Column poep/kakstop in De Morgen van zaterdag 27 mei 2017

Poep- of kakstop

Nu hij zijn roze trui (hopelijk tijdelijk) kwijt is, borrelt de kwestie weer op: dat ze van de week hadden moeten wachten op Tom Dumoulin. Het zijn die twee minuten die hij verloor in de klim van de Umbrail die hem nu zuur opbreken. Vervolgens ging het nog een stap verder: wie weet is Dumoulin wel geflikt, misschien is er hem een besmet flesje aangereikt onderweg of heeft iemand met last van diarree met opzet zijn handen niet gewassen terwijl hij het ontbijt van de roze trui in het hotel bereidde. Wie zal het zeggen?

Bullshit. Er was geen complot en neen, Nibali en Quintana moesten niet wachten. Vallen door een stom toeval en daar even op wachten in een wedstrijdsituatie die dat toelaat, is een compleet ander verhaal dan pech hebben door eigen schuld. Bijvoorbeeld vallen omdat je een bocht in een afdaling als een gek hebt willen nemen, of nog – zoals Steven Kruijswijk vorig jaar – een stuurfout maakt als je onder druk staat.

Moeten afstappen omdat je moet poepen/kakken – met dank aan Eurosport zijn we nog eens op de verschillen in het Noord- en Zuid- Nederlands vocabularium gewezen – maakt wezenlijk deel uit van de wielrennerij. Als dat op een slecht moment gebeurt, heb je dat aan jezelf te danken. Niemand hoeft dan op jou te wachten. Als je bovendien ook nog eens een fietsbroek met bretellen hebt, wetende dat je af en toe op de pot moet, dan heb je een groot probleem.

Ik zit nog met wat vragen, maar misschien is dat de beroepsmisvorming. Tom Dumoulin heeft zondagavond chocoladecake als dessert gehad. Moet kunnen, was zijn laconiek commentaar. Zeker, en dat is misschien nog net te behappen voor het stelsel van een zwakke verteerder, maar wat te denken van die pannenkoeken op de rustdag? Ik ben ook een zwakke verteerder en ik heb ook ooit een keer proberen presteren op pannenkoeken. Dat was in de marathon van Peking. Twee Imodiums genomen, maar tevergeefs. Twee keer van het parcours gemoeten: één keer in een McDonald’s en één keer in het enige bosje van Peking, dat zich ergens tussen de derde en vierde ring in bevindt, voor wie het interesseert. Sindsdien weet deze jongen: nooit meer pannenkoeken rond wedstrijden, want te vet.

De uitleg achteraf voor de poep- of kakstop was ook vreemd. Waar ze het vandaan hebben dat Tom Dumoulin boven de 2.000 meter geen zuurstof meer heeft voor de werking van zijn darmen, is een raadsel. Of ze hebben bij Sunweb de wetenschap op haar kop gezet en daar nog niks over gepubliceerd, of ze denken ons met een kluitje in het riet te kunnen sturen.

Het kan een stuk eenvoudiger, zoals: Dumoulin heeft alles om een topper te zijn – het vermogen, de kop, de benen, de babbel, de hersens – maar misschien niet de maag en darmen. De spijsvertering is een discriminerende factor in een uithoudingssport en bepaalt ook finaal de recuperatie. De cyclus van Krebs zullen we u besparen, maar via maag en darmen komt de glucose in het bloed terecht en na wat chemische processen arriveert de energie in de spieren. Groterondewinnaars zijn zonder uitzondering goede verteerders: wat je er boven ingooit, wordt efficiënt verbrand en komt er onderin uit als energie en niet als kak halfweg tijdens een sanitaire noodstop. Lance Armstrong bijvoorbeeld was een fenomenale verteerder. Eddy Merckx ook. Greg LeMond was wellicht de ergste. Die at burrito’s en burgers tijdens de Tour.

Minder goede verteerders kunnen nog altijd superkampioenen zijn en grote rondes winnen, maar dan moet alles meezitten. Het is niet bekend hoe het voedingsplan van Dumoulin eruitziet, en of hij er wel een heeft, maar Team Sunweb heeft wel degelijk een nutritionist in dienst dus mag je aannemen dat ze daarnaar hebben gekeken. Als Dumoulin alsnog de Giro wint, dan heeft hij dat nagenoeg in zijn eentje geklaard, tegen Nibali en Quintana die steeds op helpers konden rekenen. Zo’n experiment is niet voor herhaling vatbaar: Tom Dumoulin moet naar een topteam of hij moet door betere renners worden omringd en dan is de Tour de France met zijn lopende cols ook een haalbare kaart.

Advertenties

Column Diskrediet in De Morgen van zat 20 mei 2017

Diskrediet

Ves. Carlien Cavens (30) gaat uit eten met Victor Campenaerts (25). Daten heet dat bij de millennials. Maar niet op zijn Amerikaans, waar daten dan weer betekent dat je minimaal kust en maximaal flikflooit. Nooit seks all the way van de eerste keer want dat is slecht voor je rep. Rep, zoals in reputatie.

Omwille van de professie volg ik de avonturen van Carlien en Victor via de niet-selectieve pers. De selectieve pers bericht daar niet over, maar nu dus wel met dit stukje. Welaan, hier gaat het over: omdat Victor Campenaerts van Team LottoNL-Jumbo de tijdrit reed met opengeritst shirt met op zijn borst in stift geschreven ‘Carlien daten?’ staan de niet-selectieve kranten al dagen vol met hun belevenissen. Die avond van de tijdrit heeft Carlien ja gezegd, maar gewoon om te gaan eten. Want, zo legt ze uit: er is meer nodig opdat ze verliefd wordt.

