetbal-EQ en voor de grootste helft van geluk. Tovenaar, dan wel sukkelaar, wordt grotendeels bepaald door dat geluk, enkele miscasts als Rik Coppens en Jean-Marie Pfaff niet te na gesproken. Eens een sukkelaar, heel moeilijk nog tovenaar. Omgekeerd: van tovenaar ben je zo weer sukkelaar, kijk maar naar Louis van Gaal.

Gisteren stond in de krant een monoloog van Emilio Ferrera, het prototype van de vakman die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was. Zet Emilio en Zinédine aan één tafel, laat hen een team analyseren en het mag nog Real zijn, ZZ houdt na drie minuten zijn mond uit vrees compleet af te gaan. In het Spaans of in het Frans, maakt niet uit. Ferrera heeft veel meer voetbalkennis om Real te leiden dan Zidane, maar een ex-speler en nu trainer van OHL geraakt alleen in de buurt van de dug-out van Bernabéu bij de dagelijkse rondleidingen. Dertien euro kost dat.

Wie gingen Zidane voor? Alfredo Di Stéfano, Ferenc Puskás, Johan Cruijff, Franz Beckenbauer, Diego Maradona, Marco van Basten en in mindere mate Ruud Gullit. De meest succesvolle is Beckenbauer, die eerst een wereldtitel won als speler, dan als coach en ook nog eens tweede werd. Daarnaast werd hij een keertje kampioen met Bayern, maar dat allemaal in de prehistorie van het voetbal, toen training nog vooral bezigheidstherapie was.

Ferenc Puskás werkte nooit met de Europese top en eindigde in Melbourne als coach. Alfredo Di Stéfano was ook geen groot succes, althans niet bij zijn Real. Naast Becken-bauer heeft de gepensioneerde en zieke Johan Cruijff het ook niet onaardig gedaan, met vier Spaanse titels en één Europabeker voor landskampioenen. Maradona, Van Basten, en neem daar maar Rijkaard en Gullit bij; die zijn jong en willen nog wel, maar zijn werkloos.

Zidane heeft dus alle schijn tegen. Wat herinneren we ons van hem? De Zidane-beweging natuurlijk en andere voetzooltrucjes. De volley tegen Leverkusen in de Champions League-finale in 2002. De ontelbare geniale goals en passes. Maar ook de twaalf (12!) rode kaarten, waarvan de allerlaatste op het allerslechtste moment, in de verlengingen van de finale van de worldcup van 2006 toen hij Materazzi velde met een kopstoot op de borst.

We kennen hem niet van de grote analyses, ook niet van de grote teksten, al heeft L’Equipe Magazine wel af en toe mooie interviews met hem gehad en hoorde je hem van de week heel vlot Spaans spreken. Zonder veel te zeggen overigens, want alle spelers waren formidabel en Guardiola ook, waarmee hij behoorlijk vloekte in de Madrileense kerk. Maar bon, misschien heeft hij wel oefenstof na zijn anderhalf jaar trainerschap bij de beloften en misschien herinnert hij zich nog van de versnelde cursus wat hartslagzones zijn.

Jammer genoeg is de hoofdcoach in het hedendaagse moderne voetbal daar niks mee, want dat kunnen anderen veel beter. De fysiekcoach zal de belasting wel sturen en om een situatie op het veld te trainen, heeft hij maar de schuif veldtrainers open te trekken die alle oefeningen van Azerbeidzjan tot Zimbabwe hebben genoteerd. Zidane zal vooral zijn uitgebreide staf moeten tevreden houden en aansturen, of althans die indruk wekken.

Laat dat nog een klein probleem zijn, maar van hoofdcoach Zidane wordt ook gevraagd dat hij de juiste baasjes op de juiste plek
zet en dat hij bij die baasjes de juiste knopjes indrukt. Vervolgens wordt hem gevraagd het spelletje uit te leggen op het digitaal bord en daarmee klaar te zijn nog voor de eerste gaat geeuwen. Ten slotte moet hij tijdens de wedstrijd de juiste baasjes wisselen voor andere baasjes. Het intuïtieve, impulsieve voetbalgenie Zidane wordt gevraagd een rationele, koele, berekende strateeg te worden, die valkuilen op een kilometer afstand herkent. De kans is groot dat dit slecht afloopt.