Column over wielrennen in de shit in De Morgen van zat 27 feb 2016

Bokrijk

 

De geesten zijn om. Dat mag je toch zeggen, nu ook een organiserende krant die zichzelf verkoopt onder de tagline ‘De koers is van ons’ tot het besef is gekomen dat wielrennen nog alleen in Vlaanderen goed verkoopt en dan vooral aan vijftigplussers. Dat wisten ze ongetwijfeld al, maar dat ze nu niet te beroerd zijn om daar ook een stuk over te schrijven, is niettemin opvallend.

Overigens is met vijftigplussers he-le-maal niets mis, wel integendeel, want die zijn juist het fanatiekst met de fietshobby en hebben ook het meeste geld te besteden. Anderzijds wordt het wel een probleem als alleen nog vijftigplussers kijken naar de koers, want die kijken niet omdat ze vijftig jaar oud zijn geworden en ineens de behoefte hebben om drie of vier uur lang bewegende baasjes te zien in de hoop dat die aan sporten toe komen. Neen, die kijken omdat ze dat van in hun jeugd hebben meegekregen. Als zij niet worden vervangen door jongeren die geleidelijk ouder worden met wielerpassie, hou je over twintig jaar alleen nog een grote groep (hoog)bejaarden en een handjevol jonge aficionado’s over. Van een regionale passie zoals vandaag zal geen sprake meer zijn en wielrennen wordt dan een beetje krulbollen, ook een sport ‘van ons’.

De geleerden die een paar weken geleden in deze krant al de noodklok luidden in het artikel ‘Een sport voor oude mannen’ hebben van de week in de Leuvense Economische Standpunten een doorwrocht stuk gepubliceerd getiteld ‘Een economische blauwdruk
voor het wielrennen’. Eigenlijk zeggen ze hetzelfde als in hun verhaal van 16 januari in deze krant, maar academischer en dus een beetje wolliger, ook minder hard. Wat ze ook doen, en daar hadden wij geen plaats voor: ze brengen bouwstenen aan voor een op alle vlakken beter beheerd wielerlandschap.

Heren professoren, hoe lovenswaardig uw visie ook, sta mij toe te twijfelen aan de effectiviteit van externe sectorversterking (management en medisch), vrouwenwielrennen, minder renners per team en innovatieve wedstrijdformules. De allereerste regel van de bullets op de cover van hun zevenduizend woorden lange epistel, vrij ter beschikking en een must voor iedereen die met koers is begaan, is ronduit vernietigend: de afwezigheid van een economische hefboom naast sponsoring, de zwakke economische regulering, de (weg)zappende sportconsument en de dichtslibbende openbare weg bedreigen het huidige wielerbusinessmodel. Nog meer deprimerende taal in de bullets: opgeblazen budgetten en salarissen door mecenassen, overdreven kijkcijfers, managementdeficit…

Elke andere sport is na zo’n analyse verschrompeld tot het artisanale niveau van de volksspelen, maar wielrennen zit te veel in de genen. De harde realiteit blijft wel dat het huidige wegwielrennen geen levensvatbaar businessmodel heeft. Het hele Pro Tour-peloton moet het stellen met één derde van de jaaromzet van Real Madrid. De volledige tv-rechten van het mondiale wielrennen bedragen evenveel als wat de laatste krijgt in de Premier League.

Als wegwielrennen zich niet dringend moderniseert, is het samen met de kasseien die wij zo graag berijden rijp voor Bokrijk. Natuurlijk zullen sympathieke anachronismen als het Vlaams openingsweekend, de Ronde van Vlaanderen en godbetert Parijs-Roubaix
nooit verdwijnen en gelukkig maar. Zolang ze evenwel de core van de business zijn en niet het randgebeuren, zullen we alleen in Vlaanderen (en in de zomer in Frankrijk) een beetje geld verdienen met de koers.

Om in het economische jargon te blijven: is een turnaround van de sector wegwielrennen mogelijk? Volgens de economen Wim Lagae en Daam Van Reeth, die net als ondergetekende een groot hart voor de koers hebben, is het vijf over twaalf. Hoe is het zover kunnen komen en waarom heeft niemand ingegrepen? Ik denk dat ik het weet. Ik heb vergaderingen meegemaakt met de hervormers en met de grote wielerploegen, ik was lid van een commissie van de UCI over het nieuwe wielrennen met daarin alle grote actoren vertegenwoordigd en ik heb drie jaar de werking van de Belgische wielerbonden van binnenuit meegemaakt. Managementdeficit? Dat is een understatement van formaat. Ik heb in al die organen, cenakels, commissies en coulissen slimme mensen, eerlijke mensen en zieners ontmoet, maar ook domme mensen, corrupte mensen en blinden. Dom, corrupt, blind – meestal een combinatie van dat alles – maakte de dienst uit.

U kijkt toch ook vanmiddag en morgenmiddag?

Advertenties

Interview Belgisch kampioen Preben Van Hecke in De Morgen van zat 27 feb 2016

‘Mijn wielerbestaan?

Een gratis fietsvakantie’

Achteraf was het geluk bij een ongeluk dat hij negen jaar geleden bij Topsport Vlaanderen belandde. Maar het Belgisch kampioenschap dat hij vorig jaar won, had dan weer niks met geluk vandoen. “Ik was de sterkste en vooral de slimste. Mij moeten ze geen koers meer leren lezen.”

Hij komt terug van Oman, bruingebrand op de plaatsen waar geen lycra, bril of helm zat en beaamt dat het verdomd fris en nat is in het thuisland. Zijn fiets in de nationale driekleur draagt achterop een spatbord voor een mountainbike waarmee de modale toertocht-toerist als een sissy wordt weggezet. “Je bent pas gek zonder. Drie maanden op natte wegen trainen, weet je wat dat doet met het gat van een coureur? En toch is er niets mooiers dan de Omloop winnen in guur weer. Dat blijft de mensen bij.”

Preben Van Hecke heeft ontzettend veel zin in het Belgisch openingsweekend. Als het weer wat meezit en dag één is geen calvarietocht, dan staat hij morgen ook in Kuurne aan de start. Dit zijn de maanden waarin hij zijn driekleur in de grootste wedstrijden hier te lande zal kunnen tonen. “De ploeg heeft me een mooi, vooral Belgisch programma gegeven tot en met Luik-Bastenaken-Luik, voor mij de mooiste wedstrijd van allemaal, met alle betere renners aan de start.”

Wat heb je aan die trui als je ermee in Frankrijk gaat rijden, redeneert hij. Hij rekent op meer aanmoedigingen dan ooit, zoals op de trainingstochten met zijn vriend en collega Greg Van Avermaet. “Hé Greg, hé kampioen”, roepen de mensen. “Dat is lachen.”

Voorgevoel

Rewind naar vorig jaar. Wonende in een aanpalend dorp sta ik op 23 juni naar een veredelde kermiskoers te kijken, Ruddervoorde Koerse, samen met echte kenners, onder wie een soigneur van een topteam, tevens een talentzoeker. Als het groepje van vijftien ontsnapte renners met een moordvaart passeert, zeggen de kenners: “Hmm. Het zou weleens voor Preben kunnen zijn, zoals die op zijn fiets zit.” Even later rijden er drie weg, onder wie Preben Van Hecke. Nog iets later wint Preben Van Hecke. “Dju”, vloeken de kenners. “We hadden Preben moeten spelen (bij de bookmakers).”

Ruddervoorde Koerse was nog maar eens een triomf voor Topsport Vlaanderen, op dat moment kwalitatief het beste Belgische team van de voorbije twaalf maanden met klassieke overwinningen van Jelle Wallays in Parijs-Tours en de eerste twee plaatsen van alweer Wallays en Edward Theuns in de semiklassieker Dwars door Vlaanderen. En toen, vijf dagen na Ruddervoorde, kwam het Belgisch kampioenschap.

Preben Van Hecke: “Ik was in vorm. Ik rijd altijd goed in mei en juni. Het was warm, ook in mijn voordeel, en ik was mee in de groep van 25 met veel goede renners en met Thomas De Gendt die voor Jürgen Roelandts ongelooflijk werkt verrichte. Van 25 ging het naar tien, toen naar drie, vervolgens naar twee. Jürgen Roelandts was er zeker van dat hij mij zou kloppen, maar ik was de beste die dag.

“Ik had een soort voorgevoel. Bij de bespreking in het hotel in Brussel zaten Oliver Naesen en ik aan de verste kant van een lange tafel waaraan we de briefing kregen over de wedstrijd. We konden niet alles goed verstaan. Niet erg, zei ik tegen Oliver, ik win toch. En Robert D’hont, onze soigneur, vroeg ik voor de koers mijn sportschoenen klaar te houden. Voor het podium, zei ik. Hij keek vreemd op, maar ik wist dat ik er niet ver af zou zijn. Toen QuickStep in de verdrukking kwam, de Lotto’s het voortouw namen en iedereen dacht dat wij de kaart Theuns trokken, terwijl die mij had gezegd dat het zijn dag niet was, toen wist ik dat ik een kans had.”

Moeilijke jongen

De ploegkapitein van een opleidingsploeg die alle zelfverklaarde grote Belgische renners het nakijken geeft, het was het zoveelste teken aan de wand dat het Belgische topwielrennen slabakt. Preben Van Hecke protesteert. “Jürgen Roelandts was niet zwak, hij was sterk. Greg Van Avermaet ook, maar hij kwam te laat. En de Lotto-tactiek klopte voor 99 procent. (lachje) Die van ons voor 100 procent. Ik weet inmiddels hoe er moet worden gekoerst, en oké, het was een zware wedstrijd van 250 kilometer, maar ik rij al twintig jaar met de fiets sinds ik begon bij de nieuwelingen. Ik weet hoe ik de koers moet lezen.