Kijk eens aan, zoveel assertiviteit behoort te worden geduid en dus volgde donderdag zowaar een portret van Carlien. Ze is amper 30 maar al zo gelouterd door het leven dat ze managers leert deconnecteren van het stressvolle leven. Kijk eens aan, bis.

Het is me een verhaal, maar heeft die brave Campenaerts – een ex-triatleet dus per definitie een licht autistische zonderling – er al één moment aan gedacht welk onheil hij over zichzelf en zijn would-belief heeft afgeroepen? Bijvoorbeeld dat er bij hun eerste date vast een fotograaf in de struiken zal zitten? Dat de boekskes hun vervolgverhaal – hij wil wel, maar wil zij? – zullen overnemen? Of was dat de bedoeling?

Verder wens ik hen alle geluk toe, samen of niet samen, en ik zal het blijven volgen, want het wielrennen kan dat soort nieuws ook gebruiken naast alle dagelijkse treurnis. Van de week las ik nog een ontroerend verhaal opgetekend in Filottrano, de gemeente met de naam als een tranendal waar Michele Scarponi woonde, fietste en verongelukte. Franky de papegaai is al zes dagen niet meer naar huis gekomen. Toen de kinderen van Scarponi voor het eerst terug naar school gingen, zat hij hen nog op te wachten aan de schoolpoort.

Nog meer treurnis van de week in het wielrennen in de Ronde van Californië. Daar smakte de Let Toms Skujins van Team Cannondale in een afdaling zo hard tegen het asfalt dat hij compleet groggy was. Nog voor hij opstond, waren vier motoren bij hem gestopt, waarvan een van de neutrale technische bijstand. Kijkt u het zelf maar na. Surf naar YouTube en tik Tom Skujins in. Begin met de versie vanuit de helikopter en doe daarna die vanaf de grond.

Skujins staat recht, wordt daarbij geholpen door de man van de neutrale moto die zijn fiets opraapt; hij is als een bokser die nog snel vóór de tien tellen recht wil maar weer door zijn knieën gaat. Wat doet de scheidsrechter in een beestige sport als boksen? Hij stuurt de ongelukkige naar zijn hoek, afgelopen met boksen.

Niet in het wielrennen, niet Skujins, en zeker niet die vier motoren. Die lieten Skujins gewoon doen. Terwijl op centimeters het peloton langs hem zoefde, keken ze gefascineerd toe. Zoals de bokser zijn mondstuk zoekt, grabbelde hij naar zijn bril, die hij tussen de lappen opperhuid op het asfalt vond, en weer viel hij, tot hij na drie pogingen toch op eigen benen stond, en alsnog op die fiets sukkelde. Niemand hield hem tegen.

En nu komt het ergste, want dat ziet u niet: Skujins is nog een heel eind verder gereden waarna hij toch moest afstappen. Pech, zijn sleutelbeen was ook gebroken. Wielrennen wordt soms heroïsch genoemd omwille van dat vallen, opstaan en weer doorgaan, maar achterlijke taferelen als deze van Skujins zijn juist het manco van die sport die haar kinderen in sneltempo verslindt.

De motards in de Ronde van Californië, allemaal met een licentie van een of andere wielerbond, zijn niet terechtgewezen. Victor Campenaerts in de Giro wel. Hij heeft een boete van 100 Zwitserse frank gekregen. Omdat hij het wielrennen in diskrediet heeft gebracht, kwam een (Vlaamse) koerscommissaris uitleggen. “Enfin zeg, met stift op zijn blote borst iets schrijven, straks doet iedereen dat.” Misschien wordt het tijd dat ze bij de wielerbonden hun prioriteiten herzien.

Maria en de Meldonium in De Morgen van zat 20 mei 2017

De wraak op Bitchova

Maria is een bitch, verdient te veel en is te mooi. Misschien zijn dat de redenen waarom ze door het tenniscircuit wordt uitgespuwd. Aan dat meldonium alleen kan het niet liggen want dat is geen doping. Maria Sjarapova is onterecht zwaar gestraft.

Toch één die nuchter bleef in de heisa rond haar comeback van de afgelopen weken. Hij heet Steve Simon en is algemeen directeur van de WTA, de Women’s Tennis Association, een associatie van speelsters die het reguliere tenniscircuit aanstuurt.
Het grandslamtoernooi Roland Garros, een van de weinige toernooien die vallen onder de auspiciën van de ITF, de internationale tennisfederatie, had net besloten dat Maria Sjarapova (net 30 geworden) niet welkom was in Parijs, waar volgende week de Franse Open van start gaan. Technisch gezien kreeg ze geen wildcard maar dat kwam op hetzelfde neer als ‘wij willen jou niet’ omdat ze met haar voorlopig nog lage ranking (WTA 211) niet in de kwalificatietabel kan.

Simon was het niet eens met de beslissing en zei: “Een speelster die al is gestraft hoeft niet nog eens te worden gestraft.” Maar Bernard Giudicelli, de voorzitter van de Franse tennisbond – de nationale bonden en koepelbond ITF leveren een voortdurende machtsstrijd tegen de WTA – zag dat anders: “Er zijn wildcards voor speelsters die terugkeren na een blessure, maar niet na een dopingschorsing.”

