Column over Wout Poels en de Belgen op demorgen.be van 25 april 2016

Waar, wanneer en waarom hebben de Vlaamse coureurs de kunst van het winnen verleerd?

Er zijn twee mogelijkheden om sport te volgen als journalist. Je gaat ter plekke kijken, in het stadion voor het voetbal. Je kijkt in de perszaal van het wielrennen samen met honderd of wat anderen naar drie schermen. Telkens mis je tweederde van wat er gebeurt.

Andere mogelijkheid: je kijkt naar de televisie en haalt er een tweede of derde schermpje bij. Ik heb een alternatief voor de klassiekers: ik rijd de finale op rollen, maar alleen het laatste uur want van langer krijg ik zadelanesthesie en hoe ouder je wordt hoe vervelender je dat gaat vinden. (Vreselijk, de gedachte dat ‘het’ voor altijd gevoelloos zou blijven. Nu al.)

Elke klassieker heeft zijn moeilijkste passages in het laatste stuk en dat is prima. Bij elke helling, kasseiheuvel of gewone kasseistrook kan je doen zoals de renners op je scherm. Je gooit de dérailleur twee kroontjes zwaarder en je probeert die negentig omwentelingen vol te houden. Meteen zie je het resultaat op de powermeter: dat schiet met 100 watt in de hoogte. De mannetjes op je scherm rijden niet van je weg; ook niet als je maar 100 watt duwt, om eerlijk te zijn, maar het is de gedachte die telt.

Probleem met mijn rollen die niet echt rollen zijn maar een LeMond Revolution, is het lawaai. Daar heb ik wat op gevonden: een bluetooth sportkoptelefoon. Een gaaf ding, waardoor de commentator als het ware in mijn oor zit. Met wat goeie wil kan je je inbeelden dat het je sportdirecteur is. Op de tussenstukken peddel ik rustig mee in het peloton en luister.

Wielercommentatoren in Vlaanderen zijn uitzonderlijk goed, daar is geen discussie over, maar ze moeten veel tijd vullen en dan durven ze zich nogal eens verliezen in boude ter plekke verzonnen analyses. Zo stelde een commentator op één of andere helling de vraag waar toch die Nederlanders waren, de kampioenen van het trainen. Die gingen altijd maar op een berg zitten om te trainen met al die andere grote coureurs, maar je zag hen nooit in de wedstrijd.

De Vlamingen daarentegen, dat waren de aanvallers van het voorjaar. Die hadden koers gemaakt. Ten minste: tot aan de voorlaatste helling van de Amstel Gold Race en toen vertrokken ze met vakantie, op Jan Bakelants, Jelle Vanendert en Tim Wellens na. Er waren nog voorspellingen te horen: vandaag (gisteren dus) zou een renner winnen met een flinke speklaag, want het was guur weer, met koude wind, regen en natte sneeuw. Welnu: er won een Hollander, een trainingskampioen van de kampioenenploeg van het trainen, SKY, en die Hollander meet 1,86 meter voor 66 kilo. Dat betekent een BMI van 19 en dat is nog net gezond te noemen.

Zijn naam is Wout Poels en hij heeft in 2014 nog voor het team van Patrick Lefevere gereden. Na een seizoen hield hij het daar voor bekeken en dit jaar won hij een klassieker die Lefevre al sinds 2002 niet meer wist te winnen, niet met een buitenlander (Paolo Bettini was laatste) en laat staat met een Belg.

Het is vreemd: België staat op één in de landenklassering en daar klopten we ons in sommige media flink voor de borst want we mogen straks met negen naar het WK (dat we niet zullen winnen). Tegelijk hebben we nog nooit zo lang in de geschiedenis van het Belgisch wielrennen géén grote klassieker gewonnen.

Al vier jaar is geleden, van het wonderjaar van Tom Boonen in 2012, dat wij in één van de vijf Monumenten wonnen. Drie daarvan worden in onze achtertuin gereden. Een hoogst perfide vaststelling, want wij maken alleen nog maar een kans in die grote ééndagsklassiekers. In het betere rondewerk doen we al helemaal niet meer mee.  De kampioenen van het trainen hebben met Terpstra (Roubaix 2014) en Poels (Luik 2016) twee monumentenwinnaars de voorbije vier jaar. En wonnen bijna de Vuelta met Tom Dumoulin.

Is dit toeval? Is dit structureel? Het zou ons alvast aan het denken mogen zetten: waar, wanneer en waarom hebben de Vlaamse coureurs die zijn opgegroeid in het meest competitieve wielermilieu van de hele planeet de kunst van het winnen verleerd?

Advertenties

Interview Mbaye Leye in De Morgen van zat 23 april 2016

‘Authentiek wil ik zijn, niet populair’

 

Club Brugge ligt tegen het canvas en nu komt met Zulte Waregem ook nog eens hun – excusez le mot – zwarte beest op bezoek. Mbaye Leye scoort altijd tegen Club, ooit zelfs drie keer ín het Jan Breydelstadion. ‘Ik ben de laatste bezoekende speler die van de Club-fans applaus heeft gekregen.’

Bericht aan die fans van FCB: schud en beef maar al voor vanavond. Op 8 mei 2010 legde Mbaye Leye met een doelpunt de basis voor een memorabele 6-2-overwinning van Gent (met Michel Preud’homme) tegen Club Brugge in Play-off 1. Op 18 april 2013 scoorde Mbaye Leye drie keer voor Zulte Waregem en gaf een assist voor de vierde goal bij de 3-4-overwinning op het veld van Club, ook in Play-off 1. De terugwedstrijd op 16 mei werd 5-2, met twee goals van Leye in de wedstrijd die de titeldromen van Club naar de filistijnen hielp.

Bijna tien maanden later vierde Mbaye Leye zijn heroptreden na een lange blessure thuis tegen Club, mét een doelpunt. Dat was 2014 en inmiddels al twee jaar geleden. Dat is het goede nieuws voor Club: Essevee is niet meer wat het ooit is geweest en is als zesde niet langer de frisse titelkandidaat uit het gezegende jaar 2013. Het slechte nieuws? Mbaye Leye heeft nooit makkelijker gescoord. Afgelopen dinsdag fusilleerde hij nog de Oostendse doelman Ovono.

Mbaye Leye: “Er zijn twee ploegen in België waartegen ik makkelijk scoor: tegen Gent, mijn oude club, en vooral tegen Club, in Brugge. Dat heeft wellicht te maken met het publiek daar. Dat zijn geen voetbalkijkers die iets komen drinken en een stukje eten. Het zit vol met echte supporters en het is een en al adrenaline die je tegemoetkomt. Voor mij is dat oké, ik kick daar op.

“Andere spelers reageren misschien anders, ook hun eigen spelers. Ik heb soms de indruk dat het Brugse publiek zo intens is dat hun eigen team daar op afknapt. Afgezien daarvan, en hoewel ik mijn best zal doen om die wedstrijd te winnen, hoop ik toch dat Club Brugge uiteindelijk kampioen wordt, in het bijzonder voor Michel Preud’homme.

“Anderlecht heeft meer talent dan de andere ploegen, maar moet het niet hebben van het collectief. Gent wel, heeft iets minder talent, maar als de machine op gang komt, is ze onweerstaanbaar. Alleen is de Gentse machine nu een beetje gegriepeerd.”

Jij bent een van die vervelende spelers die de supporters liever niet bij de tegenstander zien rondlopen.

Mbaye Leye: “Ja, en daar kan ik mee leven. Zolang ze mij niet echt gaan haten als mens. Toen ik drie keer scoorde in Brugge in 2013, kreeg ik zelfs applaus. Dat zal nu wel niet meer gebeuren en ik ben wellicht de enige die dat is overkomen. Supporters zijn niet op hun gemak als ik speel omdat ze weten dat ik altijd kan scoren. Ik wil dat ook. Ik wil opvallen. Ik wil gevaarlijk zijn.

“Weet je wat mij motiveerde in het begin van het seizoen? Ik wilde een tweede Ebbenhouten Schoen winnen en nu blijkt dat ik niet eens bij de genomineerden ben. Begrijp jij dat ook niet? Ik zeker niet. Daarom ben ik nu nog meer gemotiveerd, Ik sta met zeventien doelpunten samen met Sofiane Hanni van KV Mechelen op kop in de doelschuttersstand en ik heb nog zes wedstrijden te gaan. Ik ben bezig aan een van mijn beste seizoenen ooit en ik kom niet eens in aanmerking voor die Ebbenhouten Schoen? Ik snap er niks van, maar het motiveert mij wel.”

Jij bent een van die zeldzame spelers die uit het duel wegblijven om te voetballen.

“Dat is pure noodzaak. Ik heb geen lichaam om met de Kara’s en Nuytincken van deze wereld in de slag te gaan. Ik loop dus weg van mijn verdedigers. Als het spel zich aan één kant bevindt, zal ik kijken wat ik daar kan doen. Lukt het niet, dan loop ik naar de andere kant.”

De chef loopt nu voorin en hij is eindelijk de chef, mét kapiteinsband.

“Die band is een primeur, maar veel is er niet veranderd. Ik zeg al langer waar het op staat. Dat deed ik ook toen Davy De fauw kapitein was en zelfs in mijn eerste jaar bij Waregem in 2007. Geert De Vlieger zat toen bij ons in de kleedkamer en toen ik zijn palmares bekeek, dacht ik: hola, een grote speler. Dat belette mij toch niet om mijn gedacht te zeggen in de rust, op een kalme, geargumenteerde manier, zonder iemand op de zenuwen te werken. Enfin, dat hoop ik toch.”

Jij bent ook analist voor RTL. Wat vind je van de Rode Duivels? Wat moet er gebeuren?

“Kevin De Bruyne vrijheid geven zoals bij Manchester City. Zet daarnaast een goeie Eden Hazard die kan flitsen en speel Romelu Lukaku aan zoals hij hoort aangespeeld te worden: geen een-tweetjes, hem gewoon lanceren op snelheid en kracht. De Rode Duivels zijn misschien geen outsider en wel degelijk een echte titelkandidaat, maar ik zou hen aanraden om te spelen als een outsider en wat af te wachten. Ik zie ze niet tachtig minuten het spel maken.

