Column over Stoffel en Honda op demorgen.be van maandag 27 maart 2017

Het moet onze eerste en enige Vlaming in de Formule 1 weer overkomen

Ik ben geheel mee met en heb alle begrip voor Stoffel Vandoorne, want ik heb ook gedoe met de elektronica van mijn auto.

Om de haverklap gaat het oranje lichtje branden van de banden en dan komt op de display ‘bandenspanningsysteem service’. Of zoiets, want ik let er al niet meer op na er zelf mijn compressor te hebben opgezet en verschillende pitstops. Er is niet echt iets aan de hand en als er toch iets aan de hand zou zijn, dan voel ik het niet.

Nu ik mij (een beetje) heb verdiept in de Formule 1, is mij alvast één ding duidelijk: of ik rij met een Formule 1-auto (niet dus), of ze kennen er daar ook niks van. Aan Honda moet ik het alvast ook niet vragen wat met mijn Volvo scheelt, want ze doen daar net hetzelfde als mijn garage: binnenkomen, elektronica resetten en hup weer weg. En als het een tijd goed is gegaan, begint de ellende vanzelf opnieuw. Om gek van te worden.

Het overkwam Stoffel Vandoorne gisterenochtend in zijn eerste race van het nieuwe F1-seizoen, het eerste seizoen dat hij als volwaardig rijder mag afleggen. Hij had een probleem met zijn stuurtje, moest binnenrijden, de pitstop duurde lang door die reset en dan mocht hij weer de baan op. Hij werd dertiende, wat toch al weer vijf plaatsen gewonnen is vergeleken met zijn positie op het startgrid en wat beter is dan zijn ploegmaat Alonso, die de wedstrijd niet kon uitrijden.

Stoffel had deze reactie klaar: “Het positieve is dat we de race hebben kunnen uitrijden.” Nou ja. Begrijpelijke reactie misschien voor een neofiet, maar hoe onbegrijpelijk is die toestand bij McLaren en Honda niet? Ik bedoel: je hebt maanden de tijd om een motor te ontwikkelen, die in te bouwen in een carrosserie, daar allerlei elektronica op te zetten en zeg nu niet dat het hersenchirurgie is, want de meeste van die dingen bestaan of zijn al een keer door anderen voorgetoond.

En dan slaag je er nog niet in om iets in elkaar te steken dat blijft rijden en als het even kan aan een respectabele snelheid.

Wat zei Vandoorne nog, als baken van rust en begrip: “De wedstrijd eindigen hadden wij niet verwacht. Tijdens de wintertests hebben we maximaal elf ronden achter elkaar gereden en nu uitrijden is een eerste stap vooruit.” Gevolgd door specialistentaal: “We hebben de pace nog niet, de package is nog niet goed genoeg en er is nog veel werk aan de winkel.”

Honda, dat in mijn straat nochtans een ijzersterke reputatie heeft inzake grasmachines, is nu de risée van de Formule 1.

Bij uitbreiding geldt dat ook voor Japan. De trots van het land van de rijzende zon slaagt er niet in om een motor te ontwikkelen en sneller te zijn dan ook maar één andere auto in de F1. Dat is wat Fernando Alonso gisteren ten minste zei. “Normaal eindigen wij laatste en voorlaatste.”

Op de pre race press conference enkele dagen geleden zaten enkele rijders samen en kregen de vraag wat er zou kunnen veranderen aan de F1. “V12-motoren,” zei er één. “Maar geen elektrische,” zei een andere. “En geen Honda”, zei Lewis Hamilton ook nog en iedereen gierde het uit. “Just joking”, voegde Hamilton er aan toe.

No, not joking at all.

Dat moet onze eerste en enige Vlaming in de Formule 1 weer overkomen: talent te koop, maar ze hebben een grasmachine onder zijn kont gestoken.

Het zal ons leren, ook deze krant en ondergetekende, om al te enthousiast zonder veel kennis van zaken hele pagina’s vol te pennen over het nieuwe wonderkind van de F1. Wonderkind of niet, Stoffel  is een groot talent en geniet nog steeds het voordeel van de twijfel, maar als je in de F1 geen competitieve auto hebt, ben je veroordeeld tot gerommel in de marge. De F1 is tegelijk technisch de meest eerlijke en sportief de meest oneerlijke sport van de wereld. U zal in deze krant nog wel eens een verhaal lezen over de F1, maar met de Stoffelhype is het nu even goed geweest.

Column Niet alles is te koop in De Morgen van 20 maart 2017

Niet alles is te koop

Sympathie hebben voor een van beide teams is des columnisten. Bijvoorbeeld: welke club in de bekerfinale verdiende sympathie op basis van het spel? Lastig, want de twee clubs hielden elkaar in evenwicht. Dan maar verder gezocht: welke club verdiende het meest om de beker te winnen op basis van bestuurlijke inspanningen zoals elke euro omdraaien, onbekende spelers lenen en beter maken, uit dat samenraapsel een competitieve ploeg puren en ook nog een tribune vernieuwen en een modern oefencomplex bouwen?

Zulte Waregem!

En daarom vond ik het terecht dat Zulte Waregem won en niet KV Oostende en daarom heb ik het tweetje gepleegd ‘Gelukkig is niet alles te koop in het Belgisch voetbal’ en daarom kreeg ik reacties (meer dan de helft met taalfouten) gaande van ‘onnozel kieken’ tot ‘goed gedaan, die Coucke op zijn nummer zetten’.

Dat laatste was helemaal niet de bedoeling. Marc Coucke weet dat ik sympathie koester voor zijn authenticiteit. Zoals ook voor het sprookje van KV Oostende met zijn kleurrijke figuren in de hoofdtribune en zijn businesscommunity die zo is weggelopen uit een film van Fellini.

Marc Coucke weet ook wat ik over zijn club denk – dat een sprookje zelden een meesterwerk wordt – en dat het succes van KV Oostende kunstmatig is en niet duurzaam zonder zijn miljoenen. (Dat geldt voor nog enkele ploegen, maar die speelden geen voetbal dit weekend.)

Ik citeer uit eerder werk, een column van eind vorig jaar toen een aantal clubs hun jaarrekeningen presenteerden:

“(begin citaat) Vorig jaar 4,5 miljoen euro verlies, nu 7 miljoen en volgend jaar komen daar nog eens de verbouwingskosten voor het stadion bij. Als KV Oostende ooit Europees wil spelen, zullen ze toch eens moeten uitleggen of die verliezen aanvaardbaar zijn. Ze zitten nog niet aan 30 miljoen euro over de laatste drie seizoenen, de grens voor de Financial Fair Play (FFP), maar dat hoeft ook niet om op de vingers te worden getikt: verlies moet enerzijds aanvaardbaar zijn en moet anderzijds worden gedekt door eigen vermogen. De levensvatbaarheid van KV Oostende als topclub blijft precair. Zonder de Couveuse Coucke is dit baby-topteam veroordeeld tot kansarmoede (einde citaat).”

