Column 1974 in De Morgen van zaterdag 26 maart 2016

1974

 

Godallemachtig – neen, niet God en vooral niet Allah, maar gewóón allemachtig – wat was dit een kloteweek.

Dinsdag had ik een vlucht om 8.35 uur met easyJet naar Genève. Vanaf Brussels Airport, zoals dat nu in de hele wereld bekend is, met als eindbestemming Lausanne om even wat olympische banden aan te halen. Met alleen handbagage, boardingpass thuis geprint, lopen ervaren reizigers dan een halfuurtje eerder – zo rond een uur of acht – door de vertrekhal en zijn dan nog ruim op tijd. Ik niet. Ik wil te vroeg zijn, overal en altijd, en het betert er niet op.

Dus zat ik ruim van tevoren in de buurt van de gate met twee croissants, een sapje en een cappuccino. Dus was ik ook als eerste in het vliegtuig. Twee uur later stonden we nog steeds in Zaventem en kon ik de bus op. Naar nergens, zoals de vluchtelingen in Terug naar eigen land, maar minder format en meer luxe.

Ik werd gedumpt op 100 meter van mijn auto en ik prijs nog steeds mijn ingeving om al die vangrails als horden te nemen, het rolkoffertje achter mij aan door de slagbomen te wandelen, tegen het advies van de ordediensten in. Ik wil in één moeite de politieagent bedanken die mij met kogelvrij vest en getrokken wapen naar mijn auto begeleidde. Hij nam een foto van mijn perskaart en autokenteken en stuurde mij weg, waarna ik om halfelf uit P2 kon vluchten. Als een zombie reed ik tussen de ziekenwagens naar de ring, alle ellende achter mij latend.

Dacht ik, maar niet dus. We zijn drie dagen verder en ik heb geen klap uitgevoerd. Ik lees elke letter die verschijnt, ik vervloek elke politieblunder, erger mij aan het lamme gezwets in de media en ik heb mij misschien wat meer dan goed is opgewonden over Dwars door Arm Vlaanderen. Hoewel, je koerst níét in een land een dag na een slachtpartij.

Eén sportdirecteur sms’te mij: “Wat denk jij ervan dat we koersen?” “Achterlijk”, antwoordde ik.
“Ja,” zei hij, “wielrennen moet eens volwassen worden.”

Misschien, misschien ook niet, maar zo’n beslissing mag je nooit overlaten aan een incestueus milieutje als dat van De Koers. Want wat dacht u dat er speelde om Dwars door Arm Vlaanderen toch te laten doorgaan? Ethiek? Ode aan Brussel. Respect voor de doden? Neen, the show must go on. Stel je voor, al dat vip-eten besteld en dan geen koers, dát was pas een drama geweest. Maalbeek of Zaventem, och ja, dades verre van oes bedde.

En dan twee dagen later, van een totaal andere orde maar niettemin een flinke naklap: Johan Cruijff dood. De eerste reactie: nu al? En hij stond nog wel 2-0 voor, had hij zelf gemeld. Precies dertig jaar geleden heb ik als jonge reporter voetballes gekregen van Johan Cruijff, net coach geworden bij Ajax.

We stonden aan de vooravond van de dubbele België-Nederland die ons naar Mexico zou brengen. “België verdedigt omdat het onder de voeten is gelopen in de geschiedenis. Nederland valt aan omdat het de wereld heeft veroverd met de Vereenigde Oost-Indische Compagnie.” Hij meende het, ik zoog het op als een spons en schreef het neer in trance.

Als tiener was Johan Cruijff mijn Merckx van het voetbal. Ze hingen aan mijn muur naast de toen al dode Che, met dien verstande dat Johan meer Che was dan Eddy. Nooit heeft mijn supportershart meer pijn geleden dan in 1974. Merckx won dat jaar geen enkele klassieker, maar zette dat recht door de Rondes van Italië, Zwitserland en Frankrijk te winnen en ook nog eens wereldkampioen te worden. Al bij al niet slecht, maar de supporter in mij voelde het: er waren barsten in zijn pantser van onoverwinnelijke.

De voetbalzomer bracht een wonderbaarlijk Nederland dat onder leiding van Cruijff de wereld leerde voetballen, maar onbegrijpelijk de finale verloor van West-Duitsland. Ik zag die finale op 7 juli in Pontresina in Zwitserland tussen allemaal Duitsers. Het heeft dertig jaar geduurd om dat trauma te verwerken. In de zomer van 1974 ontdekte ik dat supporteren hetzelfde is als verliefd worden, wat ik toen ook was: het mag, het moet, zelfs met overgave, maar altijd met een slag om de arm.

Advertenties

Column over Johan Cruijff in De Morgen van vrijdag 25 maart 2016

Eerste steenlegger

van de Hollandse sportbranie

De jonge Johan Cruijff heeft zich ooit afgezet tegen de provo’s en de krakersbeweging in zijn thuisstad Amsterdam, maar zelfs zij waren wild van hem. Johan Cruijff, nummer 14, wás Mei ’68: de verbeelding was aan de macht zoals hij op noppen, zijn lange sluikharen wapperden in de wind, de verdedigers als standbeelden achterliet.

Hendrik Johannes Cruijff uit Betondorp was een Godenzoon, een kind van Ajax, opgegroeid in Amsterdam, de meest libertijnse stad van het westelijk halfrond. Geen toeval dat uitgerekend hij de architect werd van het grote Ajax, het fenomenale Oranje, later ook het grote Barcelona van de jaren zeventig. Hij was de eerste steenlegger van de Hollandse sportbranie en zelfs het Catalaanse zelfbewustzijn kan aan hem worden toegeschreven. Zonder hem had de wereld nooit gehoord over totaalvoetbal, was die nooit verliefd geworden op aanvallen en was er nooit nagedacht over 4-3-3 als hogere driehoeksmeting.

Misschien was er een betere voetballer vóór hem (Pélé) en ook na hem (Messi), maar geen heeft het voetbal zo wezenlijk veranderd. Ajax en Nederland onder regie van Cruijff en coach Rinus Michels toonden de wereld hoe er kon gevoetbald worden zonder libero, met opkomende vleugelbacks en centrale verdedigers, met positiewissels voorin en hijzelf zwervend tussen de lijnen.

De begenadigde voetballer stichtte mee de grootste kleine voetbal- en sportnatie Oranje en verleende Catalonië bestaansrecht. JC Superstar werd in 1973 verscheept naar Catalonië maar mocht van het Madrid van Franco het land niet binnen als hij geen meerwaarde betekende voor de regio. FC Barcelona liet hem dan maar inschrijven als landbouwwerktuig. Het werktuig ploegde niet, het danste over de vruchtbare akker van Camp Nou. Cruijff werd El Salvador, de verlosser die meteen in zijn eerste seizoen Barcelona kampioen maakte en Franco’s Real verpletterde. Op die golven van voetbaleuforie richtte Jordi Pujol in november van 1974 zijn nationalistische Catalaanse partij op.

Zowel bij Ajax (geen titels) als Barcelona (in acht jaar vier titels en twee Europacups) was hij een gewaardeerd trainer die zijn voetbalfilosofie trouw bleef: voetbal op de helft van de tegenstander, uitgaan van balbezit, altijd 4-3-3. “Omdat je bij 4-4-2 oneven getallen krijgt en dan kun je niet voetballen.”

Een minpunt dan maar? Jawel, meer dan één. Later werd hij af en toe een onbegrepen orakel met onzinnige quotes als hierboven en nooit heeft een betere voetballer, minder prijzen gewonnen, vooral dan door de eigen koppigheid. Het weze hem alsnog vergeven.

