Column Houdini in De Morgen in De Morgen van 26 nov

Houdini

Zijn alle voetbaltrainers obsessionele zeuren? Er loopt alvast maar één voetbaltrainer in eerste klasse momenteel echt gelukkig en die kwam dan ook maandag blij gezind naar Extra Time om een dik uur te lachen en te grollen: dat was Francky Dury van Zulte Waregem.

Zijn ploeg heet het best voetballende team van eerste klasse te zijn. Daar zullen Michel Preud’homme en Hein Vanhaezebrouck, die met 3-0 van Zulte Waregem won, het alvast niet mee eens zijn, maar die zijn het zelden eens met Dury. De reden is mij vreemd. (Enfin, niet echt, maar het colloque singulier heeft ook bestaansrecht.) Wellicht is ook Peter Maes van Genk, die Dury ook met 1-0 klopte, het daar niet mee eens.

Een beetje gelijk hebben ze natuurlijk wel: Zulte Waregem is de herfstkampioen en heeft de meeste punten, maar de best voetballende ploeg moet vooral op zijn best voetballen vanaf maart, en liefst ook nog in april en helemaal in mei. Elke week is er wel een best voetballende ploeg van het moment en de best voetballende ploeg moet vooral topwedstrijden winnen op het best mogelijke moment en dat is in de play-offs.

Maar dit stukje ging over zeurende trainers en dan hebben we er al twee opgenoemd. Michel Preud’homme was deze week pissed omdat een respectabel voetbaljournalist had durven verwijzen naar het parcours van AA Gent vorig jaar in de Champions League: gedurfd aanvallen, scoren, winnen en tweede ronde halen. “Ik ben Gent niet”, beet Michel de journalist toe. Hij bedoelde “ik ben Hein niet” want ook tussen Preud’homme en Vanhaezebrouck botert het niet te best. Ik zou niet weten hoe dat komt, maar toen het van de week op de radio ging over slechte werkrelaties als oorzaak voor een burn-out had ik plotsklaps te doen met trainers die overal vijanden zien en zeuren en kankeren en overal complotten vermoeden.

Vanhaezebrouck was trouwens ook pissed, maar dan op zijn manier. Donderdag nog in de krant over de scouting bij Gent die er maar niet in slaagt om een speler aan te brengen die vanaf zijn komst een meerwaarde is. Zo kon zijn discours tenminste worden samengevat. Hij gaf als voorbeeld dat er zelfs ooit een speler was gepasseerd die in zijn eerste interview zei dat hij eigenlijk geen boodschap had aan voetbal. Die (dure) speler heeft hij zelden opgesteld en snel weer verkocht. Dat was Erik Johansson en die speelt nu voor Kopenhagen, dat over twee weken naar Club Brugge komt in het kader van de Champions League. Hij speelde al 25 wedstrijden voor dat team, wat laat vermoeden dat zijn desinteresse in voetbal eerder een gimmick was. Gisteren vermoedde Vanhaezebrouck dat Braga in de slag was met Sjachtar Donetsk.

En dan is er René Weiler, die – bij het tikken van dit stukje – nog steeds coach van Anderlecht is en die de bijnaam de Houdini van Neerpede verdient, als hij het uitzingt tot het eind van het seizoen. Zelden heeft een zeurende, piekerende trainer zichzelf zo in nesten gewerkt als deze op het eerste gezicht erg minzame Zwitser. Weiler was ook pissed, vorig week nog, toen hij de helft van zijn kern de mantel uitveegde: die kan het niet, die is te traag, die wil het niet, die verstaat het niet.

René Weiler is een jonge trainer en dat merk je aan zijn onfunctioneel gezeur. Het is niet slim om in het openbaar je spelersgroep af te vallen, want dan valt de spelersgroep bij de eerste keer dat het tegenzit jou ook af, en zonder pardon ook in het openbaar. Precies wat gebeurde na het verlies in Waregem: de spelers zegden hoe ze hadden willen voetballen en voegden er langs de neus aan toe dat de trainer het anders had gewild, waarna ze toch hun goesting hadden willen doen.

Onbegrijpelijk, vond Weiler het, hoe interne discussies uit de kleedkamer hun weg naar de krantenredacties hadden gevonden. Kan iemand René Weiler het nummer van Trond Sollied geven met de raad hem eens te bellen? Sollied had al vijftien jaar geleden een klare kijk op de werkrelaties van de trainer. 1. Je hebt alleen maar vijanden. 2. Trainerschap is één lang gevecht. 3. De trainer en de spelers zijn gedoemd tot een machtsstrijd.

Advertenties

Verhaal over Chinezen die voetbal opkopen in De Morgen van 26 nov

DE BAMBOE-REVOLUTIE

China moet aan het voetbal, verordonneerde de president. Op het veld lukt dat niet zo best en dus kopen Chinese bedrijven zich massaal in het Europees voetbal in. Na Inter is nu ook AC uit Milaan in Chinese handen. Liverpool is het volgende doelwit.

Een Chinees sterft en reist naar de hemel. God zegt hem dat hij recht heeft op één wens. Zegt de man: “Moge Japan naar de bodem van de oceaan zinken.”
God zucht: “Dat is te lastig. Heb je nog een wens?”
De man: “Oké, dan wil ik dat China de World Cup voetbal wint.”

“Oei,” zegt God, “wat was je eerste wens ook alweer?”

Chinezen zijn bezeten van voetbal, terwijl wij hen alleen kennen – niet geheel ten onrechte – van getruukte weddenschappen op gele kaarten, corners, aantal goals, nota bene in onze achterafwedstrijdjes maar ook in China zelf. Jaarlijks worden vele spelers en officials geroyeerd vanwege banden met de gokmaffia, en de eerste Chinese eigenaar in het Engels voetbal zit inmiddels ook achter de tralies.

Van dat belabberde imago wil de Chinese overheid af, maar dat was niet de enige reden voor president en partijleider Xi Jinping om zelf in april van dit jaar het startsein te geven voor de lange mars op het mondiale voetbal. Xi Jinping is bezeten van voetbal en sinds april van dit jaar zijn de doelen in de tijd uitgezet, erg ongewoon voor China. Tegen 2020 wil China 20.000 trainingscentra, 70.000 voetbalvelden en 50 miljoen spelers. Tegen 2030 moet er één voetbalveldje liggen per 10.000 Chinezen en wil China een World Cup organiseren.

Uiteraard moet er dan ook worden gewonnen en niet verloren, zoals onlangs van Syrië. Kan het erger? Een land in burgeroorlog, met alle spelers in de diaspora en met een coach die 300 euro per maand verdient, klopte op de donkere donderdagavond van 6 oktober in Xi’an de Chinese would-besupersterren met 1-0. Rellen braken uit en het ontslag van de voorzitter van de Chinese voetbalbond werd geëist. Vijf dagen later werd het in Tasjkent ook nog eens 2-0 voor de Oezbeken.

De Chinese nationale elf, net van plaats 81 naar 78 gestegen, is terug naar af. Erger nog: voor de kwalificatie voor de World Cup 2018 in het naburige Rusland hebben ze een mirakel nodig. Op naar Qatar 2022. Of China 2026, 2030, wie zal het zeggen?

Gezagsgetrouw

Qiang guo meng is Chinees voor de droom van een rijk en sterk China. Vertaald naar sport: als sport belangrijk is in de wereld, moet China belangrijk zijn in de sport. Dat lukte in de zomer van 2008 op de eigen Olympische Spelen toen het de Amerikanen in aantal gouden medailles klopte. Sindsdien is China weer ingehaald door de VS en godbetert ook door de Britten en dat vinden ze heel erg.

In Rio haalden ze maar 70 medailles meer (tegenover 101 in Beijing) en de reactie was er één van ontkenning: de weg naar eventueel succes was ineens belangrijker dan het succes zelf. Op het sportveld verliezen ze vaker dan ze winnen, maar winnen kan op veel manieren. Je kunt succes maken en je kunt het kopen. Zo richten Chinezen zich tegenwoordig op de bestuurskamers van de Europese voetbalteams en kopen zich de laatste jaren massaal in.

De rijke Chinees is daarmee meteen gezagsgetrouw, want heeft de grote baas niet gezegd dat voetbal een prioriteit is?

Dat was overigens niet de enige boodschap van Xi Jinping. Voor de Chinese investeerders, ondernemers en rijken had hij nog een opdracht: tegen 2025 moet de Chinese sporteconomie 800 miljard euro omzetten. Een redelijk ambitieuze doelstelling, die nooit kan worden gehaald aangezien de wereldbusiness van de sport op de afgeronde som van 1.000 miljard dollar wordt geschat. Ga en investeer in sport, luidde het marsorder.

Professor Simon Chadwick van de Salford University in Manchester doceert het vak sportindustrie en is bekend met China. Hij zegt dat de plotse liefde voor de sport voor veel rijke Chinezen aanleunt bij opportunisme. “Als de president zegt dat het goed is om in voetbal te investeren, zullen ze daarin meegaan. Voetbal wordt dan een soort extra troef op een visitekaartje, puur om de partijleiding te plezieren, ook in de hoop meer business met de overheid te kunnen doen.”

In oktober van vorig jaar bracht Xi Jinping een bezoek aan het trainingscentrum van Manchester City en kort daarop kocht China Media Capital alle aandelen die de eigenaars van de City Football Group (eigendom van de Abu Dhabi United Group) kwijt wilden, zijnde 13 procent. Er bestaan nu plannen om na Manchester City, New York City en Melbourne City ook een team als Sjanghai City in het leven te roepen.

The real deal

Chinese investeerders deden ook in eigen land hun best om de partijbaas te plezieren. Zo werd de laatste jaren flink geïnvesteerd in de China Super League. De officiële profcompetitie in China is één en al extravaganza. Veel last van de Europese financiële fair-playregels hebben ze daar niet en zo kon het gebeuren dat Jiangsu Suning afgelopen winter bij Shaktar Donetsk Alex Teixeira weghaalde voor 45 miljoen euro en een salaris van 12 miljoen euro. En dat voor een club met een omzet van 70 miljoen euro en 20.000 toeschouwers. Chinees voetbal is verlieslatend. Guangzhou Evergrande FC kocht zelf drie Brazilianen en gaf daarna een verlies aan van 147 miljoen euro.

 

Maar the real deal voor een Chinees met geld en een voetbalhart is een Europees team opkopen, als het even kan volledig en in het andere geval gedeeltelijk. Grote voorbeelden zijn de Amerikaanse Glazer-familie bij Man United, de Rus Abramovitsj bij Chelsea en de Arabieren bij Manchester City of Paris St-Germain.

De voorbije twee jaar hebben Chinese investeerders meer dan 3 miljard euro betaald voor gedeeltelijke of volledige overnames van de voetbalbusiness van diverse Europese clubs. De lijst met participaties (zie kader) groeit steeds aan. Overigens verzinkt dit in het niets bij de 100 miljard euro die Chinese bedrijven in de wereldeconomie buiten China investeerden in het eerst kwartaal van 2016.