MaSha (voor de weinige vrienden) liet het niet aan haar hart komen: “Ik zal dat soort spelletjes niet laten verhinderen dat ik mijn dromen verwezenlijk en ik heb nog veel dromen.” Een van die dromen bestond er volgens haar managementbureau in dat ze na haar loutering op de strafbank toenadering zou zoeken tot de collega’s.

De Française Kristina Mladenovic speelde tegen haar in haar comebacktoernooi in Stuttgart, waarvoor ze wel een wildcard kreeg, maar merkte daar niks van. “Toenadering? Vanaf de eerste dag dat ze in de vestiaires kwam, heeft ze tegen niemand goeiendag gezegd. Ze is in haar hoekje gebleven, at nooit in het spelersrestaurant en liet haar eten brengen. Zoals vroeger.” Mladenovic klopte Sjarapova in de halve finales en behalve de obligate handdruk kon er wederzijds geen woord af. Tegen L’Equipe Magazine legde ze uit wat haar had gemotiveerd: “Ze is een bedriegster. Punt. En dat vinden velen met mij. Hoeveel berichtjes ik niet heb gekregen: ‘komaan’, ‘verslind haar’, ‘zet haar op haar plaats’.”

Hartbeschermend middel

Op 7 maart van vorig jaar liet Maria Sjarapova op een persconferentie in Los Angeles een bom ontploffen met de melding dat ze op de Australian Open positief had getest op meldonium, een tot dan compleet onbekend en alleen in Oost-Europa populair middel, dat door het Wereldantidopingagentschap (WADA) voor 2016 op de lijst met verboden middelen was gezet. “Ik had het moeten weten of iemand had het mij moeten komen melden, maar ik neem het al tien jaar ter bescherming van mijn hart. Ik nam Mildronaat en blijkbaar is dat een merknaam van meldonium. Ik nam het in Australië, mij van geen kwaad bewust.”

In eerste aanleg kreeg Sjarapova twee jaar, omgezet op 6 oktober van vorig jaar door het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) in vijftien maanden. Het was een vreemd arrest dat samengevat kon worden als: ze had het moeten weten, was dus nalatig, maar is ook een beetje onschuldig want ze kon het moeilijk weten. Al snel na de veroordeling van de tennisdiva doken de eerste vreemde geruchten op rond de opsporing van dat middel waar niemand in het Westen het bestaan van af wist. Gaat het wel om doping? Is de opsporing wel oké? En wat met de timing?

Om een product als doping te kwalificeren bestaan drie criteria: prestatiebevorderend, tegen de geest van de sport en een gevaar voor de gezondheid. Aan twee van de drie criteria moet voldaan zijn en dan kan het product door het zogeheten lijstcomité van WADA op de lijst worden gezet. Dat gebeurde in het geval van meldonium (merknaam Mildronaat) in september van 2015 en ging in vanaf januari 2016.

Die zomer was in de British Journal of Sports Medicine een artikel verschenen van de hand van professor Wolfgang Schobersberger van het sportmedisch instituut in Innsbruck, gespecialiseerd in alpinesporten, in samenwerking met het Oostenrijks dopinglab in Seibersdorf. Uit dat artikel bleek dat meldonium heel vaak werd teruggevonden in urines: met 2,2 procent (3.625 stalen van 2015 bevatten meldonium) was het meer dan dubbel zo vaak gerapporteerd dan het tweede product in de monitoring. Het artikel ging ook in op de werking van het medicijn dat in Rusland op de lijst is gezet van vitale medicijnen die voor elke Rus toegankelijk moeten zijn. In verband met sportprestaties werd gemeld dat er geen studies voorliggen die bewijzen dat het een effect zou hebben op getrainde atleten.

“Heb ik ook nooit beweerd”, zegt de Letse chemicus-uitvinder Ivars Kalvins die het product op de markt bracht in de jaren 70. “Het verbetert de weerstand en de doorbloeding. Het is een verzekeringspolis tegen hartdood door overbelasting van het hart. Mildronaat zorgt ervoor dat de cellen niet doodgaan.” Dat wordt gestaafd door het BJSM-artikel. “Mildronaat of meldonium heeft een aantoonbaar effect als anti-ischemisch (ischemie is gebrek aan doorbloeding, HVDW) en hartbeschermend middel.”

Russen pesten

Hoe in godsnaam is meldonium dan op de verboden lijst geraakt als het volgens de huidige stand van zaken niets meer is dan een soort antioxidant, weze het dan met een andere chemische structuur? De research komt van de PCC, het Amerikaanse Partnership for Clean Competition, een tot dan onder de radar gebleven onderzoekseenheid opgericht in 2008 door het Amerikaans olympisch comité en de Amerikaanse dopingautoriteit USADA, in samenwerking met – en nu komt het – de Major League Baseball en de National Football League, twee sportcompetities die nota bene vergeven zitten van de doping en die zich van de internationale regels helemaal niks aantrekken.