Gisterenavond heb ik – tegemoetkomend aan de behoefte om de ellende van Brussel en Zaventem achter mij te laten – naar de avondvullende programma’s gekeken in de hoop mijn twee favoriete goals te zien: die ene op het WK van 1974 tegen Brazilië, waar hij in de gietende regen de bal vliegend uit de lucht haalt en scoort. En uiteraard hét kippenvelmoment. 6 december 1981, Haarlem-Ajax. De 34-jarige Cruijff is terug op het Amsterdamse nest na omzwervingen over de hele wereld. Krijgt in de 21ste minuut de bal net voor het strafschopgebied van Sören Lerby, loopt een paar man voorbij, ziet in een ooghoek dat de keeper twee meter voor zijn goal staat en lobt dan vanop twintig meter.

RIP JC.

Cruijff RIP

Verhaal over het verval van de Cubaanse sport in De Morgen van dinsdag 22 maart 2016

Hasta la victoria,

maar niet altijd

 

Als Barack Obama vannacht de baseballwedstrijd tussen Cuba en de Tampa Bay Rays bijwoont, zal hij twee van de beste lokale spelers niet aan het werk zien: de broers Gourriel liepen weg en gingen in de VS spelen. Ook volleyballer Reinaldo Romero ontvluchtte zijn land, en geeft nu sportles in Gent: ‘We hebben veel aan Cuba te danken.’

Het gebeurde begin februari en het was nog de dag zelf groot nieuws op het eiland. Een groot deel was in shock, het andere deel haalde de schouders op. “Dos más, twee meer. Wie maalt daar nu nog om.” Alleen al in 2015 hadden 150 al of niet zelfverklaarde baseballspelers de wijk genomen in de hoop op een contract(je) op het Amerikaanse vasteland, maar dit waren geen gewone jongens, die de ochtend van 8 februari in de Dominicaanse Republiek uit hun hotel wandelden en niet meer terugkeerden.

Dit waren sterspeler Yulieski (31) en de beloftevolle Lourdes junior (22), telgen van de trotse Gourriels, een baseballdynastie die de vader nog olympische goud had zien winnen in Barcelona en die altijd trouw had gezworen aan de leuzen van de revolutie. Hasta la victoria siempre? Neen, niet ‘tot altijd’. Toch niet voor Lourdes en ook niet voor Yulieski, hoewel die in 2006 in een gesprek met The New York Times nog bij wijze van statement zijn favoriete boek had bovengehaald. Dat was getiteld Playa Girón, en gaat over hét strand in dé Varkensbaai, waar de Amerikanen in 1961 op hun appel hadden gekregen van Castro en co. en waardoor de revolutie overeind was gebleven.

Maar nu was het geduld ook bij hem op. De oudste van de broers wilde niet meer wachten tot de regering hem een uitreisvisum gaf om in de Noord-Amerikaanse Major League Baseball te spelen en nam zijn kleine broertje mee. Het voorbeeld van zijn minder getalenteerde ploegmaat José Abreu stak hem ongetwijfeld de ogen uit. Die was in augustus 2013 weggelopen en kreeg vorig jaar een contract van zes jaar voor 56 miljoen euro bij de White Sox uit Chicago. Van het land waar de baseball zo schaars is dat die na een homerun door het publiek wordt teruggegooid, in plaats van die te houden zoals elders in de wereld, naar het land van de onbegrensde miljoenencontracten.

“Niemand kan die verlokking weerstaan, maar het is wel jammer voor Cuba, want geen van de sporters die vertrekt, kijkt nog naar zijn land om. En dat zou anders moeten, want we hebben veel aan Cuba te danken.” Dat zegt Reinaldo ‘Rey’ Romero, 46 jaar, freelancesportlesgever bij de vzw Vlabus en volleybaltrainer in de lagere reeksen. Rey is in het Gentse vooral bekend om zijn zumbalessen, minder om zijn verleden als volleybalinternational.

Hij was de vierde sportman en de eerste niet-baseballer die Cuba ontvluchtte, door in 1993 simpelweg achter te blijven in Honduras. Hij had de nationale selectie voor Barcelona 1992 net gemist en was omgeturnd tot beachvolleybalspeler, een nieuwe olympische sport in 1996 op de Spelen van Atlanta. Cuba was een sterke olympische natie van 11 miljoen inwoners en had een eer hoog te houden.

Romero deed wat de Gourriels en vele anderen later zouden doen: hij bleef achter in het buitenland. De Cubaanse regering was razend. “Het was midden in de período especial. De USSR bestond niet meer en steunde ons niet meer, er was armoede. Rijst met bonen ’s middags en bonen met rijst ’s avonds? Dat was luxe in die tijd. Als we drie keer per week rijst met bonen hadden, was het veel. Ik voelde mij beperkt in mijn kansen en ik wilde meer.”

De jongste van zes kinderen, student aan de sportuniversiteit in Havana, leerde in Honduras een Belgische vrijwilligster kennen en kwam later met haar naar Gent. Hij settelde zich, is er graag gezien en spreekt zeer goed Nederlands. “Mooie stad, mooi land, maar aan jullie weer zal ik nooit wennen. Als ik met pensioen ben, wil ik terug. Ik heb al een Cubaanse reispas, want zelfs als Belg mag ik anders niet terug. Ik breng momenteel mijn papieren in orde zodat ik daar ook een eigendom kan verwerven.”

Afromen

Cuba verlaten is niet moeilijk voor wie deel uitmaakt van een reizend team. De Cubanen sturen altijd enkele veiligheidsagenten mee, maar die dweilen met de kraan open. Bovendien laven ze zich in het buitenland ook graag aan de plaatselijke geneugten en er is gewoon niet genoeg personeel en geld om iedereen in de gaten te houden. Voor baseballers (en voor niet-sporters) zijn de VS de logische eindbestemming, want elke Cubaan die zich aanbiedt en geen misdadig verleden heeft, krijgt er politiek asiel en een woning.

De sport met de grootste leegloop is baseball, en dat is het gevolg van de verlokking van de Major League Baseball, waar het minimumsalaris 460.000 euro bedraagt. Ook Japan en Zuid-Korea betalen goed. Na baseball is voetbal de meest getroffen sport met 32 ‘overlopers’. Geen enkele Cubaanse voetbalspeler schopte het evenwel tot de grote competities. Hun bestemming is vaak een minder voetballand in Midden- of Zuid-Amerika.

Volleybal is de derde sport die het meest te lijden had en die zelfs na 2001 (zie verder) voor jaren is onthoofd door een massale uittocht. Contracten in Italië, het Verre Oosten, Polen of Rusland zijn vaak een half miljoen euro waard, maar in tegenstelling tot een baseballspeler die snel aan de slag kan, eist de internationale volleybalbond een twee jaar durende ontluizingsperiode waarin de weggelopen speler niet voor een ander team kan uitkomen. Atleten uit individuele sporten kunnen blijkbaar goed aan de verlokkingen weerstaan, wellicht omdat er ook in het buitenland met hun sport geen geld te verdienen valt.

De regering heeft pogingen gedaan om het beste van twee werelden te combineren. Romero herinnert zich nog hoe het was. “Een speler die een geldprijs won in het buitenland, kreeg daar misschien enkele procenten van. Later heeft de INDER (Instituto Nacional de Deportes, Educación Fysica y la Recreación, opgericht in 1961, twee jaar na de revolutie, HVDW) dat bedrag opgetrokken, maar zij hielden wel nog steeds het grootste deel.”

 

Ook de salarissen gingen omhoog en de Castro-doctrine dat sporters niet méér mochten worden betaald dan bouwvakkers, omdat ze evengoed de revolutie moesten uitdragen, werd geleidelijk verlaten. Yulieski Gourriel werd drie jaar geleden nog geprezen omdat hij in Cuba bleef, in de nieuw opgerichte ‘profcompetitie’. Zijn salaris werd opgetrokken naar 800 euro per maand en dat mocht hij helemaal zelf houden, in tegenstelling tot spelers die mochten vertrekken naar andere landen dan de VS en tot 30 procent afgeroomd zagen door de INDER.