Professor Chadwick: “Chinezen willen geld verdienen met voetbal, maar tegelijk past het in de guanxi, de kunst van het relaties smeden. Voetbal vergemakkelijkt dat.”

De eerste Chinese investeerder in het buitenlandse voetbal was Carson Yeung, een Hongkong-chinees die in 2009 Birmingham City FC kocht, waarop zijn team degradeerde. In 2014 werd hij zelf veroordeeld voor witwaspraktijken.

Tot nog toe zijn geen nieuwe ongelukken bekend, maar alle Chinese participaties dateren pas van de laatste twee jaar. In de Premier League zijn nu zestien van de twintig teams in buitenlandse handen, maar in slechts twee spelen Chinezen voorlopig een rol. Daarom hebben ze hun pijlen ook gericht op andere landen, zoals Spanje, Frankrijk en Italië.

De Chinezen die in Spanje binnen zitten bij Atlético Madrid, zijn niet de eersten de besten. Dalian Wanda Group is het bedrijf van Wang Jianlin, de tweede rijkste Chinees. Het is een conglomeraat met onder meer Amerikaanse mediabedrijven als de AMC- bioscopen en Legendary Entertainment in Hollywood. Wang is gek van sport. Voor zijn sportportfolio kocht hij onlangs Infront Sports & Media, een marketingbedrijf dat alle wintersporten controleert (Beijing organiseert de winterspelen van 2022), maar onlangs ook het hele Ironman-triatloncircuit.

Voorlopig bezitten Chinezen nog geen absolute topteams in het voetbal. Maar dat is een kwestie van tijd, want alles heeft zijn prijs. In de meest kwetsbare van de grote Europese voetbaleconomieën, Italië, hebben ze alvast in de eerste voetbalstad Milaan alle grote teams ingepalmd.

Het Hurun Report, dat de fortuinen van de rijkste Chinezen bijhoudt, spreekt van een ware jacht op voetbalteams. Uitgever en samensteller van de lijst, Rupert Hoogewerf, zegt: “China heeft 596 dollarmiljardairs, meer dan de VS. Ik schat dat dertig onder hen een voetbalteam in Europa willen.”

Eén team geniet vandaag bijzondere aandacht: Liverpool FC, een slapende reus. De Amerikaanse eigenaar Fenway Sports Group van John Henry weigerde een eerste bod, maar de geruchten aan de Mersey gaan steeds meer in de richting van an offer you can’t refuse van meer dan 1 miljard pond, met de hulp van de zwakke pond, die nu nauwelijks meer waard is dan de euro.

Belangenvermenging

Clubs denken dat met de komst van een Chinese (mede-)eigenaar de grote Chinese markt zich zal openen. De Premier League ziet al die buitenlandse investeerders dan weer met lede ogen komen, maar is anderzijds niet vies van hun geld.

Ook niet als ze tv-rechten kopen, zoals de Chinese streamingdienst PPTV, die vanaf 2019-2020 de rechten heeft verworven voor 220 miljoen euro per jaar. Noot van de financiële adviseurs van de Premier League: PPTV is in handen van Sunming en Sunming is de baas bij Inter Milaan én heeft een team in Jiangsu. Dus toch maar opletten.

Wie in Engeland belangen heeft van meer dan 10 procent in één club, mag in een andere Engelse club nooit een belang nemen van meer dan 9,9 procent. Nu al kijken ze in Engeland met argusogen uit naar hoe de Liverpool-saga zich ontwikkelt. Als de China Everbright Group naar wordt verwacht een substantiële aandeelhouder wordt van Liverpool FC, zit meteen ook de Chinese staat als hoofdaandeelhouder mee aan tafel. In dat geval zullen alarmbellen afgaan, want diezelfde Chinese staat heeft als hoofdaandeelhouder van China Media Capital ook al 13 procent in Manchester City.

Professor Simon Chadwick: “Soms weten we niet wie de eigenaars zijn van de bedrijven die investeren. Soms wil de Chinese overheid ook niet toegeven dat zij achter een constructie zitten. Zo is in het geval van AC Milan uiteindelijk gebleken dat Haixa Capital, ook al een investeringsvehikel gecontroleerd door de staat, mee aan het roer zit.”

Het kan altijd nog gekker in de jungle van de voetbalbusiness. De Wolverhampton Wanderers zijn nu eigendom van Fosun International, een investeringsmaatschappij die zelf aandelen heeft verworven in GestiFute, het bedrijf van supermakelaar Jorge Mendes. Ook die constructie wordt nauw in de gaten gehouden, maar aangezien haast alle clubs in de Engelse tweede klasse schulden maken en vers kapitaal meer dan welkom is, wordt af en toe een oogje dichtgeknepen.

De Premier League heeft inmiddels wel een contract gesloten met een bedrijf dat kandidaat-investeerders helemaal doorlicht. Daardoor heeft Hull City een bod moeten verwerpen omdat de heren Dai Xiu Li en Dai Yongge faalden voor de fit and proper person test.

Chadwick: “De Chinese investeerders die op kleinere teams afkomen, zijn vaak commerciële avonturiers. Ze redeneren: wij kopen een kleiner team, we promoveren, we worden bekend in China en dan zijn we schatrijk in plaats van rijk. Dat werkt niet. Alleen grote teams zijn bekend in China, en behalve Manchester City en misschien Liverpool zijn die voorlopig niet te koop.”

 

20161126_de-morgen_p-82_chinees-kapitaal-slokt-het-voetbal-op-all-mail

Grande Dame Ann (Wauters) in De Morgen van zat 19 nov

De grande dame van het Belgische basketbal

Na Frankrijk, Rusland, Zuid-Korea, Spanje, België en Europa won Ann Wauters (36) recent ook de titel in de VS. Een hoogtepunt waar ze nog een seizoen Turkije aan vastplakt en tussentijds de nationale ploeg aan rust, gestalte en ervaring helpt. Een gesprek met de beste Belgische sportvrouw die nooit erkenning kreeg.

Op 24 oktober landde ze in Brussel na dik vier maanden Los Angeles. Ze gaf een persconferentie, sliep één nacht in haar bed in Bellegem en reisde meteen naar haar nieuwe team Agü Spor Kayseri in het midden van Turkije. Afgelopen zondag speelde ze daar nog een competitiewedstrijd en dan was het hollen naar het vliegveld. In de nacht van zondag op maandag stak ze opnieuw de sleutel in de deur van haar huis in Bellegem, nu voor drie nachten.

Woensdag sloot ze aan bij de nationale ploeg, een dagje na de anderen en na twee dagen bij het gezin. Vandaag, zaterdag 19 november, speelt ze met de Belgian Cats thuis tegen Wit-Rusland en woensdag in Polen. Vandaar gaat het in één ruk terug naar Turkije. En zo houdt ze dat al achttien jaar lang vol, die zes maanden tot en met de bevalling van Vince uitgezonderd, maar toen had ze tijdens de zwangerschap al een contract getekend met Valencia.

Haar vrouw Lot Wielfaert (40), met wie ze samen drie kinderen grootbrengt, keek er hoegenaamd niet van op toen Ann enkele weken na de bevalling al begon te trainen. “Ann heeft speciale genen. Zij heeft Vince (5) op de wereld gezet, ik onze dochters Lou (5) en Dree (2). Vince is de enige die nooit ziek is. Die Wautersen zijn oersterk.”

Dat blijft een behoorlijk mysterie. Jij bent 36 maar lijkt weinig te mankeren, terwijl je jaren aan een stuk dubbele seizoenen hebt gedraaid.

Ann Wauters: “Eigenlijk heb ik alleen last aan één knie. Met om de zoveel maanden inspuitingen met hyaluronzuur kan ik het onder controle houden, maar dat kraakbeen is natuurlijk aan het wegslijten. Verder heb ik eigenlijk niks. Ik ben trager geworden vergeleken met tien jaar geleden, minder explosief en ik recupereer minder makkelijk, maar ik ben slimmer geworden tegen steeds atletischer speelsters. En ik doe het nog even graag. Als ik twee dagen niet kan sporten…”

Lot Wielfaert: “… loopt ze ferm ambetant. Gelukkig hebben we hier in huis een fitnesszaaltje. Zelfs op vakantie op de Malediven staat Ann op de loopband.

“Zitten we in de Provence, dan rijdt zij per koersfiets de Ventoux naar boven en ik erachteraan met de auto. Anderzijds is dat precies wat ik vanaf heel jonge leeftijd zo bewonder in Ann: die vastberadenheid, die discipline, die wil. Alles zal ze doen om zo fit mogelijk haar vak te kunnen beoefenen.”

Ann: “Ik zit zo in elkaar. Het is niet dat ik een ADHD’er ben, want ik kan ook gewoon rustig zitten en niks doen. Trainen geeft structuur aan wat ik doe en ik ben nog steeds gek op basketbal, dus waarom zou ik stoppen?”

Lot heeft ook basketbal gespeeld. Dus kunnen jullie samen trainen.

Lot: “Ik heb ook basketbal gespeeld, maar ik heb er minder last van. (lacht) Bovendien, we zijn in het verleden weleens samen gaan trainen, maar dan bepaalde zij wat ik moest doen en dan was het alsof ik in het leger zat. Als we naar een pleintje gingen en ik haar ballen moest aangeven, was het altijd mijn schuld als ze miste. Neen dus, wij samen trainen is geen goed idee.”

Ann: “Ik ben ook voor mijzelf kritisch hoor. Een verloren wedstrijd betekent een nachtje piekeren.”

Je hebt nu ook de titel gewonnen in Amerika met de LA Sparks. Hoe was Los Angeles?

Ann: “Super gewoon. We woonden in Marina del Rey aan de rand van Venice Beach, twee blokken van het strand met Muscle Beach en die basketbalveldjes van White Men Can’t Jump. Trainen doen ze daar in één lange sessie en dus waren wij om 2 uur klaar. Ik zat bijna elke dag met Lot en de kinderen op het strand. Toen ik de mail kreeg van de coach van de Sparks, had ik serieuze twijfels of ik dat nog wilde doen, maar Lot zei: ‘Hmm, L.A.’ Toen zag ik het ook wel zitten. Anderen ook. (lacht) Ik dacht nog: tiens, zo veel bezoek hebben we nooit gehad in Rusland. En ze staan ook niet te dringen om naar Turkije te komen.”

Wat je zegt. Kayseri ligt in Centraal-Anatolië. Wat ga je daar zoeken, behalve een mooi contract allicht?

Ann: “Dat contract heeft meegespeeld, maar ik vind Turkije een mooie competitie. Het glas is nog niet helemaal leeg, wel bijna en ik ga het helemaal uitdrinken, want ik wil na mijn carrière geen spijt hebben dat ik iets niet heb gedaan of dat ik nog zin had in basketbal en toch ben gestopt. Ik heb het altijd jammer gevonden dat Canberra toen niet is doorgegaan omdat mijn mama ziek was, maar in Australië geraken we weleens met een gewone reis. Australië staat nog op mijn bucketlist, nietwaar Lot?”