 

Een olympische bron spreekt uit de biecht op voorwaarde van anonimiteit: “WADA heeft de bevindingen van dat Amerikaanse PCC zomaar overgenomen zonder grondig te checken. Het is duidelijk dat ze veel atleten uit dezelfde landen wilden betrappen, terwijl WADA in eerste instantie een voorlichtende functie heeft. Meldonium staat op de lijst om de Russen te pesten, niks meer en niks minder. WADA kreeg maar geen grip op de Russische autoriteiten nadat ze de fraude in Sotsji hadden ontdekt en alleen dáárom hebben ze dat product halsoverkop op de lijst gezet. Om enkele maanden later met hun rapport te komen over de echte doping en de echte fraude. Maar daar heeft meldonium niks mee te maken, het was een glijmiddel om de publieke opinie voor te bereiden.”

Er was nog meer aan de hand dat erop wees dat het WADA overhaast te werk was gegaan. Het moest toegeven dat de merknaam Mildronaat niet op de lijst stond die naar de atleten was gecommuniceerd, maar wel op de lijst voor de pers. Ook de ITF en de WTA hebben geen melding gemaakt naar hun tennissers van verandering aan de dopinglijst, hoewel meldonium wel was opgenomen in de categorie niet-specifieke substanties. RUSADA, de Russische antidopinginstantie, meldde wel de twee namen, maar RUSADA was eind 2015 geschorst.

Hoewel ze in andere sporten wel bij de les waren, bleven de positieve gevallen vreemd genoeg toestromen. Honderdachtenvijftig waren er tegen begin april al tegen de lamp gelopen, zonder uitzondering atleten uit de republieken van de voormalige Sovjet-Unie waar het middel eerst was gebruikt onder de troepen die Afghanistan waren binnengevallen.

Toen topgymnast Nikolai Kuksenkov ook positief testte, maar beweerde al in geen acht maanden aan de meldonium te hebben gezeten, ging in Montreal bij het WADA een belletje rinkelen. Men keek nog eens van nabij naar de excretiewaarden van het product en jawel hoor, ai Montreal, we hebben een probleempje: meldonium bleef maanden in het lichaam hangen.

“Een fout”, geeft Peter Van Eenoo van het DoCoLab in Gent toe. “De chemische formule wijst op het eerste gezicht op een snelle uitscheiding, maar het blijkt nu dat er maanden nadien nog sporen kunnen opduiken, genoeg om alarm te slaan. Dat had beter onderzocht moeten worden.” Het WADA kon niet anders dan alleen atleten te vervolgen die hadden toegegeven ook na januari nog aan de meldonium te hebben gezeten, zoals de lichtjes naïeve Sjarapova die als enige grote naam toch werd gestraft.

Anderen liepen spitsroeden na die negatieve publiciteit. Zo trok de vrijgesproken zwemster Joelia Jefimova naar de Spelen in Rio en werd daar voortdurend uitgefloten en aangepakt door haar collega-zwemsters. Na haar zilver op de 100 meter schoolslag gaf ze toe dat het huilen haar nader stond dan het lachen.

Nog frappanter was het geval van de twee volleybalspelers van Dinamo Moskou die beiden op meldonium waren betrapt na 1 januari: de Rus Alexander Markin werd uitgesloten van de Spelen in Rio, want geen medelijden met Russen, maar zijn Amerikaanse clubmaat Maxwell Holt trad vrolijk aan voor de Amerikaanse ploeg in Rio omdat het USADA had hem wel gecleard.

Het kwaad is geschied, het zorgvuldig gecultiveerd imago van de tennisdiva Maria Sjarapova is beschadigd en ze zal nog een tijd op de blaren moeten zitten. De nauwelijks onverholen kritiek in het tenniscircuit houdt niet op, ook niet na haar te zware straf te hebben uitgezeten. De Canadese Eugenie Bouchard noemde haar vlakaf een bedriegster toen ze haar klopte in Madrid. “Ik sta daarboven”, glimlachte Sjarapova.

Het is een kunstje, een overlevingstruc: Sjarapova staat al heel haar leven boven alles en iedereen, van de dag dat ze met haar pa vanuit de streek van Tsjernobyl als zevenjarige langpootmug naar de academie van Nick Bollettieri in Florida verhuisde. Al snel leerde ze accentloos Amerikaans en al even snel kreeg ze daar de bijnaam Bitchova van enkele ouders van Amerikaanse collega-talentjes, maar ook dat kon haar niet deren.

‘Unstoppable’

Jaloersheid is haar deel en van de hypocrisie weet ze vandaag op haar dertigste dat die geen grenzen kent. Eergisteren nog vond haar tennissponsor Head het terecht van Roland Garros om haar geen wildcard te geven omdat dopingzondaars geen wildcard verdienen. In dezelfde paragraaf vond de CEO het onterecht dat meldonium op de lijst stond omdat er geen wetenschappelijk bewijs is dat het prestatiebevorderend zou zijn.

In september verschijnt haar biografie en die heet toepasselijk Unstoppable, niet tegen te houden. Haar vastberadenheid om terug te keren aan de top heeft ook te maken met het product en het imperium Sjarapova. Precies wat de concurrentie de ogen uitsteekt. Wie heeft nog contracten met Nike, Porsche, Evian en al die andere bedrijven? Niemand. Wie ziet er beter uit dan Sjarapova in de talloze spots, over alle sporten heen? Niemand. Welke sportvrouw heeft ooit beter verdiend? Niemand. Welke speelster willen alle toernooidirecteurs? Maria Sjarapova.