“Ik snap niet dat Vermaelen op de linksback staat. Ik zie niemand uit de Belgische competitie die internationaal die positie kan invullen, tenzij Sébastien Pocognoli. Die heeft weinig gespeeld bij zijn club, maar hij is wel een echte linksback.

“Het grootste Belgische talent momenteel is Leander Dendoncker van Anderlecht. Zeer intelligent, zeer sober, sterk, die heeft alles. Als hij speelt, draaien de anderen rond hem beter en niet omgekeerd. Hij kan die nieuwe grote Belgische speler worden.”

(Als de restaurantuitbater/Club-supporter tijdens het interview afgelopen woensdag achter onze rug een glas laat vallen, komt Leye droog uit de hoek: “Fredje, de wedstrijd is pas vanavond hein.”)

 

Juist, je spreekt inmiddels ook Nederlands.

“Ja, maar dan eerder voor de makkelijke dingen. Als het wat ernstiger wordt, zoals over voetbal, spreek ik liever Frans. (lacht) Allez, misschien is een voetbalinterview ook niet echt ernstig, maar het wordt wel serieus genomen door sommigen en ik zeg al zo vaak waar het op staat, dat ik het liever wat genuanceerder zeg.”

Zoals vorig week, toen je jullie bankzitters de mantel uitveegde. Was dat in overleg met Francky Dury?

“Hij was niet op de hoogte, maar hij heeft zich daar ook niet aan gestoord. Als ik dat al niet mag zeggen als kapitein om ons wat scherp te houden? Het was dinsdag tegen Oostende overigens niet beter, misschien zelfs slechter. Zoals we momenteel verdedigen, hoop ik dat we op Club Brugge niet weer te snel twee goals slikken, want dan kan het zo 6-0 worden.

(komt op dreef) “En dan hoor ik op Extra Time onzin verkondigen dat ik dit niet op de tv maar in de kleedkamer moet zeggen. Welnu, wat ik daar zei, heb ik ook al uitgebreid gezegd in de kleedkamer. Het bestaat toch niet dat je als speler tevreden bent met een statuut van bankzitter? De graal van een voetballer is die wedstrijd in het weekend. Het moet het doel zijn beter te worden dan de man die op jouw plek speelt. Als de trainer zegt dat we Lepoint en Essikal missen, dan moeten de vervangers zich dubbel plooien om ervoor te zorgen dat we hen niet missen en hun kans te grijpen.”

Dat je je daardoor niet zo populair maakt in de ploeg, stoort je dat?

“Dat zeiden ze ook nog op Extra Time. Leye is niet populair want er kwam hem geen speler feliciteren na zijn strafschopdoelpunt. Ik zal beleefd blijven: iemand die zou weten hoe het er in topsport aan toegaat, zou begrijpen dat je bij een 0-2-achterstand niet juicht omdat je toevallig op strafschop 1-2 maakt. Dan loop je snel terug, in de wetenschap dat we nog steeds ‘nuls’ zijn. Ik zou niet willen dat ze naar mij komen om te juichen en ik juich ook niet bij die stand. Het voetbalveld is geen discotheek waar het altijd feest is.

“Het probleem van dat soort uitzendingen is dat zo’n bewering een eigen leven gaat leiden. Populariteit is trouwens bijzaak. Voegt niks toe. Ik wil authentiek zijn, niet populair. Mensen weten niet dat voetbal handel is en iedereen komt aan de beurt. Op een dag is het voor Leye gedaan op Zulte Waregem en dan komt een ander en die zal ook vroeg of laat op zijn en dan komt er weer een andere.”

Hoe snel begreep jij ten volle de business waarvan jullie de speelbal zijn?

“Nogal snel. De realiteit is wat ze is. Wij zijn verhandelbare goederen die rendement moeten opleveren. Spelers worden gekocht en verkocht, en soms komt je dat goed uit, soms ook niet.

“Ik heb altijd mijn uiterste best gedaan. De kleine schaamte die ik heb, is mijn passage bij Lokeren. Ik kon het goed vinden met Peter Maes en hij met mij, maar ik was zonder echte voorbereiding aan het seizoen begonnen. Ik was einde contract, Zulte Waregem en
ik kwamen niet tot een akkoord en ik trainde in derde nationale. Daarom heb ik bij Lokeren niet gepresteerd zoals ik gewend was. Ik was beschaamd dat ik zo weinig aan spelen toekwam, maar het heeft mij sterker gemaakt. Alle tegenslagen in mijn leven hebben mij sterker gemaakt.

“Toen ik terugkeerde naar Waregem dachten ze vast: waarom Leye, die stelt toch niks meer voor? Dat motiveert mij om keihard te werken. Ik moet meer doen dan de anderen want ik wil beter zijn dan die 26 anderen. Francky Dury heeft mij nooit de vraag gesteld of ik nog wat in mij had. Ik was de eerste speler die hij wilde; hij zei dat ik de groep moest leiden en dat ik zou spelen.

“Dury speelt mij uit op de plaats waar ik het beste rendeer: centraal in de aanval. Niet op rechts, links of hangend zoals bij Gent, waar Preud’homme mijn polyvalentie wel makkelijk vond. Ook niet op alle mogelijke plekken zoals bij Standard, waar ik zelfs ooit linksback en verdedigende middenvelder heb gespeeld.

“Trouwens, mijn verhaal bij Standard illustreert de vreemde business van het voetbal. Eerst kopen ze mij als aanvaller, maar tegelijk kopen ze Aloïs Nong en Mémé Tchité, drie spitsen. Gevolg: ik mocht weer gaan zwerven. Maar het toppunt: aan nog een vierde jonge aanvaller zeggen ze dat hij op overschot is en weg moet. Dat was Christian Benteke, die ze aan KV Mechelen hebben verkocht. Uitgerekend hij speelt nu in de Premier League.

“Ik heb bij Standard altijd gespeeld tot de dag dat ze mij zeiden dat ze de jeugd een kans zouden geven, omdat ik te oud was. Wat ze bedoelden, is dat ze van mij geen groot geld meer konden maken, maar wel van een jongere die eventueel kon doorbreken. Marktwaarde! Je moet mij die business niet leren kennen.”

De scout die jou naar België bracht, heeft nooit een Afrikaan gezien die zich sneller heeft aangepast. Waar komt dat vandaan?

“Mijn opvoeding. In Afrika ben ik 80 procent Afrikaan, en zal ik ook al eens een uurtje te laat komen op deze afspraak. In Europa ben ik 80 procent Europeaan en zal ik niet te laat komen. Alles samen ben ik de helft Afrikaan en de helft Europeaan. Ik denk dat ik harder werk dan de gemiddelde Afrikaanse voetballer die de reputatie heeft van precies te doen wat genoeg is, maar vooral niks extra.

“Ik ben anders. Ik heb ook het geluk gehad dat ik niet als voetballer naar Europa ben gekomen, maar als student. Ik ben naar mijn zus in Frankrijk gestuurd om een diploma te halen, want een Frans diploma ging boven alles. Voetballen was een hobby, vond mijn vader, en in Afrika heb ik nooit gevoetbald, behalve dan op straat. Uiteindelijk werd het pas echt werk op mijn 22ste en ik was al 24 en zeven jaar in Europa toen ik bij Zulte Waregem belandde. Al die jaren daarvoor heb ik hard gewerkt om rond te komen. Ik woonde bij mijn zus in Rennes, maar ’s ochtends kuiste ik de bureaus in een bank en ’s avonds ging ik afwassen in een pizzeria, om toch maar in mijn onderhoud te kunnen voorzien.

“Mijn aanpassing verliep vlot omdat ik makkelijk ben in de omgang. Wie mij respecteert, respecteer ik ook. En omgekeerd. Lut, de vrouw die voor ons zorgt in het spelershome, krijgt evenveel respect van mij als onze voorzitter Carl Ballière. Tegen de nieuwkomers zeg ik altijd: als je die mensen hier respecteert, doen ze alles voor jou. Vorig jaar speelde ik in Lokeren en kwamen ze met een speciaal ingelegde bus van Waregem naar mij kijken.”

 

Jij wordt de eerste zwarte Afrikaanse trainer in eerste klasse. Of clubmanager. Jij mag kiezen.

(knikt) “Trainer, dan maar. Dat mag ik hopen. Ik heb al een diploma UEFA-trainer B gehaald en ik steek veel op van Francky Dury. Ik wil coachen en ooit hoop ik op die kans.”

Column over verlaten waterpolomeisjes in De Morgen van zat 23 april 2016

Waterpolo

 

Waterpolo, of all sports, in het nieuws, in het parlement zelfs. Het begon vorig weekend met een mening op knack.be: “Belgische zwembond beloont waterpolomeisjes met sessie spartelen op het droge.” Een N-VA-mannetje uit Oostende zei dat de klok drie kwarteeuwen was teruggedraaid door de beslissing van de nationale zwembond om geen gemengd waterpolo toe te laten boven de 11 jaar. De mening werd mij toegestuurd door mijn dochter, zelf een ex-waterpolospeelster in gemengde teams. Een dag later ontspon zich aan de ontbijttafel een geanimeerde discussie en de vrouwen waren erg verontwaardigd omdat ik het een logische beslissing vond.

De verzamelde meninghebbers, zoals daar zijn de vrouwen aan mijn ontbijttafel, N-VA-mannetjes uit Oostende, het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, de staatssecretaris voor Gelijke Kansen Elke Sleurs en minister van Sport Philippe Muyters, zagen dat anders en spraken schande. Het Minderhedenforum – is Wouter ziek? – had voor één keer geen mening.

Als ex-jeugdzwemmer van de Gentse Zwemvereniging smulde ik van de jaarlijkse derby’s, c.q. stammenoorlogen tegen Ghent Swimming. Later heb ik als journalist in Nederlandse loondienst de Nederlandse vrouwen gevolgd toen ze in Perth in 1998 de WK-finale verloren en in Peking in 2008 olympisch goud wonnen. Een paar weken geleden volgde ik zelfs de beslissende kwalificatiewedstrijd voor de Olympische Spelen van diezelfde Nederlandse polovrouwen tegen Spanje op tv. Nederland verloor kansloos. Ik ken waterpolo en als meninghebbers toen de mooie beelden hadden gezien van de fysieke oorlog die zich onder de waterlijn afspeelde, zouden ze nu anders spreken.