De KVO-community heeft dit niet opgepikt of niet begrepen, dat laat ik in het midden. Dat Coucke een Gentenaar is die investeert en geen Chinees is een meevaller voor ons voetbal, maar is naast de kwestie. Investeringen in voetbalclubs zijn aan andere regels onderworpen dan appartementen bouwen of pretparken openen. Of nog: sportvoeding verkopen. Coucke heeft ooit met Etixx in Engeland meer aan promotie uitgegeven dan er ooit aan sportvoeding is verkocht, maar dat is een sector waar de FFP niet van toepassing is.

Voetbal is anders, meer gereguleerd en maar goed. Als KV Oostende Europees speelt (vooralsnog niet, tenzij ze bij de eerste vier eindigen of Zulte Waregem kampioen wordt) komen ze op de radar van de Financial Fair Play van de UEFA. Dat is een set regeltjes opdat investeringen in het voetbal een economische logica zouden volgen waardoor je niet zomaar geld kunt uitgeven om een team bij elkaar te kopen in de hoop dat daar ooit inkomsten tegenover zullen staan.

De 30 miljoen euro schuld die mag worden opgebouwd over drie seizoenen is een bovengrens, op voorwaarde dat de put wordt gedempt door eigen vermogen. In Oostende betekent dat bijpassen uit de diepe zakken van Marc Coucke. Gebeurt dat niet, dan ligt de bovengrens bij 5 miljoen euro gecumuleerd verlies over drie seizoenen en daar zit KVO alleen al met de laatste jaarrekening ruim boven. Even terzijde: speculeren op een dure transfer van Landry Dimata telt ook niet. Dat alles met de edele bedoeling de teams minder afhankelijk te maken van hun suikerooms zoals Coucke.

Tot zover de Europese regels, op maat van Europese omzetten die al snel rond de 100 miljoen draaien. In de realiteit bedraagt de gemiddelde omzet van de 98 clubs uit de vijf grote voetballanden 155 miljoen euro. In België is de gemiddelde omzet 20 miljoen
euro, vijf keer minder dan de hypothetische 100 miljoen. Als de Jupiler Pro League ooit de moed zou hebben om eigen strenge FFP-regels te hanteren, dan zou de toegestane schuld (met inbreng van eigen vermogen) 6 miljoen euro (30 gedeeld door 5) over drie jaar bedragen. In dat geval zou KV Oostende zijn uitgaven moeten laten zakken naar een niveau in overeenstemming met zijn voetbalgerelateerde inkomen. Volgens een ruwe schatting zou dat ongeveer de halvering van de Oostendse salarissen betekenen. Zo simpel of zo ingewikkeld is voetbal, maar niet aan zee. (Voorlopig.)

 

Niet alles is te koop

 

Column Aandachtszoekers in De Morgen van 18 maart 2017

Aandachtszoekers

Onder een bank in een kleedkamer ergens in het Kortrijkse staan nog een paar schoenen van mij. Dat kwam zo. Wij hadden nog één wedstrijd te gaan en er was niks meer te winnen of te verliezen. Aan de andere kant van het net (het was volleybal) stond een team dat bij winst niet zou zakken. Er was een halve afspraak binnen de basis dat we niet te hard ons best zouden doen, uit medelijden.

Dat verdween al snel omdat het agressieve thuispubliek ons van bij de eerste punten danig op de zenuwen werkte. Ik werd bij de opslag een bak bier beloofd om te missen, maar ik dronk/drink geen bier en ik serveerde een ace (ook wel per ongeluk). Het spel zat op de wagen. Aldus besloten we tijdens de eerste time-out nog eens onze kop ervoor te leggen. Resultaat: 1-3 gewonnen en dat andere team zakte. En toen moesten we gauw onze spullen in de kleedkamer bij elkaar grabbelen en het pand zo snel mogelijk verlaten. Mijn schoenen en mijn sokken ben ik vergeten.

Daar moest ik aan denken toen ik gisteren het radionieuws hoorde openen met de ondervraging van Joseph Allijns, voorzitter van KV Kortrijk, over de vermeende omkoping van enkele van zijn spelers in de verloren wedstrijd tegen Moeskroen. De federale politie voerde al informele gesprekken bij beide clubs en ook de anticorruptiecel van de UEFA was ermee bezig.

Dat laatste is een geruststelling: als Karl Dhont uit Loppem op de tafel is gesprongen, is er meestal weinig aan de hand, behalve dan een gebrek aan aandacht. Ooit schatte hij de Aziatische gokindustrie op drie keer de omvang van Coca-Cola – wat een rare vergelijking was – terwijl zijn vrienden van Europol becijferden dat tussen 2008 en 2011 aan 0,014 procent van de wedstrijden in het Europees voetbal een reukje zat en dat er in die vier jaar wel 8 miljoen euro in die business was omgegaan. Matchfixing en omkoping, het is maar hoe je het bekijkt, is een verwaarloosbaar probleem dat de sport over zichzelf afroept en waar enkele aandachtszoekers hun USP (uniek verkoopargument) van hebben gemaakt.

Wat overigens niet wil betekenen dat er bij KVK-Moeskroen niks is gebeurd of dat de spelers van Kortrijk er niet met hun klak naar hebben gesmeten. Dat laatste lijkt nog de meest plausibele verklaring: spelers die geen zin meer hebben, spelers moe na op zwier met de receptioniste van de plaatselijke garage, trainingen wat losser, een deel van de spelersgroep die de trainer buiten wil, wie zal het zeggen?

En jawel, misschien was er ook her en der een makelaar die belangen heeft bij beide clubs en die heeft laten uitschijnen welke uitslag hem het best zou uitkomen. Dit krijg je met een economisch systeem waarbij je makelaars de hele voetbalbusiness laat sturen. Schaf de transfer af en het probleem is opgelost.

Wedstrijden als KV Kortrijk-Moeskroen zijn ook onvermijdelijk in een competitiesysteem waarbij een ploeg die klaar is in het veld moet tegen een andere ploeg waarvoor winst van levensbelang is. Het effect daarvan is niet te onderschatten: die jongens aan de overkant met hun beperkte mogelijkheden hun stinkende best zien doen, dat wekt empathie op. De ene ploeg die vecht voor haar overleven
en de andere die haar schaapjes al op het droge heeft, is ook een nefast gevolg van het achterhaalde systeem van stijgen en dalen. Volgens economische criteria verdienen Westerlo of Moeskroen geen van beiden om in eerste klasse te blijven, maar misschien nog meer Moeskroen als vierde Waalse club.

Het ergste aan deze hele overtrokken zaak is natuurlijk dat het meest gesubsidieerde vermaak van het land blijkbaar niet in staat is tot zelfreiniging. Nu voert de federale politie godbetert (informeel) onderzoek naar omkoping van een voetbalwedstrijd die het bekijken niet waard was. Kan het nog gekker? Ze hebben daar bij de federale zowaar een cel voetbalfraude en die zat wellicht om wat actie verlegen. Zou eens iemand het nut van die cel in vraag willen stellen, alstublieft?