“Dat ik nu het ongelijk bewijs van Lotto, dat me in 2007 geen contract meer gaf? Een beetje wel. Ik heb het eigenlijk nooit goed begrepen. Ik had een goed 2005 en een goed 2007 gereden. Ik kon toen wat ik nu kan: heel hard en lang op kop rijden. En ik had toen ook al koersinzicht. Later heb ik begrepen dat ik de reputatie had een moeilijke te zijn. Een jonge ploegmaat kwam naar me toe en zei dat het best meeviel met mij, ook al was ik een moeilijke mens. Ik viel uit de lucht. Neen, ik heb nooit gevraagd waarom ik weg moest. Van enige rancune na die overwinning in Tervuren op het BK was echt geen sprake. Toch niet na negen jaar?”

Preben Van Hecke had goede leermeesters zoals Tom Steels en Bert Roesems, twee intelligente renners. Hij stak veel op van hen en is nu zelf wegkapitein, de coach op de fiets midden in het peloton. De spelmaker die niet noodzakelijk zelf moet scoren, maar die iedereen in het gareel moet doen rijden en ervoor moet zorgen dat de ploegtactiek wordt uitgevoerd.

“Ik praat veel voor de wedstrijd over wat er zal gebeuren en waar. Soms ben ik mis, maar meestal ben ik juist. De Omloop Het Nieuwsblad, hoe die zal verlopen? Dat is een simpele: bij het buitenrijden van Gent zal twintig, dertig kilometer hard worden gekoerst. Er zal een groepje van vijf, zes man wegrijden en tegen de Kruisstraat begint de koers en moet je vooraan zitten. (aarzelt) Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Net als op de Taaienberg. Ook daar: vooraan, als het kan. Ik kan daar niets betekenen, er zijn er te veel die dat beter kunnen dan ik. Het wordt voor mij dus de vroege vlucht, in de hoop het zo lang mogelijk uit te zingen.”

Peloton wint altijd

Het vak ‘dynamiek van de ontsnapping’, open vragen of multiple choice: Preben Van Hecke haalt grootste onderscheiding. Dat een goede ontsnapping niet te groot en te klein is, kan iedereen wel verzinnen, en dat de samenstelling moet kloppen ook. Maar dan: hoe vaak kom je op kop?

“Ik rij altijd, behalve dan die laatste anderhalve kilometer van het BK, maar dat was de koerstactiek van het moment. In een ontsnapping draai ik vol mee. Sportdirecteurs die dat zien vanuit de auto zeggen dan ‘doe eens wat minder’, maar zo werkt het niet. Als je in een groep van tien de enige bent die ‘sleept’, nemen ze je niet zomaar mee. En als je zegt dat je net kunt aanklampen, geven ze een snok om te kijken of je geen toneel speelt, en dan ben je er ook af.”

Maar dan: tactiek voor gevorderden. Soms loont het om een ‘sleper’ toch mee te nemen, vooral als hij van een grote ploeg is. “Het hangt allemaal af van de wedstrijdsituatie. Op het BK hadden we dat ook voor met drie QuickSteppers in onze groep. Het kwam erop aan die zo lang mogelijk mee te nemen om die ploeg op afstand te houden. Ik heb in Kuurne-Brussel-Kuurne eens de fout gemaakt om Rosseler van QuickStep eraf te rijden. Iets later kregen we de hele ploeg op ons dak.”

Vroege ontsnappingen zijn vaak zelfmoordmissies. Heel af en toe overleeft er eentje. Ook daar bestaat een recept voor, en dat begin bij lef. “Het peloton laat nooit betijen. Als ze besluiten ons op drie minuten te houden, dan moeten wij – de ontsnapten – het lef hebben om trager te gaan rijden. Je kunt geen ontsnapping volhouden waarin je twee uur tegen vijftig per uur rijdt. Maar als je trager rijdt, minder dan veertig bijvoorbeeld, zal dat peloton ook vertragen. Waarom? Er is een groep weg, niemand heeft baat bij een hergroepering op honderd kilometer van de finish waarna er weer als zot wordt gekoerst. Af en toe gebeurt het dat de ontsnappers voorop blijven, maar dan heeft het peloton zich altijd misrekend. Normaal gezien wint het peloton het altijd van de vlucht.”

Op de klassieke vraag of er een hiërarchie is in het peloton en hoe zijn ploeg van jonge jongens daarmee omgaat, heeft hij een genuanceerd antwoord. “Ik heb de indruk dat het nu lijkt alsof ze de air hebben: ‘Ik laat mij niet doen, nooit.’ Terwijl je juist moet weten wanneer je je plaats moet opeisen tegen de groten. Ik geef een voorbeeld: als Vincenzo Nibali zich in Oman na tien kilometer, als we nog koffie aan het drinken zijn in het peloton, door een klein gaatje probeert te wurmen, laat hem dan. Gebeurt dat vandaag met een grote naam op pakweg de Taaienberg, zet dan je elleboog wel, doe de deur dicht en zorg ervoor dat het gootje voor jou is. Zorg er vooral voor dat ze je geen vervelende collega vinden, want dan rij je niet weg.”

Een mooi leven

Dit is het weekend waarin Topsport Vlaanderen zich zal moeten tonen. De winter zijn ze goed doorgekomen. Die was zacht en niet te nat tot na Nieuwjaar. Daarna volgde net als bij de grote ploegen een stage in Zuid-Spanje en mochten ze mee naar Qatar en Oman.

“De Omloop en Kuurne zijn de wedstrijden waarin wij kunnen meedoen, omdat we dezelfde voorbereiding hebben gehad als die andere ploegen. Daarna gaan de Pro Tour-ploegen naar de Tirreno, Parijs-Nice en vervolgens Milaan-San Remo. Als ze daarna terugkomen naar Vlaanderen, merken wij dat het ineens een stuk sneller gaat. Jammer dat wij niet een van die wedstrijden kunnen rijden.”

Een ‘normale’ Belgisch kampioen van 2015 uit het tewerkstellingsproject Topsport Vlaanderen had die kunnen rijden, want die had in 2016 bij een andere, grotere ploeg gereden. Preben Van Hecke is niet normaal: hij is al 33. Toch kwam de Franse ploeg Fortuneo aankloppen en, toegegeven, hij heeft even getwijfeld. “De Tour rijden in een kampioenentrui zou mooi zijn, maar de Tour valt na het BK en de kans dat ik opnieuw win is nogal klein. Wellicht nemen ze dan toch een Fransman mee. Inderdaad, als ze al mogen gaan. Ik heb niet lang getwijfeld.”

Vrienden onder elkaar

De aanbiedingen hebben vooral zijn ego gestreeld, maar hij was zo slim om ook te gaan praten met Christophe Sercu, zijn ploegmanager. “Wij verdienen niet veel (de basissalarissen worden betaald door de Vlaamse overheid, HV), maar ik heb mijn Belgische titel toch kunnen verzilveren in de criteriums. Ik mag niet klagen. Ik heb nu weer werkzekerheid tot eind 2017. Het is niet met zoveel woorden gezegd, maar ik hoop dan door te kunnen schuiven als Walter Planckaert stopt en Hans De Clercq zijn job overneemt.

“Bovenal voel ik me goed bij die gasten. Wij zijn een vriendengroep. Wielrennen is een zware sport en het kan tegenslaan, maar euh… dit is niet echt werken. Zeg nu zelf. Ons seizoen begint in november en dan bellen we elkaar op. ‘Ik ga trainen, rij je mee?’ En we
gaan fietsen, op de weg, op de wielerbaan of op de mountainbike. Later gaan we op stage met de ploeg, weer fietsen met vrienden. Vervolgens gaan we nog eens op stage naar Zuid-Spanje. En ik heb wedstrijden gereden in Qatar en Oman, waar we als koningen werden ontvangen. Mensen betalen geld om met vrienden te mogen fietsen, wij krijgen geld. Ik zie dat de jonge gasten in onze ploeg dat niet beseffen. Ik was ook zo, maar nu ben ik 33 en weet ik: ik heb een mooi leven.”

Column RisingTrack in De Morgen van zat 20 feb 2016

RisingTrack

We kregen van de week een kekke mail van Wavemakers, een nieuw pr-bureau uit Waasmunster. Met pr-bureaus is het opletten, want als ze je eenmaal weten wonen, is stalking niet veraf; met nieuwe pr-bureaus is het nog meer opletten. Maar het bericht van Wavemakers zag er wel heel gelikt uit, dus las ik verder. Het ging over een crowdfundingproject voor atleten die te weinig geld hebben om hun sport te beoefenen. Om precies te zijn: over atleten die denken dat ze meer waard zijn dan de markt hen vandaag waard vindt en daarom de boer opgaan om geld in te zamelen.

Het project heet RisingTrack. Ik bespaar u de uitleg, maar er zit wel degelijk een idee achter die naam. Het initiatief komt van twee Brusselse hockeyspelers: ene Morgane Vouche – mij onbekend, maar dat ligt aan mij – en Jérôme Truyens uit Ukkel, een Brusselse gemeente waar ik ooit weleens ben geweest toen ze in Lochristi nog geen crematorium hadden.