Ik heb destijds een paar wedstrijden van mijn dochter gevolgd, maar ook niet meer dan een paar, dat is waar. Ik vond die gemengde teams bij de haren getrokken, al is dat ongeveer de enige misdaad die je in het waterpolo niet mag of kan begaan. Dochterlief hield een gebroken neus over aan haar trainingen met jongens, maar dat had met meisjes ook kunnen gebeuren want die hebben ook ellebogen.

Laat dit duidelijk zijn: de argumenten die de zwembond aanhaalt, zijn belachelijk. Een verzekeraar die geen seksueel grensoverschrijdend gedrag dekt? Alsof je voor seksueel grensoverschrijdend gedrag naar een verzekeraar stapt. Dat is een zaak van de trainer, het clubbestuur of de politie. En dat de Walen niet willen, daar kan de Vlaamse autonome vleugel zijn voeten aan vegen. Sport is regionale materie en de nationale koepels moeten aangestuurd worden door de vleugels en niet omgekeerd.

Het scheiden van jongens en meisjes vanaf een bepaalde leeftijd in de sport is dan weer de wetenschappelijke logica zelf. Misschien dat sommige meisjes van zichzelf vinden dat ze hun mannetje kunnen staan, maar vanaf de puberteit groeien de twee seksen
zowel qua uithouding als kracht uit elkaar en toevallig is waterpolo met ijshockey, American football, rugby en handbal de fysiek zwaarste contactsport door de mens gespeeld.

In waterpolo is lichamelijk contact een essentieel onderdeel van de spelregels. Je mag op de tegenstander gaan liggen, de arm wegtrekken, je mag delen van het lichaam blokkeren, je mag hem/haar soms kopje onder duwen. Fantastisch, als sommige meisjes er trots op zijn dat ze ook stampen en knijpen onder water, maar daar gaat het niet om. Hoe ouder de jongens worden, hoe minder de meisjes in die gemengde teams aan de bak komen. En dan wordt het een heel raar spelletje, ook voor de jongens, want in tegenstelling tot korfbal mag in waterpolo wel gemengd worden verdedigd.

De ongelijkheid van mannen en vrouwen in sport heeft niks vandoen met glazen plafonds of patriarchale structuren, maar met een hormonale realiteit. We wijken serieus af van de originele bedoeling van (competitie)sport als we, ter bevordering van de gelijkheid van seksen, meisjes en jongens samen laten sporten omdat de meisjes dan ook beter worden. Dames, zo werkt het niet. Jullie hebben destijds een aparte categorie gekregen in de sport en die heet vrouwensport, en dat gaan we nog een tijdje zo houden (tot de doorbraak van de tussenseksen).

Dat er niet genoeg meisjes/vrouwen zijn om een sport te beoefenen? Jammer maar helaas, we zijn een klein land zonder sportcultuur. De finaliteit van jeugdsport is nog altijd de doorgroei naar de volwassenensport en niet een nivellering naar onderen bij de jeugd omdat 170 waterpoloënde meisjes zich anders verlaten voelen.

Over de nieuwe motortjes in het peloton in De Morgen van maandag 18 april 2016

Nieuwe mechanische fraude?

Dat is wel heel kort door de bocht op wel heel dure wielen

 

Extraordinary accusations require extraordinary evidence. Dat zei een ooit heel groot renner en het is een beetje vreemd om hem hier te citeren, want uiteindelijk zijn die bewijzen tegen hem er wel gekomen. Lance Armstrong had daarom niet minder gelijk.

Gisteren heeft Stade 2 – meestal een redelijk geniaal, gevarieerd en inspirerend sportprogramma op France 2 – naar eigen zeggen bewezen dat de mechanische doping in het wielrennen een nieuw hoofdstuk aan het schrijven is en dat we er allemaal staan op te kijken als een koe op een trein. Tenminste, dat was de teaser.

Het programma begon met oude beelden en oude beschuldigingen: tegen Ryder Hesjedal van wie het achterwiel bleef draaien na een val (wat achteraf is gereconstrueerd en als perfect verklaarbaar bewezen), van Fabian Cancellara op de Muur toen hij in 2010 wegreed van Boonen (maar achteraf getimed niet sneller klom dan Gilbert en Devolder in de jaren voor hem) en ook tegen Chris Froome in de Tour van vorig jaar. Cédric Vasseur suggereerde toen dat de fiets van Froome op La Pierre Saint-Martin vanzelf reed en vroeg zich af hoe die in godsnaam die 110 omwentelingen kon volhouden. Vervolgens kwam een ex-topman van het Franse antidopingagentschap aan het woord die zei dat hij veel klachten had van renners over mechanische doping.

Ineens werden we naar de Strade Bianchi van dit jaar gebeamd. Daar zouden de makers van het programma een eigen detectiemethode uittesten. Ze filmden alle voorbijrijdende fietsen met een infraroodcamera en daaruit concludeerden ze met een ingenieur dat enkele fietsen verdachte heat maps vertoonden. De conclusie: waar het fietskader rood was, zou zich wrijving hebben kunnen voorgedaan ten gevolge van een eventueel aanwezig motortje. We zagen rood opgloeien in de zadelbuis. De hypothese dat daar de batterij voor de elektrische versnelling zit en dat die misschien de oorzaak was, kwam niet aan bod. Ook in de trapas en in de as van een achterwiel was opvallend veel wrijving te zien, maar daar ís ook opvallend veel wrijving bij fietsen die vooruit gaan.

Vervolgens toonden ze uit de Giro van vorig jaar beelden van Alberto Contador die een achterwiel kreeg van een maat en er dan in één ruk mee wegreed. Ze filmden daarna een mechanieker die rare dingen deed aan zijn polshorloge – verdacht aldus de makers – en vervolgens toonden ze de controles van de UCI. Daarvan beweerden ze dat het controleren van fietsen met een tablet die blijkbaar elektromagnetische golven zou detecteren, niet betrouwbaar zou zijn. Oké, point taken, maar geen wederwoord.

En toen ging het naar Boedapest, waar ene Stefano Varjas een motortje met een lithium-ionbatterij van twee op vijf centimeter toonde. Dat zou 250 watt aanleveren. Niemand die de opmerking maakte dat je daarmee de helft meer energie levert dan de concurrentie en omgerekend ongeveer een derde sneller zou rijden, wat vergelijkbaar is met de zondagfietser die moeiteloos een brug oprijdt in het wiel van de geoefende wielertoerist.

Aanvankelijk dacht je nog what the fuck!

Vandaag weet je beter en denk je what the fuck ;-).

Het werd nóg spannender. Varjas is ingenieur en had ook een wiel met batterijen in de hoge velg ingebouwd. Dat kon op afstand worden aangezet, met een iPhone vanuit de auto bijvoorbeeld. De volgende keer dat je een renner ziet overleggen met de ploegleider, waarna die renner ineens versnelt, weet dan maar zeker dat de ploegleider via een bluetooth-verbinding met zijn iPhone het wiel van zijn kopman heeft geactiveerd. Interessante theorie, ware het niet dat het wiel eerst een prototype zou zijn en vervolgens iets tussen 50.000 en 200.000 euro zou moeten kosten. Eén wiel zal wel volstaan, maar toch.

Allemaal leuk die samenzweringstheorieën maar het bleef vooral bij samenzwering en daarom hadden we nog wel een mooie afsluiter nodig. Ineens kwam de Hongaarse ingenieur met een in 1998 ontworpen motortje dat nu niet meer in zwang is omdat het 3,5 kilo weegt. Dat is de helft van een carbonfiets. Dat was pas een vondst, want het was op maat van renners met hele hoge trapfrequenties. En het was gebruikt! Waarop de animator – journalist is iets te veel eer, illusionist past misschien nog iets beter – besloot: “ik kan mij niet zo direct een renner voor de geest halen uit die periode, maar u vast wel en u moet maar reageren op de sociale media.” Voor wie onder een steen zat in die tijd: hij bedoelde Lance Armstrong.

De cirkel was rond.

Arm, arm wielrennen.

20160418_De-Morgen_p-27-mail

Verhaal over de hardste werkende sporters (vrouwen, jawel!) in Vlaanderen in De Morgen van zat 16 april 2016

De droomfabriek van de gymnastiek

Nooit is er in de Belgische sport harder gewerkt dan door de turnsters die zich in Gent dertig uur per week bekwamen om de wereldtop te bestormen. Te beginnen op het olympisch kwalificatietoernooi dit weekend in Rio.

“Zie ze bezig: dit kan je alleen met volle goesting. Ik dacht vroeger helemaal anders over die sport. Mijn zwemmers heb ik wel eens horen klagen over te veel en te zwaar, maar dit is heel andere koek.”

Lode Grossen van de Gymfed kijkt bewonderend toe, terwijl rondom ons kleine en minder kleine meisjes door het zwerk zwieren, al of niet met behulp van vervaarlijke toestellen. Grossen is van opleiding jurist en trainer A in het zwemmen, de sport waarvoor hij veel functies bekleedde en in Londen op de Olympische Spelen nog als trainer aanwezig was, tot de Vlaamse Gymfed hem in 2013 binnenhaalde als algemeen manager.

Dit weekend is het Belgisch turnen met twee ploegen op het olympisch kwalificatietoernooi (OKT) in Rio de Janeiro, in dezelfde hal waar in augustus om de medailles wordt geturnd. Bij de mannen zijn de kansen miniem, bij de vrouwen reëel.

“Ik zou heel erg ontgoocheld zijn als we het niet zouden halen”, zegt Yves Kieffer, head coach van de vrouwen. De Parijzenaar kwam bijna acht jaar geleden uit Frankrijk naar Gent, met op zijn cv olympisch goud. Naar Vlaamse/Belgische normen ligt zijn lat erg hoog. “Waarom zouden wij geen medaille kunnen winnen? Zeg mij waarom?”