Een sport die niet de tempel van maagdelijke zuiverheid is en daar zelf grotendeels de schuld voor draagt door een wankel economisch systeem en het dulden van allerlei vreemde constructies en duistere figuren, moet zich niet tot de gemeenschap wenden om van haar rotzooi af te geraken.

Waarom koers niet op de VRT moet in De Morgen van zaterdag 18 maart 2017

Waarom koers niet op de VRT moet

Eurosport heeft het wielerhuis gekraakt: Milaan-Sanremo zit vanmiddag niet langer op de VRT. De Vlaamse wielerfan zal moeten wennen aan een ander zendernummer, andere stemmen en een andere kijkgewoonte.

Op vrijdag 31 maart zal Canvas de twaalf uur of langer durende fietstocht van VRT-sportjournalist Ruben Van Gucht over het vernieuwde parcours van de Ronde van Vlaanderen in beeld brengen. Op de Sporza-site staat: “Canvas brengt heel zijn Ronde live in beeld in een rechtstreekse uitzending van 12 uur. Met beelden van de motor en de helikopter, maar ook vanaf de fiets van Ruben. Zoals het bij een echte wieleruitzending hoort, zijn er ook commentatoren.”

Sven Nys is al aangezocht om een duo te vormen met Goedele Wachters. Er zal publiek zijn voor Van Gucht, want in de heuvel- en kasseizone krioelt het van de wielertoeristen op de vrijdag voor de Ronde. Het kind heeft een naam: #Voorderonde. #Voor1april had ook gekund, maar er zou geen verband zijn.

Neen, het is de VRT bittere ernst. “#Voor de ronde is de eerste echte ‘slow tv’ in Vlaanderen: een genre dat vooral in Noorwegen furore maakt met marathonuitzendingen van de mooiste boot- en treinreizen of ander nationaal erfgoed.”

Zijn ze gek geworden bij de VRT? Niet gek, misschien een beetje wanhopig. Afgezien van de vraag of wielrennen bij nóg meer slow tv gebaat is, als er sowieso al 95 procent van de wedstrijd niks gebeurt, kun je je afvragen of het tot de opdracht van de VRT behoort om deze mengeling van folklore, bezigheidstherapie en hobbyisme twaalf uur lang in beeld te brengen. Dat personeel, die camera’s en die helikopter, dat kost een cent. Het zal door andere onderbelichte sportevenementen – soms terecht en soms niet terecht – worden aangegrepen om te wijzen op de twee maten en twee gewichten waarmee de VRT naar sport kijkt.

Jeroen en Karsten

Misschien zal de VRT ter verschoning wijzen op de vrijgekomen wielerbudgetten, nu de openbare omroep de rechten van de Italiaanse wedstrijden niet meer heeft. U leest het goed: vanmiddag wordt het eerste klassieke monument gereden, de Primavera of Milaan- Sanremo, en u zal niet Michel Wuyts, evenmin José De Cauwer en ook niet Renaat Schotte of Karl Vannieuwkerke horen. Voor het eerst in een halve eeuw of zo moet u ook niet op de openbare zender afstemmen, maar op Eurosport.

Alle begrip voor de koersliefhebber die verweesd achterblijft. Uit een recente studie bleek dat die gemiddeld bijna zestig jaar oud is, geen early adopter dus. Gelukkig leest hij nog een krant, en deze redactie heeft het uitgevlooid: wie bij Telenet zit, stemt af op 210. Proximus heeft Eurosport op 70 zitten. Op voorwaarde dat de zendernummering niet is veranderd. In dat geval blijft alleen woordschilder Christophe Vandegoor op Radio 1 over.

De VRT heeft onmiskenbaar veel expertise inzake wielrennen, maar commentaar geven bij 200 mannetjes in fluolycra die op een fiets om ter eerst rijden, is ook geen hersenchirurgie. Probeer nu eens gewoon Jeroen Vanbelleghem en Karsten Kroon op Eurosport. Ze beginnen eraan om 14.15 uur. Die Vanbelleghem is (nog) geen household name maar kent zijn renners en spreekt keurig Nederlands: hij kan de zoon van Michel zijn, maar is een goede commentator. En doe niet moeilijk over Kroon. Die kent evenveel (of zelfs meer) van de moderne koers als José De Cauwer, en Waaslands of Noord-Nederlands verschillen niet zo heel veel van elkaar. Zelfs aan de onderbrekingen voor reclameboodschappen went u na een tijd.

Het is bijna niet te geloven, maar het zal toch gebeuren en wel vandaag: er zal worden gekoerst zonder de VRT. Dat is vorige week al uitgeprobeerd en dat lukte behoorlijk in de Strade Bianche en Tirreno-Adriatico. Het was wennen, vooral dan voor de VRT. Van Greg Van Avermaet die de ploegentijdrit met zijn BMC won, waren geen beelden te zien in Het Journaal. Ook samenvattingen kosten geld. Vreemd genoeg werd de overwinning ook niet woordelijk vermeld, wat perfect had gekund. Alsof de VRT iets wilde poneren: brengen wij het niet, dan is het niet gebeurd.

Renaat Schotte, die zich in mei ook die heerlijk relaxte Giro door de neus geboord ziet en nu naar Milaan-Sanremo is afgereisd voor interviews, is als vaste kracht voor de Italiaanse koersen het grootste slachtoffer. Hij mocht woensdag wel Nokere Koerse ‘doen’.

Vannieuwkerke heeft geen last van het verlies van de uitzendrechten. Die is niet voor één gat te vangen en omkadert vanavond de bekerfinale in het voetbal.

Hij mengde zich ook in de discussie VRT-Eurosport op de dag van de Strade Bianche. Die livereportage van de koers die Greg Van Avermaet bijna won, betekende de primeur voor Eurosport, dat zichzelf meteen lichtjes overdreven profileerde als Home of Cycling. Vannieuwkerke tweette: “Topkoersen met commerciële onderbrekingen, omdat het niet anders kan blijkbaar. Weg flow. Jammer.” En even later verduidelijkte hij: “1. er zijn koersen met spanningsboog die reclame verdraagt (vlakke ritten grote rondes). 2. essentie van sport = niet raken aan spanningsboog.”

Fijne, kleine sport

Een beetje kort door de bocht, vonden zelfs collega’s bij de VRT, wetende dat Vannieuwkerke zelf presenteert op de betaalzender Play Sports van Telenet, die niet die nood heeft aan reclameblokken. Als hij niet bij Play zit, dan bij de VRT, dat al jaren sportrechten vergaart met belastinggeld en ook nog eens mini-reclamespotjes verkoopt, waardoor er royaal veel tijd overblijft om te analyseren. Dat allemaal tot grote ergernis van de commerciële zenders, die hun omkadering noodgedwongen volstouwen met commercials.