Hoe werkt dat? Welnu, een atleet kan een project indienen, maar niet: ik wil een keertje naar Dubai op vakantie zoals de voetballers. Neen, het moet met presteren en met sport te maken hebben. Er wordt een bedrag vooropgesteld dat de atleet nodig heeft en die gaat dan de hort op. Schooien, zo u wil. Haalt de atleet 75 procent van dat bedrag, dan krijgt RisingTrack 10 procent. Halen sporters dat niet, dan krijgt RisingTrack 14 procent. Wat doet RisingTrack voor dat geld? Het begeleidt de sporter doorheen het traject met communicatietips en advies.

Het concept is origineel, vooral van de kant van RisingTrack, maar berust op een grove denkfout. Ergens in de perstekst stond: “Een gebrek aan financiële middelen zorgt ervoor dat sporters uit weinig gemediatiseerde sporten zelden van hun passie kunnen leven.” Dat is precies de denkfout. Waarom zouden sporters van hun passie moeten kunnen leven? We gaan in de sport toch niet beginnen zoals die culturo’s, die moord en brand schreeuwen (of beginnen drinken) omdat ze een onzeker bestaan hebben?

Sport, nogmaals, is de ultieme meritocratie. Ben je goed in wat je doet, dan zul je een dik salaris verdienen, anders niet. Dat geldt in de eerste plaats voor voetballers, bij ons ook voor wielrenners, voor tennissers en her en der nog wel voor een andere sport. Ben je goed in wat je doet, maar je zit niet in de sporten met veel geld, dan zal de overheid je een salaris betalen en veel van de kosten dragen. Dat is iets minder dan wat Eden Hazard verdient: om precies te zijn, een dagvergoeding van Eden. Maar daarvan kun je ook een heel jaar leven.

Het sportlandschap is verre van ideaal in België, maar alvast in Vlaanderen is er meer dan geld genoeg voor sport, alvast meer dan er topsporters zijn. De laatste keer dat ik checkte, kon meer dan een kwart van de beschikbare Vlaamse topsportstatuten en het bijbehorende salaris niet worden ingevuld omdat de atleten niet goed genoeg waren.

Het is een grove misvatting dat atleten onderweg naar de top financieel moeten worden gesteund zodat ze van hun sport kunnen leven. Een oud Afrikaans spreekwoord zegt: aan de rand van de woestijn groeien de sterkste planten. Niet in de woestijn, want daar is het te droog. Ook niet in de stad, waar de perkjes elke dag water krijgen. Neen, onzekerheid en schaarsheid onderweg naar de top is de beste voedingsbodem voor de ontwikkeling van sterke atleten.

Daarom klonk dat gezeur vorig jaar van die hamerslingeraarster/kogelstootster Jolien Boumkwo zo vervelend. Haar sponsoring was geweigerd en dat was niet eerlijk en het was altijd hetzelfde. Het is ook altijd hetzelfde: altijd weer vinden atleten die geen niveau
halen dat ze wel sponsoring en salaris verdienen. Neen dus. Gooi eerst eens die hamer en die kogel respectievelijk 10 en 3 meter verder, waardoor je de hielen van de subtop in het vizier krijgt en laat ons dan nog eens praten. We hebben het hier weleens over de sportwoestijn Vlaanderen/België, maar dat slaat op de absolute top. De argumenten om niet te presteren en geen aansluiting te krijgen met de top zijn in dit land onderhand opgebruikt.

In het spoor van Marc Coucke in De Morgen van zat 20 feb 2016

‘Winst is de finaliteit, in alles. Met voetbal wordt dat lastig’

‘Club-supporters, alsde straks vertrekt, voorzichtig mee ulder tracteurs.’ Niémand, en zeker niet iemand met een Gents accent, komt hier voor een West-Vlaams publiek mee weg. Niemand, tenzij apotheker, investeerder, weldoener, sponsor, schlagerkoning, masterchef, voetbalvoorzitter, miljardair en eeuwige student Marc Coucke. ‘Dat is toch plezant? Ik ben zelf ooit een beetje Club- supporter geweest.’

Dat grapje met de tractors viel te beluisteren vóór de wedstrijd van afgelopen zondag thuis tegen de leider. Zijn KV Oostende verloor nadien met 0-2, een domper op zijn persoonlijke vreugde en meer dan verwacht. “Ik trek het mij aan en ja, ik ben inmiddels toch een beetje zenuwachtig. Denk jij dat we play off 1 halen? (zucht) Ik hoop het. Allez, laat ons nog wat praten, want straks beginnen de optredens hier. Winnen of verliezen, het is hier altijd feest, maar ik denk niet dat ik zelf ga zingen. Het zal voor volgende week zijn (morgen, HV). Tegen AA Gent! Ik ben een Gente-naar en ik woon op drie kilometer van het Ghelamcostadion, maar dat is nu eens een club waar ik veel bewondering voor heb, maar geen enkele affiniteit mee heb.”

Het was afgelopen zondag tegen Club, ooit de club waarvan hij in de algemene vergadering van de vzw zat, maar het Oostendse voetbal, waar hij als kind in de spionkop stond, bleef al die tijd zijn grote jeugdliefde. Daarom was hij voor die wedstrijd, waarvoor
maar liefst 1.170 eetlustigen zich hadden gemeld – “een nieuw record!” – zo vreselijk op dreef. Het is de dag na zijn terugkeer uit Dubai (vakantie houden en mooie gebouwen bekijken met zijn zakenpartner/vriend Bart Versluys) en de dag vóór een trip naar Dublin, voor een bestuursvergadering van Perrigo, dat zijn Omega Pharma kocht. Later deze week werd bekend dat Omega Pharma op dieet moet, en dat Coucke door de dalende beurskoers in één dag een papieren verlies van 72 miljoen euro leed.

Maar vanavond dribbelt Marc Coucke van podium naar podium, op afstand bestuurd door personal assistant Brunhilde Verhenne, een ex-Miss Belgian Beauty. Hij praat twee keer tien minuten pure stand-upcomedy vol en bezoekt intussen de tafels die hij moét bezoeken.

Na zijn omzwervingen landt hij bij een centrale tafel in de Kama-lounge, genoemd naar de cartoonist-schilder voor wie hij via hun joint venture Kamacoucka mee het fortuin heeft gemaakt.

Daar zitten zijn ouders – beiden late tachtigers – en zijn familie, waaronder zijn broer-arts. Van eten komt nauwelijks iets in huis. Voetbal op KVO is wérken voor een operationele voorzitter zoals hij die wil zijn, want voetbal op KV Oostende is in de eerste plaats een networking event dat in Vlaanderen zijn weerga niet kent. “Juist. Waarom denk je dat hier vier vermogensbeheerders zitten? Het stikt hier van de kmo’s.”

Bij het verlaten van het businessgebouw na een halve dag in het spoor van Marc Coucke, krijgen we een kaartje mee met een link naar een fotogalerij. We zijn gefotografeerd, net als alle andere vip-haringen in een kleine Oostendse ton. Wij waren voor één dag KVO People, ze hebben ons een adreskaartje afgeluisd en de kans is groot dat we bij een volgende editie ook in de glossy vol foto’s staan. Het is wachten op de eerste mail om ons te ‘activeren’.

Geen euro van Albert

Dat grapje van die tractors kreeg u al mee, maar we hoorden er nog van Coucke vanop zijn podia. “Weet je hoe een Club-supporter een selfie neemt? Hij steekt zijn iPhone op een mestvork.” Of deze. “Naast de dug-out van Preud’homme hebben we twee vuilbakskes gezet. Eentje voor zijne pruimtabak, en eentje om zijn Calimero-eierschaaltje in te doen.” Het zegt u misschien niet zo heel veel, maar neem het aan van een ervaringsdeskundige: teksten als deze staan in West-Vlaanderen gelijk aan spelen met je leven. “Ach”, lacht Coucke. “Dat is toch plezant? De mensen weten dat ik het niet meen.”

Na de wedstrijd moet hij langs de Brugse spionkop passeren. Die zingen zijn schlager ‘Het is weer Couckenbak’ en proberen zijn weireldploegsje te ridiculiseren. Het zal wel helpen als je meer dan een miljard euro hebt staan om met één schouderophaal de dingen van je te laten afglijden, maar je kunt Couckes authenticiteit in deze omstandigheden alleen maar bewonderen. Ooit is hij in Humo verkeerdelijk omschreven als een fake operette-rijkaard, maar Coucke is niet fake: hij is altijd en overal zichzelf, altijd is het glas meer dan halfvol. Hij steekt zijn sjaal omhoog, lacht terug en krijgt applaus vanuit de blauw-zwarte hoek.

Niet menen? Hij meent het maar al te goed met zijn KVO. Morgen wordt de laatste thuiswedstrijd gespeeld in het Albertparkstadion, gebouwd in een parkje dat de toenmalige koning ooit aan de stad schonk. Tegen het einde van de zomer heet het stadion anders.

“Ik heb van Albert nog geen euro gekregen voor de naming rights. Ik heb de deal rond met een partner en te zijner tijd doen we daar een mededeling over. Na de wedstrijd tegen Gent gaat het halve stadion tegen de grond en tegen de nieuwe competitie hebben we hier de modernste tribune van het land.”

KV Oostende heeft misschien de look-and-feel van een Vlaamse kermis, wat te maken heeft met die verzameling koterijen waar je met enige moeite een stadion in kunt herkennen, maar er zit visie achter deze club, soms meer dan bij de groten uit Brugge of Brussel. Natuurlijk is het ook management by passion, zijn KVO, maar Coucke blijft te allen tijde ondernemer. En daarom verhuist KV Oostende juist voor het hoogtepunt van het sportieve be-staan voor de resterende thuismatchen en alles wat daarna komt, hopelijk play off 1, naar Roeselare.