Hij zegt het met zachte stem, maar met enige aandrang en kijkt je aan met priemende ogen. In 2004 in Athene stond hij met zijn atlete Émilie Le Pennec tegen alle geosportieve logica in op het hoogste schavotje. Grossen, zelf een trainer, kan zijn bewondering voor Kieffer niet verbergen: “Een topper, die we moeten zien te houden. Veel zal afhangen van wat we dit jaar presteren.”

2016 is een cruciaal jaar in de ontwikkeling van de Belgische gymnastiek, een sport die tot op vandaag alleen toevallige individuen naar de Spelen uitzond. Dit weekend (morgennacht om precies te zijn) zou België – zeg maar Vlaanderen als het over de vrouwenploeg gaat – voor het eerst in de geschiedenis van de moderne topsport een team kunnen afvaardigen naar de meest universele en één van de hardste sporten op het olympische programma.

In de aanloop kreeg het team wel een opdoffer van formaat te verwerken: Lisa Verschueren – een certitude – haakte in december 2015 af met hartproblemen. Ze zal er in Rio bij zijn als mascotte, op kosten van de Gymfed.

Een traan en een lach

De gymhal in Gent ligt aan de Watersportbaan, goed verborgen achter de atletiekhal. Je komt er alleen als je een lange gang van de oude Bloso-sporthal doorloopt en de weg kent. Twee deuren verder wordt beleefd gevraagd om je schoenen uit te doen: we zijn in de moskee van de gymnastiek. De witte waas van krijt in de zaal – zowat een half voetbalveld groot – verraadt drukke activiteit.

Links doen de mannen flink en rechts de vrouwen. Het zijn twee gescheiden werelden, ook al omdat de twee hoofdtrainers – een Fransman en een Nederlander – ‘verschillende visies’ hebben. De vrouwen van Kieffer en co. zijn de referentie. Op hen is de hoop gevestigd om geschiedenis te schrijven nadat ze zich op het WK in Glasgow net niet rechtstreeks wisten te plaatsen voor de Spelen, maar daardoor wel al zeker waren van het kwalificatietoernooi.

Het is iets over acht uur (ochtend, jawel) als we onze opwachting maken, gesecondeerd door sporttechnisch medewerker Valerie Van Cauwenberghe, die ook internationaal jurylid is. De toppers van de nationale seniorenploeg zijn nog aan de opwarming, maar aan alle toestellen wordt al hard gewerkt.

Eén heel jong meisje – een leeftijd is haast niet te schatten in deze sport – probeert steeds dezelfde beweging aan de brug, maar mist keer op keer. Af en toe dondert ze plat op haar buik in de diepe matten. Dit moet één en al passie zijn, zoals Grossen zei. Terwijl hun collega-voetballertjes uit hun Topsportschool aan de Voskenslaan in Gent nu al zaakwaarnemers hebben, betalen de gymnastjes – of liever hun ouders – per jaar 1.000 euro voor hun sportopleiding en financieren ze daarnaast zelf hun internaat.

Na elke misser klimt het meisje op het inklappende platform en gaat er weer voor, maar na de zevende poging weet ze het even niet meer en komen er tranen. Een trainster spreekt haar moed in en enkele minuten later doet ze een nieuwe poging. Deze lukt wonderwel en bij haar laatste beweging ontstaat iets wat lijkt op een glimlach. “Heel goed, dat was het”, zegt de trainster. “C’est bon”, knikt een man die iets verderop staat. Haar oogjes blinken.

Het was halsbrekend wat het juniortje daar deed, maar straks om 10 uur kan ze met een gerust gemoed naar de les. Er is weer een stap gezet in haar ontwikkeling, die begon toen ze zich als 4-jarige bij een turnclub inschreef en talent toonde, waarna het systeem haar oppikte en doorontwikkelde.

Het systeem heeft geen geheimen en is in alle landen min of meer hetzelfde, al zijn er die het niet te nauw nemen met de ethiek en de gezondheid van de atleten. Ook in België hebben eerdere trainers als de Nederlander Gerrit Beltman er de kantjes af gelopen.

Kieffer: “Bij mijn voorgangers zaten alle trainers neer, werd steeds dezelfde routine geoefend tot er tranen kwamen. De atleten stuurden allemaal signalen uit om te tonen hoe zwaar het wel was. Zo kun je nooit de top halen. “Wij mikken op arbeidsvreugde, want we hadden hier een technische achterstand goed te maken en daar zijn we met hard werken in geslaagd. Het bijzondere aan het Vlaamse model is de schaarste. Daardoor werk je met talenten die je in een ander land met een groot aanbod net niet goed genoeg zou vinden, maar met wie je door hard werken net hetzelfde bereikt.”

Frans als voertaal

Gymnastiek is een zogeheten vroege specialisatiesport. Al in de lagere school worden trainingsuren gemaakt waarvoor profvoetballers naar de vakbond zouden hollen. In de acht Vlaamse lagere scholen die turntalenten opvangen in samenspraak met de naburige opleidingsclub en de federatie, begint het topsporttraject vanaf het vierde leerjaar. De trainingsbelasting wordt beperkt tot 16 uur per week. Tegen het begin van het middelbaar is daar de helft bijgekomen. De Vlaamse wereldtop traint 30 uur of meer per week, en één weekend op twee.

Die ochtend in de gymhal zijn na de juniores inmiddels ook de internationals onder aanvoering van ouderdomsdeken Julie Croket (21) en Gaelle Mys (24) begonnen. Dit is een D-day op de weg naar Rio: op het programma staat een generale repetitie van hun oefeningen. Vanmiddag zullen ze moeten tonen wat ze in hun mars hebben, want een dag later is er een selectiecommissie voor een tussentijds toernooi in Moeskroen tegen Duitsland en Roemenië.

Het gaat er ontspannen aan toe. Elk deeltje wordt geoefend en doorgesproken met de trainers. De voertaal is Frans, doorspekt met de Nederlandse terminologie die het trainersechtpaar Yves Kieffer en Marjorie Heuls zich in zeven jaar in Gent eigen heeft gemaakt. “Onze kinderen spreken de taal perfect, want die gaan hier ook naar school. Wij niet, maar ouders die uitleg willen in het Nederlands, krijgen die, al is het wel makkelijk dat veel mensen hier goed Frans spreken.” Naast Kieffer en Heuls zijn nog twee andere Fransen – ook een echtpaar – in dienst van de Gymfed, die liefst vijftien trainers op de payroll heeft.

Na de middag, als voor echt wordt geturnd in een interne selectiewedstrijd, neemt Valerie Van Cauwenberghe de honneurs waar en jureert ze de oefeningen. Tegelijk wordt alles opgenomen op een iPad en krijgen de gymnasten directe feedback.

De hele aimabele Kieffer van de ochtend en van de lunch, verandert zijn toon en geeft een draai aan zijn volumeknop. Met een gymnaste die duidelijk last heeft van faalangst en een paar sprongen verknoeit, heeft hij geen medelijden: “In topsport moet je iets willen. Als je wilt dat we je niet selecteren, doe zo verder, maar kom het ons zeggen, dan besparen we elkaar de moeite.”

Die komt aan, maar de volgende sprong lukt wel. Morgen hebben de meisjes van de topsportschool ook nog eens examen, op school deze keer.

Geen topsportcultuur

Het tussentijdse minitoernooi was overigens een meevaller, maar daar verscheen niks van in de pers. Op 3 april klopte de Belgische selectie in Moeskroen (met internationale jurering) Roemenië en Duitsland, ook twee van de tegenstanders dit weekend. Jawel, ook turnland Roemenië moet zich nog plaatsen en haalde zelfs grootheid C#t#lina Ponor (28 inmiddels en dubbel goud in Athene 2004) van onder het stof. Zelfs gastland Brazilië moet zich nog kwalificeren voor de eigen Spelen. Daarnaast zijn dit weekend bij de vrouwen ook Zwitserland, Australië, Zuid-Korea en Frankrijk van de partij. Acht landen, vier tickets, do or die.

Op 8 april is de nationale selectie naar Santos bij São Paulo gevlogen. De keuze is gevallen op de ouderen Julie Croket en Gaelle Mys, naast Rune Hermans, Laura Waem, Senna Deriks en Axelle Klinckaert. Het 16-jarige supertalent Nina Derwael blesseerde zich aan de hand en haar afwezigheid is zo mogelijk een nog grotere aderlating dan Lisa Verschueren.

Voor deze Braziliaanse campagne is niks aan het toeval overgelaten. In de gymhal in Santos stond niet de brug van het merk waarop dit weekend wordt geturnd. Geen probleem, of toch wel, maar geen andere keus: een brug van het merk waarop dit weekend wordt geturnd, werd naar Santos verscheept.

Vier jaar geleden scheelde het één puntje of het team zat al in Londen op de Spelen. Deze keer moet het lukken. “Als we ons niveau halen, is er geen probleem om bij de eerste vier te eindigen.”

Yves Kieffer weigert de blessure van Derwael aan te grijpen om zich in te dekken. Kieffer dekt zich nooit in. “Ik ben niet gekomen om in beperkingen te geloven”, zei hij op zijn eerste persconferentie. Het kwam erop neer dat hij maar al te goed wist dat de Belgen evenveel armen en benen hadden als de Franse atleten waar hij vandaan kwam en dat er geen excuses waren om niet te presteren.

Er waren wel enkele verschillen en daar had hij het in het begin moeilijk mee. “Dit is een klein land, maar waarom denken jullie zo klein? Waarom hebben jullie geen enkele feeling voor de Olympische Spelen? Waar is jullie topsportcultuur? In Frankrijk staat het
land op z’n kop voor het EK voetbal, voor de Tour, maar ook over de Spelen wordt al volop gepraat. Ik moet onze gymnastes zelf
elke week – door middel van een opgelegde taak zoals een videoboodschap – eraan herinneren dat de Spelen eraan komen. Dat zouden de media moeten doen. Maar ja, jullie hebben geen sportkrant als L’Equipe en de grote kranten schijven alleen over voetbal en wielrennen.”

Nood aan topsportcentrum

“Er is wel een voordeel door die kleinschaligheid”, zegt Kieffer. “Als ik naar Brussel ga bij Bloso, zit ik na één telefoon samen met Lode Grossen bij het hoofd topsport Paul Rowe en die vraagt of ik lekkere koffie wil. Ja, zeg ik, en die gaat hij halen. Echt waar. Als ik in Frankrijk op mijn ministerie van Sport iemand wil spreken – want als trainer ben ik een ambtenaar – dan moet ik eerst een aanvraag indienen en krijg ik weken later de tiende secretaris in rang te zien die ook nog eens denkt dat hij de minister is.