Sinds 2001 heeft ze 270 miljoen euro bij elkaar getikt alleen aan prijzengeld. Vorig jaar nog berichtte Forbes dat haar jaarinkomen rond de 20 miljoen euro draaide. Ze stond daarmee 88ste op de ranking en was gezakt onder Serena Williams die vorig jaar met 26 miljoen euro naar huis kwam. Al de jaren daarvoor stond Sjarapova netjes eerste met een gelijkaardig bedrag. Haar totale inkomsten worden geschat op een half miljard.

De dopingschorsing heeft haar maar twee contracten gekost: het horlogemerk TAG Heuer en cosmeticabedrijf Avon haakten af. Alle anderen bleven aan boord, zoals Nike met zijn achtjarige deal voor 60 miljoen euro. Zolang het eerste sportmerk er vertrouwen in heeft, zal het wel loslopen voor mooie Maria.

VER-Sjarapova

Column De Bal is Bijzaak in De Morgen van zaterdag 13 mei 2017

De bal is slechts bijzaak

Een man van Anderlecht reageerde van de week op iets wat hij had gelezen over zijn club en wat hem niet was bevallen. Hij vroeg of ik soms ging golfen samen met Michel Preud’homme en Marc Degryse. Gaan die twee dan golfen, vroeg ik mij af? En waar zou dat dan zijn? In Damme wellicht, of sporadisch in Knokke of De Haan misschien, wie weet occasioneel Oostduinkerke. En als ze gaan golfen, zouden ze dan over voetbal spreken? Die kans lijkt groot. Neen, ik golf niet met Degryse en Preud’homme, maar ik weet waarom ik die sneer kreeg. Ik had Anderlecht een bleke kandidaat-kampioen genoemd en dat vinden ze bij Anderlecht niet leuk.

Van de week verscheen in Voetbalmagazine een verhaal over René Weiler en Anderlecht en onder meer over hoe ze omgingen met de kritiek. Toen het voetbal niet om aan te zien was, en (aldus Weiler) de pers Weiler had opgegeven, gaf Weiler de pers op. Sindsdien verschijnt Weiler niet meer standaard op persconferenties voorafgaand aan de wedstrijden. Het is vooralsnog niet duidelijk of we daar veel bij inschieten.

Anderlecht ís een van de slechtst voetballende kampioenen van de laatste jaren, áls ze al kampioen worden, want gerede twijfel daarover is meer dan op zijn plaats. Daartegenover staat dat Anderlecht voorlopig de terechte kampioen is, tenzij Club in de laatste drie wedstrijden, te beginnen morgen, ongenadig uithaalt en Anderlecht alsnog helemaal inzakt. Gezien die stevige uitwedstrijd bij Gent laatst lijkt dat onwaarschijnlijk, maar met het Anderlecht van dit jaar weet je nooit en je krijgt ook niet echt de indruk dat hun sportieve baas René Weiler het weet.

Wie Anderlecht analyseert, heeft er een hele klus aan. Er valt geen peil op te trekken. Het is een rijke verzameling aan talent waar achteraan een stevig slot op staat, met voorin een spits die oorlog maakt. Daartussen doet iedereen maar wat en gezien het overaanbod aan talent komt daar af en toe voetbal uit. Af en toe. Er zit geen enkele lijn in dit Anderlecht, maar er loopt wel een rode draad door de prestaties: tegen goed voetballende ploegen is Anderlecht top, tegen ploegen die zich tactisch slim instellen op Anderlecht, is het bagger. Tegen Zulte Waregem vorige week was het bij momenten dweilen met de kraan open. De linies opereerden zelfstandig, zonder consideratie voor wat de rest van de ploeg van plan was, en de enige verbindende factor was marathonman Leander Dendoncker.

Anderlecht had 40 procent balbezit, op het eigen veld alstublieft. Nu is balbezit geen voorspellende factor voor winst of verlies. De twee Belgische ploegen met het meeste balbezit zijn Genk (niet in play-off I) en Gent (bijna niet in play-off I). De enige statistiek die voor meer dan 90 procent correleert met winst of verlies, is het aantal schoten tussen de doelpalen en daar is Anderlecht dan weer erg goed in. Dat heet efficiëntie. En hun voetbal heet reactievoetbal, géén countervoetbal, wat het natuurlijk wel is. En aan gegenpressing – een fancy woord voor snel, hoog, gegroepeerd druk zetten – doen ze ook al niet echt. De echte gegenpressing heeft één gouden regel: door de tegenstander de bal te gunnen, laat je hem in de waan dat hij aanvalt en dan is hij niet met verdedigen bezig. Die bal onverhoeds weer afnemen, gebeurt bij voorkeur zo hoog mogelijk op de helft van de tegenstander, maar dat doet Anderlecht ook niet (behalve onlangs op Gent). Ze plooien heel gewillig terug en proberen de bal pas vanaf de middenlijn te veroveren om dan razendsnel van de ontstane ruimte gebruik te maken.

Van de week stond in een krant een interessante statistiek. Van alle ploegen in play-off I heeft Anderlecht het minste balbezit in uitwedstrijden: 46 procent. Eén procentje meer dan Club, dat soms een beetje voetbalt als Anderlecht maar meestal twintig meter hoger. Maar, en nu komt het: van alle thuisploegen heeft Club Brugge het minste balbezit: 47 procent. Morgen spelen twee ploegen tegen elkaar die de bal liever bij de tegenstander zien maar die zoveel intrinsiek talent hebben dat er soms geen andere keuze is dan goed te voetballen. Op papier is Club-Anderlecht van morgen opgeteld 93 procent balbezit. Eén, twee, drie, wie wil de bal? Wie zal die 7 procent opeisen?