“Het is nu of nooit. Dit stadion is gebouwd in stukjes: elke zeven jaar had de stad wat geld en is daar een koterij aan gezet. Dat gaan we nu gedeeltelijk rechttrekken. Niet helemaal, de rekeningen moeten kloppen. We maken van die tribune een aparte P en L. Euh, een profit and loss, we gaan dat apart beheren.

 

“Ik weet dat de voetbalwereld mij voor zot verklaart, maar ondernemen is anticiperen. En ik denk – als ons plannetje slaagt – dat we in Roeselare evenveel ambiance zullen hebben als hier. Onze supporters kunnen alvast voor 109 euro de vijf thuiswedstrijden volgen, inclusief de busreis naar Roeselare en terug. De lokale businesswereld is ook vragende partij en de Roeselare-supporter krijgt vermindering. En er zullen ook optredens zijn.”

Zoals van komiek Dirk Bauters, die ook een grapje maakte. “Mijn vrouw vroeg voor haar verjaardag iets roods dat van 0 naar 130 gaat in drie seconden. Ik heb haar een weegschaal gekocht.” Een hele zaal met zeshonderd eters was meteen mee.

In een discreter hoekje zat ook burgemeester Johan Vande Lanotte.

Toch goed, zo’n Coucke die besluit KV Oostende nieuw leven in te blazen, nietwaar? De burgemeester heeft net een dagje migraine achter de rug als we hem dat vragen en tot overmaat van ramp verloor een avond eerder zijn geliefde BCO, de basketbalclub die op twintig meter van het voetbalstadion is gehuisvest, voor het eerst sinds lang nog eens thuis. Maar toch. “Ik begroet iedereen die in onze stad wil investeren. Marc Coucke heeft een groot netwerk en hier werkt hij samen met Bart Versluys, een projectontwikkelaar die veel bouwt in Oostende. Die zal dat stadion wellicht voor een marge van 2 of 3 procent bouwen, terwijl hij aan ons misschien 20 procent zou rekenen. Begrijp mij niet verkeerd: ik ben hier blij mee.”

Kama en Coucke

Toen Marc Coucke in het voetbal investeerde, en dan nog in het zieltogende KV Oostende, werd dat weggelachen als water naar de zee dragen. Ondergetekende twitterde dat er geen economische achterban was voor KV Oostende en kreeg Marc Coucke achter zich aan. Immer beschaafd, dat wel.

“Ik heb KVO overgenomen, omdat de economische basis die er wel was, nog niet was aangeboord.” Hij zegt het op een ijskoude tribune waar hij tijdens de rust is blijven zitten en een bakje friet wegprikt. Iets later komt een Franstalige goeiedag zeggen. “Voilá, la preuve est lá. Mijnheer komt elke twee weken uit de Ardennen om een weekendje aan zee door te brengen en daar hoort ons weireldploegsje bij. N’est-ce pas?”

De man beaamt. “Ostende et le foot, c’est le plaisir, c’est la fête.”

KV Oostende trekt als een magneet een hele business community aan. Van een paar tientallen tot soms eens honderd eters, zijn er nu gemiddeld vijfhonderd, en voor uitschieters als tegen Brugge, Gent en Anderlecht gaan ze over de duizend en palmen de naburige Sleuyter Arena van het basketbal in.

“Sporteconomen zegden ook dat er geen markt was voor KVO. De kabeljauwen zouden niet naar het voetbal komen. Dat klopt, maar ze vergaten passie en emotie. De kinderen van Oostende supporteren nu voor ons en die zullen hun hele leven supporter blijven, net zoals ik dat ben geworden, een Gents manneke dat naar de zee kwam. Ik wil niet dat één supporter van ons wegblijft omdat het te duur zou zijn. Bij ons kon je dit seizoen voor 99 euro naar het voetbal. Daar ben ik trots op.”

Maar wie in de grote tribune in zijn buurt wil zitten, zal betalen. In het eerste jaar van zijn overname gingen sommige van die abonnementen van 199 naar 1.500 euro. Een kwart bleef zitten en betaalde. “65 procent ging naar de B-tribune en slechts 10 procent was echt kwaad. Dat was dus een goede zet. Weet je waar ik naar kijk? Tegen Moeskroen hadden we dit jaar 338 procent meer inkomsten dan vorig jaar tegen diezelfde ploeg.”

Tegelijk bond Coucke een aantal BV’s aan zijn club. Supporter nummer één was Kamagurka, programmamaker Martin Heylen van Woestijnvis was nummer twee. In 2014 begon Coucke dan met zijn ambassadeurs van KVO, waar inmiddels ook voormalige judogrootheid Harry Van Barneveld toe behoort. Die was er vorige week niet, of toch wel. Hij hield als agent in gevechtstenue buiten het stadion een oogje in het zeil.

Martin Heylen: “Nu heb ik een gratis abonnement, maar ik kom al op KVO van toen ze nog in tweede klasse speelden en ik mijn inkom zelf betaalde. Ik ben een voetbalman en met de tram of te voet naar mijn voetbalclub, dat heeft iets. Op de hoofdtribune zaten toen al in tweede klasse Kamagurka en Marc Coucke, met twintig meter tussen. Zij waren de enigen die voor de ambiance zorgden. Als de ene begon te zingen over ons ploegsje, het weireldploegsje, viel de andere in. Hilarische taferelen en niemand die toen kon vermoeden dat ze, wé, kampioen zouden worden en promoveren. En nu play off 1 als alles goed gaat… Wonderbaarlijk. Uiteraard is dat geheel de verdienste van Marc.”

Game changer

Marc Coucke heeft veel gezichten. Hij is ook mecenas, geeft gul geld aan kankeronderzoek en andere goede doelen. Tussendoor is hij ook een loyale vriend. Zo redde hij het leven van zijn zakenpartner Bart Versluys toen die dreigde te verdrinken bij een jetski-ongeval. Opvallend: wie Marc Coucke beter dan oppervlakkig kent, spreekt nooit kwaad over de man, zelfs niet als hij de micro opeist en begint te zingen.

Voor hij als zakenman miljardair werd, raakte hij in de sport bekend als hoofdsponsor van wielerploegen. Eerst van Omega Pharma- Lotto, later van Omega Pharma-QuickStep en nu van Etixx-QuickStep. Hij heeft een keuze gemaakt: voetbal wordt zijn kind, maar aan het wielrennen geeft hij meer geld uit en Patrick Lefevere maakt er het beste van. De koers zal hem in 2016 nog maar een paar dagen opslorpen.

“Het is niet te combineren, de twee. Hier beslis ik alles zelf, bij onze wielerploeg vertrouw ik op Patrick, al heeft die mij voor de aanwerving van Marcel Kittel wel eerst gecontacteerd. Een goeie aanwerving overigens, geef toe.

“In het wielrennen heb ik een betere return voor mijn geld, zeker als een ploeg je naam draagt. In het voetbal heb ik meer voldoening. Wielrennen heet meer aanraakbaar te zijn, maar het is en blijft een gesloten milieu. Je moet zelf hebben gekoerst voor ze je serieus nemen. In het voetbal koop je een ploeg en drie minuten later spreekt iedereen je aan met ‘voorzitter’.”

 

Je kunt het verschil ook anders uitleggen: in het verstarde wielrennen is geen plaats voor een game changer, zoals Marc Coucke te allen tijde wil zijn. “Wat is dat, een game changer? Ik stel altijd alles in vraag. Bij wijze van spreken zelfs waarom de bal rond is. En ik wil ook altijd beter doen. Met Bart Versluys wil ik aan de oosteroever in Oostende de mooiste wijk van de Belgische kust bouwen: prachtige appartementen in mooie, herstelde natuur.

“In het dierenpark Pairi Daiza gaan we volop investeren. Ik wil het mooiste dierenpark van Europa. Ik wil dat de bewoners van de oosteroever gelukkig zijn, de dieren van Pairi Daiza moeten gelukkig zijn en de toeschouwers van KV Oostende moeten ook gelukkig zijn.”

De finaliteit van de ondernemer in Marc Coucke is en blijft winst, want verlieslatende projecten uitdenken kan iedereen, zegt hij. “Ah, Vande Lanotte zegt dat ik ook winst ga maken met het voetbal? Als hij weet hoe dat moet, mag hij het mij komen uitleggen. Met voetbal is geen winst te maken, maar ik pas hier hetzelfde principe toe als in mijn bedrijf: alles wat je uitgeeft, moet een investering zijn. Met break-even zou ik al tevreden zijn. Oké, ik zou nu winst kunnen maken door al onze goede spelers te verkopen, maar dan heb ik volgend jaar geen ploeg. De winst die we vandaag op onze transfers hebben gerealiseerd, is dus virtueel. Maar winst moét de finaliteit zijn van ondernemen, alleen wordt dat erg lastig in het voetbal.”

Een ander geheim van Marc Coucke is zijn neus voor het juiste profiel voor mensen met wie hij zich omringt. Brunhilde Verhenne staat het dichtst bij hem. Voor de sportieve gang van zaken heeft hij Luc Devroe aangetrokken, ooit bij Club in diezelfde functie. Medisch doet hij een beroep op Chris Goossens, vroeger Beerschot. Voor zijn eigen communicatie en die van KVO doet hij een beroep op Wim De Meyer (ex-VTM, ex-Focus en ex-Club).

Allen doen ze hun hoed af voor hun baas. Wim De Meyer: “Marc laat je werken. Als het niet goed is, zegt hij: dat wil ik niet meer zien. Maar hij gaat niet brullen of schelden, zoals ik anderen heb weten doen.”

Chris Goossens lacht: “Ik sta er nog van te kijken, maar die Coucke heeft mij nu zo ver gekregen dat ik straks mijn praktijk als sportarts opgeef en fulltime voor hem ga werken.”