“België heeft het niet slecht voor mekaar. Jullie hebben wel nood aan een olympisch topsportcentrum, Of liever: Vlaanderen heeft daar nood aan, want daar ben ik nu ook al achter: dit zijn twee verschillende landen. Zal ik je eens wat zeggen: de Vlamingen en de Fransen lijken beter op elkaar dan de Franstalige Belgen en de Fransen. Vlamingen zijn wat introverter dan wij Fransen, maar er zit wel ambitie in jullie. De meisjes van onze nationale vrouwenploeg zijn ongelooflijk gefocust en echte competitiebeesten die altijd willen winnen. Bij de Franstalige Belgen zie ik geen enkele ambitie. Ik hoor er alleen excuses en zie alleen gecomplexeerd gedrag.

“We wilden daar één keer in de week langs om hen te helpen. ‘Bedankt, we bellen wel als het nodig is’, was het antwoord. Wat dacht je: ze hebben nooit gebeld en het loopt daar voor geen meter.”

 

KADERTJE

JURYSPORT

Gymnastiek is een jurysport en dus onderhevig aan beïnvloeding. “Twintig jaar geleden was de jurering een schande en kwam de puntentelling in de buurt van fraude”, weet coach Yves Kieffer. “Dat is er helemaal uit, maar nu is het belangrijk om als Belgisch team op het netvlies van de juryleden te staan. Door ons te tonen op de toernooien, zijn we daarin geslaagd. Een paar weken geleden hebben we zelfs enkele internationale juryleden uitgenodigd in onze trainingshal.”

Valerie Van Cauwenberghe zal niet jureren in Rio op de Spelen, maar voor het olympische kwalificatietoernooi zit ze in de pool waaruit de jury- leden worden getrokken. In het kunstschaatsen is het jurylid van het eigen land een soort public relations van de atleet, maar “dat kan niet meer in de artistieke gymnastiek”, zegt Van Cauwenberghe. “Onze jurering wordt via video-analyse beoordeeld. Hoe heb je je eigen gymnasten beoordeeld? Hoe de buurlanden of je concurrenten? Wijk je daar te ver af van het gemiddelde, dan krijg je een rode kaart.” Die heeft ze nog nooit gehad, maar als ze in Rio op het test event mag jureren, zou ze durven denken als een profvoetballer. “Als het onze ploeg helpt dat ik iets beter jureer, wil ik er wel de kantjes aflopen.”

Column over blote konten en andere onzin in De Morgen van zat 16 april 2016

Blote kont

 

Er was deze week een rel in het Nederlands voetbal en die haalde de brede Nederlandse media. Eén journalist/columnist had iets geschreven over vervelende Marokkaanse voetballers en een tweede journalist/columnist/agitator haalde er de hele Marokkaanse voetbalgemeenschap bij die sommige clubs “naar de kloten maakte”. (Ik citeer, voor alle duidelijkheid.)

Het gevolg was een geanimeerde discussie bij de VARA bij Pauw tussen de tweede journalist, die heel vervelend kan zijn, en een voor de gelegenheid opgetrommelde derde man, een Marokkaanse Nederlander die ook heel vervelend was omdat hij met hele lange tenen naar de studio was gekomen. Die laatste, Farid Azarkan, sprak in naam van het Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders en eiste al snel excuses. De journalist dacht er nog niet aan en lachte hem vierkant uit als “de meneer hier die ik niet ken en die zo graag ook eens met zijn verhaaltje op de tv komt”.

In ken de eerste journalist/ columnist, Hugo Borst, als betrouwbaar en genuanceerd. Hij was een paar jaar een collega in Nederland. Ik ken de tweede, Johan Derksen, nog beter en wel als behoorlijk ongenuanceerd maar wel met kennis van zaken. Hij was de baas van Voetbal International toen ik bij Sport International werkte en we werkten samen in het door hem zo vaak als verloederd aangehaalde Gouda.

Het interessante aan de hele discussie was hoe de discussie niet is gevoerd omdat nogal snel de begrippen stigmatisering, racisme, Wilders en excuses in de rondte vlogen. Jammer, want we hadden al een hele kluif kunnen hebben aan Borst die schreef dat sommige trainers liever geen Marokkanen in de ploeg halen omdat die heel vervelend en eigenwijs kunnen doen.

Derksen trok maandagavond in Voetbal Inside (te vinden op het internet) de zaak breder. Hij lachte eerst met de baard van een Marokkaanse voetballer en zei dat hij vast wel in het nationale elftal van IS zou kunnen spelen. Hij wist ook van veel clubs die problemen hadden met een te grote instroom van Marokkanen en van clubs die daar quota op hadden gezet. En dus kunnen de gezonde Nederlandse jongens niet langer in hun blote kont gaan douchen omdat de Marokkaanse jongeren dat niet meer willen. We waren afgedwaald.

Er ontspon zich een hevig heen-en-weergesprek waarin Derksen de langetenenman nóg langere tenen bezorgde. Jammer, want ik had graag de discussie gevoerd willen zien over Marokkaanse voetballers die niet gewild zijn. Is dat wel zo? Ik ken een club waar de trainer geen vervelende zwarte Afrikaanse voetballers wil – of toch maar een paar – en waar de laatste seizoenen toch verschillende Marokkanen tot eenieders volle tevredenheid in dienst waren.

Derksen ging door: de ramadan en topsport. Hij zei dat trainers liever geen Marokkanen (moslims in het algemeen dus) in de ploeg hebben als die aan hun vasten vasthouden. Je kunt hem en de trainers die dat vinden geen ongelijk geven. Niet eten en drinken tussen zonsopgang en zonsondergang is de rechte weg naar blessures en niet te verenigen met topsport.

De ramadan loopt dit jaar van 6 juni tot en met 5 juli, ongeveer de periode van het EK voetbal. Ramadannende moslims worden dus beter niet geselecteerd. De Fransen hebben Karim Benzema van de week alvast thuis gelaten, maar dat was voor een zaak van afpersing en drugs en niet omdat hij niet wilde eten in juni.

Pas echt interessant had het kunnen worden met de discussie over de blote kont en of die nog wel is toegestaan, nu er zoveel Marokkanen in de kleedkamer zitten. De Marokkaanse man met de lange tenen keek vies toen hij zei dat de blote kont in de kleedkamer iets van de jaren 60 was en dus een verouderd gebruik. Onzin natuurlijk, hij verwart met de monokini. Blote konten horen bij kleedkamers zoals zweet hoort bij sport: het moet zwabberen en het moet druppelen. Het spijt mij voor alle lange moslimtenen.

Ik ben van zelf van dat wolkje gedonderd, die dag in 2005 toen ik in de fitness aan het Rogierplein op mijn openbare zedenschennis werd aangesproken door mijn fitnessende broeders van de islamgezindte en of ik in het vervolg niet langer naakt met een handdoek losjes in de hand naar de douche wilde lopen.

Column over Tom Boonen en de gemiste kans op demorgen.be van maandag 11 april 2016

Parijs-Roubaix was een knoert van een gemiste kans voor Tom Boonen

Arme Tom Boonen. Uit de wielen gereden door de nieuwe generatie in de Ronde van Vlaanderen en in Parijs-Roubaix een half wiel achter iemand die 2,5 jaar ouder is en tot gisteren in zestien jaar als prof acht (8) koersen had gewonnen, met de Saksen Tour als belangrijkste.

Was het verschil in Oudenaarde met Sagan en co nog duidelijk, dan scheelde het gisteren geen haar in een koers op zijn maat, naar zijn goesting hard gemaakt door een aanvallend Etixx-Quick Step.

Laten we eerlijk zijn, vooraf was het voor buitenstaanders niet duidelijk waarop Tom Boonen zijn hoop had gevestigd om voor de vijfde keer als eerste Roubaix te halen en zo Roger De Vlaeminck te onttronen. Zijn voorafgaande prestaties? Hoop doet leven. Zijn SRM-waarden? Niet bekend of hij die heeft en of hij daar naar kijkt. Zijn gevoel? Is bij oudere atleten vaak een ontregeld kompas. De signalen uit zijn omgeving? Die houdt hem al lang weg van de spiegel.

Overigens niet meer dan terecht dat De Vlaeminck daar nog bovenin staat als Mister Paris-Roubaix. Met elf overinningen in de vijf Monumenten (Milaan-San-Remo, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix. Luik-Bastenaken-Luik en Ronde van Lombardije) is hij de tweede beste klassieke renner aller tijden en de enige, samen met Eddy Merckx (19) en Rik Van Looy (8), die ze allemaal minstens één keer heeft gewonnen. De Vlaeminck reed ook nog eens van maart tot oktober, waarna hij het veld indook en daar ook won. Het dédain voor De Vlaeminck is alleen te verklaren door een gebrek aan historisch besef.

In de tijd van Roger was Roger echt wel beter.

Tommeke-Tommeke-wat-doe-je-nu heeft pech gehad de laatste jaren, maar gisteren had hij door het koersverloop dan weer geluk en leek het een dag uit het wonderjaar 2012 te zullen worden. Jammer, maar helaas: hij miste zijn afspraak met de historie. Mathew Hayman die hem gisteren afhield, heeft nog meer pech gehad. ‘Voorjaar voorbij voor wegkapitein van Orica-GreenEDGE’, zo stond het op het internet, toen hij eind februari in de Omloop Het Nieuwsblad zijn elleboog brak.

Niet dus. Hayman liet noodgedwongen zijn geliefde Vlaamse classics schieten en keerde terug in Compiègne. Na gisteren is het duidelijk waarom deze big engine vier jaar bij Sky mocht rijden.

De man uit West-Sydney – dus een harde – reed de hele dag in de aanval en bleek aan het eind ook nog eens de meest lucide in de spannendste vijf kilometer van de laatste wielerdecennia. Hayman wordt volgende week 38. Boonen is precies 2,5 jaar jonger. Het zal inmiddels wel van Wevelgem tot Balen zijn doorgedrongen zeker dat dit een knoert van een gemiste kans is voor Tom Boonen? Hayman moet hij in alle omstandigheden aankunnen. 