Lot: “Ann hééft een bucketlist. We hebben onlangs haar eerste lijstje met wat ze wilde doen nog teruggevonden. Dat had ze opgeschreven in Samara. Een huis bouwen stond daar onder meer op en net zoals het meeste wat op dat lijstje stond, is dat gerealiseerd. Ann is bijzonder planmatig, een beetje het tegenovergestelde van mij. Maar wat Kayseri betreft, ik blijf hier met de kinderen en ik kom alleen in de schoolvakanties af. Ze zijn 5,5 en 2 en dan kunnen ze rustig naar de kleuterklas.”

Ann: “Dat wordt dus elke dag FaceTimen. Hopelijk ontploffen er niet te veel bommen, want dan gaat in Turkije het internet op zwart. In afwachting van de vakanties zal ik veel Netflix kijken. Mijn leven is makkelijker want ik kan uitslapen, maar ik denk dat ik het lastig zal krijgen. Voor Lot met die drie kinderen wordt het ook zwaarder.”

 

Jij was ooit keuze nummer één in de WNBA, in hét basketballand. Steekt het niet dat je deze keer weinig aan spelen toekwam?

Ann: “Ja natuurlijk. Ik heb nooit eerder een hele wedstrijd op de bank gezeten en nu wel. Ik was daar niet blij mee. Of het terecht was?”

Lot: “Neen, het was niet terecht, de coach roteerde gewoon te weinig, waardoor jullie de ene wedstrijd wonnen, maar de andere weer verloren.”

Ann: “Ik had mijzelf wel iets vaker in het veld gebracht, dat wel. We waren natuurlijk met vier voor die ene plek op de center, maar dat had ik hem ook gevraagd: wat kan ik jullie bijbrengen? Een bepalende rol vanaf de bank, zei hij. Uiteindelijk gebruikte hij mij nauwelijks en we zijn kampioen geworden. Dus heeft hij gelijk. (lacht) Maar ik was niet echt gelukkig, neen.

“En toch is het een unieke ervaring geworden. Een van onze teameigenaars was Magic Johnson (de legende van de Los Angeles Lakers, HV). Hij is naar alle finalewedstrijden komen kijken, zelfs in Minneapolis. In wedstrijd vier thuis konden we het afmaken: Magic, Kobe Bryant, Snoop Dogg en Floyd Mayweather zaten naast het veld, maar we verloren. Magic wachtte ons op in de kleedkamer.
Zo inspirerend, zo motiverend, die stem, die glimlach, het was muisstil: been there, zei hij, het is ooit voor ons thuis niet gelukt tegen de Celtics, maar we zijn in Boston gaan winnen en dat kunnen jullie ook. Echt waar: door die speech zijn wij de vijfde wedstrijd bij de Minnesota Lynx gaan winnen.”

Vroeger had je het weleens over het omgekeerd racisme van de zwarte collega’s naar de Europese speelsters. Merk je dat nog?

Ann: “Neen. Het team had vijf Europese speelsters, met opzet, om meer teamspirit in de ploeg te krijgen want Europeanen spelen het spel collectiever. Maar wij kwamen natuurlijk midden in die Black Lives Matter-storm terecht. Boeiend hoor, die raciale verdeeldheid waar dat land nog steeds mee kampt.”

Lot: “Er is wel wat aan de hand, hè Ann. Wat Alana heeft meegemaakt, dat kunnen wij ons niet inbeelden.”

Ann: “Neen zeg. Alana Beard, een zwarte teammate die in een mooie auto rijdt, was van training onderweg naar huis en werd tegengehouden door de politie. In 2015 was in Texas iets fout gegaan met een zwarte vrouw die ook was tegengehouden door de politie en die in de gevangenis was beland en daar was gestorven. Dus was Alana’s eerste reactie om haar handen boven op het stuur te leggen toen de politie op haar toestapte. Op veilig spelen en vooral geen aanleiding geven tot meer. Vreselijk. Die discussie over Black Lives Matter toonde mij dat wij gewoon niet weten wat het is om daar op te groeien en zwart te zijn.”

Lot: “Racisme zit in de onderbuik van de blanke Amerikaan. En nu is ook nog die Trump verkozen. Dat had mijn broer, die in New Jersey woont, trouwens voorspeld.”

Zwarte Pieten kennen ze daar ook niet.

Ann: “Ik ben erover begonnen, uitgerekend deze zomer. Zwarte Piet, zwart geschilderd, een hulpje van een blanke heilige, daar kunnen ze echt niet bij. Ja maar, zei ik, hij is zwart door de schoorsteen en het is een traditie enzovoort. Ook dat ging er echt niet in. Als je er bij stilstaat, is het natuurlijk zo fout als wat.”

Waar hebben jullie het liefst gewoond? Niet in Jekaterinenburg, neem ik aan.

Ann: “Hoewel, dat was ook niet zo slecht. De laatste keer, met Dree die enkele maanden was en daar ziek werd, was er te veel aan. Ik dacht toen echt: ik ben klaar met het buitenland.”

Lot: “Ann kreeg een aanbod van Villeneuve-d’Ascq, hier bijna om de hoek, en ze heeft meteen getekend.”

Ann: “Los Angeles deze zomer was echt tof, maar het beste was wellicht Valencia. Mooi weer, mooie stad, we woonden ook prima aan de opera, maar we huurden tijdens de hete zomer een huis aan het strand. Plus, we wonnen daar de Euroleague (de Champions League van het basketbal, HV).”

Lot: “San Antonio was ook prima, met al dat Mexicaans eten.”

Ann: “Daarna ging ik bij Galatasaray spelen in Istanbul, en ook daar was het echt goed wonen. Mooie stad, jammer van de instabiliteit in dat land. Moskou was minder. We woonden dicht bij het Rode Plein, maar het verkeer is er verschrikkelijk, waardoor je minder buiten komt.”

Twee getrouwde vrouwen met drie kinderen, hoe leg je dat uit in het buitenland?

Ann: “Niet uitleggen wat niet moet worden uitgelegd. In Californië is het natuurlijk geen item, same sex marriage wordt daar aanvaard. In Turkije praat je daar alleen over met je medespeelsters, maar die hebben meteen zoiets van: daar moeten wij hier niet mee afkomen. Je past je aan. En als de kuisvrouw denkt dat Lot mijn zus is, dan mag ze dat denken. Dat maakt het voor iedereen makkelijker.

“Ik ben er in België een paar keer op aangesproken waarom ik niet méér rolmodel ben, bijvoorbeeld voor het lesbisch huwelijk, maar dat ligt niet in mijn aard. Ik stop het hoegenaamd niet weg, en ik praat erover, maar ik wil ook geen uithangbord zijn. Hetzelfde met politiek. Jij zegt nu ook: je hebt bij Poetin, Erdogan en Trump gespeeld. Ja dat klopt en ik mis eigenlijk alleen nog Noord-Korea en China. Ik heb daar een mening over, maar had ik daar dan niet moeten gaan spelen? Ik kan het gewicht van de wereld niet dragen.”

Je wil niet zeggen wanneer je stopt, maar dit duurt geen jaren meer. Al een idee wat je gaat doen?

Ann: “Jawel. Ik ga bij Atticus werken, het atletenbegeleidingsbureau van Jesse De Preter (ooit businesspartner van Vincent Kompany, HV). Ex-volleybalinternational Julie Rumes zit daar ook en haar ken ik van toen ze met Tomas Van Den Spiegel in Moskou woonde. We kwamen elkaar tegen in de fitness en we hebben contact gehouden.

“En ik wil mij aansluiten bij Pulso-Preventielab in Zwevegem. Ik denk aan een project om basketbaltalent te helpen ontwikkelen. Ik geloof in het Amerikaanse systeem waarbij de atleet naast de teamtraining investeert in zijn eigen lichaam om die concurrentiestrijd met de andere te winnen. Ik ben sinds 2015 A-trainer basketbal en zelf coachen zal ik ook ooit wel doen, maar nu even niet. Als ik stop met spelen, is het omdat ik klaar ben met dat bestaan. Meteen hetzelfde leven gaan leiden, zittend naast het veld, lijkt mij geen goed idee.”

En dan de vraag die altijd terugkomt: de erkenning of het gebrek eraan, steekt dat nog?

Ann: “Bij Lot en mijn omgeving meer dan bij mij.”

Lot (blaast): “Jij vindt dat niet belangrijk en je krijgt ook erkenning, maar dan vooral in het land waarin je speelt of van je sport (Ann Wauters werd vijf keer Europees speelster van het jaar, HV). Maar ik blijf het een gebrek aan Belgische topsportcultuur vinden.”

Ann: “Ik heb tijdens mijn beste jaren concurrentie gehad van Kim Clijsters en Justine Henin. Vervolgens wint Tia Hellebaut goud. Nu is er Nafi Thiam, terecht dat die wint, want wat een prestatie. Kim Gevaert is ook nooit Sportvrouw van het Jaar geworden. Is dat een troost? Ik moet niet getroost worden, maar een beetje meer erkenning had wel gemogen. Ik won in 2015 met Villeneuve-d’Ascq de FIBA EuropaCup en bij het daaropvolgende Sportgala was ik niet eens uitgenodigd. Ik zou daar bitter om kunnen zijn, maar ik lach dan liever eens.”

Column Suppen in De Morgen van zat 19 nov

Suppen

Er zijn meer en meer tekenen die erop wijzen dat de Apocalyps nabij is nu de surfbond tegen de Spelen van 2024 ook het suppen op het olympisch programma wil krijgen. Suppen staat voor stand up paddle. Dus boven op een surfplank staan en je dan met een peddel zo snel mogelijk voortbewegen op het water. Het is een sport – als je die onnozeliteit zo mag omschrijven – voor kleine, compacte mensen. Dat heb ik aan den lijve ondervonden, al is reikwijdte ook niet te versmaden.

Weinig echte sporten zijn voor kleine mensen. Dat denkt men van voetbal, maar hier vergist men zich schromelijk. Behalve bij sporten waar de middelpuntvliedende krachten (denk aan gymnastiek) en het gewicht (denk aan bergop fietsen) spelen, is klein zijn altijd
een zwaktebod. Tenzij op de sociale media, stond van de week te lezen in de krant. Eden Hazard is de eerste Belgische voetballer die twintig miljoen volgers heeft op Facebook, Instagram en Twitter opgeteld. Die populariteit heeft hij te danken aan zijn voetbalspel uiteraard, en aan zijn aura van boy next door, maar ook aan zijn gestalte.

Eden Hazard is namelijk klein en daarom zouden Aziaten gek zijn van hem. Wie dat soort onzin de wereld instuurt, zou verplicht moeten suppen bij 8 beaufort op de Noordelijke IJszee. Alsof Aziaten vooral kleine mensen willen. Juist niet, want daar zijn er al genoeg van in Azië. Usain Bolt heeft dertig miljoen volgers op die drie platformen samen en hij is zowat de antipode van Hazard. Als Bolt in Japan uitstapt, staat het land stil. Bolt is 1,95 meter en is dus een flinke man, rekening houdend met de vuistregel dat mannen beginnen bij 1,80 meter.