Marc Coucke zelf: “Ik laat de mensen doen. Patrick Orlans (de commercieel directeur, HV) vroeg mij na zijn contractbespreking om de hoeveel dagen wij elkaar zouden zien. Ik zei: nooit. Ik ben in 2015 misschien vijf dagen naar Oostende gekomen als er geen voetbal was. Ik ben niet zoals andere bedrijfsleiders, dat weet ik. Mijn nieuwe werknemers bij Omega Pharma nodig ik allemaal uit naar de Salamander (een legendarisch studentencafé in de Overpoortstraat in Gent, HV). Daar bij cafébazin Rita hou ik in het zaaltje achterin een doop en een cantus voor de nieuwelingen, elk jaar weer.”

Vesche ploaten

Marc Coucke is een cijferrealist in een surrealistische wereld en zo gedraagt hij zich ook: als een surrealist. Dat beeld komt van Martin Heylen, die hem ook rock-‘n-roll noemt. “Wat hij zingt is geen rock-‘n-roll, voor alle duidelijkheid, maar dát hij zingt. Marc is rock-‘n-roll in zijn s’en foutisme. Ooit nodigde hij mij mee uit bij Club Brugge in de bestuurskamer. ‘Mijn vrouw gaat niet mee, dus vraag ik jou mee.’

Tijdens de lunch heeft hij aan het bestuur van Club Brugge de toestemming gevraagd om ‘Vesche ploaten’ (verse pladijzen, verwijst naar het oude visserslied ‘Op de vissemarkt’, een KVO-clublied, HV) te mogen zingen. En ik moest meezingen. Je had Michel D’Hooghe en Bart Verhaeghe moeten zien kijken.”

Marc Coucke

 

Verhaal Sporten tot je Barst in De Morgen van zat 13 feb 2016

Sporten tot je BARST

Bewegen voor een betere gezondheid? Ja. Regelmatig sporten? Misschien. Heel veel sporten? Neen. Dit is de nieuwe boodschap: ‘Sport met mate: een goede fysieke conditie en de overeenkomstige egoboost is niet hetzelfde als een goede gezondheid.’

Ze waren er vroeg bij dit jaar: de recreanten-fietsers. De winter begon zacht en mooi, maar ging dan over in wekenlange stortbuien. Paniek! Ze/we hopen snel op minder regen om de kilometers op te kunnen drijven. Het doel is dubbel: lange fietstochten probleemloos overleven en op kortere tochten hogere snelheden kunnen halen. Ook wedstrijden, en die bestaan in alle categorieën en voor alle leeftijden. Of de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen uitrijden, 260 kilometer, voor de meesten een lijdensweg van tien uur of langer. Of nog andere uitdagingen.

“Wie ben ik om te zeggen, dat ze niet goed bezig zijn?”, glimlacht sportcardioloog Sanja Sharma van St. George’s, het UZ van de Universiteit van Londen. “Als ik zeg dat drie keer per week een uur flink doorstappen beter is, verklaren ze mij voor gek. Omgekeerd worden zij gek als ze niet intensief kunnen sporten. Dan is mijn keuze snel gemaakt: too is nooit goed, maar liever too much sports dan too little or no sports.”

Sharma is verbonden aan het English Institute of Sport, de Britse Rugby League, de Britse tennisbond en de London Marathon. De man met veel belangen in de topsport presenteerde afgelopen zomer samen met zijn team een studie voor de European Society of Cardiology. Uit de uithoudingssporten lopen, fietsen en triatlon werden 169 oudere competitiebeesten afgezet tegen een controlegroep van evenveel sedentairen, mensen die nauwelijks bewogen.

Wat bleek? Wie minder dan 150 kilometer per week fietste, ook minder plaque (vetafzetting, soms fout omschreven als aderverkalking) in de slagaderen had dan de sedentairen. De kans op hartproblemen, veroorzaakt door loskomende plaque of dichtgeslibde slagaderen, was duidelijk lager voor wie sportte. Maar wie méér trainde dan 150 kilometer per week, wat niet heel veel is, had meer plaque in de slagaderen dan de sedentairen, en in theorie dus een grotere kans op hartproblemen.

Die bevinding was niet nieuw, maar werd voor het eerst gestaafd door een grote representatieve groep. Ze is de zoveelste in de rij die waarschuwt voor de omgekeerde effecten van sport en vooral van een overdaad aan sport. De laatste twintig jaar duiken steeds vaker studies op die waarschuwen voor het tenietdoen van de gezondheidswinst die men verwacht te boeken met sport. Jawel, te veel sport is soms ongezond.

Langlaufen voor je leven

Er kwam meteen tegenwind. Michael Joyner, een dokter verbonden aan de befaamde Mayo Clinic in Rochester in Minnesota, reageerde in het Amerikaanse magazine Sports Illustrated op de studie met een boutade: “Voor elke studie die een negatief effect aantoont, geef ik u een studie het omgekeerde bewijst.” Die zijn er. De Zweden bestudeerden de deelnemers aan de befaamde Vasaloppet-race, een zware langlaufwedstrijd over 90 kilometer. Over een periode van tien jaar was de mortaliteit voor de skiërs maar de helft en lag het aantal hart- en vaataandoendingen nog lager. In mensentaal: wie aan die uitputtende race deelnam, had de helft minder kans om te sterven binnen de eerste tien jaar.

Ook hier past weer tegenwind, want soms is een bewijs geen bewijs. In 2013 verscheen in de European Heart Journal een studie die bewees dat de deelnemers aan de Tour de France langer leven. 786 Franse renners tussen 1947 en 2012 werden vergeleken met de Franse bevolking. Hun mortaliteitsgraad was 41 procent lager dan die van de gewone bevolking en ze leefden gemiddeld zes jaar langer.

Bewijst dit dat je langer leeft omdat je de Tour de France rijdt? Neen, wellicht is hier de selection bias in het spel, vooroordeel door selectie dus. De studie bewijst in de eerste plaats dat je over een uitzonderlijke motor moet beschikken voor de Tour de France – wellicht de zwaarste bekende sportwedstrijd van de planeet. En dat je ervan mag uitgaan dat diezelfde motor de deelnemers nadien in staat stelde om hun leeftijdgenoten moeiteloos te overleven, ongeacht de onwaarschijnlijke prestaties die ze van hun motor hadden gevraagd. Daarbij komt nog eens dat de meeste wielrenners na hun carrière er ook een relatief gezonde levensstijl op nahouden en nog geregeld sporten.

Wat die plaque betreft in de slagaders van uithoudingsatleten met veel kilometers op de teller, ook daar is enige nuance op zijn plaats. Neem Clarence DeMar. Als zevenvoudig winnaar van de Boston Marathon en de eerste masteratleet die na zijn sportpensioen doorging met trainen en competitie, was hij een levende mythe. Toen hij eind de jaren vijftig stierf (aan kanker), vond men bij een autopsie dat zich in zijn slagaders behoorlijk wat plaque had opgestapeld. Maar men vond ook dat zijn slagaders van de allergrootsten waren die ze ooit hadden gezien. Uithoudingstraining heeft zoals bekend een invloed op de grootte van het hart en het omliggende buizenwerk.

Couch potato

De plaquestudie van de Londense cardiologen bevestigt hooguit wat al langer was geweten, stelt Johan Van Lierde, cardioloog in Genk, gespecialiseerd in zogeheten ‘sportharten’ en het effect van sport op het hart.

“Ik heb heel wat oud-wielrenners in mijn patiëntenbestand. Ik weet al langer dat doorgedreven uithoudingstraining het hart schade toebrengt. Anders kan ik het niet stellen. “Ik zat vijfentwintig jaar geleden al met hartdoden die ik niet kon verklaren. Toen ik naar de befaamde Amerikaanse sportcardioloog Barry Maron trok met mijn vermoeden dat de sport zelf misschien de oorzaak kon zijn, werd ik net niet uitgelachen. Tegenwoordig waarschuwen alle cardiologen voor te veel sport, ook Maron.”

 

In 2011 kwam The Lancet met een epidemiologische studie die aantoonde dat te veel intensieve inspanning wel degelijk bestaat. 45 minuten inspanning per dag was volgens die studie de bovengrens. Er was bij langere inspanningen geen meeropbrengst in termen van gezondheid, integendeel, de gezondheidswinst nam zelfs af. Laat dit echter geen argument zijn om een couch potatoe te worden. Fit zijn is wel degelijk belangrijk, al was het maar om het vetpercentage en de suikerspiegel onder controle houden. Johan Van Lierde: “Maar wie denkt dat hij zich moet afbeulen om gezond te zijn, dwaalt. Verwar een goede fysieke conditie en de overeenkomstige egoboost niet met een goede gezondheid.”

Is het in de sport als in de marketing: less is more? Neem een eeneiige tweeling. De ene jogt drie keer per week twintig minuten en de andere traint vijftien uur als triatleet. Wie is beter en wie is gezonder? Van Lierde: “Als ze tegen elkaar gaan lopen, zal de triatleet veruit de snelste zijn, maar de jogger is gezonder bezig. Uit een Deense studie waarbij zowel sedentairen, gematigde sporters als fanatieke sporters in kaart werden gebracht, bleek duidelijk dat de niet-sporters en fanatieke sporters evenveel kans hadden om te sterven. Alleen de gematigde sporter realiseerde een levensduurvoordeel.

“Ik poneer wel eens dat je met een uur wandelen per dag een maximaal gezondheidseffect hebt, maar daarmee sta je natuurlijk nooit op de foto als competitiesporter of als competitieve recreant, die vooral geïnteresseerd is in winnen en dan pas in gezondheid.”