En zo blijft Tom Boonen zitten met dat vreemde palmares. Tot gisteren presteerde hij niks meer van belang na zijn superjaar 2012 waarin hij de twee kasseiklassiekers en Gent-Wevelgem won. Heeft iemand in dat team zich al de vraag gesteld hoe dat komt? Heeft de renner zelf zich ooit die vraag gesteld?

Tom Boonen zit nu voor het veertiende seizoen veilig en goedbetaald onder de vleugels van Patrick Lefevere. Met alle respect, maar misschien ligt daar de oorzaak voor het uitdoofscenario van Vlaanderens grootste klassieke renner van de laatste tien jaar.

Dat Tom Boonen in oktober 2013 na een seizoen met grote en kleine euvels toch voor twee jaar bijtekende, was al bij al nog te begrijpen, maar het is een raadsel waarom hij vorig jaar in de zomer besloot ook in 2016 voor Lefevere te rijden. Het is een nog groter raadsel waarom Lefevere daar in meeging. Met het geld van Boonen had Lefevere misschien Michal Kwiatkowski kunnen houden, wie weet. Of Sep Vanmarcke of Greg Van Avermaet kunnen halen, of allebei.

Zonder het geld van Lefevere had Boonen zichzelf opnieuw moeten uitvinden. Sporters moeten geregeld uit hun comfortzone worden gehaald, geconfronteerd met nieuwe trainingsmethoden en andere bazen. Oudere sporters moeten ook nieuwe dingen proberen. Niks nefaster voor een sportlijf dan jaar in, jaar uit, dezelfde prikkels. Was Tom Boonen drie jaar geleden van omgeving veranderd, hij had gisteren gewonnen. Misschien. Wie zal het zeggen, maar het was het proberen waard geweest.

Column Roulette over geld en Rode Duivels in De Morgen van zat 9 april 2016

Roulette

Als de Rode Duivels Europees kampioen worden op 10 juli in het Stade de France – willen we daar wel zijn? – krijgen ze elk 704.000 euro bijgeschreven op hun rekening. Dat is volgens de media allemaal de schuld van de opgestapte CEO Steven Martens. Dat de raad van bestuur die premies heeft goedgekeurd en dat de raad van bestuur daar nog zit, zal wel een detail zijn. Als volgend jaar een journalist op de bondszetel zijn behoefte doet en geen toiletpapier vindt om zijn kont af te vegen: Steven Martens zijn schuld.

De premies zijn teruggerekend op een simpele formule: hoeveel procent van de EK-inkomsten zijn voor de spelers? Het antwoord, na onderhandelingen die even aansleepten: 60 procent. Schande, sprak een KBVB-bestuurder. Hij vertegenwoordigt de tweedeklassers en alle clubs die daaronder bengelen en zoals bekend dolgraag veel (soms zwart) geld betalen aan spelers die geen cent waard zijn in plaats van aan jeugdtrainers.

Er was ook een manager van een voetbalploeg die zei dat hij met 60 procent salariskost failliet zou gaan. Vreemd. In eerste klasse vind je maar heel weinig teams die géén 60 procent van hun omzet aan salarissen besteden. Ten tweede vergelijk je geen appels
met peren. Het businessmodel van een team dat een heel jaar tussen twintig en vijfentwintig wedstrijden speelt in eigen stadion en evenveel buitenhuis, en daar heel veel operationele kosten voor moet maken, is totaal verschillend van dat van een nationaal team dat een dikke maand alleen in logies en verplaatsingen moet voorzien.

Men spreekt ook schande van de deal omdat na het WK in Brazilië is gebleken dat de Rode Duivels met hun kwartfinale op de World Cup in 2014 meer zouden hebben verdiend dan de Duitsers met hun wereldtitel. Klopt dat wel? En zijn daar niet misschien een aantal (waaronder slechte) redenen voor te bedenken? Zo spelen bijvoorbeeld heel wat Belgen in Engeland, waar de salarissen de pan uit swingen. Duitsland, waar de meeste Duitsers spelen, staat bekend om een heel stringente salarispolitiek en dat straalt af op de bond.

Andere mogelijkheid: misschien wordt er van onze internationals meer gevraagd inzake marketing en commerciële toestanden dan in Duitsland. Wie weet zit in die afspraken een compensatie omdat met de sponsors een prestatiepremie is afgesproken. Transparantie zou veel oplossen.

Misschien is er een wezenlijk verschil tussen het Duitsland-gevoel en het België-gevoel. Duitsers zijn stolz om voor Die Mannschaft te kunnen spelen. Belgen beschouwen een selectie toch eerder als een hefboom bij salarisonderhandelingen en de Rode Duivels zijn meer een tijdelijke joint venture van eenmansvennootschapjes dan een nationale selectie.

De hele heisa heeft iets vreemds. Neem nu het bedrag van 704.000 euro. Daar zit al 208.700 euro in voor de kwalificatie en die is eigenlijk een beloning voor eerder geleverde prestaties. In de eerste ronde krijgen ze 13.000 euro per gelijkspel en 26.000 voor een overwinning. Gaan ze een ronde verder: 39.000 euro extra. Kwartfinales: 65.200. Voor de halve finale wordt 104.000 euro voorzien en voor winst in de finale 208.700.

Onnozel veel geld? Natuurlijk wel. Maar voetbal hangt aan elkaar van onnozel veel geld, op elk niveau, behalve in de journalistiek. Vandaar misschien de heisa.

Er is ook altijd een direct verband tussen een premie en de kans op slagen. Duitsers die naar een eindtoernooi gaan, weten haast van te voren dat ze bij de laatste vier zullen eindigen en winnen één keer op de vijf. Als wij naar een eindtoernooi gaan, spelen we roulette en als het balletje in het casino toch eens goed valt op dat ene nummer, dan verdien je veel geld.

Het allervreemdste aan de mediaheisa over die 704.000 euro is dat hier wordt uitgegaan van een scenario waarbij de Rode Duivels eerst hun drie poulewedstrijden en dan nog eens vier wedstrijden tot en met de finale winnen. Het kan evengoed tegenzitten en dan gaan ze na drie gelijke spelen naar huis met 39.000 euro extra voor haast vier weken werk, en welke topvoetballer komt daar nu nog voor uit zijn huis? Verliezen ze alles, hebben ze niks verdiend. Neen, onze internationals zijn niet te benijden.

Verhaal over de Britten en de koers in De Morgen Magazine van zat 2 april 2016

De Britse revolutie

Niks minder dan een cultuurshock was het, toen ze kwamen met hun Jaguars en hun bussen als ruimteschepen. Ze introduceerden nieuwe trainingsmethoden, hanteerden een andere sporttaal en droegen fancy koerstenues. Koers werd cycling and so very British. Toen ze wonnen, was iedereen mee.

Frankrijk, Italië, België, Spanje en op respectabele afstand Nederland en Duitsland: dat is ongeveer de pikorde van de home nations van de regionale passie wielrennen. Die West-Europese landen hebben sinds de eeuwwisseling het uitzicht van De Koers bepaald, zowel binnen als buiten het peloton.

Coureurs waren bij ons jongens van de boerenbuiten. In Frankrijk noemde men hen liefkozend les forçats de la route, dwangarbeiders van de weg. Ze waren groot en sterk geworden op smalle wegen waar het altijd nat en modderig lag en waar het zonlicht nooit scheen en altijd waaide of bergop ging, of allebei. Alleen, professioneel wielrennen is niet ontstaan in Europa, maar wel in de Angelsaksische wereld, meer bepaald in de Verenigde Staten. In New York nog wel, waar in 1879 een velodroom werd gebouwd, Madison Square Garden. Met de fiets op de piste rijden was in die tijd de best betaalde Amerikaanse sport.

De betere renners konden tot 150.000 dollar (134.000 euro) per jaar verdienen. De eerste internationale wielerster sprak (Amerikaans) Engels en was ook nog eens zwart: Major Taylor, de eerste sprintwereldkampioen (1899) ooit, maakte er een gewoonte van om het hele veld te dubbelen. Hij reisde vaak naar het oude continent en was ook in Frankrijk een gevierd atleet.

De eerste echte wedstrijd met fietsen – toen nog met een klein voorwiel – was dan wél weer een Europees voorrecht. Op 31 mei 1868 werd in het Parc de Saint-Cloud in Parijs een race over 1.200 meter gehouden, maar het was een Engelsman, James Moore, die won. Later dat jaar zou hij ook de eerste lange wedstrijd, tussen Parijs en Rouen, op zijn naam schrijven. 123 kilometer in goed 10 uur.

Zelfs de eerste dopingdode was een Engelsman, maar dat was een vergissing. Hoewel Arthur Linton in de geschiedenisboeken staat als overleden ten gevolge van ‘middelen’ na Bordeaux-Parijs in 1886, stierf hij pas in 1891, maar van buiktyfus. De tweede dopingdode, dus eigenlijk de eerste, was een Brit en zijn naam is Tom Simpson. Hij stierf in 1967 op de Mont Ventoux.

Kromgebogen over het stuur

Om een lang verhaal kort te maken: de Angelsaksen waren altijd al heel erg into biking, compleet met de uitwassen van die sport, maar hun vervoermiddel werd tot de Tweede Wereldoorlog door de Britse verkeersbepalingen aan banden gelegd. Zo mocht the bicycle op de meeste wegen bijvoorbeeld niet sneller dan een paardenkoets. Le cyclisme, il ciclismo of de koers werd zo vooral een sport voor harde West-Europese mannen die kromgebogen over hun stuur tegen de wind of de helling zich een weg baanden naar voren.

Het prototype van die hardheid was de kampioen aller kampioenen, Eddy Merckx. Naast de fiets best een mooie jongen, op de fiets een kruising tussen een beul en een kannibaal, wat ook zijn bijnaam werd. Zij die wel in stijl reden, waren uitzonderingen en kregen eretitels als Le Pédaleur de Charme (Hugo Koblet), Il Campionissimo (Fausto Coppi), Le Gitan (Roger De Vlaeminck), Glamourboy (Fons De Wolf), L’Enfant Prodige of Il Bimbo d’Oro, Frank Vandenbroucke.