Verhaal over Leander Dendoncker in De Morgen van 13 mei 2017

VEDETTE ZONDER KAPSONES

Geen tattoo (die we mogen zien). Geen hamster of inkeping op zijn hoofd. Geen Facebook, Twitter of Instagram. Leander Dendoncker (22) uit Passendale ging kapot van heimwee, maar werd hét talent van Brussel.

Het minste wat je kunt zeggen, is dat ze danig waren geschrokken op de boerderij van de Dendonckers. Van Passendale – la Flandre très très profonde – naar Roeselare was al een beetje een cultuurschok en dan lijkt de Club van Brugge het volgende veilige station voor een West-Vlaams voetbaltalent. Leander, de middelste van drie zonen, koos de andere weg. “Ze zijn allemaal geweest: Standard, Club Brugge, Genk, maar ik wilde naar Anderlecht. Die ene training met Romelu Lukaku op die school met daarnaast dat voetbalveld en ik was verkocht.”

Vanuit de varkenshouderij van Dirk Dendoncker zie je de contouren van Tyne Cot Cemetery, de grootste begraafplaats van soldaten van het Gemenebest op het Europese vasteland. “Ik ben er maar één keer geweest”, zegt zoon Leander. “Natuurlijk weet ik wat er is gebeurd honderd jaar geleden. Ooit kwam een Australische filmploeg zoeken naar skeletten onder onze boerderij.” Historie was in die beladen omgeving voor de broers Dendoncker nooit de prioriteit nummer één, wel het voetbal. Veel belangrijker is, dus: promoveert KSV De Ruiter van Andres, pakt Leander zijn eerste titel en hoe vergaat het kleine Lars?

Alleen die laatste vraag kreeg al een antwoord: Lars (16) tekende zijn eerste profcontract. Bij Club Brugge. Dus wordt hij angstvallig in de luwte gehouden. Andres greep naast de titel in tweede provinciale, maar zit nog verwikkeld in een eindronde. Ook hij doet er liever het zwijgen toe. En Leander had met Royal Sporting Club Anderlecht een paar weken geleden de titel voor het grijpen, maar moet nu nog vol aan de bak bij Club Brugge. Hem lijkt het allemaal niet zo heel veel te doen. Omdat het beste nog moet komen?

Hoe dit ook afloopt, aan de middelste Dendoncker zal het alvast niet liggen als Anderlecht de titel nog uit handen geeft. Hij is dé speler van het jaar bij paars-wit. Vergeet al wie al is vertrokken uit dit plots zo vruchtbare voetballand – op Kompany, Hazard en De Bruyne na misschien – en vergeet wie nog zal vertrekken, met alle respect voor de Tielemansen van deze wereld, maar Leander Dendoncker en niemand anders is ’s lands volgende uithangbord.

“Het grootste Belgische talent. Zeer intelligent, zeer sober, sterk, die heeft alles. Als hij speelt, draaien de anderen rond hem beter en niet omgekeerd. Leander Dendoncker van Anderlecht kan die nieuwe grote Belgische speler worden.”

Dat waren tegenover deze krant eind vorig seizoen de woorden van de Waregemse wijze man Mbaye Leye en hij heeft sindsdien alleen maar gelijk gekregen. Leander Dendoncker is uitgegroeid tot de stabiele factor en het enige altijd brandende lichtpunt in misschien het lelijkste Anderlecht van de laatste vijftig jaar, op de periode van Ivic na dan. Bij de vreselijke thuisoverwinning tegen Zulte Waregem van vorige zondag liep hij zich voor de 55ste keer dit seizoen de ziel uit het lijf, gaten dichtend, bijsturend, ploegmaats coachend, ballen afpakkend, aanjagend en als het even kon ook nog gevaar creërend, al leek het alsof zijn coach hem uitdrukkelijk had verboden te ver over de middenlijn te komen.

Net 22 geworden, is hij nu al de aorta van Anderlecht. Bij leven en welzijn zal hij in de mogelijke kampioenenclash bij Club bij de rust aan zijn 5.000ste minuut in zijn 56ste wedstrijd van dit seizoen komen, en in elk van die wedstrijden startte hij in de basis en werd nooit gewisseld.

Zonder EK of WK kan Dendoncker uitkomen op 60 wedstrijden in één seizoen als hij in de twee volgende competitiewedstrijden en ook bij de twee interlands met de Rode Duivels in actie komt. Lionel Messi, om maar even buiten categorie te gaan, speelde dit seizoen 53 wedstrijden, en 400 minuten minder. In meters gelopen met en zonder bal zal middenvelder Dendoncker ongetwijfeld aan het dubbele zitten.

“Leander is een genetisch fenomeen. Hij recupereert zo makkelijk dat hij drie wedstrijden per week aankan, zelfs op zijn veeleisende positie.” Dat zegt Jochen De Coene, hoofd van het medisch departement van Anderlecht. “Wij zien op onze data tijdens de wedstrijd dat hij enorm snel herstelt van hoogintensieve inspanningen na elkaar en daags na de wedstrijd is hij bij wijze van spreken al weer klaar voor de volgende.”

Wat heb jij speciaal?