Terugkeren zit er voor de meeste traidores (verraders) of desertores (deserteurs) niet snel in. Romero, al lang in het bezit van een Belgisch paspoort, kon pas in 2014 voor het eerst weer naar Cuba. Begin deze eeuw vroeg hij al eens toestemming om zijn zieke vader te zoeken, maar toen in december 2001 na het Witte Molentoernooi in Sint-Niklaas zes van de beste Cubaanse volleybalspelers achterbleven en naar Italië trokken voor politiek asiel, werd hun vlucht hem aangerekend en kon hij zijn visum wel schudden. Vader Romero stierf zonder dat zijn jongste hem had gezien. Zijn moeder overleed vorig jaar, maar die heeft hij nog kunnen bezoeken; sinds 2014 is hij vier keer teruggekeerd.

Hij is een kind van het Cubaanse sportsysteem, en daar wil hij nog steeds geen kwaad woord over horen. Hij noemt het streng, erg streng zelfs, maar doeltreffend. Zelf begon hij op de EIDE van Pinar del Rio. Een EIDE – Escuela de Iniciación Deportiva Escolar – is een middelbare sportschool waar de grootste talenten van de provincies worden samengebracht. Er zijn er veertien over heel Cuba. In elke provincie één, dat geldt ook voor de zogeheten profteams in het baseball. “Veertien is te veel”, schreef laatst The Havana Times, een kritische onlinekrant die in Nicaragua wordt gemaakt, met Cubaanse correspondenten. “We hebben te veel teams voor te weinig talent.”

De grootste sporttalenten (uit andere sporten dan baseball) worden vervolgens doorgestuurd naar de ESPA Nacional – de Escuela Superior de Perfeccionamiento Atlético – waar toptalent wordt afgewerkt. Romero zat op de EIDE in Pinar en later bij de ESPA Nacional, maar hij studeerde en speelde volleybal aan de Universidad de las Ciencias de la Cultura Física y el Deporte Manuel Fajardo. In de volksmond is dat beter bekend als La Mariposa, een halfopen sporthal met dak als de vleugels van een mariposa, een vlinder. Dáár heeft het Cubaanse volleybal zijn eigen krachtige versie van het spel ontwikkeld, tot ze werden ingehaald door de Amerikanen, Brazilianen en Europeanen en twee Olympische Spelen misten.

Harde valuta

Elke sport heeft zijn heiligdom. Dat van de boksers ligt even buiten Havana in Wajay. La finca (het landgoed), zoals de Cubanen het centrum noemen, is goed beveiligd en ligt aan het einde van een moeilijk te vinden weg. Het was er al geen vetpot, toen ondergetekende en fotograaf Stephan Vanfleteren er zich namens deze krant in 1995 naar binnen praatten. Luxe was dan al ver te zoeken, de hutjes van de boksers primitief en het krachthonk een verzameling Chinese en Russische gewichten, zo roest als maar kon. Boven de zes boksringen hingen revolutionaire leuzen en foto’s van Fidel en Che.

Romero: “Ik kan mij inbeelden hoe het er nu moet uitzien. Jij vond het erg? In 1995 was de situatie voor de sport op haar best. Vandaag is de infrastructuur dramatisch achteruitgegaan. Ik liep bij mijn laatste bezoek in Pinar even de EIDE binnen waar ik zelf had gezeten. Om te huilen. Niets werkt nog. Alles lijkt versleten en staat op instorten. Ze hebben godbetert vier volleyballen die naam waard, maar dan van het soort waar wij in België niet meer mee willen trainen.”

De desintegratie van de Cubaanse sport heeft de voorbije tien jaar onrustwekkende vormen aangenomen. Daar zijn verschillende oorzaken voor. Zoals de DDR destijds heeft Cuba te lijden onder een negatieve bevolkingsaangroei: er wonen vandaag niet meer Cubanen op het eiland dan een kwarteeuw geleden, maar ze worden steeds ouder. Met name bij de jonge bevolking is weinig animo om te blijven, en de sporters zijn daar geen uitzondering op.

Ook de handel in Cubaanse knowhow dreigt hen zuur op te breken. Cuba stuurt sporters naar andere landen in ruil voor harde valuta, maar doet dat al veel langer met trainers. Romero: “Ga naar Venezuela, naar Mexico, naar Brazilië, en je vindt er onze beste trainers. Vooral onze bokstrainers zijn erg gewild, want wij hadden de beste boksopleiding ter wereld. Die trainers maken onze tegenstanders in sneltempo beter. Als een Cubaan verliest, staat er vaak een Cubaanse trainer in de andere hoek.”

Twintig jaar geleden stond aan de luchthaven van Havana een enorm reclamebord: Cuba es un país de hombres de altura. Vrij vertaald: Cuba is een land van lange/grootse mensen. Het stond boven een foto van Javier Sotomayor, tot vandaag nog steeds de wereldrecordhouder hoogspringen met 2,45 meter. Maar dat was halfweg de jaren 90, toen de Cubanen gevreesde sportieve tegenstanders waren. Verleden tijd.

Of de mooie tijden nog terugkomen? Romero heeft er een hard hoofd in.”Dat denk ik niet, terwijl er toch een oplossing is. Als elke Cubaanse sporter die goed geld is gaan verdienen in het buitenland nu eens zijn eigen sportschool steunt met geld? Al was het maar om de muren te verven en wat materiaal te kopen, want zo kan het echt niet verder.”

Cuba nam voor het eerst deel aan de Olympische Spelen in Parijs in 1900 – twee jaar voor de onafhankelijkheid – met één atleet die ook nog eens goud won, de schermer Ramón Fonst. De eerste medailles kwamen alleen van schermers, een verdwaalde zeiler niet te na gesproken. Tot 1934 was Cuba een Amerikaans protectoraat en ook nadien beïnvloedden de VS de lokale politiek, tot de revolutie van Fidel Castro, Che Guevara en andere compañeros in 1959. Tussen 1914 en 1964 haalde Cuba twee medailles.

BARCELONA 1992 WAS HOOGTEPUNT

Pas vanaf 1964 ontwikkelde het zich als sportland – Enrique Figueroa eindigde tweede op het koningsnummer van de 100 meter in Tokio 64 – maar vanaf 1968 werd boksen de sport nummer één.

Cuba boycotte de Spelen van Los Angeles in 1984 en vraagt zich tot op vandaag af waarom het als enige land vier jaar later ook in Seoel weigerde deel te nemen. Op de Olympische Spelen van 1992 was de Cubaanse sport op haar hoogtepunt met 31 medailles, waarvan 14 gouden. Nooit had een kleiner land (11 miljoen inwoners) beter gepresteerd, op de DDR na, die in 1988 met 16 miljoen inwoners 102 medailles won. Ondanks de penibele economische toestand na het ineenstorten van het Oostblok en het opdrogen van de steun uit Moskou bleef die hoogconjunctuur drie Spelen lang aanhouden. Tot in Athene 2004 kon Cuba de schijn nog wat ophouden, met 27 medailles en 9 keer goud, maar vanaf Peking ging het bergaf. In Londen (2012) won Cuba nog 15 medailles, een derde daarvan goud.

Boksen (boxeo) is met afstand de meest succesvolle sport, met 67 medailles. Atletiek volgt met 40 en twee andere vechtsporten – judo en worstelen – tekenen voor respectievelijk 35 en 19 medailles. Het Cubaanse schermen is helemaal weggezakt, maar heeft 16 ereplakken bij elkaar getikt. De nationale teamsporten baseball en volleybal pakten elk 5 medailles, waarvan 3 gouden.

De teloorgang van zowel schermen, baseball als volleybal lijkt symbolisch voor de vergane glorie van het eens zo grote sportland. Baseball is sedert 2012 geen olympische sport meer en dat is een behoorlijke streep door de nationale passie van de Cubaan, die zich nooit meer heeft verheugd dan in de overwinning in Atlanta (1996). Het overlopen van werper Rolando Arroyo naar de gehate Yanquis tien dagen voor de openingsceremonie was daarmee uitgewist.