Diezelfde Usain Bolt gaat voetballen bij Borussia Dortmund. Tenminste, hij gaat wat meetrainen en kijken of hij het leuk vindt. Eerst was het plan om dat bij Manchester United te doen, want daar is hij fan van, maar dat ging nooit door. Later was sprake van City, maar Sergio Agüero zei daarover dat hij Bolt had zien spelen en dat hij hem niet slecht vond, maar niet goed genoeg voor City. Misschien wel voor Man U. U begrijpt dat dit een grapje was. Dortmund is geen grap en ook geen toeval, want die spelen met Puma, het huismerk van de snelste mens op aarde.

Maar wat als Bolt inderdaad als kind was gaan voetballen en alleen maar voetballen? Wat als hij als kind in Afrika was geboren en niet in Jamaica, waar sprinten de nationale sport en passie is? Dan had hij nog goeie voeten moeten hebben maar was hij misschien wel een mix van Bale en Ronaldo geworden, 1,95 meter lang.

Wat als de sprinters in de Verenigde Staten niet voor atletiek hadden gekozen maar voor pakweg voetbal, hoe anders zou die sport er niet uitzien? En, nu komt het: wat als alle basketbal- en footballspelers waren opgegroeid in een land waar voetbal de sport nummer één was? Simpel, dan zou voetbal een totaal ander spel zijn, gespeeld in andere dimensies: sneller, hoger, krachtiger.

Voetbal staat over de hele wereld op de eerste rij om te kiezen uit het voorradig talent, behalve in het grootste en eerste sportland. In de VS is soccer een sport van latino’s, meisjes en suburban kids. De Amerikaan met Afrikaanse roots, dé referentie inzake snelheid en kracht, heeft geen boodschap aan voetbal.

Zelfverklaarde slimmeriken in het voetbal hangen hele theorieën op over klein zijn en draaicirkels en beweeglijkheid. Onzin. Kijk maar eens op YouTube naar Stephen Curry, Derrick Rose of John Wall. Snelheid creëert extra ruimte. Pas als er geen ruimte is, door een gebrek aan snelheid, heb je die kleine ukjes nodig met hun draaicirkeltjes. Soms wordt de oppervlakte van het basketbalveld erbij gehaald, wat nog grotere onzin is. Als op een veel kleiner veld, dus binnen een kleinere ruimte, de snelste spelers allemaal 1,90 meter zijn, is er geen enkele reden waarom die dat niet op een veel groter veld zouden zijn. De reden dat zo weinig lange mensen voetballen is ook simpel: voetbal was niet hun eerste optie en/of hun jeugdtrainers waren gemakzuchtig, onkundig en ongeduldig.

Verhaal over Thomas Dekker en zijn nieuwe boek in De Morgen van 15 nov 2016

Thomas Dekker unplugged

Zijn moeder gaat al een maand niet meer werken en durft vanaf vandaag ook het huis in Dirkshorn niet meer uit, maar Thomas Dekker (32) zelf is blij zoals zijn levensverhaal rauw is opgetekend door ex-renner/journalist Thijs Zonneveld. Ook België deelt in de klappen.

In de gang van een mooi huis in Lommel staat een crossfiets met weinig lucht in de banden, klaar om mee te rijden. Maar het is de eigenaar, de ooit zo begenadigde bimbo d’oro van Nederland, niet meer aan te zien dat hij nog fietst. “Vijftien kilo te zwaar vergeleken met mijn koersgewicht. Fietsen wordt pas leuk met een beetje regelmaat en die heb ik nu niet.” Spoedig vertrekt Nederbelg Thomas Dekker uit Lommel. Zodra hij zijn mooie huis heeft verkocht, trekt hij naar Amsterdam. Naar het leven, dichter bij zijn stabiele basis in Noord-Holland en erg dicht bij Schiphol, waar de vluchten naar zijn vriendin vertrekken.

Thomas Dekker is de Nederlandse versie van Frank Vandenbroucke en die vergelijking vindt hij niet leuk. Er zijn wel verschillen, zoals: Dekker is 32, renner af en leeft nog. “Ik heb de kantjes er weleens afgelopen, maar ben nooit een grootverbruiker van coke en alcohol geweest.” En als Frank Vandenbrouckes laatste wapenfeit een derde plaats was in de Boucles de l’Artois met Nico Mattan in de volgauto, dan nam Dekker afscheid met een werelduurrecordpoging. Zonder baanervaring en na vier maanden trainen en leven als een monnik strandde hij op amper 270 meter van Rohan Dennis.

Een wereldprestatie en een bewijs van zijn onwaarschijnlijk (deels vergooid) talent, maar een nieuw contract zat er niet meer in. Dekker: “Ik ben wel blij dat ik geëindigd ben als een topsporter.” Zonneveld: “Vreemd dat hij zelfs bij Roompot niet meer aan de bak kon? Misschien, maar hij heeft natuurlijk niemand gespaard. Dat was ook de voorwaarde voor dit boek: we zouden het opschrijven zoals het is gebeurd.”

De auteur van Mijn gevecht is journalist bij het Algemeen Dagblad en was zelf een tijdje prof bij een Frans B-team. Hij is een ervaringsdeskundige met een lichte maar gezonde obsessie voor het fenomeen doping. Toen Dekker hem na zijn positieve dopingplas in 2009 bezwoer dat hij maar één keer had gebruikt, antwoordde Zonneveld: “Ik geloof je niet.” Hij kreeg gelijk en nu hebben ze samen Mijn gevecht geschreven, waaruit blijkt dat Thomas Dekker op zijn 21ste graag de stap naar de duistere overkant zette, daartoe aangezet door zijn toenmalige manager Jacques Hanegraaf.

Doping, drugs en hoeren

Het boek begint met zijn eerste bezoek aan de illegale bloedbank van dokter Eufemiano Fuentes. Thomas Dekker is dan 21 en nog geen vol jaar prof. In een hotel bij de luchthaven van Madrid zit Hanegraaf in de lobby, terwijl hij bloed laat aftappen op een kamer door een Spaanse dokter die slecht Engels spreekt. Hij krijgt nummertje 24 van de arts die enkele maanden later op heterdaad betrapt en wereldberoemd zou worden.

Enkele maanden later zal hij met dat bloed Tirreno-Adriatico winnen. Een ster is geboren, Nederland gaat gouden wielertijden tegemoet en Thomas Dekker houdt vooral van zichzelf. “Ik was de vedette, maar de wereld wist het niet.”

Dekker is streng voor zichzelf en spreekt zijn gedrag nergens goed in het boek. In tegenstelling tot zijn eerste levensverhaal (Schoon genoeg, Arbeiderspers 2011), waarin hij de schijn ophoudt, doet hij op pagina 27 meteen een knieval: “Ik deed alles fout wat ik fout kon doen.” Hij excuseert zich ook voor zijn arrogante, autodestructieve gedrag. Hij bestelde hoeren, ging naar de hoeren en zat ook ooit te klooien in een badkamer die helemaal onder het bloed hing omdat hij zijn ader maar niet doorprikt kreeg.

Het boek is doorspekt van doping, van bloedtransfusies, van Dynepo (waar hij in 2009 retroactief wordt op betrapt terwijl hij voor Lotto rijdt) en van de corticosteroïden. Die laatste krijgt hij bij het Belgische Lotto van dokter Jan Mathieu, over wie Dekker zegt: “Hij spoot de cortisone in en hij verzon achteraf wel een reden waarom ik dat moest krijgen.” Zonneveld checkte die bewering voor het boek en Jan Mathieu, vandaag niet langer bij Lotto, sprak tegen dat hij attesten zomaar verzon.

Dekker: “De Belgische artsen die ik ben tegengekomen bij mijn ploegen waren hele aardige mensen, maar ik kan de zaken niet anders voorstellen dan ze zijn.”

Boetedoening

Thomas Dekker en Thijs Zonneveld beamen wel de suggestie dat hij pech heeft gehad dat hij als jong supertalent prof werd te midden van de laatste generatie epoverslaafden die nog toegang had tot tijdelijk onopspoorbaar spul als Dynepo of technieken als bloedtransfusie. Zonneveld: “De generatie na hem, de Mollema’s en Gesinks, kwam in een totaal andere omgeving terecht en dat was maar goed ook.”

Dekker: “Ik wilde de grootste gorilla zijn onder de gorilla’s en daar stond geen rem op. En wat denk je dat het met een jonge renner doet als hij in zijn eerste Tour bij Michael Boogerd op de kamer mag, waar elke dag de wekker om 6 uur afgaat omdat die een infuus moet steken om zijn hematocriet naar beneden te halen? Dit heeft de rest van mijn carrière bepaald.” Die Tour was de Tour van 2007, die waarin Rabobank zou winnen met Michael Rasmussen tot de ploegleiding Rasmussen uit koers haalde omdat hij had gelogen over zijn whereabouts. Er zou binnen de ploeg nooit meer over worden gesproken.

Thomas Dekker heeft met Mijn gevecht zijn boetedoening neergeschreven. Daar hoort collateral damage bij en de vraag is maar of die niet als een boemerang terugkomt.

Hij zal nerveus zijn als vandaag het boek in Amsterdam wordt voorgesteld, want dan zal iedereen er naar eigen behoeven uit citeren. Sommigen hebben al geanticipeerd: als we met de ex-renner en de auteur samen zitten in Lommel heeft de advocaat van Jacques Hanegraaf net gemaild. De mail eindigt met de formule ‘onder voorbehoud van rechten’, en dat is nooit een goed teken.

Hoe zal Michael Boogerd reageren zoals die als een bandeloze dopeur en hoerenloper wordt voorgesteld? En de andere generatiegenoten die soms een erg prominente bijrol vertolken? Voor wat het boek met zijn ouders doet, heeft hij nog het meest schrik. “Die hebben er nooit om gevraagd toen ze mij op mijn elfde een koersfietsje gaven. Ze rekenen het zich aan dat ze er al die jaren nooit voor mij waren, maar dat wil ik niet. Mijn ouders zijn lieve mensen en ik moet het mijzelf verwijten dat ik foute beslissingen heb genomen. Ik leer er stilaan mee leven, zoals ook met de vaststelling dat ik het nog steeds lastig heb om maat te houden.”

Thomas Dekker, mijn gevecht Geschreven door Thijs Zonneveld, uitgegeven bij Voetbal Inside. 224 pagina’s, 19,99 euro.

20161115_de-morgen_p-23

 

Verhaal over Bradley, Gary en Gent in De Morgen van 14 november 2016

Gary, Bradley, Gent: de cirkel is rond

In Gent werd hij geboren en verlaten door zijn vader, in Gent zag hij hem terug, in Gent won hij zijn enige zesdaagse en in Gent zal Bradley Wiggins deze week de laatste herinneringen aan Gary Wiggins ophalen: shirts, krantenknipsels en niet altijd even fraaie verhalen.