Leander Dendoncker: “Ik heb altijd al goed kunnen lopen. Ik denk dat het aangeboren is. Ik loop graag, dat helpt. Ik voel mij ook nooit zo vermoeid. Vorig jaar had ik wat last van de heupbuigers, maar dat probleem is verholpen door oefeningen. En door liggend te spelen op de PlayStation. Ik speel elke dag en ik deed dat zittend op een stoel, voorovergebogen. Ze dachten dat het daar van kon komen.”

Hoe verklaar je dat Anderlecht de ene week super is en er de andere week totaal niks van bakt?

“Totaal niks vind ik overdreven. We hebben onze mindere momenten. Het dieptepunt vond ik in de eerste ronde het verlies thuis tegen Westerlo, 0-2 nog wel. Vreselijk. Ik pieker daarover, maar ik heb geen verklaring, behalve misschien dat we niet genoeg leiders in de ploeg hebben die opstaan en de zaak op scherp kunnen zetten.”

Ben jij een leider?

“Dat denk ik wel. Misschien dat je het niet merkt, maar ik praat voortdurend. Ik probeer altijd positief te zijn, maar als iemand in de fout gaat, zal ik er toch iets van zeggen. Ook op mijzelf kan ik sakkeren en dat blijft nog wel even doorwerken, zodat ik nooit kan slapen na de wedstrijd. Ik hoef die ook niet terug te zien. Al mijn acties heb ik in mijn geheugen geknipt en achter elkaar gezet. En dan ga ik nadenken: dit had beter gekund, dit had ik zo moeten oplossen, waarom heb ik daar dat niet gedaan? Ik ben best wel zelfkritisch.”

Heb je jezelf verbaasd met wie je nu bent en wat je presteert?

“Ja en neen. Ik bedoel: je komt naar Anderlecht met de hoop in het eerste elftal te geraken en ze zagen het wel in mij. Neen, omdat ik het in het begin wel lastig had. Ik kwam in 2009 bij de U15 en na een maand trainen of zo kwam Jean Kindermans (jeugdopleider, HV) bij mij en zei: de trainer (Yannick Ferrera, nu KV Mechelen, HV) verwacht wel wat meer van jou.

“Doodongelukkig was ik en bang. Ik heb dat nog nooit aan mijn ouders verteld. Toen zeker niet, omdat ik hen niet nog meer pijn wilde doen. Ze hadden het al zo lastig om mij te laten gaan en er was ook zo veel werk op de boerderij waar ze al genoeg kopzorgen over hadden. Ik zag het toch een beetje als mijn luxeprobleem.”

Maar je was echt ongelukkig?

“Behoorlijk. Ik was een moederskind en ineens was ik ver van huis. We reden naar Brussel om mij weg te brengen en dat was het dan: ik móést daar blijven slapen en het leek wel voor altijd. Die eerste maand kon ik echt niet aarden. Er waren dagen dat ik drie keer per dag naar huis belde met tranen in de ogen. Ik wist dat ik mijn moeder pijn deed, maar ik kon niet anders. Ma zag daar echt van af. Mijn pa ook wel, maar die verborg dat meer.

“Dat lag niet aan het gastgezin, want dat waren hele warme mensen, en ook niet aan de omgeving. Ik was veertien en alles kwam in één keer bij elkaar: nieuwe club, nieuwe stad, nieuwe school, nieuwe taal, nieuwe spelers. De oefenwedstrijden waren ook niet te best en mijn pa had dat gezien toen hij kwam kijken: jij kunt beter, zei hij. Toen was het nog vakantie en het is eigenlijk beginnen beteren toen ik naar school ging. Dat was een openbaring, hoe ze mij daar meteen aanspraken en opnamen in de klas. Zo open, helemaal niet zoals in West-Vlaanderen, waar ze eerst weken de kat uit de boom kijken in een nieuwe omgeving. Iets wat ik natuurlijk wel doe en nog steeds.” (lacht)

Had je vooroordelen?

“Wat dacht je? Ik was gewend van met de bus van Passendale naar Roeselare te rijden om bij de broeders naar school te gaan. Daar zat één zwarte jongen, één zwart meisje en één Turk. In Brussel was het omgekeerd. Je leert heel snel hoe je daarmee moet omgaan, ook met de verschillende godsdiensten en met bepaalde groepjes jongeren. Zoals? Soms moet je oogcontact absoluut vermijden, want anders krijg je gegarandeerd ruzie, maar dat zal wel aan de grootstad liggen. Brussel, een urban jungle? Een beetje wel, maar inmiddels voel ik mij hier thuis.”

Werd jij aanvaard met je West-Vlaams accent?

“Er werd vaak iets over gezegd. Niet echt uitgelachen, maar wel lacherig gedaan: zo van, wat heb jij een apart accent. Ik ben dan maar dat Brabantse taaltje gaan aannemen dat ik nu spreek als ik interviews geef, maar zodra ik met West-Vlamingen praat, of thuis kom, draai ik de knop onmiddellijk om en is het plat-West-Vlaams.

“Op school ging het best. De eerste vier jaar deed ik aso, maar ik was vaak met de nationale ploeg weg en voor wiskunde, chemie en fysica kreeg ik problemen. Hoewel ik een A-attest haalde, raadde men mij toch aan om technisch onderwijs te volgen en zo kwam ik op Sint-Guido terecht. Of de school van Lukaku.