Deze Vandenbroucke uit een dorpscafé in het boertige Ploegsteert was erg begaan met zijn look. Toen hij ooit nieuwe koersschoenen kreeg, gebruikte hij zijn handen als voeten en draaide rondjes met de schoenen. Hij wilde zelf zien hoe mooi ze wel niet waren in beweging.

De Vandenbrouckes van deze wereld waren uitzonderingen. De look and feel van het wielrennen veranderde niet of nauwelijks tussen 1960 en begin deze eeuw. De shirts werden zelfs spuuglelijker met het decennium, hoekige fietsen bleven hoekig en de bonkige mannetjes bonkig. Er werd veel geruzied en gekonkelfoesd en gedopeerd uiteraard, dat was de koers.

En toen kwamen de Amerikanen: eerst Greg LeMond en later Lance Armstrong. Beiden reden nog altijd in lelijke outfits, maar het professionalisme nam toe. LeMond reed de befaamde afsluitende tijdrit van 1989 waarin hij Laurent Fignon het geel afhandig maakte, met een spaghettistuur. Dat was de eerste wezenlijke verandering aan de opbouw van een racefiets in honderd jaar. Dat stuur had hij gehaald uit het nog jonge triatlon, en hoewel het stuur ook geen toonbeeld van design was, bleek het hoogst efficiënt. Het zou alvast van het tijdrijden een totaal andere discipline maken.

Ook het jargon veranderde. De taal van de langere wedstrijden als de Tour de France werd half-Engels. Een tijdrit of contre la montre werd een TT, een sprinttreintje een lead out, de bergprijs werd king of the mountain en eten deden ze voortaan in de feed zone. Er werd ook anders getraind. Of beter: er werd getraind zoals andere uithoudingssporten dat al decennia lang deden. Gericht op pieken, met rustperiodes, onderbouwd door sportfysiologie en sportvoeding, twee specialismen die ook deels hun oorsprong vonden in de Angelsaksische wereld.

De cx als waarde voor de aerodynamica deed samen met de windtunnel zijn intrede. Onze wielrenners trainden tot dan vooral kilometers die ze onderbraken met intensievere kilometers, de zogeheten ‘blokjes’. De meeste van onze dwangarbeiders zaten nog altijd op hun fiets als sandwichmen, beplakt met allerlei kleine en grote sponsors in de meest incompatibele kleuren, een gevolg van het klassieke businessmodel van de West-Europese koers.

En toen kwam Sky

Op 26 februari 2009 zou het cyclisme een andere weg inslaan. De Britse commerciële zender en wereldspeler BSkyB kondigde aan voortaan ook een wegploeg te sponsoren, in navolging van het wielerbaanprogramma waar ze al klauwen vol geld in investeerden. Hun insteek was totaal anders dan de klassieke home nations. Zij zouden een wetenschappelijke vertaalslag maken van de wielerbaan naar de weg. Het oude wielrennen keek verbaasd en lachte minzaam. Wait and see.

Toen Sky in de Omloop Het Nieuwsblad van 2010 landde op het Gentse Sint-Pieterslein – ze kwamen gewoon aangereden zoals de anderen, maar het had iets weg van een landing van elitetroepen – deden ze dat niet met Skoda’s of Peugeots maar met Jaguars als team cars, een gigantische truck en een bus die dubbel zo groot leek als die van QuickStep, onze Vlaamse referentie.

Uit de truck kwamen gloednieuwe gelikte Pinarello-fietsen, Italiaans design en ook nog eens performant. Uit de bus kwamen ruimtemannetjes gewandeld, ingepakt in een outfit bestaande uit drie kleuren: donkerblauw, hemelsblauw en wit. Daarop één
grote sponsor: Sky, in kleine, mooi gestileerde letters. Toch wel het mooiste wielershirt van het peloton, vonden ook de oude koerskrokodillen meteen. Wielrennen werd meteen ook een beetje voetbal, want op de zijkant van het shirt stond de naam van de renner. Zes uur later reed Juan Antonio Flecha namens Sky victorieus alleen over de streep in Gent. Dat was ook het enige wapenfeit van het eerste jaar van Sky, en daar werd dan smalend om gelachen.

Het beste moest nog komen, want deze Britse revolutie was méér dan marketing en een nieuwe look and feel. Er zat wetenschap achter en ook die was relatief nieuw voor de planeet Koers. Om correct te zijn: in de Angelsaksische wereld zijn het de Australiërs die de weg hebben getoond. In de nasleep van de desastreuze Olympische Spelen van Montreal 1976 (geen enkele keer goud) richtten ze een jaar later het Australian Institute of Sports op. Meteen was wielrennen een speerpuntsport: men maakte vooral baanwielrenners. Sterke kerels met een grote motor en veel vermogen, of kleine sterke mannetjes met fantastische coördinatie werden geselecteerd. De Aussies beheersten een tijdlang het baanwielrennen, maar stuurden ook geregeld goeie wegwielrenners onze kant op.

Toen de Britten na Atlanta 1996 in een olympische depressie verzeilden omdat alleen de oude roeier Steve Redgrave met goud naar huis was gekomen, haalden ze heel wat uit Groot-Brittannië vertrokken brains terug naar het moederland en plukten na Sydney 2000 ook Australische trainers weg.

Er was wel degelijk nog een andere weg naar Rome dan via Vlaanderen, Frankrijk of zelfs Italië. De wielerbaan van Manchester zou een voornaam tussenstation worden. Wielrennen is in essentie een hele simpele sport waarbij alles draait om geleverd vermogen, uitgedrukt in de eenheid watt. De formule van vermogen zegt het: arbeid gedeeld door tijd. Wat je in de motor stopt – op voorwaarde dat de motor groot en goed genoeg is – komt er vroeg of laat uit. Dat was de Britse wetenschappelijke logica, niet gehinderd door de traditie.

Bradley Wiggins was zo’n man van het vermogen, aanvankelijk voor vier minuten. Hij kroop uit zijn Britse proefbuis voor de Spelen van Peking 2008 en pakte daar voor de tweede keer achtervolgingsgoud. Een jaar later streed hij mee voor het podium in de Tour de France, in 2012 won hij de Tour, en zijn luitenant bij Sky – Chris Froome, een blanke Keniaan godbetert – werd tweede. Die zou later twee keer de Tour winnen en is ook dit jaar weer de grote favoriet.

Cultuur, fietscultuur

Bradley Wiggins werd de hipster onder de renners. Zijn opvolger Froome is net iets te onaards mager en saai om hem als stijlicoon naar de kroon te steken. Wiggins is een baardmens, een non-conformist tot in de kist, met schitterende teksten alsij er zin in heeft. Geen beauty, die Bradley, maar meer het prototype van de eiland-Brit, getekend door een gebrek aan andere dan Britse genen, het bovenmatig drankgebruik van zijn voorvaderen – waar hij zelf ook af en toe in vervalt – en het gemis aan zon.

Tegelijk met de opkomst van Wiggins en Sky vielen de Britse steden ten prooi aan een nieuwe fietscultuur. Klassieke stalen race bikes waren weer in. Fixies – met één vast verzet – werden ineens de norm in het straatbeeld en wie vandaag door Londen wandelt, ziet niet alleen meer de koeriers op doortrapfietsen. Ook de yuppen jagen door de straten van The City met hun laptoptas op de rug en één na één moeten ook de steden van het Europese vasteland voor de bijl, al is bij ons een fixie zonder rem (zoals die in Manhattan nog altijd wordt gebruikt) absoluut verboden.

Paul Smith

De fixierijders hebben zonder uitzondering speciale aangepaste kledij. Koeriers houden het nog bij eenvoudige streetwear, maar voor hoger op de maatschappelijke ladder is een heel gamma beschikbaar, te beginnen bovenaan met de 531-collectie van Paul Smith. Deze Paul Smith heeft zelfs een fiets in de aanbieding: een fixie natuurlijk. Een stalen frame, twee tandwielen en een ketting, twee wielen, een stuur en voorrem, dat alles in mat zwart en licht in gewicht, is de uwe voor 6.500 euro.

Paul Smith is 70 en heeft ooit ambitie gehad om profrenner te worden, maar die hield hij al die tijd netjes voor zichzelf. In een interview met The Telegraph outte hij zichzelf als een koersaficionado die in Nottingham op zoek ging naar tijdschriften met daarin plaatjes van mooi uitziende renners. “Ik herinner mij Fausto Coppi, maar ook Rik Van Looy, twee mooie renners die als gebeiteld op hun fiets zaten en strak in een mooi shirt.”

In 2007 werkte Smith een eerste keer voor het high-end merk Rapha (zie kader) en ontwierp een Grand Départ-shirt ter gelegenheid van de Tour-start in Londen. In 2014 lanceerde hij zijn 531-lijn middels een controversieel filmpje waarin de ex-prof (en op doping betrapte) David Millar zijn producten aanprees.

Wie wil fietsen op zijn Brits, heeft een aardige portemonnee nodig. In tegenstelling tot de klassieke wielerlanden waar de racefiets ook van het volk was/is, scoort het sportief fietsen en de bijbehorende stijl in de Angelsaksische landen vooral bij de betere middenklassers. Wie interesse heeft: een waterproof fietsjasje kost 380 euro en een bijpassende backpack 500 euro. Maar dan fiets je wel in Paul Smith, het favoriete merk van Vlaanderens favoriete wielercommentator, Michel Wuyts.

Rapha, mode voor mamils

In de jaren 50 weigerde de Tour de France andere teamsponsors dan fietsenmerken. Daar vond het team van ploegleider Geminiani iets op. Zij hadden als sponsor St.Raphaël, een Frans aperitief, afgekort tot Rapha. Op de shirts verscheen Rapha en daaronder Geminiani. “Hoezo verboden?”, repliceerde Raphaël ‘Rapha pour les amis’ Geminiani, “Rapha is mijn voornaam.” Aan die anekdote ontleent het exclusieve en iconische Britse fietskledingmerk zijn naam. Het ontstond in 2004 in de geest van ene Simon Mottram toen die naar de bestaande fietskledij keek en geschokt was door de slechte pasvorm, de foute materialen en de lelijkheid.