Dit is het mooie sprookje van het jongetje dat wielrenner werd, zoals zijn vader maar oneindig beter. Dit is ook het trieste lot van een jongetje dat wielrenner werd ondánks zijn vader, op de fiets een dopingverslaafde en geëindigd op straat als dronkaard, leeggebloed. Volgens Bradley Wiggins (36) in zijn eerste boek In Pursuit of Glory heet zijn pa Garry. Volgens alle andere bronnen is het Gary, met één r. Gary noch Garry waren er ooit voor Bradley, behalve die eerste twee jaar in Gent waardoor vader en zoon voor eeuwig zijn verbonden met hun wieler-DNA.

In het boek staat een foto van Gary en kleine Bradley die samen brood geven aan de eendjes. ‘We feed the ducks together at a pond in Ghent’, luidt het bijschrift. De ‘pond in Ghent’ is in werkelijkheid de kom van de Gentse Watersportbaan. Dicht bij onze flat, luidt het bijschrift, wat ook niet klopt.

Net na het verschijnen van zijn boek en bij de start van Team Sky, waar hij zes jaar voor zou rijden, toonde ik hem de foto. Hij was niet echt scheutig om te reageren, tot mijn bemerking.

– “Ik weet waar die foto is genomen, je bent er vaak genoeg voorbijgereden.”
Bradley: “O ja, waar dan?”
– “Om de hoek van de wielerbaan, waar jullie in 2004 hebben getraind voor de Spelen van Athene.”

Hij had tijd nodig om dat te verwerken. Daarop vroeg hij om Watersportbaan, Gent op te schrijven op een papiertje en stak het weg bij zijn telefoon. “Ooit kom ik op die plek terug. Unfinished business needs a finish. Some day.” Hij knikte en draaide zich toen om. Het is niet bekend of hij plannen heeft om die foto opnieuw te nemen.

‘Hello, I’m your father’

Dat Bradley Wiggins naar Gent terugkeert, heeft minder te maken met een tournee en een afscheid – dat er misschien niet eens komt, heeft hij laten verstaan in Londen – dan met zijn pa. ‘Terug naar Gent’ is een laat eerbetoon aan Gary Wiggins, de man die hem ongewild met het wielervirus had besmet en dan verlaten voor Miss Dortmund, met wie hij samen in Essen een café zou beginnen tot hij zelf te veel van de drankvoorraad verzette en door Miss Dortmund op de keien werd gezet.

Het zou ook de vereffening kunnen zijn van een onverwerkt trauma. Toen hem in januari 2008 de melding bereikte dat zijn vader in duistere omstandigheden in Newcastle aan de Australische oostkust was overleden, koos hij voor zijn voorbereiding op de Spelen van Sydney en vloog niet naar down-under voor de begrafenis.

In zijn boek schrijft hij: “Op weg naar de luchthaven bedacht ik mij en maakte rechtsomkeer. Ik verloor mijzelf daarna in de training voor het WK op de baan, zeven weken later.” Bradley won daar drie keer goud: de individuele en teamachtervolging en de ploegkoers samen met Mark Cavendish, met wie hij morgen ook in Gent rijdt. In Peking, later dat jaar, zou hij twee keer olympisch goud winnen en zette het daarna op een zuipen, waardoor de ploegkoers – toen nog een olympisch nummer – helemaal de mist inging.

Bradley erfde dus niet alleen het koers-DNA van zijn pa toen hij op 28 april 1980 in Gent werd geboren. Zijn vader was een Australisch zesdaagserenner annex kermiscoureur die wanhopig probeerde een bestaan op het vasteland bij elkaar te fietsen. Zijn moeder was een mooie, jonge Engelse die tijdens zijn verblijf in Londen voor die knappe, lange Australiër met zijn grote mond was gevallen. Toen twee jaar later Linda en haar zoontje bij haar ouders op bezoek gingen voor Kerstmis, terwijl Gary rondtoerde in het toen nog lucratieve en uitgebreide wielerbaancircuit, kwam een telefoontje uit Gent: “Don’t come back. Blijf maar in Londen. Ik heb een nieuw lief.”

Nog één keer zou de kleuter Bradley zijn pa zien: samen naar de London Zoo. Daarna niks. In 1997, meer dan veertien jaar later en in volle voorbereiding op de Spelen van Sydney, ging de telefoon in Londen: “Hello I’m Gary Wiggins, I’m your father.” Gevolgd door een hele parlée, en excuses, en beloftes.

Het telefoontje deed meer met Bradley dan hij wilde toegeven en een jaar later belde hij Gary zelf op, in extase na zijn wereldtitel
bij de juniores. Nog een jaar later, in januari 1999, toen Bradley met de Britse ploeg op stage was in Melbourne, bracht Gary in een pizzeria zijn drie kinderen van drie vrouwen samen: Shannon, een ongewild kind uit een tienerrelatie, Bradley, van de Engelse Linda, en Madison, zijn laatste dochter bij zijn derde vrouw Fiona die hem tijdelijk op het rechte pad hield. Madison, jawel, genoemd naar de Engelse benaming voor ploegkoers, merkte Bradley op. Er groeide zowaar wat affectie, maar toen Bradley zijn vader terugzag in november, merkte hij dat de oude demonen terug waren.

Collega’s uit die tijd weigeren Gary Wiggins te veroordelen. “Gary was een goeie kerel. Hij kwam mij en mijn broer van de luchthaven in Engeland halen en zorgde voor ons tot we zelf onze weg vonden. Ik heb mijn vrouw toen leren kennen door Gary.” In een zoektocht naar generatiegenoten van de pistier Gary Wiggins vonden we in Tasmanië een oud-collega, Tom Sawyer, via een andere oud-collega en landgenoot. Dat was de bij ons bekende Allan Peiper en die was kort van stof. “Toen ik Gary leerde kennen in Gent was ik bang van hem. A wild man. Tom kent hem beter.”

 

Sawyer leerde Gary kennen als jonge prof en zag hem veel later nog terug in St Kilda bij Melbourne en zelfs in Tasmanië, waar hij volgens Bradley in zijn boek naartoe was gevlucht na weer eens een caféruzie die slecht was afgelopen. “Gary en ik reden vaak samen en dat ging goed, tot hij merkte dat ik het begon te maken als prof. Er waren maar zoveel plaatsen op het circuit voor aussies en ik was beter. Hij had nog steeds die brandende ambitie, maar trainen was er te veel aan. Bradleys verhaaltje dat pa in zijn luiers de amfetamines verstopte voor de douanes klopt jammer genoeg.”

Zijn ex Linda herinnert zich nog de stoet would-becoureurs die op alle mogelijke uren bij hen aanklopten en aan wie hij pillen verkocht. Zijn bijnaam was inmiddels ‘Doc’. “Je zag zo dat het fout zou aflopen,” zegt Sawyer. “Er waren zesdaagsen dat hij meer in zijn
cabine bleef zitten dan op de baan reed. Ooit heeft hij mij van mijn fiets willen trekken omdat ik te hard mijn best deed, terwijl hij mijn koppelmaat was. De pot belge (een in België populaire dopingcocktail, HVDW) was zijn grote vriend, en hij begon ook steeds meer

te drinken en altijd ruzie te zoeken. Reed je met hem mee en je vergat de benzine terug te betalen, dan had je slaande ruzie. Later in Australië zijn we elkaar nog tegengekomen, maar toen was hij nog verder weggezonken. Jammer, want diep vanbinnen was hij oké.”

Andere tijdgenoten van hem hadden niet door hoe erg het met Gary was gesteld. Frank Hoste reed vaak als renner van Marc Zeepcentrale samen met hem naar de kermiskoersen. Hoste, die anders geen blad voor de mond neemt, herinnert zich alleen dat Gary veel ontzag had voor hemzelf en daarom misschien rustig bleef. “Ik was de kopman en ik stond een trapje hoger. Goeie gast, Gary, met een hoge beensnelheid vanuit het zadel, zo’n typisch Australische tred.”

‘Ik was beter, zoon’

Net nadat hijzelf was gestopt met koersen werd Patrick Lefevere Gary’s eerste sportdirecteur bij Marc Zeepcentrale. “Gary was een brave mens, vond ik. Hij deed zijn best. Marc betaalde hem om in de winter op de piste te koersen en in de zomer parttime voor hem te werken. Nadat de ploeg was gestopt, heeft hij hem nog twee jaar privé gesponsord. Van die amfetamines heb ik niks gemerkt, maar het verwondert mij niet. Een hele generatie is daar gek van geworden. Ik weet dat Marc hem betaalde met voorschotjes op zijn salaris want hij had niks. Toen hij toch een beetje had verdiend, had hij zoals veel van onze collega’s dat geld belegd bij Parisis (een bekende beleggingsbank in Gent die plots failliet ging, HVDW). Op een dag waarschuwde hij de andere renners dat het fout zou aflopen. Onbegrijpelijk dat uitgerekend hij dat wist, maar hij kreeg gelijk en gelukkig voor hem had hij zijn geld weggehaald.”

De langste periode dat vader en zoon samen met elkaar zouden doorbrengen, was in november 1999 in Gent, toen Bradley er zijn eerste zesdaagse als een prof reed, samen met de Brit Rob Hayles. Gary leek de weg onherroepelijk kwijt en Bradley geneerde zich voor zijn vader maar deed alles om hem te plezieren.

Zes dagen lang zoop Gary zich het lazarus op het middenplein in Gent en verzamelde al zijn oude vrienden en collega’s rond hem. Hij sprak een aardig mondje Nederlands en het weerzien werd rijkelijk overgoten met bier. “Gesubsidieerd door mij natuurlijk”, aldus zijn zoon die overdag zijn vader volgde door Gent op zoek naar vervlogen herinneringen.

Eddy Verbust, notoir wielerverzamelaar en oude bekende van alle baanwielrenners die ooit in een zesdaagse reden, hield hij ook staande. “Eddy, ik had één trouwe supporter, Marcel, en ik zou die willen ontmoeten”, zei Gary. “Ik weet waar die woont”, antwoordde Eddy Verbust, en samen trokken ze naar Marcel.

Verbust: “Gary woonde boven de apotheker op de hoek aan de Wondelgembrug en aan het brughuisje hebben we toen afgesproken. Gary had Bradley meegenomen en die had niets aan die ontmoeting, want die verliep in het Nederlands en Gents. Maar hij was toch mee met zijn pa. Ik denk uit respect.”

Elke avond tijdens de zesdaagse diste Gary grote verhalen op aan de toog die toen nog in het midden stond. Terwijl gaf hij af op zijn zoon die elfde en laatste zou eindigen na 35 ronden. Zoonlief moest het telkens weer aanhoren: dat hij wel had gewonnen (maar nooit in Gent), dat hij Europees kampioen ploegkoers was geworden (toen het officieuze WK), dat de vader beter was dan de zoon, kortom. De zoon knikte, zijn tijd zou nog komen.

Drie maanden later spraken ze weer af, weer in Melbourne. Gary was er nog erger aan toe en zijn derde huwelijk met Fiona was inmiddels op de klippen gelopen. Het was de laatste keer dat ze elkaar zouden zien. Drie jaar later belde hij nog eens om Bradley te feliciteren voor zijn eerste wereldtitel individuele achtervolging. Dat was de laatste keer dat ze zouden spreken. De laatste keer dat hij zijn vader hoorde, was na zijn eerste olympische titel in 2004. Hij stond op zijn antwoordapparaat. Bradley Wiggins won in Athene goud, zilver en brons en was op slag de meest succesvolle Britse sporter.