Cuba, het verval vande sport

Column Démare op demorgen.be van 21 maart 2016

Ofwel is Démare zijn voornaam Femke, of hij heeft aan de klink gehangen

Wielrennen is misschien een sport voor oude mannen, maar zeker ook voor drukke mannen/mensen. Je zet de tv aan – in mijn geval met nog ruim honderd kilometer te gaan – en dan kan je van alles. Nieuwe schoenplaatjes monteren, inbusje halen, ander inbusje halen, tussendoor klodden visseneieren in de vijver zien drijven en een massale goudvissenabortus plegen, even tot achter in de tuin lopen en vervolgens terug naar de tv om te merken dat je niks hebt gemist.

Hoewel, zoals gebruikelijk in de moderne koers vallen ze om de zoveel kilometer. De meesten staan op, een paar blijven zitten. De heel aardige Julien Vermote bijvoorbeeld kon niet meer verder, was mijn indruk. Misschien is hij toch verder gereden, maar toen was ik al even iets anders halen. Neen, lees ik ineens op de mail, hij is geopereerd. Beterschap gewenst.

De Cipressa heb ik gezien en ook de beklimmingen van een tweetal capi. Vervolgens ben ik gaan zitten voor de Poggio met nog acht kilometer te gaan. Nog drie kilometer had ook gekund want toen begon het pas. Dachten we. Dachten ook Michel Wuyts en José Decauwer. Zij zagen niet dat Michal Kwiatkowski was ingelopen. Geen verwijt. Mijn scherm is vier keer groter en ik had het ook niet gezien.

Vervolgens viel er nog eentje van Etixx-QS met nog honderd meter te gaan – ik dacht Zdenek Stybar, maar het was Fernando Gaviria – en toen was de witte streep al heel dichtbij. Een rode renner leek te gaan winnen, waarna een witte renner van nergens uit na 296 kilometer tien meter op kop kwam. Het waren de laatste tien meter en de witte won: Démare, zowaar.

Dát is nu zo leuk aan wielrennen. Na de wedstrijd is het niet afgelopen. Ook nu weer niet, want Arnaud Démare zou aan de klink hebben gehangen tijdens de beklimming van de Cipressa. Dat zou zijn gebeurd na een val. Matteo Tossato van Tinkoff en Eros Capecchi van Astana zagen hem voorbijrijden naast een ploegwagen aan het dubbele van hun snelheid, getuigden ze. Onzin, riep zijn ploegleider, drie ploegmaats stonden hem bij.

Oké, gaf de ploegleider toe, hij had natuurlijk een bidon aangenomen. Zoals u al heeft gemerkt duurt het soms een halve minuut voor ze zo’n bidon goed en wel vast hebben. Die uitleg van de ploeg volstond niet: de bellen gingen af en Twitter ontplofte.

Op de app Strava stond heel even de file van Démare en tien minuten later was die alweer gedeletet. Gisteren stond zijn Strava-segment van de Cipressa weer online en daaruit bleek dat hij op Van Avermaet en de leiders ongeveer veertig seconden had goedgemaakt tijdens de klim. Dat kan, op voorwaarde dat ze vooraan niet al te snel doorrijden. 5,6 kilometer tegen gemiddeld vier procent in tien minuten overbruggen, is in elk geval behoorlijk goed gereden voor een weliswaar sterke sprinter, maar toch een sprinter. Meer zelfs, dat is fenomenaal goed gereden.

Gisteren wist een twitteraar dan te achterhalen dat Démare de snelste Cipressa-beklimming uit de geschiedenis van Milaan-San Remo had gereden en wel aan 34,2 kilometer per uur. Dat mag je die jongen niet ontzeggen, want Démare is nu eenmaal een groot talent, maar het werd bepaald vervelend toen de eeuwige Finse twitteraar @ammattipyöräily uit de files kon opduikelen dat Démare tijdens die klim van 5,6 kilometer zowaar een topsnelheid van 52 per uur had gehaald.
Ook dat kan, maar niet bergop en ook niet in de eerste kilometer, want die gaat tegen 5,8 procent omhoog en ook niet de laatste anderhalve kilometer waarin hij twintig seconden goedmaakt. Hier is dus meer aan de hand, maar geen enkele commissaris heeft iets gezien. Deze zaak wordt straks verticaal geklasseerd, maar in het peloton zullen Démare en FdJ voortaan met argusogen worden bekeken.
Wielrennen is misschien steeds minder een sport van liegen en bedriegen maar trop blijft te veel. Er is maar één oplossing: verplicht al die profploegen voor eens en voor altijd met geijkte vermogensmeting te rijden en laat een onafhankelijke commissie van experts achteraf de files analyseren. Als daaruit blijkt dat Arnaud Démare de Cipressa is opgereden aan pakweg 300 watt, zijn er twee mogelijkheden: of zijn voornaam is Femke of hij heeft aan de klink gehangen.

Column E-Poggio in De Morgen van zat 19 maart 2016

E-POGGIO

Ronde van San Luis, Qatar, Oman, de Omloop, Kuurne-Brussel-Kuurne, Strade Bianche, Tirreno, Paris-Neige, Handzame Classic: steek ze waar u plaats heeft, geniet ervan als u desgevallend heeft gewonnen, maar besteed er voorts niet te veel aandacht aan. Vandaag begint de wielerlente, vandaag is de eerste echte koers.

Bijna 300 kilometer vlak en dan een heuveltje over, zo wordt Milaan-Sanremo nog weleens al te simpel voorgesteld. De capi voorafgaand aan de Poggio en natuurlijk de Cipressa zijn lopers, maar in een nerveuze, snelle wedstrijd worden dat flinke kuitenbijters waar de sterke renners de jus uit de benen halen van de minder sterke. In de laatste kilometer vóór de top van de Poggio en de drie laatste kilometers licht bergaf naar de streep wordt het verschil gemaakt.

Naar het schijnt hebben wij dit jaar een paar kanshebbers om Milaan-Sanremo te winnen. Dat wordt dan tijd, want het is geleden van Fons De Wolf in 1981 dat een Belg won (Andrei Tsjmil, winnaar in 1999, was een Moldaviër met een Belgisch paspoort).

Overigens circuleert op Twitter een interessant grafiekje met de gemiddelde klimsnelheden op de Poggio van de laatste 35 jaar. Vanaf 1991 (Claudio Chiappucci), met een piek in 1994 (Giorgio Furlan), gingen die snelheden door het dak. In 1990 was men nog tegen een modale 31,5 kilometer per uur naar boven gereden. Een jaar later werd dat meteen 36,5 en Furlan haalde in 1994 zelfs een fenomenale 38,5 op een klim van 4 kilometer met een stijging van om en nabij de 4 procent.

Als de Poggio de E-Poggio wordt. Want aan de hand van de snelste klimtijden kan men perfect de geschiedenis van de bloedmanipulatie reconstrueren. In 1994 stond het Italiaans epogebruik op zijn hoogtepunt. Furlan reed voor Gewiss-Ballan van dokter Michele Ferrari en die wonnen dat jaar ook de Waalse Pijl, Luik-Bastenaken-Luik, de Ronde van Italië en werden tweede in de Ronde van Frankrijk.

Na 1997 (hematocrietcontrole) daalden de gemiddelde snelheden geleidelijk, om na 2001 (epo-urinetest) zelfs te zakken tot 34 kilometer per uur. Vervolgens steeg de snelheid weer (bloedtransfusies), al plafonneerde die tussen 36 en 36,5. Na de invoering van het bloedpaspoort in 2008 zakte die weer elk jaar. Vorig jaar was een uitschieter met 34,5 per uur, maar in 2013 en 2014 was de snelste klimmer amper boven de 32 uitgekomen.