Rapha kwam van in het begin met strakke kleuren, veelal pastel, gecombineerd met één andere kleur en het strakke mooie Rapha-logo. Een koersbroek was altijd zwart, met één kleurelement. Rapha beloofde comfort en kwam die belofte ook na. Het bracht ook stijl. De outfit van Sky is met afstand de mooiste van het hele peloton en ook onder de recreanten haal je er de Rapha-adepten van ver uit. In Engeland is het recreantenwielrennen opge- deeld in Rapha-haters en -lovers. Het merk gaat over de tong en dat is meer dan je kunt zeggen van andere merken. Rapha is in Londen het favoriete merk geworden van de mamil, een acroniem voor middle aged men in lycra. De omzet steeg elk jaar, maar 80 miljoen euro is natuurlijk niks vergeleken met grote sportmerken.

Exclusief

Belgische retailers kregen vorig jaar te horen dat ze vanaf 2016 geen Rapha meer konden verkopen. Rapha gaat terug naar de roots: onlineverkoop of vanuit de Rapha-conceptstore. Die heet Rapha Cycle Club en daarvan zijn er wereldwijd maar negen plus één outlet. De dichtste Cycle Club vind je in Amsterdam.

Dit jaar krijgt Rapha extra veel kritiek omdat het een nieuwe, superdure versie van de klassieke koersbroek en koersshirt op de markt heeft gebracht: de Shadow houdt regen tegen en zou toch extreem zweetademend zijn, en kost in een setje maar liefst 650 euro. Daarvoor koop je bij Decatlon – ook van uitstekende kwaliteit – tien high-end fietsbroeken en shirts.

Verhaal over Koers in Vlaanderen in De Morgen Magazine van zat 2 april

Over koers en Vlaamse klei

Beloven, omkopen, bedriegen, profiteren, kans, onkans, respect, afschuw, verdriet, vreugde, pijn, genot, rijk, arm, en ten slotte de dood: wielrennen is het verhevigde leven, en het peloton is de kleine afspiegeling van de maatschappij. Daarom past koers ons als een handschoen.

Toen de formidabele wielrenner en Tour-winnaar Stephen Roche zijn jonge collega en landgenoot Paul Kimmage – later auteur van het sterke getuigenis The Rough Ride – op bezoek kreeg en die hem om goede raad vroeg, antwoordde Roche: “Neem ze te grazen, voor ze jou te grazen nemen.” Dat is precies hoe een oude wijze wielerdokter voor mij jaren geleden de microkosmos van het peloton ontleedde: “In de koers lap je een ander erbij zodra je kunt. Zonder scrupules, want dan staat het al 1-0 voor jou. Je weet immers dat hij je terug zal pakken en dan staat het nog maar 1-1.”

De grote Rik Van Looy vertelde ooit in een interview hoe bijzonder complex wielrennen wel niet was: een zogeheten spel van ploegen, maar waarin naarmate de kilometers vorderen, steeds meer de individuele belangen primeren. “In de koers mag je je twee handen kussen als ze binnen je ploeg niet tegen jou rijden. Vóór jou rijden, is nog een heel andere affaire. Dat bestaat niet echt, tenzij je ze extra betaalt.”

Ten slotte laten we de éminence grise van de VRT-commentatoren aan het woord. Het credo van José Decauwer luidt nog altijd: “Eet eerst het bord van een ander leeg, voor je aan dat van jou begint.”

Katholiek

Wielrennen is de meest katholieke en dus meest hypocriete sport die de mens ooit heeft uitgevonden. Dat is een boutade waar evenveel waarheid als verzinsel in zit. Zoals de theoloog professor Dries Vanysacker terecht opmerkt: “Door Gino Bartali (een Italiaan die de bijnaam ‘De Monnik’ kreeg omwille van zijn intense belijdenis van het geloof; HV) is men de perceptie gaan creëren dat wielrennen een katholieke sport is. En dat is nu nog altijd een adagium. Men vergeet wel dat er in protestantse landen evenzeer aan wielrennen werd en wordt gedaan.”

Dat klopt, en ook weer niet. In de protestantse landen werd aan wielrennen gedaan, maar de sport werd er nooit deel van het maatschappelijk bestel en zat er nooit in de onderbuik. Het is echt geen toeval dat de naties van het eerste wieleruur zonder uitzondering katholieke regio’s zijn: Italië, Frankrijk en België. Het ultrakatholieke Spanje kwam iets later en Nederland – ook eerder het katholieke zuiden – nog later. Roche en Kimmage hierboven kwamen uit het katholieke Ierland.

Vandaag verschillen de Noord-Europese calvinistische maatschappijen in mores allicht niet al te veel meer van de West-Europese katholieke, maar wielrennen werd al honderd jaar geleden onze nationale passie, en toen was dat onderscheid wel duidelijk. Alleen in Frankrijk, Italië en België werden de vaak katholiek geïnspireerde media ook organisatoren van wielerwedstrijden. De Tour de France werd zelfs uitgevonden om een nieuwe sportkrant te promoten en meteen bij de eerste editie stond het lijden van de deelnemers centraal. Later zou Sportwereld de Ronde van Vlaanderen uitvinden.

Wielrennen past de Vlaamse volksaard als een handschoen. Wij zijn geen volk van rechtuit en rechtdoor. Wij zijn harde werkers, vriendelijk maar gereserveerd en gesloten, al helemaal tegen buitenstaanders. Wij zijn ook een volk dat in de loop van de geschiedenis door scha en schande, na vele oorlogen op ons grondgebied en decennialange bezettingen, heeft geleerd dat je met een slecht compromis meer bereikt dan met te veel strengheid in de leer. We zijn eerlijk, maar we rekken dat begrip tot in de oneindigheid en tot aan de grens van de oneerlijkheid want we zijn overlevers en plantrekkers. Wielrennen ís een sport van overleven en plantrekken. Wielrennen is ons leven, maar verhevigd, dixit collega Jan Wauters zaliger.

Betaald zweet

Wielrennen is bovendien een aparte sport. Van alle uithoudingssporten is het de zwaarste. Wielrennen is synoniem voor het individuele lijden, en wordt ook soms als een sportieve kruisweg afgebeeld, alleen kom je soms met veertien staties niet toe. Koersen is diep gaan, afzien, de grenzen aftasten en overschrijden. Het is ook de gevaarlijkste sport, wat het snelle compromis, de toegeving op de ethiek en de zondeval (doping) verklaart. Even makkelijk wordt de zondaar vergiffenis geschonken. Aflaten zijn op het eind van elke koersdag wel te verdienen.

Het is ook de snelste uithoudingssport in peloton waarbij je het makkelijkst kunt profiteren van het zweet van een ander. Dat zweet kan worden gestolen, maar er kan ook voor worden betaald. Terwijl de meeste sporten zijn ontstaan in Engeland en de geest van het Engelse sportsmanship omarmden – deelnemen is belangrijker dan winnen en als je wint, doe het dan in stijl – werd wielrennen op de weg al snel een volksvermaak dat Machiavelli – een katholieke Italiaan – zelf had kunnen uitvinden: in de koers heiligt het doel altijd de middelen.

Schaamteloos profiteren werd onderdeel van de tactiek. Hoe de Australiër Simon Gerrans in Milaan-Sanremo van 2012 Fabian Cancellara klopte door kilometers in zijn wiel te hangen en hem net voor de meet voorbij te sprinten, voor dat profitariaat word je in een andere sport op je gezicht getimmerd. Niet op de planeet Koers, daar kreeg Simon van Fabian een welgemeende handdruk: goed gedaan jongen. Eerst het bord van een ander leegeten en dan…

Waar je in voetbal, toch ook geen toonbeeld van hoogstaande zeden, nooit zou moeten aan beginnen, is in koers de normaalste zaak van de wereld: combines en afspraken, open en bloot. Je ziet ploegleiders met elkaar spreken, je ziet renners met elkaar spreken en je vermoedt dat het over geld gaat, want soms gaan ook duim- en wijsvinger live in de uitzending over elkaar, becommentarieerd zonder gêne. Maar als twee voetbalteams straks op het EK voetbal in dezelfde poule belang hebben bij een scoreloos gelijkspel en het daar ook op aanleggen, wordt moord en brand geschreeuwd.

Koers is dan ook ingewikkelder als competitieformat dan voetbal, omdat het niet gaat om twee tegenstanders, maar om soms twintig ploegen van negen renners die elk hun groeps- en individuele belangen hebben. Die zijn soms tegenstrijdig en soms gelijklopend, maar een ploeg mag nog zo sterk zijn, als de negentien andere ploegen samenspannen, win je nooit.

Het gevangenendilemma

Daarom is het goed om vrienden te maken in het peloton of toch te doen alsof. Daarom rijden ploegen en renners die elkaar eigenlijk niet kunnen luchten soms uren naast elkaar op kop omdat het beider zaak dient. Het peloton is een microkosmos, te vergelijken met die van de parochiale dorpspolitiek: je medestander van vandaag kan morgen je tegenstander zijn. Een dunne lijn scheidt pragmatisme en hypocrisie.

Want dit is koers, de sport van het prisoner’s dilemma game, altijd weer. Het gevangenendilemma – een wiskundig model dat een begrip is in de psychologie – toont hoe complex de relatie is tussen het eigen belang en het gemeenschappelijk belang, tussen dienst en wederdienst en tussen oneerlijk en eerlijk spel. Samenwerken levert vaak op het eerste gezicht meer voordeel op dan voor het eigenbelang gaan, en toch neigt men naar het laatste.

Wielrennen heeft daarom de reputatie gemeen en achterbaks te zijn, maar evengoed zijn opoffering en samenwerking van tel. Wielrennen is een dubbelspel, schreef ooit een psycholoog, waarbij de ongeschreven regels van eerlijk spelen wezenlijk zijn voor het gedrag van de renner. Wielrennen, in mensentaal, is een beetje De Mol, met enkele verschillen. Ook je ploegmaats kunnen potentiële mollen zijn en in het zicht van de meet wordt koers een simpel spel: dan zijn het allemaal mollen.