Oeroude lopersharten

Uithoudingssporten zijn in onze streken synoniem met lopen en fietsen. (Zwemmen is dat minder omwille van de hoge techniciteit en schaatsen is een te kleine groep.) Er is wel degelijk een verschil tussen de sporten. Lopen geeft minder problemen, volgens Van Lierde, maar wijst meteen op de sleet van het bewegingsstelsel die vele malen groter is bij lopen. “We fietsen nog maar een eeuw. Lopen doen we al miljoenen jaren. Lopersharten staan dichter bij de normale harten dan wielrennersharten, omdat wielrennen een mix is van explosiviteit en uithouding, waardoor het hart tegelijk vergroot en verdikt.”

Studies bij triatleten die over de eindmeet komen, hebben uitgewezen dat de voorkamers en de rechterkamer acuut zijn vergroot. En die hebben de dunste wanden, wat het meest gevaar oplevert voor ritmestoornissen. Van Lierde: “Als de elektrische stabiliteit van de voorkamers en de rechterkamer verloren gaat, wordt het risico op ritmestoornissen veel groter, en die kunnen levensbedreigend zijn. Vroeger werd aangenomen dat ritmestoornissen het gevolg waren van te intensieve sport, van hoge hartslagen, maar triatleten doen alles in uithouding. Jawel, het spijt mij zeer, maar acht uur fietsen aan 120 hartslag is ook hartbeschadigend.”

Er is dus vooral iets loos met onze regionale passie wielrennen. Het is de enige sport met een grote statische component (een krachtsport) én tegelijk een grote dynamische component (een uithoudingssport). Geen sport stelt hogere eisen aan het hart dan wielrennen. Het hart moet veel bloed rondpompen aan een hoog hartdebiet, en tegelijk moet het dat bloed door sterk samentrekkende beenspieren duwen om alle vezels van voldoende zuurstof en voeding te voorzien. Dat alles door een lichaam dat gehoekt zit.

Uit alle publicaties, onder meer van de Leuvense cardioloog Robert Fagard, bleek dat de structurele veranderingen in het hart van de wielrenners anders zijn dan bij andere uithoudingssporters. Afstandslopers krijgen ook een groter hart om veel volume te kunnen rondpompen, maar dat gaat niet gepaard met hypertrofie van het hart. Er treedt met andere woorden bij lopers en zwemmers geen verdikking op van de hartspier. Het hart van de wielrenner moet groter én sterker worden. Vooral dat laatste schept soms problemen, die niemand kan voorspellen.

Hartritmestoornissen

In 2003 verscheen een artikel in The European Heart Journal van de hand van zeven topcardiologen uit Nederland en België, waaronder ook Johan Van Lierde en Robert Fagard. Het artikel was het gevolg van een studie besteld door de internationale wielerbond UCI, die zich wel degelijk bewust was van een probleem. De werktitel was ‘Van koersen val je dood’, maar dat vond de UCI geen goed idee. Dus kwam daar de wat cryptische titel op: ‘High prevalence of right ventricular involvement in endurance athletes with ventricular arrhythmias’ (het vaak voorkomen van hartproblemen in de rechterkamer bij atleten met ritmestoornissen).

46 uithoudingsatleten met hartritmestoornissen werden gedurende bijna vijf jaar gevolgd. 80 procent waren fietsers. Ongeveer 5 procent had een verdikte hartspier of een afwijking aan de kleppen of de kransslagaders. 80 procent van de hartritmestoornissen hadden een zogeheten ‘linker bundeltakblok’, een vertraagde geleiding in de hartspier, door slijtage van het geleidingsweefsel. In 59 procent van de atleten ging het om een stoornis in de rechterkamer en in nog eens 30 procent was er een aanwijzing voor dat probleem. 18 van de 46 atleten kregen een belangrijke hartritmestoornis. Negen daarvan overleefden het niet. Alle doden waren wielrenners.

Conclusie: uithoudingsatleten met ritmestoornissen hebben die vaak in de rechterkamer, een gevolg van littekenweefsel in de hartspier. Dit zorgt voor verschillende zones van vertraagde of geen geleiding van de elektrische prikkel die het hart activeert: rond die zones ontstaan kringstroompjes, met kans op gevaarlijke ritmestoornissen. Dat littekenweefsel noemt men ‘het onderliggend aritmogeen substraat’.

Te alarmerend

“We brachten geen goed nieuws”, herinnert Van Lierde zich, toen de voorzitter van de cardiologische commissie van de UCI. “De studie is fel afgezwakt verschenen in The European Heart Journal. Later hebben we ze in de harde versie nog naar andere journals gestuurd, maar niemand durfde publiceren. We kregen mails terug in de zin van: too alarming for the athlete community to publish. Te alarmerend voor de sporters? Misschien wel, maar het was correct. Zo veel gezonde harten zonder onderliggende aandoening of genetische oorzaak die ineens stukgingen, dat was geen toeval. De sport was de oorzaak.”

Vandaag is elke cardioloog mee: op elk congres wordt gewaarschuwd voor te intensieve sport die kan leiden tot een toename van ritmestoornissen. Al blijft het ook voor die hooggespecialiseerden een raadsel waarom een machine van 10.000.000.000 cellen die

100.000 keer per dag goed klopt, die ene keer in de problemen komt. En toch, te véél sport mag dan voor ongezonde harten zorgen, te wéinig sport is, Sanja Sharma zei het al, nog slechter.

HANS VANDEWEGHE

Column over bondscoach Bomans oa. in De Morgen van zat 13 feb 2016

Goednieuwsshow

Bondscoach Carlo Bomans zet een stap opzij. Carlo Bomans was bondscoach van de profwielrenners op wereldkampioenschappen en Olympische Spelen en hij doet ook nog wat bij de juniores – en dat doet hij goed. Een stap opzijzetten in een functie waarbij je de verlanglijstjes noteert van de protagonisten die iedereen al kent, die voorlegt aan belanghebbende partijen om toch maar niemand tegen het hoofd te stoten, en vervolgens gaat puzzelen om iedereen tevreden te houden; is dat niet hetzelfde als weglopen?

Er is een verschil tussen bondscoach wielrennen en bondscoach voetbal. Met andere woorden: Bomans is Wilmots niet, al denk ik dat Bomans meer van koers kent dan Wilmots van voetbal. Maar in de functie van bondscoach wielrennen ligt nu eenmaal besloten dat ze niks voorstelt. Voor zijn selecties houdt hij rekening met de grote renners, hun ploegen, hun sponsors en wat de bobo’s boven hem suggereren. Eens op het WK zelf, rest de bondscoach nog twee vragen te stellen. Eerste vraag: wie denkt wereldkampioen te kunnen worden? Tweede vraag: hoeveel heb je daarvoor over? En als het over geld gaat, verlaat hij meestal de kamer. Voor die job stelde de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond (KBWB) gisteren zijn opvolger voor: Kevin De Weert. Die is veel slimmer dan Bomans, dus dat loopt niet goed af.

Ach Carlo Bomans. Aardige man, geen grote teksten, nooit eens op een zweem van andere dan koersintelligentie betrapt, maar altijd vriendelijk, ook al had je hem op zijn ziel getrapt. In mijn geval was dat door een gerucht dat mij destijds had bereikt: Bomans zou aan de vooravond van het WK in Valkenburg bij de ozondokter Mertens zijn gesignaleerd met een busje vol wielrenners. Dat was mij voor waar meegedeeld en er zou zelfs een foto in het gerechtelijk dossier zitten.

Ik heb dat dossier nooit gezien (later wel) en de foto ook niet, maar het was toen mijn plicht als directeur van Wielerbond Vlaanderen om het de bevoegde instanties te melden, voor het geval dit ooit aan de oppervlakte zou komen. Bomans heeft daar zelf in september vorig jaar iets over gezegd in de krant, anders had ik dit hier nooit opgeschreven, want het gerucht berustte op een verzinsel. Dat had ik in de daaropvolgende dagen al kunnen uitzoeken want de bewuste trip down doping lane – dat was de suggestie – zou met een busje van Wielerbond Vlaanderen zijn gebeurd. Alleen was dat busje in die week nooit van de parking van de Blaarmeersen in Gent weggeweest.

Ach Carlo Bomans. Toen hij mij vorige zomer op Copacabana zag staan aan de andere kant van de nadars, keek hij alsof hij een spook had gezien. Ik wenkte hem voor wat tekst. Er kwam niet veel uit. Niet erg. Ik weet dat coureurs altijd coureurs blijven: die vergeven een heel klein beetje, maar vergeten niks. En het verschil tussen boodschapper en boodschap is ook al een moeilijke voor het wielermilieu.

De opvolging van Carlo Bomans is aangekondigd door middel van een persconferentie. De herschikking van de coachingstaf, zo luidde het onderwerp, en het werd verpakt als een goednieuwsshow. Vreemd dat er met geen woord is gerept over het ontslag van baancoach Jon Wiggins en de stille begrafenis van de ambitieuze wielerbaanplannen. Zeven jaar geleden moest Michel Vaarten wijken omdat hij niet met de meer wetenschappelijke Wiggins door één deur kon.

Nu kiest de KBWB voor Vaartens opvolger Peter Pieters en wordt Wiggins de wacht aangezegd omdat Sport Vlaanderen, het vroegere Bloso, geen zin meer heeft in het subsidiëren van twee topsportcoaches. Begrijpelijk, voor een programma dat helemaal in elkaar is geklapt: de achtervolgingsploeg reed op den duur haast achteruit in plaats van vooruit en kon zich niet kwalificeren voor de Spelen. Uiteindelijk zal de KBWB deze zomer anderhalve (een hele Jolien D’Hoore en een halve Jasper De Buyst) baanwielrenner naar Rio sturen.