Milaan-Sanremo is een van de vijf monumenten, samen met de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Lombardije. Samen hebben die iets meer dan vijfhonderd edities georganiseerd. Belgische renners hebben er daarvan meer dan tweehonderd gewonnen, jammer genoeg de meeste daarvan voor of kort na de Tweede Wereldoorlog, met een piek rond de jaren 70. Eddy Merckx alleen nam er negentien voor zijn rekening. Roger De Vlaeminck is tweede op die lijst met elf en Tom Boonen staat zevende met zeven overwinningen, één minder dan Rik Van Looy.

Jammer, maar resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. We hebben de laatste drie jaar in geen enkele van die monumenten prijs gereden en dat is nooit eerder gebeurd in de geschiedenis van het wielrennen. Zowel in Parijs-Roubaix
als de Ronde Van Vlaanderen wachten we al sinds 2012 (het Boonen-jaar) op een Belg. In Luik-Bastenaken-Luik wachten we sinds 2011 (het Gilbert-jaar) en in de Ronde van Lombardije moeten we al teruggaan naar 2010 (het begin van het Gilbert-jaar). In Milaan- Sanremo zijn we nooit erg succesvol geweest. We hebben slechts twintig keer op de mythische Via Roma gewonnen, maar Eddy (zeven) en Roger (drie) nemen al de helft van die overwinningen voor hun rekening.

Van de zestien edities tussen 1966 (Merckx) en 1981 (Fons De Wolf) kon slechts vijf keer een niet-Belg in Sanremo winnen. Nadien won nooit nog een Belg. Milaan-Sanremo is net als Luik-Bastenaken-Luik een klassieker voor de grote motoren en daarom meer de maat der dingen in het moderne wielrennen dan Vlaanderens Mooiste. We wachten al even op eerste Belg die daar kan winnen en zo het kasseiknotsen overstijgt.

20160319_De-Morgen_p-22-mail

Column over de laatste speeldag op demorgen.be van 14 maart 2016

Dit jaar had ik een wens:dat OH Leuven in eerste klasse zou blijven

Zo dames en heren voetballiefhebbers, dit was dan het einde van het eerste voetbalbedrijf van het seizoen 2015-2016. Dat niemand nog komt zeggen dat de play offs geen goede zaak zijn voor het voetbal, want dit was zowat de spannendste laatste speeldag ooit in de reguliere competitie. Al moet daar meteen bij worden genuanceerd dat de strijd om de plaatsen veertien en vijftien zonder de (schrappen wat niet past) vermaledijde/fantastische vinding van play offs even spannend was geweest. En wellicht even onrechtvaardig geëindigd, maar daarover verder meer.

Spanning betekent op een gezellige zondagavond tussen zes en acht voetbal op drieëneenhalf scherm en dat halfje was voor de iPhone waar de resultaten het snelst verversten. Voor Play Off 1 was de zaak al na een kwartiertje beklonken. Standard was weer Standard van het seizoensbegin: geen peil viel er die eerste wedstrijden te trekken op die rode kippen zonder kop, maar even leek het alsof Yannick Ferrera de zaakjes in extremis op orde zou krijgen. Reken maar dat de vaste klanten van Play Off 1 al schudden en beefden want Luik uit is nooit een pretje, niet in het minst voor Anderlecht.

Die angst bleek overbodig, want Standard verviel op de laatste speeldag in de oude zonden van de eerste. Het speelt Play Off 2 omdat het na vijftien minuten al 2-0 stond voor KV Mechelen en Standard verder moest met tien man. Dat gebeurde na een trekfout van de laatste man op Tim Matthys. Die ging gewillig neer, maar geef hem eens ongelijk.

Afgelopen donderdag had ik met deze echt wel goeie voetballer een gesprek dat u in de zaterdagkrant heeft kunnen lezen. Hij voorspelde dat Standard punten zou laten liggen in Mechelen en dat Zulte-Waregem Play Off 1 zou halen. Hij kreeg gelijk. We hadden het onder meer over die al of niet strafschop op Brecht Dejaeghere van een week eerder tegen OH Leuven toen Romain Reynaud zijn been liet hangen maar Dejaeghere naar mijn gevoel (en dat van de ref) iets te makkelijk neerging. Matthys was het er niet mee eens. Hij bepleitte het recht van de aanvaller om tegen een lomp uitgestoken been of (in zijn geval) een onhandige arm te lopen en neer te gaan. Hij zei alleen dat Dejaeghere te zwaar was gevallen. Hij gaf goede raad: liever onhandig struikelen dan opzichtig neergaan, want dat komt veel geloofwaardiger over. Zijn val gisteren was geloofwaardig, hoewel ik vermoed dat hij had kunnen recht blijven. Het weze hem gegund en ten slotte is de afstraffing van domheid een onderdeel van competitiesport.

Twee jaar geleden kreeg ik de shit naar mijn hoofd toen ik na de vreselijke aanslag van Leuvenaar Björn Ruytinx op Mehdi Carcela en vooral de lamentabele reactie van het bestuur de hoop uitsprak dat OH Leuven zou zakken uit eerste klasse. Omdat domheid moest worden afgestraft. Toen die wens al lang mijn wens niet meer was, kwam die alsnog uit. Ik had pech en Leuven nog meer.

Toen Leuven vorig jaar promoveerde, was dat niet meer dan terecht en zoals het dit jaar voetbalde na de komst van Emilio Ferrera, was het een gesel voor alle clubs in eerste klasse en een feest voor de toeschouwers, ook de neutrale. Dit jaar had ik ook een wens: OH Leuven dat in eerste klasse zou blijven, alleen al voor de onderschatte Emilio Ferrera. De wens is niet uitgekomen.

Nooit in de geschiedenis van de Belgische eerste klasse is een beter voetballend team, met een mooiere aanhang en een beter stadion moet zakken naar tweede. Correctie: naar Eerste Klasse B. Dat is een vinding van de topclubs om eerste klasse iets minder vlot bereikbaar te maken voor janneke en mieke. Terecht, maar het is een godgeklaagd drama dat uitgerekend nadat Oud-Heverlee Leuven is gezakt, de promotie naar eerste klasse dubbel zo lastig wordt.

Column Nieuwe Belgen in De Morgen van zat 12 maart 2016

Nieuwe Belgen

De Armeense bokser Sasha Yengoyan wordt uitgewezen en daar is heel wat om te doen. De krant schreef dat zijn droom erin bestond om een olympische medaille voor België te behalen. Op de radio zei hij ook dat hij graag namens België naar de Olympische Spelen wil. En nu is die hoop weg omdat hij geen arbeidskaart krijgt en dus geen naturalisatieaanvraag kan indienen. Weg medaillekans?

Enige nuance is hier op zijn plaats. Ik wil geen oplawaai krijgen van die jongen, maar de wereldbokser waarvoor hij wordt versleten, is hij nu ook weer niet. En voor boxrec.com is niet hij de regerende wereldkampioen in de achterafbond WBF maar wel ene Fariz Mammadov, nadat die had gewonnen van Jan Zaveck, die dan weer in april vorig jaar had gewonnen van Sasha Yengoyan. Zo, nu bent u weer even mee in de wereld van het boksen, dat in sommige gewichtsklassen meer bonden en wereldkampioenen heeft dan er boksers zijn. Afgezien daarvan beweren alle kenners bij hoog en bij laag dat Yengoyan een aanwinst is voor het Belgisch boksen. Of was.

Dat van die Olympische Spelen mag u ook vergeten. Het is niet omdat die gekke voorzitter van de internationale boksbond ineens een visioen heeft waarin Mayweather en Pacquiao in Rio boksen, dat profs daarom toegelaten zullen zijn in Rio. Let wel, er zullen profs zijn, maar alleen als ze minder dan tien profkampen hebben gebokst. Het Internationaal Olympisch Comité heeft een gruwelijke hekel aan profboksen en het bestaat niet dat die ineens alle profs van over de hele wereld zullen verwelkomen. Het is al erg genoeg dat straks zonder hoofdbescherming zal worden gebokst tussen profs en amateurs.