Volgens professor Daam Van Reeth van de KU Leuven zou de Strade Bianche van 2017 (op Eurosport) in Vlaanderen tussen 300.000 en 350.000 kijkers minder hebben gehad dan de editie van 2016 (op VRT). De Omloop Het Nieuwsblad zag volgens Van Reeth dit jaar zijn kijkpubliek buiten België compleet wegsmelten. Vorig jaar was OHN in Nederland goed voor 320.000 kijkers. Eurosport, dat de rechten voor Nederland heeft, gaf, in tegenstelling tot vorig jaar, geen toelating aan de Nederlandse openbare omroep om de wedstrijd ook live uit te zenden. In Nederland keken nog geen 10.000 kijkers.

Tenzij de wielergekke Vlaming nu massaal op Eurosport afstemt – wat niet zal gebeuren – wordt wielrennen door deze evolutie op termijn herleid tot zijn ware economische proportie: een fijne, maar kleine sport, een soort biatlon op wielen.

Ten slotte nog dit. Als de VRT dan toch zo ongelukkig is zonder dat Italiaanse wielrennen, waarom heeft de openbare omroep dan niet hoger geboden? In de VRT-wandelgangen doet het verhaal de ronde dat Sporza zijn budget gehalveerd zag en wielrennen niet meer prioritair acht. De top zou helemaal niet ongelukkig zijn met wat minder wielrennen, onze regionale passie, maar ook een heel dure sport om te producen.

Welke reden ook, hier worden achterhoedegevechten geleverd. Die evolutie is al een paar jaar aan de gang, maar had het ondergefinancierde wielrennen en de kleine markt Vlaanderen nog niet bereikt: livesport hoort thuis op een sportkanaal. RCS, de Italiaanse eigenaar van die koersen, heeft zijn rechten verkocht aan de meest biedende en dat is Discovery Channel geworden, met zijn Europees sportfiliaal Eurosport.

Die evolutie is niet te stoppen en zal zich ook uitbreiden naar andere sporten. Wellicht zien we ook geen Olympische Spelen meer op Sporza/VRT en alleen nog op Eurosport. Het is dan een kwestie van tijd voor ook de interlands – zoals in Nederland – naar een commerciële zender verhuizen. Straks moet ook de Tour de France weer worden vergund, en die willen ze bij Eurosport ook maar al te graag.

 

Vlammende Vlaming, over Stoffel Vandoorne in De Morgen van 11 maart 2017

Vlammende Vlaming

Een jongetje uit Rumbeke bij Roeselare ontdekte als bij toeval dat hij heel hard en goed met auto’s kon rijden. Hij werd (bijna) de eerste Vlaming in de formule 1. De 21ste Belg ook, en misschien wel de eerste met meer talent dan geld.

Voor de deur van Worldkarts in Kortrijk hangen hangjongeren op hun fietsjes. Waarop wachten ze om naar binnen te gaan? De grootste tikt met zijn wijsvinger tegen zijn pet. “Zieje zot? Wetjehie wat dat kost?”

Worldkarts ligt aan de Spinnerijkaai in Kortrijk, een allesbehalve prestigieuze uithoek van Kortrijk. Ooit was dit het epicentrum van de vlasindustrie, vandaag ruikt het er naar het tarmac, rubber en viertaktbenzine in een lage en donkere hangar.

Het is woensdagnamiddag en dan verwacht je dat de mensensoort die ze tegenwoordig ‘kids’ noemen, zich uitleeft in de karts, misschien zoals wij destijds in de botsautootjes. Want stond het niet in de krant dat karting booming was door de successen van Stoffel Vandoorne (24)? En dat we als gevolg daarvan met ene Ugo de Wilde (14) uit Zaventem al een opvolger hebben voor onze eerste Vlaamse F1-rijder? Excuus, bijna eerste Vlaming, want de Franstalige jonkheer Christian Goethals uit Gullegem was de eerste toen hij in 1958 met een zelfgekochte Cooper-Climax eenmalig in de Grote Prijs van Duitsland meereed.

Maar die woensdag valt het toch een beetje tegen met die boom. De baan wordt ingenomen door welgeteld drie Franstalige vriendjes. Ze rijden trage rondjes en spinnen telkens weer bij de moeilijke bochten, tot ergernis van de man met dienst die een sprintje moet trekken naar de andere kant van de hangar om hun karts weer met de neus in de juiste richting te zetten. Ze hebben de actie Kinderen Baas Formule 1 geboekt. Twee keer twaalf minuten rijden, tussendoor een pannenkoek met suiker en een drankje. Kostprijs: 25 euro per kart. De hangjongeren hebben gelijk: dit kost een cent.

Bij Worldkarts, aan het einde van het Kanaal Bossuit-Kortrijk, zal op vraag van McLaren het officiële supporterslokaal van de Vandoorne-fanclub worden uitgebouwd. De eigengemaakte vlaggen en sjaals in zaal Valentino zijn verleden tijd.

Prestige, ruimte en vlotte bereikbaarheid in de nabijheid van autowegen waren eisen waar de zaal in Izegem niet langer kon aan voldoen, maar op een paar weken voor het grote debuut van de lokale rijder in de formule 1 is nog niks te zien. Het personeel weet van plannen. “De manager van McLaren is langsgeweest. We gaan hier een aparte shop openen, maar we weten nog niet wanneer en hoe.”

Toch vreemd dat in het hele gebouw niks verwijst naar Stoffel Vandoorne, die hier toch zijn eerste rondjes reed. Vooraleer Stoffel de wereld zal veroveren, zal hij eerst Vlaanderen voor zich moeten winnen. Laat hem dan maar alvast in Kortrijk beginnen.

Toevalmodel

Stoffel de schildpad uit De Fabeltjeskrant was zo traag dat de gebroeders Bever een stoommobiel voor hem maakten, zodat hij zich gemakkelijk en sneller kon verplaatsen. Stoffel Vandoorne, de rapste aller Belgen, is geboren in het jaar dat de laatste aflevering van De Fabeltjeskrant op de buis kwam. Toeval? Misschien, maar het leven van Stoffel Vandoorne hangt aan elkaar van de toevalligheden en zijn ontdekking is het product van het toevalmodel, dat in wel meer sporten van toepassing is.

Wat als zijn vader niet was gevraagd om de cafetaria van een kartingbaan in te richten? Wat als hij zijn zoontje niet had meegenomen? Wat als kleine Stoffel onwel was geworden van die weeë geur van benzine? Wat als de baas géén houtblokken op de pedalen had gemonteerd waardoor de te kleine Stoffel – 1m30 haalde hij niet en hij kon niet eens aan de pedalen – die eerste rondjes niet had kunnen rijden?