‘Mijn vader was trots’

Nog eens drieënhalf jaar later kwam de rampzalige telefoon: je vader ligt in de kliniek en is kritiek. Dat was een flink understatement. Gary was dood, in duistere omstandigheden aan zijn einde gekomen. Zijn oudere zus Glenda zoekt sinds 25 januari 2008 naar opheldering, maar de politie heeft de zaak afgesloten.

Twee mannen zouden Gary hebben toegetakeld in een appartement en daarna voor dood op straat hebben achtergelaten. Toen hij daar werd gevonden en niet overreden zoals ze hoopten, hebben ze hem nog eens in elkaar geslagen en aan de rand van het kerkhof achtergelaten. Wat erachter zat – een ordinaire dronkemans- of verslaafdenruzie of meer – dat wil Glenda weten. Ze begon een petitie op change.org. Inmiddels hebben 220 mensen die petitie getekend. Ze heeft 120.000 handtekeningen nodig om de zaak te heropenen.

Glenda is aunt Glenda in het boek van Bradley. Zij heeft na zijn dood de flat van haar broer uitgemest, zoals ze zelf beschrijft. “Het was één varkensstal, behalve het schap met daarop de ingelijste foto’s van zijn drie kinderen en daarnaast een keurig chronologisch gerangschikt stapeltje met krantenartikels: de exploten van zijn zoon.” Wat Bradley in een onbewaakt moment verleidde tot een ontboezeming: “Mijn vader was toch trots op mij. Kijk eens aan.”

 

De zoon zegt het niet met zoveel woorden, maar hij is ook trots op Gary. Dat blijkt uit zijn geschriften, zijn quotes. Trots op Gary de renner vooral. “Hij was een oneindig veel betere renner dan een vader.” Het zijn de twee, vader en renner, die hij deze week komt eren in wat ooit hun beider hometown was, the beautiful historical Ghent, zegt Sir Bradley Wiggins.

Hij komt er niet alleen om te rijden. Verzamelaar Eddy Verbust, die hem in 1999 opnieuw met zijn supporter Marcel in contact bracht, is in blijde verwachting na een telefoontje eerder dit jaar. “Of Bradley die dingen van zijn vader kon kopen? Neen, heb ik gezegd, wat ik heb gekregen kan hij gratis krijgen, maar hij moet ze zelf komen halen.” En zo zal de onnavolgbare Eddy Verbust op een vrije middag tijdens de zesdaagse in zijn huis annex museum bezoek ontvangen van de ook al onnavolgbare Bradley, die de memorabilia van zijn nog meer onnavolgbare vader komt ophalen.

Straks zullen onder meer de groene koerstrui, gesponsord door danstent Tartuff, en de artikels over de kermiskoersoverwinning van zijn pa in Eeklo tegen Lucien Van Impe een mooie plaats krijgen in zijn huis in Lancashire, misschien zelfs naast zijn eigen vijf gouden olympische medailles. En om de cirkel helemaal rond te maken, kan Bradley misschien nog eens winnen in Gent, zoals in 2003 aan de zijde van Matthew Gilmore. De traditie wil dat de Gentse Zesdaagse op de laatste dag wordt beslist. Dat is op zondag 20 november, de dag waarop Gary 64 zou zijn geworden.

Column Nice shot, B. in De Morgen van zat 12 nov 2016

Nice shot, B.

Van de week had deze krant een groot verhaal met als titel ‘Het Witte Huis verliest een zwart icoon’. De foto’s sprongen in het oog. Het waren er zes, twee daarvan hadden te maken met sport. Eén daarvan is Barack Obama ‘duikend in de Hawaïaanse golven’. Het is verder van geen tel, maar hij ziet er erg blank uit. Misschien is hij Photoshop-gewijs uitgelicht, wat heel plausibel is. De grootste foto is een plaat genomen in een limousine bij zijn tweede inauguratie in januari 2013. Ik had voor een andere gekozen om groot af te drukken. Die rechtsonder. Obama basketbalt in zijn eentje en het onderschrift daarbij luidt: “Balletje gooien.”

Ba-lle-tje-goo-ien is een beetje denigrerend voor het perfecte shot van de op dat moment 48-jarige president van de VS. Ik heb de foto van de eenzame basketballende Barack Obama in de gymzaal in de legerbasis van Fort McNair inmiddels als achtergrond op mijn MacBook.

Het Obama-shot is ‘a nice jump shot’. Zijn voeten komen netjes los van de grond, wat wijst op een goede coördinatie en oké beenspieren. Zijn lichaam is mooi recht, zijn hoofd is opgericht en hij kijkt naar de ring. Zijn release lijkt ook oké, de boog (arch) in de balbaan ziet er prima uit, alleen de follow through van zijn linkerhand/arm is een beetje ingehouden, wellicht omdat hij te dicht bij de ring staat. Het is niet bekend of de bal binnenging. Ooit speelde hij basketbal in Martha’s Vinyard en shotte daar 2 op 22. “Amechtig, te vergelijken met zijn onmacht om de zwarte werkloosheid te verminderen”, concludeerde de (zwarte) Hinterland Gazette.

Jawel, hij kon basketballen, deze president van acht jaar. Dat was al meteen duidelijk na zijn aantreden en dat heeft hij volgehouden. Na zijn aantreden werd het tenniscourt in het Witte Huis omgebouwd tot een basketbalveld. Volksvertegenwoordigers van allerlei slag waren door ESPN massaal in de gym gespot in de hoop hun spel dermate te verbeteren dat ze door de president zouden worden uitgenodigd om met of tegen hem te spelen. Occasioneel sloeg hij ook een golfballetje weg en meer dan één – handicap 13 is licht gehandicapt en niets om over naar huis te schrijven – maar basketbal was zijn ding. Dinsdag op verkiezingsdag speelde hij nog een wedstrijdje met vrienden.

Basketbal bracht hem Michelle. Zijn schoonbroer Craig Robinson was de coach van Oregon State en Michelle vroeg haar broer om haar nieuw lief te testen in een pick-upgame. “We speelden uren na elkaar. Het echte karakter komt boven als je moe bent. Barack bleef een teamspeler”, zei de schoonbroer goedkeurend. Er was zelfs anderhalf jaar lang een blog die zijn avonturen op de court bijhield, maar de laatste bijdrage op baller-in-chief.com dateert nu al van 27 november 2010, de dag dat hij moest worden genaaid en twaalf halen door zijn lip kreeg na een onopzettelijke elleboogstoot. Sindsdien is het er stil.

Barack Obama was sport, hij was de meest atletische president sinds JFK. Obama was basketbal, de zwartste van alle sporten. Hij was alvast geen baseball, de witste van alle sporten. Ooit gooide hij de eerste pitch van een wedstrijd van de Washington Nationals. Het leek nergens op en dat is bepaald verheugend. Donald Trump is een rijke Joe Sixpack, genuine baseball. Benieuwd of en hoe die dikke met zijn rare haar en zijn kleine handjes de eerste bal zal gooien.

De nederlaag van Clinton beroert inmiddels de wereldsport. Obama was pro de Olympische Spelen. Hij en Michelle zijn in oktober 2009 in het Bella Center in Kopenhagen de kandidatuur van Chicago komen verdedigen. Het was een kansloze missie en Chicago ging er toen uit in de eerste ronde: de enige verloren verkiezing waarin hij zelf mee campagne had gevoerd, tot afgelopen dinsdag.

Obama en Clinton waren ook pro de kandidatuur van Los Angeles voor de spelen van 2024. Die leek een grote kans op slagen te hebben, tot het Amerikaanse klootjesvolk voor Trump koos. Parijs staat nu weer op voorsprong. Dat is voorlopig de enige meevaller bij de humanitaire ramp Trump: Olympische Spelen op een uurtje TGV en niet op negen uur vliegen.

Verhaal over de panda in Oranje in De Morgen van 5 nov 2016

DE PANDA IN ORANJE

Twee jaar na het brons op de wereldbeker lijkt de Oranje-machine vast te lopen in het eigen grote gelijk. Typisch Hollands om meteen alles ter discussie te stellen, inclusief wijlen Johan Cruijff. Zelfs een overwinning tegen de Rode Duivels woensdag zal voorlopig geen soelaas kunnen bieden.

Het is een oude gewoonte uit de Nederlandse jaren van ondergetekende: als de VRT voorbij Breda wegvalt, Sky Radio zoeken. Die zit tegenwoordig op 101 FM. Verzekeraar Centraal Beheer, bekend van ‘Even Apeldoorn bellen’, heeft er een spot lopen. “We gaan ons kwalificeren voor het EK van 2044. Wilt u er bij zijn, denk nu al aan uw pensioenplan!”

Leuk, grappig, spits, maar wat een blasfemie voor het gidsland van het voetbal. Wat een belediging voor de natie die de wereld het moderne voetbal schonk, die aan de basis lag van FC Barcelona, het tikitaka van Spanje, zelfs de reboot van het Duitse voetbal en wat al niet meer. Alsof dat allemaal niets te betekenen heeft – resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst – is Oranje ineens in dubio, stuurloos de weg kwijt.

Stellen dat er crisis heerst, is overdreven, maar na het missen van het Europees kampioenschap in Frankrijk dit jaar vat vertwijfeling misschien het best de gemoedsgesteldheid van al wie bij het bekendste Nederlandse exportproduct is betrokken. Het probleem is niet het missen van een eindtoernooi, wat in het verleden wel vaker gebeurde. In de jaren 80 werden zelfs drie eindtoernooien op een rij thuis beleefd, maar na die tocht door de woestijn won Oranje de eerste en voorlopig enige titel: Europees kampioen in 1988. Neen, heel Nederland ergerde zich vorig jaar vooral aan de schlemielige manier waarop het EK van 2016 de mist in ging.

Voetbal voor/van Cruijff

Nederland overtrof al zijn tegenstanders met balbezit, maar dwong nauwelijks een kans af. Volgens de Nederlandse krant Trouw valt een datum te prikken voor de dag waarop de Hollandse School definitief ten grave werd gedragen: 7 september 2015, Turkije- Nederland. In de wedstrijd van de allerlaatste kans had Nederland 62 procent van de tijd de bal, gaf het het dubbele van Turkije aan passes en schoot het meer op doel. De uitslag? 3-0-verlies. Oranje, de panda van het Europese voetbal, schreef De Correspondent: lusteloos, traag, opwindingsvrij, notoir lastig tot seks te krijgen en dus onproductief.

Een beetje voetbalhistorie. Aan het eind van de jaren 60 trokken ze ten noorden van de Moerdijk een ton talent open. Een wervelende generatie die het wereldvoetbal zou veranderen, brak door. De leader of the pack was ene Hendrik Johannes ‘Johan’ Cruijff, die bij Ajax Amsterdam debuteerde. Een andere grote naam was Willem van Hanegem van toen nog Feijenoord, later Feyenoord. Met hun teams wonnen ze vier Europabekers voor Landskampioenen en een UEFA Cup. Samenspelend bij Oranje werden ze tweede op de wereldbeker in 1974 en derde op het EK van 1976, toen Nederland met een op de Ajax-huisstijl geïnspireerd totaalvoetbal uitpakte.