Of Sasha Yengoyan dan moet worden uitgewezen, zoals hij nu het bevel krijgt om binnen de dertig dagen het grondgebied te verlaten, is van een andere orde en daarover moeten de bevoegde instanties eens flink discussiëren. Hij is alvast goed geïntegreerd, heeft Nederlands geleerd en zijn dochtertje gaat hier naar school, maar zo zijn er nog. O ja, hij heeft al zijn overwinningen met de Belgische vlag gevierd en kreeg felicitaties van onze koning.

België was nooit scheutig om buitenlandse sporters te naturaliseren, voor armlastige sporters vaak de enige weg om voor steun in aanmerking te komen. Al in 1971 leverde de Nederlandse kajakker Paul Hoekstra een strijd om als Belg naar de Spelen van München te kunnen, maar hij werd afgewezen en zou pas in 1976 voor België de Spelen halen. Te laat.

We zijn erg streng in de leer, behalve dan als het om voetbal gaat. Decennialang hebben we hier hele boten en vliegtuigen Afrikanen afgetest, doorverkocht, teruggestuurd of gewoon in de maatschappij laten opgaan. Vandaag is België met dank aan een te lage financiële instapdrempel het ideale transitland voor de niet-EU-voetballer. Die krijgen wel een arbeidskaart omdat met voetbal goed geld kan worden verdiend en als ze willen, kunnen ze na een tijdje Belg worden. Sasha Yengoyan verdient niet genoeg met boksen, dus wil hij hier naast boksen gewoon werken en voor zijn gezin zorgen, maar dat mag niet.

Moeten we Yengoyan, omdat hij bokser is, wél Belg laten worden terwijl we een Armeense illegaal weigeren die niet kan boksen? Dat lijkt onrechtvaardig, maar wat dan met de voetballers van over de hele wereld die we een verrijking vinden, in de eerste plaats omdat we die met veel winst hopen door te verkopen? Misschien moeten we eens nadenken over een versnelde naturalisatie voor getalenteerde buitenlandse sporters die namens België willen optreden. Zo dik zitten wij niet in het talent.

Nog schrijnender dan Yengoyan is natuurlijk het dossier van Raheleh Asemani. Die Iraanse taekwondoka is erkend politiek vluchtelinge, maar een spoedprocedure om haar Belgische te maken zat er niet meer in. Wellicht zal ze in Rio deel uitmaken van de selectie van staatlozen. Haar medaillekansen zijn wel reëel, maar die zal dan niet op de Belgische rekening komen.

Yengoyan en Asemani hebben talent, hadden ons arm sportland wat kunnen bijbrengen en hadden rolmodellen kunnen zijn. Andere Europese landen zouden wel hebben geweten wat hen te doen stond, als pakweg Asemani voor hun voordeur had gestaan.

Interview Tim Matthys (die gelijk kreeg) in De Morgen van zat 12 maart 2016

‘Standard laat punten liggen bij ons, let maar op’

 

Hij gokt niet, rijdt niet met een witte Bentley, gaat niet stappen, heeft geen lijf vol tattoos en op zijn hoofd zit geen graszode. Tim Matthys (32) van KV Mechelen is een doodnormale voetballer die altijd zijn best doet, zo ook morgen als Standard op bezoek komt. Die match kan bepalen wie als laatste naar play-off I mag.

De dag na de laatste competitiewedstrijd – op 9 mei als KV Mechelen niet bij de eerste twee van play-off II eindigt of 30 mei als het helemaal doorgaat tot het eind – zal Tim Matthys zijn racefiets nemen. Iedereen die met hem een stukje wil rijden, zal hij wijsmaken dat hij geen tijd heeft. Conditie bouw je het best alleen op, vindt hij, en dus zal hij in zijn eentje zo snel mogelijk 1.000 kilometer bij elkaar rijden, alvorens de betere wielertoeristen te vervoegen voor het haastwerk.

Later, als hij klaar is met voetballen, wil hij wel eens zien hoe ver hij geraakt op de fiets. Maar hij is nog niet klaar. “Al weet je nooit. Laatst anticipeerde een verdediger op een actie van mij en was daarom sneller op de bal. Toen ik de beelden terugkeek, zei de commentator: ‘De explosiviteit van Matthys niet meer wat ze is geweest.’ Ik dacht: wat zegt die nu? Ik ben nog altijd even snel en op de piste loop ik ze er nog allemaal af.”

Vul eens aan: ik ben Tim Matthys en ik kan goed…

“Assists geven. Dat is een kwestie van zien en met de juiste spelers rondom jou spelen. Francky Dury heeft mij uit de diepe spits weggehaald en dat was het beste dat mij kon overkomen. Mijn beste assistjaar had ik met Jérémy Perbet (nu Charleroi, HVDW) bij Bergen. Niet normaal die gast; staat altijd op de juiste plaats en weet blijkbaar op voorhand of de verdediger over een bal zal trappen.

“Ik heb er dit jaar al zes en ik heb ook al vijf keer gescoord, in twintig wedstrijden. Toch mooie cijfers. De eerste negen matchen van het seizoen heb ik gemist door blessures en ik geraakte niet terug in de ploeg, maar nu loopt alles op wieltjes. Ik heb ook een goede traptechniek. Dat valt mij op bij de pass- en trapvormen. En ik ben snel in de actie.”

Wat heb jij dan je tijd verloren in tweede klasse?

“Ja, dat mag je zeggen. In tweede klasse is je carrière voorbij. Ik was uitgeleend door Zulte Waregem aan Panthrakikos in Griekenland en daar wilde men niet genoeg betalen om mij te houden. Ik kwam laat terug naar België, alle ploegen zaten vol en niemand wist
nog wie ik was. Dus werd ik bij Lierse gestald in tweede klasse. Aan het eind van dat seizoen speelden we voor de promotie tegen Waasland-Beveren. Ik ben in één week tijd 5 kilo verloren van de stress, zo graag wilde ik terug naar eerste. We wonnen, maar Lierse vond dat Zulte Waregem te veel vroeg. Waarop ik bij Bergen belandde, weer in tweede klasse. Ik heb twee jaar na elkaar in tweede klasse kampioen gespeeld. (lacht) Toch het beste bewijs dat ik daar weg wilde.”

Wie moet degraderen?

“Dat wens je niemand toe, maar ik vrees nu voor Sint-Truiden want die pakken de laatste weken nauwelijks punten thuis. De meeste voetballers hoopten dat Moeskroen-Péruwelz zou zakken, maar Moeskroen zakt niet en dat is goed gedaan. Wel is het een club waar wij rare dingen over horen: het is ver, het is er niet gezellig en er spelen niet veel Vlamingen. De jongens die er hebben gespeeld die ik ken, hebben rare verhalen.

“OH Leuven vindt iedereen dan weer een sympathieke club, met leuke supporters in een tof stadion. Emilio Ferrera ken ik van mijn debuut bij AA Gent, toen ik drie keer scoorde in de wedstrijd tegen zijn Brussels. Later heeft hij mij naar Griekenland gehaald en daar heb ik hem beter leren kennen, als trainer en als mens. Hij verdient het om in eerste te blijven. Leuven speelt mooi voetbal en ze spelen alvast met meer Vlamingen.”

Is dat belangrijk?

“Dat vind ik wel. Er zijn te veel buitenlanders in onze competitie. Ik heb in die twaalf seizoenen veel rare spelers zien komen van wie ik zo zag dat die niet beter waren dan ik. Bij Gent, onder Georges Leekens, had ik een mooi debuut met vier goals in mijn twee eerste wedstrijden, maar aan het einde van het seizoen werd Nenad Mladenovic gehaald en kreeg ik de raad naar Zulte Waregem te gaan op uitleenbasis. Heb ik daar iets gemist? Dat gevoel heb ik niet. Ik heb meer dan 250 wedstrijden in eerste klasse en dat had ik nooit gedacht toen ik in vierde in de spits speelde bij Zottegem.