Als dat allemaal niet was gebeurd, dan was er nu geen hype, al valt het zoals met die kart-boom ook met die Stoffel-hype reuze mee. Niet voor vader Patrick Vandoorne evenwel. De man neemt zijn telefoon niet meer op, ook niet als het gaat om het checken van enkele feitjes. Trop is te veel, nu iedereen meesurft op het succes van zijn zoon. Waarvoor begrip, want waar waren wij toen de jongen en zijn ouders hun dure hobby zelf moesten bekostigen? Toen hij als 11-jarige met de 18-jarigen reed en won. Waarop die hem en zijn pa verweten dat hij 25 kilogram lichter woog en dat het zo niet moeilijk was dat hij won. Waarna ze de kart met 25 kilo verzwaarden en hij nog won. Toen ze per kartingwedstrijdje drie bandensets van elk 200 euro nodig hadden.

“Als je denkt dat het succes van Stoffel uit de lucht komt vallen en dat er geld achter zit, dan ben je mis”, zegt vader Vandoorne met een verbeten blik als het over geld en/of talent gaat. “Hij heeft gebouwd aan die carrière, stap voor stap, van als hij zes was. Hij heeft niks gekregen, alles zelf verdiend, op basis van talent. Alle goede rijders die vooraan eindigen in de formule 1, rijden daar op basis van talent. Stoffel kan wereldkampioen worden.”

Stuurwiel

Succes heeft veel vaders, ook dat van Stoffel Vandoorne. Er doet het verhaal de ronde dat hij een product is van de Zuidwest-Vlaamse neringdoeners die pa kenden en diene-klejnen-mé-ziene-hocar uit sympathie steunden. Ze heeft geholpen, hoe klein de bijdrage
ook. Daarnaast hebben ook de ouders – vader is binnenhuisarchitect en moeder bediende – flink gesponsord, maar het was vader die uiteindelijk zijn zoon zonder dat die ergens van wist, inschreef voor het Stuurwiel, een talentenjacht van de Royal Automobiel Club van België (RACB). Stoffel won die, zoals hij sindsdien ongeveer alles heeft gewonnen, tot dit jaar.

Bas Leinders, zelf ooit in de formule 1 aan de slag als tester, was in 2009 jurylid van het RACB Stuurwiel. Hij wist het toen al: “We hebben een nieuwe. Een ware revelatie: Stoffel Vandoorne steekt met kop en schouders boven iedereen uit.” De Vandoornes zelf twijfelden toen nog tussen in het karten blijven – hij kon bij een fabrieksteam meteen een salaris krijgen – of investeren in de éénzitterscompetitie. Geheel on-Belgisch, met de financiële steun van de RACB die de helft van het budget voor een F4-seizoen betaalde, kozen ze toch voor het dure en moeilijke traject.

Wat volgde waren titels, de ene na de andere. Eerst de F4, die hij won. Vervolgens de Formule Renault 2.0, wat de derde klasse is van de éénzitters. Dat was 2011, een cruciaal jaar want Vandoorne werd vijfde, niet slecht maar geen garantie voor de toekomst. In zijn tweede seizoen pakte hij de titel en de bijbehorende premie van 500.000 euro, zij het met wat geluk. Voor de laatste wedstrijd in Barcelona gingen de kwalificaties de mist in en in de race zelf tikte Vandoorne een andere auto aan waardoor het over en out was voor hem. Zijn Russische concurrent Daniil Kvjat (ook in de F1, maar bij Scuderia Toro Rosso) moest bij de eerste acht eindigen om hem te kloppen maar ging finaal de mist in.

Juist snel genoeg

Na dat jaar werd Stoffel Vandoorne opgenomen in het McLaren Young Driver Programme. De leerling industriële wetenschappen uit het VTI in Roeselare had indruk gemaakt, niet alleen met zijn hoofdprijs, maar vooral met zijn zelfgeschreven technische analyses van de races. Toen werd voor het eerst gesuggereerd dat België wel eens een nieuwe F1-rijder zou hebben. Het zou nog vier jaar duren. Meer persoonlijk geld had kunnen helpen, maar het is de verdienste van Vandoorne dat hij incontournable werd door zijn talent.

Hij startte in de Formule Renault 3.5 en werd tweede achter  Kevin Magnussen (nu bij Haas in de F1). In de twee jaar daarna werd hij tweede en eerste in de GP2 of Formule 2.0, dé wachtkamer van de F1. McLaren wilde hem definitief in hun stal, maar dan wel op de reservebank, in tegenstelling tot de meeste winnaars van de GP2 die meteen doorschuiven naar het grote werk. Dat deed hij zonder morren – McLaren loofde zijn professionele instelling – en hij won en passant ook een paar races in de Super Formula in Japan.

Tegelijk werd hij in de F1 als derde rijder op gelijke voet met Fernando Alonso en Jenson Button behandeld. In Bahrein vorig jaar mocht Stoffel Vandoorne, toch al 24, debuteren in de F1: hij viel voor de eerder gecrashte en gedeukte Alonso in en scoorde het eerste WK-punt voor McLaren dat seizoen door tiende te eindigen. Meer dan die plaats maakte hij indruk door alles uit de wagen en de banden te halen wat er inzat.

Formule 1 is veel meer dan zo hard en zo veilig mogelijk op het gaspedaal duwen en af en toe eens remmen. Door de complexe combinatie van brandstof, motor, banden en reglementaire beperkingen komt het erop aan om zoveel mogelijk rondjes een zo hoog mogelijk rendement uit de auto te halen. Banden sparen en benzine sparen, dat is de eerste vereiste in de huidige formule 1.

Een paar rondjes te hard rijden breekt je aan het eind meestal zuur op. “De kunst van juist snel genoeg rijden, is iets wat Stoff (het koosnaampje gebruikt door McLaren, HV) beheerst”, aldus teambaas Ron Dennis in Het Laatste Nieuws. “In Bahrein bewezen de computerdata dat hij niet één fout heeft gemaakt. Dat is uitzonderlijk.”

Werk aan de winkel

Maar hoe goed is Stoffel Vandoorne nu? Hijzelf dacht dat hij al langer klaar was voor een zitje en uitte dat op een rustige, bescheiden manier. Niemand met kennis van zaken die twijfelt: Vandoorne is erg goed, een supertalent. Op 26 maart, de dag dat hij 25 wordt, zit hij voor het eerst als eerste keus in een formule 1-bolide.

Jos Claes is een Belgisch ingenieur die werkt voor Dallara, de bouwer van de auto’s voor de GP2, World Series Renault en Super Formula, de categorieën waarin Stoffel Vandoorne de laatste jaren zijn successen behaalde. Hij zag zijn landgenoot vorig jaar aan het werk in Okayama in Japan. “Hij is fit en geconcentreerd en van nature heeft hij zoveel talent dat er een groot deel van zijn brain capacity overblijft om de anderen rondom hem in te schatten en in het oog te houden en tegelijk te analyseren hoe zijn auto rijdt. Dat brengt hij dan in detail over aan de ingenieur, die daarmee zijn eigen job beter kan uitvoeren. Stoffel kan goed het onderscheid maken tussen de belangrijke zaken en de mindere. Een auto is nooit perfect en Stoffel verstaat dat hij hoogstens twee van de drie problemen opgelost kan krijgen.”