De Hollandse School van het eind van de jaren 60 was voetbal vol branie en brutaliteit, gedurfd aanvallend, gebaseerd op positiespel. Meestal begon het bij een 4-3-3, met buitenspelers die aan de zijlijn – ‘met het krijt op de schoenen’ – acties maakten. Rinus Michels, de coach van Ajax, later Barcelona en de WK-ploeg van 1974, ging daar slim in mee. Dit was niet zijn spel, maar dat van Cruijff.

“En daar is heel Nederland en bij uitbreiding de hele wereld ingetuind”, zegt nu Aad de Mos, ex-coach van Ajax en bij ons van KV Mechelen en Anderlecht. “Cruijff wilde die buitenspelers zo veel mogelijk op de zijlijn, om zelf het centrum vrij te hebben om zijn acties te maken. Zo willen wij nog steeds voetballen, maar wie heeft dat na Cruijff nog gekund, door het centrum acties maken? Niemand, tenzij Lionel Messi misschien. Het was een systeem op maat van Cruijff, geschikt voor het trage voetbal van de jaren 70, maar niet langer voor vandaag, met die kleine ruimtes en die fysiek sterke spelers. Het Nederlandse voetbal is niet mee met zijn tijd.”

Youri Mulder, ex-international en bekend met het Duitse voetbal na tien seizoenen Schalke 04, beaamt dat Nederland uniek is inzake positiespel. Toen hij naar Duitsland verkaste, werd hem dat duidelijk. “Daar kenden ze niet die typische oefeningen van vier tegen vier met twee neutrale spelers, en de bal maar vasthouden, en rondspelen, welke richting ook. Had je de bal in Duitsland, dan ging het zo snel mogelijk naar voren en iedereen liep erachteraan.”

Van Gaal, de schizofrenie

De Mos heeft misschien een punt als hij beweert dat Nederland langs rechts is ingehaald. In de lente van 2014 nam de KNVB, de Nederlandse voetbalbond, het initiatief voor een introspectie, wat resulteerde in een boekwerk. Winnaars van morgen is ten voeten uit Nederland, het land van de rapporten: 176 pagina’s vol analyses, grafieken, meningen, drie focusgebieden (de teamspelers, de trainer- coach en de competitie), onderzoeksverantwoordingen en wat al niet meer.

Jelle Goes, technisch manager van de KNVB, nadat hij eerder in Estland en Rusland had gewerkt en kort bij PSV, schreef de inleiding. Hij besloot: “We moeten de lat voor onszelf hoger leggen. Laten we de bal vanaf nu niet meer onnodig breed spelen, maar als één team vooruit.”

Die zin kan uitgelegd worden als een subtiele verwijzing naar het grootste manco van de Hollandse voetbalschool: balbezit om het balbezit, ballen breed, ballen op de doelman, weinig doelkansen, met als gevolg de onproductieve Oranje-panda.

Mulder vindt het goed dat de KNVB nadenkt over welke richting het uit moet, want zo heeft Duitsland zijn technische revolutie na 2002 ook geïmplementeerd in het voetbal. Hij heeft wel zijn twijfels bij de haalbaarheid van een plan op macroniveau. “De KNVB is de Duitse bond niet. Volgens mij doen ze bij de Nederlandse clubjes toch wat ze willen. En eerlijk: is het nu zo slecht gesteld met het Nederlandse voetbal? We hebben tijdelijk niet die absolute klassespelers die in het verleden voor ons het verschil maakten, maar die komen heus wel terug.”

In het boek Weg met de Hollandse School komen een aantal scherpe meningen aan bod. Samengevat komen die hier op neer: ‘We kunnen niet verdedigen, we kunnen niet omschakelen, we hebben geen conditie en we hebben geen mentaliteit.’ Vreemd, want was verdedigen, omschakelen, lopen en blijven lopen, dus mentaliteit, niet hét recept waarmee Louis van Gaal op de wereldbeker in Brazilië in een nooit geziene 5-3-2 de Spaanse wereldkampioenen, ook al zo verlekkerd op balbezit, een 1-5 om de oren gaf?

Dat gebeurde in de openingswedstrijd, en Nederland ging in Brazilië maar door op zijn elan. Het gaf de bal on-Hollands graag weg, had meermaals het geluk aan zijn kant en bracht het tot een saaie halve finale, waarin Argentinië meer strafschoppen omzette na 120 minuten en 0-0. Het bevattingsvermogen van de voetbalnatie Nederland was in 2010 al op de proef gesteld in Zuid-Afrika, toen te vaak de hakbijl werd bovengehaald om het doel te bereiken, wat resulteerde in zilver na een verloren finale tegen Spanje. Maar in Brazilië was de schizofrenie pas echt compleet: in zeven wedstrijden had Oranje alleen tegen Australië meer balbezit. Nederland had zijn ziel aan de duivel verkocht.

Ballet op kunstgras

Mulder: “Hoe Louis van Gaal heeft gespeeld in Brazilië op het WK, dat kon mij ook niet bekoren. Maar Van Gael was realistisch: hij had niet de ploeg om op balbezit aan te vallen. Dus deed hij het anders.” Een jaar na dat doffe, duffe brons praatte Nederland zichzelf de grootste voetbalcrisis van de laatste vijftig jaar aan: onwezenlijk hoe de derde van het WK vierde werd in een Europese kwalificatiegroep na Tsjechië, IJsland en Turkije.

Is de Clockwork Orange of La Maquina Naranja, zoals de wereld het Nederlandse voetbal bewonderend omschreef, vastgelopen? Zo ja: waar, wanneer en hoe in godsnaam? Nederland voetballand piekert nu een eind weg en zoekt naar schuldigen.

De grootste kritiek is voor rekening van het fundament van het Nederlandse voetbal: de veelgeroemde opleiding. Die zou te eenzijdig op balbezit gericht zijn, te weinig op verdedigen, mentale weerbaarheid en fysieke conditie en te vaak de heilige graal zoeken in de Cruijff-doctrine, de 4-3-3. Heeft Nederland de laatste jaren op zijn alom bejubelde kunstgrasvelden, waarvan nu zelfs wordt beweerd dat ze kankerverwekkend zijn, balletdansertjes zonder daadkracht opgeleid in plaats van voetbalvechtmachines?

Youri Mulder gruwelt van het werkwoord opleiden. “Voetballertjes met talent laat je tot wasdom komen. Je leidt geen talent op. Je leidt toch ook geen artiesten op? Ze moeten leren winnen, staat er nu. Elk kind wil winnen als het voetbalt. Misschien moeten ze tot tien jaar gewoon niet willen winnen, maar lekker leren voetballen.”

Tijd om langs te gaan bij de praktijk. Laag Holland heet het deel van Noord-Holland boven Amsterdam tot Alkmaar. Het is het wervingsgebied van AZ, een traditieclub uit het Nederlandse voetbal, en de afkorting van Alkmaar, waar het stadion staat, en Zaanstad. Het team werd kampioen in 1981 en nog eens in 2009. In Wormerveer ligt het nieuwe trainingscomplex van AZ. De club kreeg in mei voor het tweede jaar op rij de Rinus Michels Award voor de beste jeugdopleiding van het land. En dat met een begroting van 23 miljoen of drie keer minder dan Ajax of PSV.

Hoofd jeugdopleidingen Paul Brandenburg wil niet zeggen hoeveel van de totale begroting naar de jeugdwerking gaat, maar het moet een substantieel deel zijn, ook al gezien de doelstellingen. “Wij willen tegen 2020 dat de helft van ons eerste elftal uit zelf opgeleide spelers bestaat, aangevuld met een kwart spelers met ervaring in het buitenland, zoals Ron Vlaar vandaag, en nog eens een kwart jonge jongens die we zijn gaan halen en die we optrainen. De bedoeling is om op te leiden voor de Europese top. Momenteel halen we die top niet: we leiden nog te veel op voor het B-niveau.”

AZ weet dat het op papier het beste programma van de wereld heeft, zegt Brandenburg, maar hij vult aan: “Alles staat of valt met de jeugdtrainers en de omkadering. We hebben zowel ex-profs, zoals Danny Landzaat, als jeugdtrainers met een lerarenopleiding, zoals ikzelf. Jeugd trainen is een vak apart. Deze generatie is gemakzuchtiger dan ooit. Alles wordt altijd perfect voor ze geregeld. Het komt erop aan hen voortdurend uit te dagen.”

De omkadering in Wijdewormer is exemplarisch, en door de nabijheid van Amsterdam-Noord en -West is AZ nog meer een directe concurrent voor Ajax. Het oefencomplex, waar ook de eerste ploeg onder leiding van ex-Anderlecht-trainer John van den Brom traint, is state of the art. Veel geheimen komen er niet aan te pas bij AZ, tenzij harder werken dan de rest.

Brandenburg: “Wij trainen meer dan de andere clubs. Ik ben ooit begonnen met vijf keer per week trainen met de U13. Ze verklaarden ons gek, maar het werkte. Vijf keer per week betekent niet altijd intensief met de bal. Trainen kan ook met de computer en de virtualrealitybril of videoanalyse. Onze bedoeling is onderwijs combineren met de best mogelijke voetbalopleiding, als het kan zoveel mogelijk op de club. Waarom ook niet de schoolse vorming op de club organiseren?”

Maar welk voetbal propageert AZ, dat negen spelers in de nationale selectie van de U19 heeft? Oer-Hollands 4-3-3, balbezit, de schoonheid van het spel vertaald in oneindige passing? Niets van dat alles. Brandenburg: “Verschrikkelijk, zoals de nationale ploeg speelt: balletje breed, passen om het passen. Wij willen snel en efficiënt aanvallen. Wij leiden al vier jaar niet meer op in een vaste veldbezetting. De trainer kan wel bijsturen in de wedstrijd, maar wij willen spelers die oplossingsgericht denken en alle systemen aankunnen.”

En wat de kritiek op het kunstgras betreft – het is te veel luxe, waardoor voetballen op echt gras te zwaar wordt: daarop is de reactie veeleer genuanceerd. “Wij hebben hier kunstgras liggen en gewoon gras, maar evengoed sturen wij selecties naar een slecht veldje met putten en hobbels, of naar een Cruijffcourt, waar de bal nooit buiten gaat, zelfs op de parkeerplaats hiernaast wordt getraind. Zelfstandige spelers die zich aanpassen aan de omstandigheden, aan de tegenstander en aan het veld, dat is ons ideaal. Die spelers kunnen in de beste competities terecht.”