“Sommige makelaars hebben te veel macht. Ze verkopen een speler voor het dubbele van wat hij waard is en als tegenprestatie mogen ze daarna enkele jongens bij die verkopende club in de vitrine zetten. Buitenlanders zijn niet verkeerd, maar je moet een goede mix in je ploeg hebben. Het belangrijkste is de samenhang op het veld en dat merk je pas in de wedstrijd, of iemand een stapje meer wil doen. Ik kan het best overweg met ex-Joegoslaven. Die zijn van alle buitenlanders tactisch het meest gedisciplineerd, je kunt er makkelijk mee communiceren en ze zijn meestal overtuigd van hun kunnen.

“Afrikanen hebben wij niet zoveel in Mechelen, maar die hebben het doorgaans tactisch moeilijker en communicatief zijn ze niet zo sterk. En wat die zogeheten Afrikaanse tackles betreft, die bestaan echt. Ik denk niet dat ze het zo bedoelen, maar in hun overgave om inzet te tonen en hun best te doen, gaan ze soms zwaar over de schreef. Afrikanen die gedisciplineerd leren voetballen, worden toppers, zoals Nana Asare bij Gent.”

Wie haalt play-off I?

“Wij niet en dat is nu al voor de zevende keer dat play-off I zal doorgaan zonder KV Mechelen. Jammer en je voelt dat het leeft bij de supporters. Reken maar dat die hele historie met Olivier Renard, die van bij ons naar Standard trok en technisch directeur werd, is blijven hangen. Misschien minder onder de spelers, maar het heeft de hele club op scherp gezet.

“Mechelen is een grote club en fans vinden dat ze af en toe bij de top zouden moeten horen, zoals Zulte Waregem. Dat wordt volgens mij de zesde ploeg in play-off I. Dat hoop ik, want ik heb een goede band met supporters in Waregem. Dit jaar nog werd ik vervangen en scandeerden ze mijn naam. Standard laat punten liggen bij ons, let maar op, en Zulte-Waregem mag tegen Moeskroen dat al gered is. Van Genk en Oostende verwacht ik dat ze vooral elkaar punten afpakken, niet dat ze nog een grote rol zullen spelen in het titeldebat.”

Wordt Club Brugge kampioen?

“Ik ben een fan van het spel van Gent met die vaste patronen en die makkelijk ogende oplossingen voor moeilijke situaties, maar het Club waartegen wij hebben gespeeld en twee keer flink verloren, was op dat moment een stuk sterker dan Gent. Dus: als Club dat niveau aanhoudt, zijn ze de favoriet. Alleen staan ze nu waar ze vorig jaar ook stonden en toen zette Gent een reeks neer en liet Club het na de bekerfinale afweten.

“Ik denk dat Gent nog steeds iets extra’s kan. De grote ploegen kunnen altijd nog iets meer als het er echt om gaat. Dat is moeilijk te definiëren. Het lijkt alsof ze in driepuntenwedstrijden net iets beter gefocust zijn, de zaak beter controleren. Dan heb ik het niet over Anderlecht. Die vind ik dit jaar een mysterie. Ze hebben nog wel flauwe periodes gehad in het verleden, maar die zetten ze dan recht met een sterke reeks en als puntje bij paaltje kwam, stonden ze er. Dit jaar heb ik er geen goed oog in: ze wisselen hele goede wedstrijden meteen af met dramatisch slechte. Ik weet niet wat er scheelt. Hun voorsprong op de rest in eerste klasse is niet meer zo groot als vroeger, ook niet financieel, waardoor ze niet meer van bij de start de beste spelers hebben. Maar of dat nu de enige reden is?”

Zijn de scheidsrechters in België zo slecht als de trainers laten uitschijnen?

“We hebben een paar toppers, maar er zitten ook pannenkoeken tussen. Scheidsrechters moeten een band opbouwen met spelers. Sébastien Delferière komt na een rare beslissing jouw kant op en zegt dat hij het niet goed heeft gezien. Van zo iemand aanvaard je meer. Serge Gumienny heeft dat niet. Die trekt een muur op en daar kom je niet door. Belachelijk. Terwijl je veel meer bereikt door continu te communiceren. Wij maken fouten en zij ook, maar als zij zich als onaantastbaar wanen, heeft dat een omgekeerd effect.

“Als je op de bank zit, is het wel lachen hoor, hoe die trainers allemaal op die vierde scheidsrechter schelden. Misschien dat die iets meer beslissingen zou mogen nemen, maar voorlopig kan hij niks. Je ziet de trainers dan vooral in de eerste helft zeuren tegen de vierde ref, in de hoop dat er in de rust iets blijft hangen, met soms compensatie als gevolg. Als een team twee strafschoppen verdient en krijgt, betekent dat niet dat je bij het minste aan de andere kant ook moet fluiten.”

Waarom heb jij geen tattoos of gek kapsel?

“Ik heb juist wel een tattoo. Hier op mijn pols: de trouwdatum en de geboorte van mijn dochter. En dat haar: zoals je ziet heb ik niet al te veel haar meer, dus dat zou nooit lukken. Ik zou er ook nooit aan beginnen. Toen Nicolas Verdier bij ons binnenkwam met de bovenkant van zijn haar helemaal wit getrokken, hebben we hem staan uitlachen, maar hij vond het mooi. Ik vond het al gênant om met gekleurde schoenen te spelen. Ik heb rode gehad en ook weleens gele, omdat dat nog bij onze clubkleuren past, maar nu heb ik terug zwart-witte gekocht. Gekocht, jawel, ik heb geen schoenencontract meer. De leeftijd hé.

“Gokken doe ik ook niet, ik moet je ontgoochelen. Ik wist ook niet van een probleem. De Fransen gokken graag, dat klopt, maar dan op de Franse competitie. In mijn stamcafé De Plezanten Hof, nota bene een Anderlecht-lokaal, heb ik nog wel eens meegedaan met de voetbalpronostiek, maar de cafébaas is met pensioen. Uitgaan? Niet echt. Mijn enige pleziertje is naar de maten gaan kijken in derde provinciale, van vijf tot negen in de kantine van een voetbalploeg blijven plakken en daarna een pitaake gaan halen.”

Over naar de koers. Nu jouw favoriet John Degenkolb uit is door zijn ongeval, voor wie supporter jij in de Vlaamse klassiekers?

“Greg Van Avermaet mag winnen van mij. Altijd koersen, altijd meedoen, heerlijke renner. Met Dries Devenyns heb ik ook veel contact en Zico Waeytens en Bert De Backer zullen we ook aanmoedigen. Van Sep Vanmarcke verwacht ik ook veel. Maar John blijft mijn nummer één. Hij is weer beginnen trainen, maar ik denk niet dat hij al op de weg mag want hij is vorig week nog geopereerd aan die vinger.

“John Degenkolb hebben wij als onbekende renner van HTC met een groepje vrienden opgemerkt en we zijn hem blijven volgen. Ik ben inmiddels een hevige supporter. Vorig jaar zaten we in het spelershome te kijken naar Parijs-Roubaix en is er een filmpje gemaakt van mijn vreugdedans toen John won. Niet normaal. Als ik thuiskom van training gebeurt het dat ik nog stukken van wielerwedstrijden terugkijk, van kilometer 100 tot kilometer 50 bijvoorbeeld. Ik kan Michel Wuyts al voorzeggen. (lacht) Ik heb nu nog maar de Ronde van Vlaanderen van vorig jaar gewist, maar die Parijs-Roubaix 2015 gaat er niet af. John had verdorie ook wereldkampioen kunnen worden als hij op die voorlaatste helling niet achter Stybar was gegaan.

“Voetballen is mijn beroep, maar fietsen is genieten. Ik kan echt wegdromen op de fiets. Voor mij is het de ideale training in het tussenseizoen en ik weet zeker dat ik mijn goede conditie dank aan de fiets. Zelfs gaan kijken is een feest. De dag van Kuurne- Brussel-Kuurne hadden we training en op de terugweg ben ik met mijn auto naar de Trieu gereden. Ik ben boven aan de helling gaan staan, een pet over mijn hoofd en zo stond ik te wachten op de coureurs.”