Her en der wordt gespeculeerd op een scenario à la Max Verstappen, het Nederlandse F1-talent dat de voorbije twee jaar hoge ogen gooide. Een jongen uit Rumbeke en de eerste Vlaming in de F1 in een tot op heden overwegend Franstalig milieu zal in zijn eerste jaar een paar wedstrijdjes winnen en doorgroeien tot de grote schaduwfavoriet voor de wereldtitel. Dat is de verwachting, maar dat is allesbehalve realistisch.

De formule 1 is niet de GP2 of de Super Formula, waar alle rijders dezelfde auto krijgen en vaak de beste wint. In de F1 komt 15 procent van het presteren voor rekening van de rijder en de rest wordt bepaald door de auto en het team. Het toeval wil nu dat McLaren, na jaren aan de top zoals toen Jacky Ickx er reed, al een eeuwigheid niet meer het niveau haalt waarmee ze hun mythische reputatie hebben opgebouwd.

Het tweede meest succesvolle team uit de geschiedenis van de F1 heeft al 78 grand prixs – vier seizoenen op rij – geen wedstrijd meer gewonnen. McLaren doet er alles aan, maar blijft voorlopig achteroplopen inzake aerodynamica en aandrijving bij pakweg de Mercedes van Lewis Hamilton en Valtteri Bottas of ook de Red Bull van Daniel Ricciardo en Max Verstappen.

De nieuwe MCL32-bolide met de Honda-motor werd nochtans voorgesteld als de opvolger van diezelfde mythische combinatie auto- motor waarmee Senna en Prost jarenlang de circuits hadden gedomineerd. Maar de eerste tests waren niet positief en inmiddels is al de zesde Honda-motor gemonteerd.

Jos Claes: “Aan die tests moet voorlopig niet te veel aandacht worden besteed. Geen enkel team heeft zin om te tonen tot wat het in staat is. Maar om Vandoorne op een podium te krijgen is natuurlijk wel nog veel werk aan de winkel bij McLaren. Aan zijn intrinsieke talent zal het alleszins niet liggen.”

Column over Barça-PSG in De Morgen van 12 maart 2017

Le cadeau/El regalo

Het grootste verschil tussen voetbal en andere bal/ploegsporten als basketbal en volleybal is de time-out. Als Unai Emery van PSG time-outs had gehad, was Barcelona nooit aan zes goals geraakt. Maar als Luis Enrique drie weken geleden time-outs had gehad, dan was Barça ook nooit weggespeeld met 4-0.

Misschien moeten we blij zijn dat het meest oneerlijke spel van de wereld geen time-outs heeft want dan hadden we nooit over mirakels gesproken en nooit de comeback van de eeuw beleefd. Een time-out stopt de klok. De man langs de lijn kan in die ene minuut – of soms korter – transformeren van trainer-tacticus tot inspirator- motivator en indien nodig kan hij de confrontatie opzoeken met zijn supersterren die niet thuis geven. Na een time-out kan een team met een totaal andere ingesteldheid op het veld komen.

Misschien moeten we ook blij zijn dat video refereeing niet is ingevoerd. In dat geval was het wellicht 1-1 geworden al vroeg in de eerste helft, want dan had PSG een strafschop gekregen. Wie beweert dat Thomas Meunier in de tweede helft geen strafschop beging omdat hij ongelukkig voor de voeten van Neymar viel, moeten we teleurstellen. Nergens staat beschreven dat je een speler opzettelijk moet neerhalen om te worden bestraft. Domheid en/of onhandigheid is een basisrecht, maar je moet niet overdrijven en bij voorkeur niet in de grote backlijn. Dat struikelen van Meunier had de videoref wél als strafschop bevestigd.

Die op Luis Suárez in de negentigste minuut daarentegen was na het checken van de beelden zeker geannuleerd. Oké, Marquinhos legt even de hand op de schouder van Suárez, die vervolgens inhoudt, lichaamscontact zoekt en zich laat vallen. Onbegrijpelijk
van Marquinhos, maar nog onbegrijpelijker van de scheidsrechters die daarin zijn getrapt. Zou de controleur het aandurven de scheidsrechters in het mirakel van de eeuw een slecht rapport te geven?

Abstractie gemaakt van het hart dat sneller klopt bij zo’n stunt, de afkeer van dat samengekochte PSG en hun arrogante reactie na de heenwedstrijd, en de voorkeur voor Barça (ook bij steller dezes) gebiedt de eerlijkheid: dit was geen mirakel maar een samenloop van omstandigheden. Ongelukkig voor de ene partij, gelukkig voor de andere. Dit was een stunt met een heel vreemde afloop, geüpgraded naar mirakel omdat de media leven van overdrijving.

Aan de 4-0 van drie weken geleden heeft PSG meer verdienste dan Barcelona aan de 6-1 van woensdag. PSG heeft woensdag
niet alle maar toch veel ellende over zichzelf afgeroepen door maar één van de vele opgelegde kansen te scoren, door veel te verdedigend te beginnen en door het opeenstapelen van fouten. Op een deel van de eerste helft na kan geen mens beweren dat we het allergrootste Barça in actie hebben gezien.

Een collega vergeleek Neymar met Michael Jordan, twee mannen van de do or die, de buzzer beaters, de money time, het moment waarop de allergrootsten opstaan om het verschil te maken. Ik was in 1998 bij hét Game Six van de Bulls-Jazz NBA Finals. Op vijftien seconden van het einde stal Jordan de bal. Hij had daarvoor een nul op vijf gegooid, maar bon, hij was de Messi én de Ronaldo van zijn sport, dus bleef de bal weer bij hem. Jordan dribbelde naar de overkant en eenmaal op shotafstand gaf hij zijn verdediger Bryon Russell een zetje alvorens te scoren.

Achteraf in de perszaal wilde ik bij het herbekijken van de beelden de discussie aangaan met een Amerikaanse collega naast mij. “Dit was a charge (een aanvallende fout), ja toch?” Waarop de Amerikaan, met een licht sarcasme in de stem: “Waar jij over begint? This is a storybook ending.”

Als u uw pret niet verder wilt laten vergallen, stop dan nu met het lezen van deze rubriek en ga een latte zetten. Ver voorbij het sprookjesachtig einde van het mirakel is dit de realiteit: net zoals de Jazz in juni 1998 heeft PSG het woensdag weggegeven, net zoals toen hebben ook nu de scheidsrechters gefaald. La remontada was el regalo of le cadeau. Misschien ligt het echte mirakel wel in hoe de allergrootsten van de aarde steeds weer de wereld naar hun hand kunnen zetten.

Verhaal over de hekserij schijfremmen in De Morgen van zat 4 maart 2017

De schuldige schijfrem

In achteroplopen op progressie, loopt het wielrennen steeds weer voorop. Aan schijfremmen zijn niks dan voordelen, maar toch worden ze afgebrand zoals de derailleur honderd jaar geleden. Achtergronden bij een hetze.