Column Dikke Kont in De Morgen van 5 nov 2016

Dikke kont

John Bico heeft Stallone Limbombe een oorveeg gegeven. John Bico is manager-trainer-redder-in-nood van Antwerp FC en Stallone Limbombe, broer van Club-aanvaller Anthony en genoemd naar Sylvester – of wat dacht u? – is er middenvelder. Het ging om een discussie over push-ups. Stallone moest er twintig doen en riposteerde dat hij er wel zestig aankon. Doe dan maar zestig, zei Bico. Daarna is het tot een handgemeen gekomen en zou Bico hebben uitgehaald.

Lijfstraffen in de sport is een problematiek die kadert in een breder geheel: hoe ver mag een hiërarchische meerdere in de sport gaan om zijn atleet (m/v) tot daadkracht aan te zetten of discipline bij te brengen? Seks of alle afgeleiden daarvan zijn uit den boze. Rule 1 in het handboek voor coaches: never fuck your athlete. Een enkeling durft nog wel eens en ofwel trouwen trainer en atlete, ofwel volgt een klacht, ofwel – in één enkel uitzonderlijk geval – gaan ze ook weer netjes uit elkaar en winnen samen nog steeds medailles.

Fysiek geweld is ook niet meer van deze tijd. Als Bico echt een oorveeg heeft gegeven, valt het te bezien hoe de kleine Limbombe daarop reageert. Hij is redelijk onmisbaar in het Antwerp dat weer eens op koers ligt voor een titel, maar misschien is Bico dat ook. Onder Afrikanen, waar een oudere een jongere altijd aan de oren mag trekken, zou dat nog kunnen passeren.

In Nederland zou Bico gegarandeerd een klacht aan zijn broek hebben. In Nederland mag niks meer, hoorde ik van de week. Zelfs als je een voetballertje aanspreekt op zijn prestaties, is de kans levensgroot dat de ouders zich tot het bestuur wenden en over ongeoorloofde mentale druk spreken. Ook volwassen voetballers van niet-Europese origine mag je niet openlijk confronteren met hun falen want dat staat gelijk met openbare castratie.

In die streng hiërarchische relatie van my way or the highway komt verbaal geweld nog het vaakst voor. Trainers die hun atleten wijzen op hun falen, doen dat vaak op een manier die pedagogen en gelijkheidscentra de gordijnen injaagt. En jawel, daar komt soms eens schelden bij te pas en soms loopt het de spuigaten uit. In Engeland kostte verbaal geweld en daarmee gepaard gaand vermeend seksisme dit jaar de kop van een van de toptrainers van British Cycling.

Shane Sutton(foto) had Jess Varnish, een sprintster, aangepakt op haar gewicht. Verlies wat kilo’s (lose some timber), had hij gezegd, zo beweert hij zelf. Volgens haar had hij ook gezegd dat ze een te dikke kont had, te oud was en beter zou stoppen en een baby kon krijgen. Bodyshaming? Verbaal geweld? Het is hoe je het bekijkt, maar de boodschap was wel duidelijk en Jess was helemaal van slag. Klein detail: zij en haar sprintteam waren er niet in geslaagd zich te kwalificeren voor de Spelen in Rio, het enige wielerevent waar de Britten geen deelnemers hadden. Vandaar de woede van de coach.

Na haar verwijdering uit de nationale selectie diende ze haar klacht in. Sutton werd eerst tijdelijk geschorst, maar nam daarna zelf ontslag. Na zes maanden onderzoek is vorige week in alle wijsheid geoordeeld door British Cycling, dat een panel van drie vrouwen op de zaak had gezet. Wat dacht u dat de uitkomst was? Sutton heeft volgens het panel seksistische en ongepaste taal gebruikt. Nogal wat atletes – meestal de medaillewinnaars – waren opgekomen voor Sutton, maar het hielp geen zier.

Schofferen moet niet de regel worden, maar schieten we niet een beetje door als we trainers gaan verbieden volwassen atleten aan te spreken op hun vet, hun leeftijd of hun prestaties? Dat overkomt overigens meer mannen dan vrouwen, met misschien de enige discriminatie dat mannen nooit het advies krijgen om aan kinderen te beginnen.

Het kan een beetje vreemd overkomen voor wie aan de zijlijn toekijkt, maar in topsport gelden niet de omgangsregels van de gewone maatschappij of een andere werkomgeving, waar dat soort taal terecht wel wordt bestraft. Topsport is een extreem darwinistische sub- cultuur die ongelijkheid versterkt, zelfs beloont en die balanceert op een dunne grens van motiveren en afbreken. Wie denkt daar niet in te passen, moet wegblijven en wie dat wereldvreemd vindt, moet de tv afzetten en deze pagina’s niet lezen.

Column LOTTO in De Morgen van 29 okt 2016

Lotto

De Lotto-wielerploeg ligt onder vuur en dat is niet voor het eerst. Oorspronkelijk kwam alle kritiek uit dezelfde hoek. Patrick Lefevere van Etixx-QuickStep fulmineert al bijna twee decennia tegen de ongeoorloofde staatssteun in een hoogst concurrentiële markt en sinds deze week is er ook kritiek uit politieke hoek.

Vraag één: moet een overheid een wielerploeg op de been houden? Een andere vraag: moet de overheid een CEO van een wielerploeg aanstellen met het salaris van een eerste minister? Op die laatste vraag: neen. Alle begrip dat de wieler-CEO het gemiddeld rennerssalaris in zijn ploeg verdient, zoals een voetbalmanager in een voetbalclub, maar als dat hoger ligt dan het salaris van de eerste minister moet de overheid daar geen steun meer aan verlenen en vooral niet zelf op zoek gaan naar die CEO.

Hoe zit dat met die steun aan het wielrennen vanuit de publieke sector? In het WorldTour-peloton zijn de helft van de ploegen niet levensvatbaar zonder overheden of zonder mecenas. In dat peloton zijn twee nationale gokinstanties actief als hoofdsponsor: onze Nationale Loterij met het product Lotto bij Lotto-Soudal en La Française des Jeux bij de gelijknamige ploeg. De omzet van de Nationale Loterij bedraagt 1,173 miljard euro en daarvan gaat 5,5 miljoen – in realiteit een stuk meer, maar leest u verder – naar een ploeg die een budget van 15 miljoen euro heeft. La Française des Jeux heeft een omzet van 13,7 miljard euro en draagt ongeveer 7 miljoen euro bij voor een ploeg die 10 miljoen euro budget heeft. Van een scheefgetrokken verhouding gesproken.

Goededoelenpot

Een foute voorstelling van zaken is de oorsprong van het wielergeld van onze Nationale Loterij. Dat komt niet uit de pot subsidies of goede doelen, maar uit de pot marketing en daar duikt al meteen een tweede en derde probleem op. Marketing is de baronie van Marc Frederix (55) en die heeft na het aantreden van Jannie Haek als gedelegeerd bestuurder van de Nationale Loterij in 2013 een medestander gevonden. Ze zijn overigens allebei van sp.a-signatuur, misschien heeft dat geholpen.

Voor Haek was die aanstelling een doekje voor het bloeden nadat hij in de NMBS-structuren niet langer gewenst was. Maar bij de passage van het Tour-peloton door België, een zomer later, was het hem al aan te zien dat hij met volle teugen genoot van zijn nieuw speelveld. De wielerploeg werd het speeltje van Frederix én van Haek.

Het besteden van gokgeld aan sportsponsoring om zo de bevolking nog meer tot gokken aan te zetten, is natuurlijk fundamenteel fout, maar die foute business leverde de staat vorig jaar wel 115 miljoen euro op en tegelijk ging ook 205 miljoen euro naar goede doelen, waaronder topsport. Die goededoelenpot wordt netjes over de twee gemeenschappen verdeeld via het bekende Belgische wafelijzer. Snapt u nu de frustratie van de Franstalige minister? Die 5,5 miljoen euro (en meer) die naar het wielrennen gaat – naar een Vlaamse sport en een Vlaamse ploeg – ontsnappen aan haar voogdij en zelfs aan de controle van de raad van bestuur.

Dat CEO-schap lijkt op het lijf van Marc Frederix geschreven, als die voor zijn laatste actieve jaren zijn passie als wielertoerist nog eens van dichtbij wil beleven. Hij droomt al langer van een bepalende rol in dat landschap. In 2013 was hij een van de aanstokers van een demarche naar de politiek om een Belgisch Sky op poten te zetten, met het profteam aan de top van een hele piramide, te beginnen bij talententeams in beide landsdelen.

Hij stuurde daarvoor Jochim Aerts van Ridley in de wei als verkenner en bleef zelf op het achterplan. De bezoeken aan Kris Peeters en Didier Reynders – die laatste om de NMBS mee te krijgen – verliepen voorspoedig (en ik kan het weten, want ik was erbij). Behalve de powerpoint die ik vast nog ergens heb liggen, kwam er niks van in huis. Men was uit het oog verloren dat Sky een commercieel bedrijf was. De overheid in Engeland springt pas in de bres als het om olympische prestaties gaat in een armlastig speelveld dat zelf niet genoeg privémiddelen kan genereren.

Tegen het Belgisch belang

Daar moet het wielrennen niet mee afkomen en de Lotto-ploeg is helemaal een onlogische constructie. Het is een commerciële entiteit in een privéomgeving, beheerd en bestuurd door een nv van publiek recht, met een voogdijminister en de hele santenboetiek van bestuurders die toekijken of het koosjer gebeurt. Maar wat is koosjer als je weet dat de Nationale Loterij elk jaar het financiële gat van die ploeg dichtrijdt en dat het gat in 2015 door de vele overwinningen en premies 800.000 euro bedroeg, naast alle andere extra kosten om die sponsoring te valoriseren, en het U23- en vrouwenteam te laten functioneren? Wat is koosjer aan een Duitse kopman, die niks toevoegt aan het Belgisch sportbestel? Wat is koosjer als diezelfde overheidsploeg ook gewoon tegen het Belgisch belang ingaat?

Neem nu Jasper De Buyst, ooit opgeleid met overheidsgeld in de Topsportschool en de Topsport Vlaanderen-ploeg om op de wielerbaan te scoren. Hij lag op koers richting wereldtop in de omnium, tot zijn kop door Lotto-Soudal zot werd gemaakt (in zijn geval was dat een koud kunstje). Alleen bij hen zou hij die fantastische wegrenner kunnen worden die iedereen in hem zag, niet het minst hijzelf. Waarop ze hem – ook met overheidsgeld – weghaalden bij Topsport Vlaanderen met de belofte dat hij alsnog naar Rio zou mogen. De fantastische wegrenner werd in geen tijd kermiskoereur, reed in Rio een ronde of twee als een gek aan de leiding in de puntenkoers om vervolgens ongenadig naar huis te worden gefietst. Na die desastreuze dag één bleef hij op dag twee wijselijk in het olympisch dorp en werd hem een diarreetje aangepraat door de wielerbond, die óók gesponsord wordt door de Nationale Loterij.

Neen, er is niks mis met een investering van onze nationale gokinstantie in onze nationale passie wielrennen, op voorwaarde dat het blijft bij sponsoring en dat sponsoringgeld en marketinggeld elkaar niet beconcurreren. Het is niet aan welke overheid dan ook om een staatsploeg op poten te zetten, te onderhouden en te runnen.