 

Column over Femke in De Morgen van dinsdag 8 maart 2016

Femke heeft meer kans om uit Raqqa te geraken zonder hoofddoek, dan uit Aigle zonder straf 

De UCI wil Femke Van den Driessche levenslang wil schorsen. Als die zich daar beter bij voelen, waarom ook niet? Voor Femke is toch geen plaats meer in het wielrennen en dat is jammer, maar ze heeft het voor een stuk over zichzelf afgeroepen. Een snelle bekentenis en een knieval was duizend keer beter geweest dan dat halsstarrig volhouden dat die opgevoerde fiets geheel per ongeluk in de materiaalpost verzeild was geraakt omdat ze die ooit had verkocht aan een vriend die ook bij toeval op dat WK was – en nog wel in die materiaalpost.

De UCI is erg streng voor ons regionaal schandaal Femke, en dat is ook te begrijpen. Nooit heeft een internationale sportbond doortastender opgetreden in dopingzaken dan die internationale wielerunie. De perceptie is anders, maar de feiten liegen niet: tot twintig keer toe heeft de UCI het voortouw genomen en maatregelen uitgevaardigd waar de andere bonden pas jaren later aan durfden beginnen. Die beladen geschiedenis en de onterechte verwijten die ze desondanks te slikken kreeg – onder meer rond de affaire-Armstrong – verklaren nu de krampachtige reactie waarmee deze nieuwste vorm van fraude de kop moet worden ingedrukt. Femke is hét precedent en dus vraagt de UCI levenslang en een geldboete die voor een prof kan oplopen tot het tienvoudige. Het ontradingseffect daarvan is niet min en daar is het de UCI in de eerste plaats om te doen.

Niemand maalt erom dat het proces van Femke Van den Driessche al is gemaakt: ze heeft meer kans om uit Raqqa te geraken zonder hoofddoek dan uit Aigle zonder straf. Er wacht meester Johnny Maeschalck geen gemakkelijke opdracht om volgende week dinsdag iets van die strafeis af te pitsen. Is een eerlijk proces nog mogelijk? Het gaat om een vergrijp op een UCI-kampioenschap tegen onduidelijke UCI-regels die door de UCI worden bestraft en waarover ze bij de UCI ter zitting samen komen. Een zware straf zal in beroep ongetwijfeld worden teruggedraaid door het arbitragetribunaal voor de sport TAS, maar loont het de moeite om die kostelijke piste ook nog eens te bewandelen?

Ten slotte kan je je bij dat schouwtoneel de vraag stellen of het proportionaliteitsbeginsel niet wordt geschonden. Een straf moet in verhouding staan tot het vergrijp. Als zelfs moordenaars en dopingzondaars een tweede kans krijgen, lijkt levenslang en 50.000 Zwitserse francs een ietsiepietsie overtrokken voor een negentienjarig meisje dat aanwijsbaar niet met die foute fiets heeft gereden en gevangen zit in een web van bedrog dat ze zelf niet heeft gespannen.

Column over Sven en co op demorgen.be van 7 maart 2016

 

Sven Kramer vergelijken met Michael Jordan, zouden we daar wel aan beginnen?

Sven Kramer is dit weekend wereldkampioen all round geworden, voor de honderzeventigste keer of zo, maar ik kan er ook ééntje naast zitten. Een lid uit mijn eigen mini-sekte van Twitter-followers vroeg of Sven Kramer niet inmiddels de vergelijking kon doorstaan met Michael Jordan.

Een snelschaatser vergelijken met een basketbalspeler, ik weet het nog zo niet. Schaatsen als relatief eenvoudige sport vergelijken met de tweede moeilijkste sport ter wereld, is dat wel een goed idee? (IJshockey is de moeilijkste van alle sporten en dat bleek vorig week nog maar eens uit de waanzinnig goede docu Red Army op Canvas.) Een snelschaatser die er op de cruciale moment even vaak niét als wel stond, en soms viel of fout wisselde, vergelijken met een basketballer die van de money time zijn exclusieve speeltuin maakte en nooit verloor als hij moest winnen, zouden we daar wel aan beginnen? En dan de hamvraag: de NBA vergelijken met een WK all round snelschaatsen waar alleen Nederlanders en her en der nog een verloren gelopen Europeaan in geïnteresseerd zijn? Neen, toch maar niet.

Sven Kramer is Sven Kramer, een rots van een atleet, een kampioen onder de kampioenen. Maar Michael Jordan is Michael Jordan, een godheid, de grootste atleet die ooit heeft geleefd en als geen ander zijn sport heeft gedomineerd. Het is trouwens godgeklaagd dat de Golden State Warriors straks dat record van de Chicago Bulls van 70 gewonnen wedstrijden op 82 in de reguliere competitie gaan verbeteren. Het zou bij wet verboden moeten zijn. Kan Donald Trump daar alvast niks aan doen?

De aandacht voor een WK all round in het snelschaatsen is te vergelijken met de aandacht voor een WK veldrijden bij ons. Meteen een nuance aanbrengen: snelschaatsen als sport is wel degelijk groter en oneindig veel mondialer dan veldrijden – met Aziaten, Europeanen, Russen en Amerikanen die medailles winnen – maar hier gaat het specifiek over het WK allround. Dit is met alle respect een non-event, waar zoals gezegd vooral de Nederlanders op kicken. Die vinden het belangrijk om van de 500 tot en met de 10.000 meter uit te blinken, maar daar koop je niks voor op het grootste schouwtoneel van allemaal, de Olympische Spelen.

Daar worden de prijzen per nummer uitgereikt en daar, in Pyongchang in februari 2018, dáár willen wij Bart Swings zien. Op de 1500 of op de 10.000, dat is aan hem om het uit te maken, maar het liefste op het koningsnummer, de 1500. En uiteraard ook en vooral op de massastart, dat spreekt vanzelf. Het WK afstanden in Kolomna van enkele weken geleden was dus veel belangrijker als graadmeter dan dit achterhaald gedoe in Berlijn, dat alleen nog bestaat omdat alle schaatssponsoring uit Nederland komt.

Onze Vlaamse media schreven dat Swings zich in Berlijn op het WK all round kon revancheren voor het WK afstanden in Kolomna en de VRT had een journalist naar Berlijn gestuurd om die revanche te becommentariëren. Je moet het maar verzinnen. Straks beginnen we ook nog over de Adelskalender, godbetert. Daar staat Bart Swings overigens als elfde gerangschikt en Sven Kramer als tweede. De nummer één is Shani Davis, een zwarte Amerikaan. Ook die vind je niet in het veldrijden.

 

Benieuwd wat de Nederlanders zullen verzinnen als Sven Kramer na Pyongchang stopt met schaatsen. Een film maken over zijn leven en werken? Drie keer, vier keer, vijf keer Ahoy uitverkopen? Terwijl niemand het droog houdt, Sven Kramer in Ahoy op een mini-ijsbaantje rondjes laten rijden, of misschien over een ijsbrug sturen, terwijl videoboodschappen van ex-collega’s en ouders en sponsors worden geprojecteerd, cadeautjes worden uitgedeeld en schlagers worden gezonden?

Zeven Olympische medailles heeft Kramer gehaald, waarvan drie gouden, twee zilveren en twee bronzen. Ontelbare Thialfs heeft hij uitverkocht, hele horden Nederlanders hebben voor hem over de hele wereld Hollandse feestjes gebouwd, en toch bestaat het vermoeden dat hij straks in 2018 gewoon de schaatsen aan de haak hangt, een baantje opneemt in een ploeg. Er zal geen film komen en hij zal zich ook niet als een tamme circusaap voor vijf euro per bezoeker laten aaien en knuffelen.