Tom Boonen heeft met schijfremmen gereden en is mee in het verhaal. Als het tegen die tijd nog mag, want dat is lang niet zeker in een sport geleid door windhanen, start hij er mee in zijn allerlaatste Parijs-Roubaix. Het team van Boonen wordt voor alle duidelijkheid niet gesponsord door een merk dat schijfremmen produceert maar rijdt met Shimano via Specialized.

Boonen begrijpt de hetze niet tegen de zogezegd gevaarlijke schrijfremmen. Hij wil zelfs een schijfrem met de blote hand stoppen aan 60 kilometer per uur. Wat prompt werd gedemonstreerd door een mechanicien uit een ander profteam en op YouTube werd gepost: geen brand- of snijwonden, zelfs geen pijn. Nairo Quintana heeft nog nooit met schijfremmen gereden maar deed van de week een Trumpje met zijn op eigen onwaarheden gebaseerde mening: “Schijfremmen zijn zwaarder, minder aerodynamisch, onveilig en remmen slechter.”

Schijfremmen zijn inderdaad marginaal zwaarder, voorlopig nog althans, zijn marginaal minder aerodynamisch, maar veel veiliger en remmen veel beter. In de regen of op een droge weg remmen maakt de rem niks uit. Je zult er ook na een zware afdaling met veel remmen geen carbonwielen mee opblazen zoals met oververhittende velgremmen wel eens gebeurt. Disc brakes zijn de laatste grote evolutie van de racefiets. Met de nadruk op race, want in toeristen-, stads-, toer- en crossfietsen, en uiteraard ook bij de early adopters van de mountainbike is een schijfrem de standaard geworden.

Er is een heel absurde situatie ontstaan: een mainstreamproduct dat zijn degelijkheid heeft bewezen in de meest extreme omstandigheden zoals zware regen, stofferige hellingen of modderige afdalingen en dat ook voor de gewone gebruiker niks dan voordelen heeft, is nog steeds niet tot het topsegment doorgedrongen. Alsof het ABS-remsysteem eerst in een Fiat 500 zou zijn gemonteerd en pas vijf jaar later in de Formule 1.

Wielrennen is selectief conservatief: inzake chemie bij de eersten, maar sceptisch voor technologie. Lucien Juy, fietsenhandelaar en -maker, lanceerde in 1928 de Simplex, een geveerd schakelsysteem waarmee renners hun ketting op twee verschillende achtertandwielen konden leggen. De ploegleiding van Alcyon – het Team Sky van toen – was meteen mee, en liet de hele fietsenstal uitrusten met Simplex voor Parijs-Roubaix. ’s Nachts stonden de renners op en demonteerden de “onbetrouwbare” derailleur. Drie jaar later werden tweehonderd wedstrijden gewonnen met de Simplex en tegen 1933 had Simplex 40.000 exemplaren in omloop.

Herinner u nog het triatlonstuur van Greg Lemond? Uitgevonden begin van de jaren 80 in het minuscule triatlon, vond het pas tien jaar later ingang in het wielrennen.

Bij Shimano herinneren ze zich nog de weerstand tegen de geïndexeerde versnelling, die bij elke schakeling gepaard ging met een klikje, handig voor de niet zo handige gebruiker. “Dat wilden de renners niet. Onze eerste systemen waren daarom uitgerust met een totaal overbodig extraatje: het klikje kon worden uitgeschakeld. Renners wilden artisanaal schakelen.”

Zelfde weerstand later tegen de geïntegreerde schakel- en remgrepen: iedereen heeft die nu. “Ook ons elektrisch schakelsysteem DI2 werd aanvankelijk weggelachen. ‘Zwaarder dan de mechanische versnelling?’, riep Michael Boogerd. ‘Dat zal niet gebeuren.’ Enkele jaren later wilde iedereen elektrisch schakelen.”

“Er zijn niks dan voordelen aan schrijfremmen”, weet Sven Nys, die ermee reed op zijn crossfiets en zijn mountainbike. “Je kunt veel later remmen, gecontroleerder, nauwkeuriger en in elke omstandigheid – nat of droog – is je remgedrag hetzelfde. Het systeem is voorlopig nog iets zwaarder en als je zo dom bent om je vingers tussen de draaiende schijven te steken, ben je die kwijt, maar dat heb je ook bij een wiel. Eventuele verwondingen zijn verwaarloosbaar, vergeleken bij de breuken die zich voordoen bij al die valpartijen. Er is wel een verschil in remafstand tussen een fiets met schijfremmen en één zonder.”

Als door een wesp gestoken

Dat is een van de argumenten van de tegenstanders en in één moeite wordt dan gewezen op het gevaar voor de meest vreselijke snijwonden bij eventuele botsingen. In april van vorig jaar kwam Fran Ventoso van Movistar (zelfde ploeg als die van Nairo Quintana, zie hierboven) ten val in Parijs-Roubaix. Zijn knie moest behoorlijk worden genaaid. “De schuld van de schijfremmen”, schreeuwde Ventoso het uit en dat werd gretig overgenomen door de media.

De UCI, zelden de slimste van de grote sportbonden, reageerde als door een wesp gestoken en verbood op slag schijfremmen in het profpeloton. Een hetze was geboren, hoewel al snel uit getuigenissen bleek dat er bij de valpartij van Ventoso geen fiets met schijfremmen in de buurt was. Per 1 januari 2017 liet de UCI de schijfrem in alle stilte weer toe.

Alleen Veranda’s-Willems Crelan, met een traditie in het veldrijden en dus bekend met de voordelen, ging vol voor disc brakes. Bij Quick-Step is het monteerbaar en overweegt men het systeem te gebruiken in Roubaix omwille van het beter gecontroleerde remmen. Voor alle duidelijkheid: een fietskader voor een schijf- of gewone rem verschilt, het kost dus een cent om van systeem te veranderen.

Van de week publiceerde de wereldbond van de sportgoederenindustrie (WFSGI) een eigen rapport. Conclusie: de verwondingen van Ventoso zijn meer dan waarschijnlijk veroorzaakt door de impact en misschien ten dele door de voorste of achterste tandwielen. Een snijwonde van een schijfrem zou een duidelijke vlakke snede zijn en verticaal. De snijwonde van Ventoso was gekarteld en horizontaal.

 

‘Potentieel moordwapen’

Vorige week was er nog het geval van Sky-renner Owain Doull, die in Oman ten val kwam en een snee in zijn schoen opliep. De schuld van de schijfremmen van Marcel Kittel, toeterde Doull. Ook hier verklaarden getuigen onmiddellijk dat de fiets van Kittel niet in de buurt van de schoen van Doull was geweest. Kittel reed een dag later prompt met velgremmen. “Uit respect voor de collega’s.”

In hetzelfde rapport stelt de WFSGI dat inzake de Doull-case verder onderzoek nodig is, maar dat de eerste conclusies niet wijzen op een schuldige schijfrem. Desondanks – zich baserend op alternatieve feiten en in een poging van zich te laten horen – riep de rennersvakbond op om het potentiële moordwapen schijfrem uit het peloton te bannen.