Jaar na jaar zijn via topsportsubsidies van Wielerbond Vlaanderen door de KBWB honderdduizenden euro’s gemeenschapsgeld verteerd voor een programma dat niks heeft opgebracht. Geen enkele sport heeft zoveel geld mogen uitstorten over zo weinig talent. Eén trainer heeft nu zijn werk verloren, maar de verantwoordelijken voor die verspilling blijven gewoon zitten en maken nu nieuwe plannen. O ja, een van de toptrainers van de wielerbond, Frederik Broché, verhuist binnenkort naar Manchester, waar hij de jeugdcoaches van British Cycling gaat coördineren. Ook dat is niet aangekondigd.

Interview Evi Van Acker en Wil van Bladel in De Morgen van zat 6 feb 2016

‘We stonden te roepen in de woestijn’

Volgende zomer zullen Evi Van Acker (30) en haar coach Wil van Bladel (55) dertien volle jaren hun lot aan elkaar hebben verbonden. Wat begon met een WK in Brazilië krijgt er ook een voorlopig einde, in Rio, met de derde Olympische Spelen op rij. Nog een hoogtepunt zou niet verkeerd zijn. ‘Dat brons van Londen ligt nog op de maag.’

Als op 22 augustus 2016 zeilster Evi Van Acker en haar coach Wil van Bladel samen met het Belgian Olympic Team terugvliegen van Rio naar Brussel, gaat de Braziliaanse deur voor een hele lange tijd dicht. In de weken na de Olympische Spelen van Londen in 2012 volgden al een eerste bezoek en een stage op het moeilijkste olympische zeilwater ooit. Hoe vaker ze er zeilden, hoe complexer het water werd. Drieënhalf jaar later is Rio hun tweede, af en toe zelfs eerste thuis.

Zopas hebben ze in Miami een World Cup gewonnen en volgende week gaat het alweer richting Rio. Als het moet, gaan ze dit voorjaar nóg een keer en dan reizen ze in juli ook nog eens extra vroeg af voor de de Olympische Spelen zelf. Sinds haar bronzen medaille in Londen heeft Evi Van Acker uren, dagen, weken, maanden samen met Wil van Bladel getraind in de Baai van Guanabara.

Toerisme zat er nooit in, op die ene strandvakantie in Búzios na.

Evi Van Acker: “Mijn vriend is overgekomen tussen twee stages in; zo moest ik niet naar huis. Verder hebben we niks van het land gezien, behalve een paar toeristische hotspots in Rio, zoals het Christusbeeld en de Suikerbroodberg.

(lacht)”Zelfs daar boven op die berg hadden wij meer oog voor de de stromingen in de baai en de verschillende kleuren van het water dan voor de stad Rio onder ons. Ik weet dat de Nederlanders, Australiërs en Engelsen voor Rio een hele equipe hebben om stromings- en klimaatgegevens te verzamelen en dat wij de stroming in kaart brengen door flesjes in het water te gooien en te kijken welke kant die opgaan. Maar ik heb Wil, en hij is misschien wel de beste coach van de wereld.”

Wil van Bladel: “Ik probeer alleen maar het onvoorspelbare zo voorspelbaar mogelijk te maken, waardoor je steeds zekerder wordt van je strategie.”

Plastieken strijkplank

Wil van Bladel was zelf olympisch zeiler in Seoel in 1988 voor Nederland en later succesvol ondernemer.Training by hobbywas het, zoals hij in 2003 ging samenwerken met twee zeilvriendinnen, de Nederlandse Merel Witteveen (die in 2008 in Peking brons zou winnen in de ynglingklasse) en de Belgische Evi Van Acker, toen twee getalenteerde Europe-zeilsters.

Een jaar later was Evi Van Acker, amper 19, twee ontgoochelingen rijker en zeilster af. Op het WK van 2004 had ze met een zeventiende plaats voor België een olympisch startbewijs veroverd, maar de zeilbond gaf haar olympische selectie aan de oudere Min Dezillie. Van Bladel schudt het hoofd: “Die was 71ste geworden op datzelfde WK, maar ze durfden het niet aan om voor Evi te kiezen.” Kort daarna werd haar bootklasse van het olympisch programma gehaald en vervangen door de laser radial. (tot Evi)”Weet je nog wat je zei? ‘Ik wil niet in die plastieken strijkplank.’ Ze was klaar met zeilen.”

Van Acker: “Ik studeerde toen in Amsterdam en werd lid van de studentenroeivereniging. Ik zat samen met Merel op kamers in de Jordaan en ik reed een half uurtje op de fiets naar de Bosbaan om te trainen. Prachtige tijd gehad, maar ik miste het zeilen.”

Van Bladel: “Toen kreeg ik een belletje van Evi. Ze had gezien dat het WK laser radial in 2005 in Brazilië was, in Fortaleza, en daar had ze ineens wel zin in. ‘Kunnen we gaan trainen?’, vroeg ze. Maar ik had bij wijze van spreken nog nooit een laser radial gezien.”

Inmiddels weet coach Wil als geen ander hoe die boot moet worden gevaren en is Evi vergroeid met haar plastieken strijkplank, die haar geen windeieren heeft gelegd. Twee keer brons en één keer zilver op de wereldkampioenschappen, brons op de Spelen in Londen, ontelbare overwinningen in regatta’s over de hele wereld en als gevolg daarvan een rist prijzen en erkenningen in eigen land: het Vlaams Sportjuweel in 2011 en in 2012 een tsunami met in één maand de Trofee voor Sportverdienste, de Vlaamse Reus en Sportvrouw van het Jaar.

De tgv en de boemeltrein

Evi Van Acker is een reuzin in de Belgische sport en zonder ongelukken is zij half augustus Belgiës grootste hoop op een medaille. Met haar winst vorige week op de World Cup in Miami heeft ze 2016 alvast goed ingezet. Over de olympische ambitie wordt niet moeilijk gedaan: een medaille en liefst goud. Alles moet wijken, zelfs het WK in Mexico in mei laten ze schieten. Van Acker: “Nog eens een jetlag, daar bedank ik voor. In een olympisch jaar tellen alleen de Olympische Spelen.”

In Londen in 2012 leken coach en atlete samen zó blij met het brons, wat bij ondergetekende een oprisping teweegbracht in een column: de Nederlandse Marit Bouwmeester baalde van zilver en de Vlaamse Evi Van Acker juichte om brons, hoe typisch. Drie en een half jaar later kunnen ze glimlachen om zoveel kortzichtigheid, maar ze zijn het allang gewend dat journalisten hun sport niet begrijpen. Er volgt een uitleg.

Van Bladel: “Ze moesten in demedal racedrie lussen varen in plaats van de normale twee en ongeveer alles wat kon misgaan was misgegaan, maar in die derde lus haalde ze nog iedereen in. Daarom waren wij zo blij: omdat ze uit een compleet verloren positie terugkwam en er nog een bronzen medaille uit sleepte. Maar over het hele toernooi genomen hadden we meer verwacht.”

Van Acker: “Mijn blijdschap was erg tijdelijk. Aan wal dacht ik al: verdorie, ik had goud moeten winnen.”

Perfectionisten zijn het, allebei. O wee, wie in de weg loopt. Op de nieuwjaarsreceptie van de Vlaamse Yachtingfederatie (VYF) drukte Wil van Bladel de aanwezigen nog eens met de neus op de feiten: hij en zijn atleten zitten op een tgv en het bondsbestuur zit op een boemel en die moeten allebei over hetzelfde spoor, waardoor een botsing onvermijdelijk is.

Van Bladel: “Dat is het eeuwige spanningsveld tussen de professionals en de benevole bestuurders. Dat vreet energie, maar we hebben het goed voor met mekaar. We zijn begonnen als twee roependen in de woestijn en inmiddels hebben we een mooi team. Ik hoop vier zeilers op de Spelen te krijgen.”

Een sessietje ‘afstraffen’

In augustus van vorig jaar, halfweg het olympisch testevent in Rio, had ik afgesproken in het huis van de Belgische zeilers boven op een heuvel nabij de gepacificeerde favela Santa Marta. Het was putje winter in Rio, het equivalent een warme zomeravond bij ons. De lucht zat vergeven van de insecten en we zouden samen iets eten. Vervolgens zouden we praten, over ambitie, of het gebrek eraan in de Belgische sport, over hun plannen, over medailles, over het leven. Er kwam niks van.

Die middag op het water had Evi Van Acker tegen de adviezen van haar coach gezondigd en ze was in Guanabara Bay samen met haar laser radial compleet de mist ingegaan. Ze eindigde 22ste of zo, wat haar het goud zou kosten. Ach wat, denkt een buitenstaander, in een vooraf-competitietje is een missertje snel vergeten en vergeven, toch?

Neen, want zo zitten Evi Van Acker en Wil van Bladel niet in elkaar. Eenmaal de boot afgetuigd had Wil een lange tirade gehouden
en dat had Evi zich aangetrokken. “De tirade ja, maar meer nog mijn eigen stomme fout.” Het was een intiem coach-atleetmoment waarvan ik ongewild getuige was, maar ze zat er ook niet mee dat ik haar tranen zag. Die avond was Evi niet aanspreekbaar, hing wat doelloos rond, piekerde zich suf en ging naar de koffer in. Morgen beter.