Bij Shimano op de High Tech Campus in Eindhoven wil men niet in discussie gaan over de politieke kant van deze affaire. “Als men nu eens de emotie zou bannen, dat zou al mooi zijn”, zegt productcoördinator Tim Gerrits. Hij spreekt tegen dat het de industrie tegen de renners is. “Wij bieden onze disc brakes aan, net als onze concurrenten Sram en Campagnolo bij hun teams, maar wij verplichten niemand om ermee te rijden. Dit is niet tegen te houden. Het is een kwestie van tijd voor elke fiets hiermee is uitgerust.”

Het argument dat schijfremmen een gevaar opleveren voor fietsers die achterop rijden zonder schijfremmen omwille van de kortere remweg wordt door Gerrits ook tegengesproken. “Als de remprestaties zo verschillen, heeft dat eerder te maken met het gebruik van verschillende componenten van verschillende merken door elkaar. Soms halen de remprestaties van een racefiets met allemaal verschillende componenten afgemonteerd, niet eens de industriële standaard die voor een stadsfiets moet worden gehaald.”

Column Afrika! in De Morgen van zat 4 maart 2017

Afrika!

Van de week was er wat te doen over een studie die wees op een overrepresentatie en opvallende toename van Afrikaanse spelers in het Belgisch voetbal, in de aanval en op de vaststelling dat ze overal in het veld meer gele en rode kaarten krijgen.

De feiten. Het aandeel van Afrikaanse spelers is gestegen van 16 procent in ’85-’86 naar 34 vorig seizoen. Dat is maal twee, maar het aantal buitenlanders in onze competitie is in die dertig jaar gestegen van 22 procent naar 55 procent, wat maal tweeëneenhalf is. Het proportioneel aandeel van de Afrikaanse voetballers in onze import is dus niet gestegen maar gedaald.

Dat bijna een op de twee Afrikanen in de aanval wordt opgesteld, zou dan weer wijzen op het fenomeen stacking: de koppeling van spelpositie aan ras. In de VS zijn daar hele studies over verschenen: blanken zijn in American football oververtegenwoordigd op posities die intelligentie en beslissingssnelheid vereisen en zwarten op posities die snelheid en kracht vragen.

Het is opletten met overhaaste conclusies. Sportsociologie is een door Amerikanen gedomineerde wetenschap, die flirt met de pseudo- wetenschap omdat het in de VS politiek niet-correct is om rekening te houden met genetica en andere determinerende factoren. Sportprestaties zijn altijd het gevolg van een wisselwerking tussen aanleg (nature) en omgeving (nurture) maar aanleg zal haast altijd de discriminerende factor zijn. In sommige rassen komen genotypes die passen bij welbepaalde sportieve eigenschappen nu eenmaal veel vaker voor dan in andere rassen en dat ontkennen is hetzelfde als de evolutietheorie verwerpen. Zoals topwetenschapper

Bengt Saltin ooit stelde: “In de loopnummers is 75 procent van de uitkomst het gevolg van het rollen van de genetische dobbelsteen. Omgevingsfactoren tellen maar voor een kwart.”

Voetballen met zijn intermittente inspanningen – korte hoogintensieve inspanningen die elkaar snel opvolgen met korte pauzes – is een loopsport. Zwarte Afrikaanse voetballers in Europa zijn haast allemaal West-Afrikaanse voetballers, zoals de zwarte Amerikaan van West-Afrikaanse afkomst is. De West-Afrikaan is krachtiger en sneller dan de Oost-Afrikaan en de blanke Kaukasiër (de Europeaan). Die laatste zit fysiek een beetje tussen de West- en Oost-Afrikaan in.

Naarmate sport toegankelijk wordt voor grotere delen van de wereldbevolking zal zich voor elke sport die overwegend een beroep doet op fysieke prestaties een ideaal lichaam aandienen. Alle betere basketbalspelers in de NBA zijn nu al zwart, niet alleen omdat ze in de stadsgetto’s een harde leerschool kregen, maar vooral omdat ze gemiddeld gespierder en sneller zijn dan de blanken, hoger springen, en ook nog eens langere armen, benen en vingers hebben. De NBA toont de beperkingen aan van premisses als stacking: haast alle spelverdelers – de meest ‘intelligente’ positie – zijn zwart.

Maar het aanbod van African Americans in de VS kun je niet vergelijken met het aanbod Afrikanen in het Belgisch voetbal. De Afrikaanse voetballer die zijn weg naar Europa vindt, is een beetje zoals de slaaf een paar eeuwen eerder: hij wordt voorgeselecteerd op fysieke kenmerken en de moderne voetbalslaaf zal die kenmerken ook nog eens bewust doorontwikkelen. Hij wil zich in de kijker spelen en dan niet bepaald door een bal te vangen op een aardeveldje tussen drie kramieke palen, dus wordt hij geen doelman. Hij wil evenmin afwachten en slim de buitenspelval openzetten om de bal van de aanvallers af te pakken en die dan snel weer inleveren aan andere aanvallers, dus wordt hij ook geen verdediger. Afrikaanse voetbalveldjes zijn genetische poelen van snelheid, kracht, behendigheid en durf.

De Afrikaanse voetballer groeit op in een soort sportjungle, anders dan zijn blanke tegenvoeter die op zijn zesde al driehoekjes leert maken, op zijn twaalfde de buitenspelval kan openzetten en als hij laat op het jaar geboren is in een speciaal elftal met lotgenootjes wordt gezet in de hoop dat er nog wat van komt. De Afrikaan voetbalt als kind om op te vallen en dat doet hij door acties te maken. Eenmaal naar Europa verscheept is het ver van verwonderlijk dat hij opnieuw wordt gevraagd om acties te maken.

Heel af en toe wordt hij achterin gezet en wordt hem gevraagd om die acties een beetje achterwege te laten maar dat heeft minder te maken met raciale vooringenomenheid en vermeende stacking dan wel met pragmatisme. Het heeft veel, zo niet alles te maken met het eenzijdige aanbod vanuit de importlanden. Het gebrek aan zwarte doelmannen wijten aan stereotypering is een beetje kort door de bocht. Het is juist opmerkelijk dat de helft van de Afrikanen níét in de aanval speelt.

Speelt raciale vooringenomenheid bij het uitdelen van gele en rode kaarten? Ten dele wel, maar de Afrikaanse tackle is geen mythe. Die bestaat en hij wordt gekenmerkt door een felle en atletische inzet, een tool die hielp om te overleven op de pleintjes in Afrika. Is raciale vooringenomenheid de oorzaak dat we nog maar één zwarte coach hebben gehad in het voetbal (Stanley Menzo) waarna die snel weer verdween? Ja.

Is er nog werk aan de winkel om racisme in het voetbal terug te dringen? Ongetwijfeld, maar nog meer in alle andere delen van de maatschappij. Voetbal en bij uitbreiding sport is de enige sector waar zwarten van West-Afrikaanse origine grootverdieners zijn.