Van Bladel: “Ze revancheert zich haast altijd na zo’n uitbrander. Die heeft dus een functie want een dag later is ze wel weer scherp, al roep ik dan wel eens niet zulke prettige dingen, waarvan ik zelf schrik.”

Van Acker: “Ik kan dat plaatsen en ik presteer altijd beter als ik de volle laag heb gehad.”
Van Bladel:(lacht)”Kon ik dat maar elke ochtend. Neen, het vergt te veel van mij.”
Van Acker: “Wablief, de dag beginnen met een sessietje afstraffen? Neen, toch maar liever niet.”

Worden de Spelen van Rio het laatste kunstje van Belgiës beste zeilster ooit? Dat is nog niet als dusdanig uitgesproken en wordt dus handig ontweken. First things first en dat is Rio. Wat kan nu nog beter aan Evi Van Acker, nu al een van de beste zeilsters van de planeet?

Van Acker: “Mijn basisniveau is hoog, maar alles kan altijd beter. Met name mijn start: soms verlies ik te veel plaatsen en moet ik inhalen. Ik kan goed inhalen, maar als je voorin zeilt, ben je nog beter af en kun je kiezen waar je heen gaat.”

Van Bladel: “Ik zou haar zo graag feller die eerste wedstrijd van de dag willen zien ingaan. Ik heb ooit eens gezegd dat ze best iets meer bitch mocht zijn, maar dat werd dan meteen een krantenkop en bitch was ook niet het juiste woord. Die alertheid, van bij de eerste race, die moet ze in Rio oppakken.”

Wil en Evi zijn coach-atleet en – ondanks de uitbranders op geregelde tijdstippen – na al die jaren ook vrienden. Van Acker: “Zijn er atleten die hun coach niet kunnen luchten? Dat zou ik niet kunnen volhouden want ik zie Wil meer dan mijn familie. Als je zo vaak samen bent, deel je natuurlijk persoonlijke ervaringen. Als ik na een lange stage op Zaventem arriveer en er is iets dat Wil moet weten, bel ik onmiddellijk.”

Van Bladel: “Maar evengoed kunnen we elkaar een week niet horen als ze in Gent traint. Het is wel goed dat het niet meer één of één is en dat we met meerdere zeilers in onze groep zijn.”

Toen Wil van Bladel na de vorige stage in Rio plots ziek werd en men niet meteen de oorzaak kon achterhalen, was Evi Van Acker bezorgd over haar trainer: “Ze vonden maar niks en hij bleef maar ziek. Bleek dat hij door een of ander beestje in het zand was gebeten. Gelukkig is hij nu beter.”

Dat voorval heeft hen aan het denken gezet. Van Acker: “Je moet er wat voor over hebben om in Rio te zeilen. Je loopt er echt gevaar. Het kleinste wondje wordt ontsmet en afgeplakt. Er zijn zeilers ziek geworden van dat vuile water.”

Van Bladel: “Het is een schande dat het Internationaal Olympisch Comité nu ineens bezorgd is om de kwaliteit van het water, terwijl ze verdorie al jaren weten wat voor een troep het daar is. Vorige zomer viel het nog mee. Ik zag toen ook niks meer drijven zoals de eerste keer, toen ik koelkasten op het water ben tegengekomen. Maar in december had het veel geregend en was het weer één gore boel. Nu staan ze bij het IOC met het vingertje omhoog, maar ondertussen trainen wij al drie jaar in die vieze troep. ‘Wil, ga jij even uitleggen wat wij allemaal denken?’, vragen mijn collega-coaches dan.”

Nederlandse directheid

Wils wil is wet. Toch is inspraak voorzien en als die niet volstaat, kent Evi ook de omweg via Hyunghae, de Koreaanse vrouw van Wil. Die kookt in het Belgisch huis in Rio voor de zeilploeg en evengoed functioneert ze als een welkome gesprekspartner. Van Bladel: “Dat doet Evi subtiel. Dan zegt ze iets tegen mijn vrouw, met de bedoeling dat die het aan mij vertelt.”

Wil van Bladel is in 2007 voltijds coach geworden op de payroll van de Vlaamse Gemeenschap. De topsportsectie van Bloso, tegenwoordig Sport Vlaanderen, heeft een kluif aan Van Bladel, maar houdt van zijn directe aanpak en zijn on-Belgische

resultaatgerichtheid. De hele constructie Wil-Evi en de andere zeilers strekt tot voorbeeld in dit landsdeel, waar de topsport normaal van de compromissen aan elkaar hangt.

Van Acker: “Door in Nederland te gaan studeren(ze haalde er haar bachelor bio-ingenieur en maakte haar master in Gent af, HVDW)ben ik veel directer geworden. Wat in België achter de rug wordt gezegd, krijg je in Nederland zo op je bordje. Ik heb dat moeten leren.”

Van Bladel: “Evi laat zonder omwegen weten hoe zij het ziet en hoe zij het wil. Die rechtlijnigheid is fantastisch. Sport is het verhaal van een kar: je hebt mensen die achter de kar lopen en er zitten mensen op de kar. Slechts een paar lopen voor de kar, dat zijn de topsporters die zullen het maken. Daar is Evi bij.”

Column De Ideale Wereld in De Morgen van zat 6 feb 2016

DE IDEALE WERELD

Wat een bijzonder interessante ontwikkeling op de laatste dag van de wintermercato: AA Gent dat Mbark Boussoufa haalde. En wat was de reactie? Een 31-jarige, die in twee jaar nauwelijks wedstrijden van belang heeft gespeeld en die straks naar de training komt in een witte Bentley, en als het nog wat tegenzit godbetert in een witte Bentley met zwarte velgen. Zo werd het ongeveer voorgesteld in de media.

Of nog: AA Gent heeft Boussoufa gehaald en is geslaagd waar Anderlecht heeft gefaald. Dat is leuk gevonden, want het naait de clubs tegen elkaar op en Anderlecht vindt nu al dat Gent veel te veel aandacht krijgt. En een dag later: Hein Vanhaezebrouck moest Boussoufa niet, maar die is hem opgedrongen door het management/bestuur. Kijk eens aan, het bestuur en de trainer kunnen niet meer door één deur.

Regel één van de media: creëer waar mogelijk tweespalt. Wie de tekstuele neerslag van de persbabbel van Vanhaezebrouck las, zal zich wellicht hebben verbaasd over de titels want in de teksten over Boussoufa was Hein zijn eigen zelf. Behalve een toptrainer is Hein Vanhaezebrouck een top-communicator die consequent blijft in wat hij zegt. Hij sprak over ‘Bous’ zoals over alle spelers: hij zal moeten werken om zijn voetbal te kunnen spelen.

Een dag later legde Boussoufa zijn conditietest af: 69 VO2max. Hallo zeg, zouden er tien voetballers in België 69 halen? Zelfs een aantal profrenners haalt dat niet. Dat wil niet zeggen dat Boussoufa meteen negentig minuten lang strepen kan trekken in balbezit en voortdurend gaten kan dichtlopen bij balverlies. Het wil alleen zeggen dat de grote motor nog steeds intact is. Als zijn voeten nog op dezelfde plaats staan als in die jaren bij Gent en Anderlecht, en zijn hoofd wil mee, kan Gent daar plezier aan beleven. Of niet. Een speler halen is altijd een gok.

Het meest interessante aspect aan de transfer van Boussoufa is hoe die werd gehaald en door wie. Het is duidelijk dat de voorzitter van Gent, Ivan De Witte, een bepalende stem heeft gehad. De Witte maakt zich al langer zorgen over de tactiek van de tegenstanders die massaal verdedigen en rekenen op een counter of een blunder achterin bij Gent om een goaltje te scoren. En in het verlengde daarvan over het gebrek aan inventiviteit en scorend vermogen van de eigen Gentse aanvallers in de steeds kleinere ruimtes. Veel balbezit, weinig doelkansen, weinig goals, en 30 meter in de rug van je verdediging: voor een voorzitter is dat de snelste weg naar een hartinfarct.

Het is ook duidelijk dat Ivan De Witte voor de Boussoufa-stunt nauw heeft samengewerkt met zijn algemeen directeur/manager Michel Louwagie. Die tandem heeft na al die jaren een neus voor koopjes ontwikkeld en zo al vaker bepalende spelers naar Gent gehaald: Matz Sels, Laurent Depoitre en Moses Simon om maar die te noemen. Zonder die drie was Gent geen kampioen geworden. Maar ook niet zonder Sven Kums, op wie de trainer dan weer zo had aangedrongen.

In de ideale sportwereld en de ideale sportclub wordt het sportief personeel door een technisch directeur samengezocht in functie van de sportieve visie van de club en wordt daar een trainer-coach bij aangesteld. In de ideale sportwereld en de ideale profclub werkt de trainer met het materiaal dat hem is aangereikt. Bevalt het materiaal hem niet, dan vertrekt hij of komt hij niet. Clubs die spelers halen in functie van hun trainer, spannen het paard achter de kar.

In de ideale sportwereld en de ideale profclub is de voorzitter een protocollair figuur die zich inlaat met de vips en de andere protocollaire bestuurders, maar zeker niet met de ploeg. Het reilen en zeilen van de club wordt bepaald noch door de voorzitter, noch de trainer, maar wel door het management met dedirector of player personnelals cruciale figuur. In de ideale sportwereld is de profclub ook geen vzw maar een bedrijf. Het is duidelijk dat het Belgisch voetbal ver afstaat van de ideale sportwereld en onze clubs in niets gelijken op de ideale profclub. De media mogen zich gelukkig prijzen dat het geen ‘ideale wereld’ is, anders waren de sportkaternen maar half zo dik.

06-02-2016-De-ideale-wereld