“Toen was ik al een beetje ingeburgerd en bekend met andere culturen en rassen, maar Sint-Guido was nog een stap verder. Ik was de enige blanke Belg in de klas; we waren op die hele school misschien maar met tien. Maar het was een gouden tijd. Ik had ook geen enkel probleem met de studies: ik was weer vaak weg, maar ik was altijd de eerste van de klas.

“Alleen waren mijn ouders toch weer ongerust, want die hadden natuurlijk De school van Lukaku op televisie gezien en nu zat hun zoon daar. Die ook ineens zo raar sprak. Ik gaf rond die tijd een interview voor de tv na een wedstrijd en mijn moeder begreep er niks van. ‘Waarom spreek jij geen West-Vlaams?’, vroeg ze.”

Tja, waarom niet?

“Omdat je integratie dan een stuk makkelijker verloopt natuurlijk. Ma vond het toch lastig hoor. Zij is erg gesteld op West-Vlaanderen en het boerenbestaan. Wij hebben varkens thuis en bij haar thuis waren het kippen.

“Ruiken, zeg jij? (lacht) Neen hoor, varkens en kippen stínken, allebei, maar ik heb het niet anders geweten en ik ben ook trots op mijn afkomst. Mijn vader werkt dagen van meer dan twaalf uur en vooral de laatste jaren zijn heel moeilijk geweest voor boeren met varkens. Ik heb een eindeloos respect voor mijn ouders. Ik ben blij dat ik wat heb kunnen terugdoen.”

Bedoel je materieel?

“Ook. Het is bekend dat tekengeld vaak naar de ouders gaat. Maar ik heb hen ook fierheid en een bepaalde rust gegeven. Ik ben nu een vaste basisspeler terwijl ik onder John van den Brom maar moeilijk in de ploeg geraakte. Dat was vooral lastig op familiefeesten. Wanneer ga je spelen? Zou je niet beter worden uitgeleend? Daar word je op den duur gek van, ook als ouder.”

Je pa legde ooit een voetbalveld aan en daar zijn jullie alle drie groot geworden.

“Ik mag drie wedstrijden in een week hebben gespeeld, als ik nog eens thuis kom en een van mijn broers is er ook, trek ik andere kleren aan en ga ik sjotten. Op dat veldje heb ik uren getraind. Samen met mijn oudere broer en nog een buurjongen, die bij Passendale doelman is. Hele dagen heeft die in de goal gestaan voor ons. Ik ben hem daar erg dankbaar voor. Neen, ik denk niet dat hij al is komen kijken en ik vraag het hem ook niet, omdat hij niet zal willen. Hij is een hevige Club-supporter. Nu ik bij Anderlecht speel, zegt hij: ik supporter nooit voor Anderlecht, maar wel voor jou. Toch chique. Ik heb veel aan hem te danken.”

Zou jij naar je broer Lars gaan kijken in Brugge?

“Ik ben vorig jaar nog eens geweest. Sommige mensen kijken dan raar op, maar ik heb geen nare reacties gekregen. Waarom ook? Ik probeer normaal te doen. Voetbal is bijzaak. Ik word straks ook liever herinnerd als een goed mens dan als een goed voetballer.”

Dat is mooi, maar voetbal is vooral business en in jouw geval big business.

“Kan zijn, maar ik weet daar het fijne niet van. Mijn ouders trekken zich dat aan, samen met mijn management. Eerlijk, tegen mijn pa zeg ik: ik hoef niet te weten hoeveel ik meer ga verdienen en ik hoef daar ook niet bij te zijn als het wordt besproken. Als jullie denken dat het oké is, dan kom ik wel af om te tekenen.

“Dat materiële, ik heb daar niks mee. Dat zal dan wel mijn afkomst zijn, maar dure horloges, een Porsche of een Ferrari, dat zegt mij allemaal niks. Ik leef gewoon goed, maar zonder overdrijven. Als ik met een witte Porsche Cayenne in Passendale zou aankomen, je zou mijn ouders nogal horen. Ik rij met een Audi Q5 van de club en dat is al een heel mooie auto.

“De grote valkuilen liggen in de jeugdreeksen: ik heb veel jongens gezien met heel veel talent die vandaag in vierde klasse spelen of geen ploeg meer hebben. Gefaald op mentaliteit. En het blijft altijd oppassen dat je jezelf niet verliest, want wat gaat het ongelooflijk snel. Ik kijk soms naar mijzelf en dan kan ik het niet geloven: het is alsof ik gisteren ben vertrokken uit Passendale en ineens woon ik in een villa in Groot-Bijgaarden. En ik ben net 22 geworden.”

En nu, het buitenland? Jij bent Barcelona-fan, welnu, ze kunnen je daar goed gebruiken.

“Ik denk dat Barcelona niet eens weet wie ik ben. Denk je van wel? Ach ja, we zien wel. Spanje, Engeland, Duitsland, dat zijn voor mij de mooiste competities. FC Barcelona is natuurlijk de mooiste club en dat vind ik al van toen ik met de Balbalschool uit Ieper op stage ging naar Barcelona. We bezochten toen Camp Nou en ik was meteen verkocht.”

Verhaal over de gevaren van de gekke Giro in De Morgen van zaterdag 6 mei 2017

Niets is te gek in de Giro

Het weer is slechter, de hellingen steiler, de toppen hoger, het parcours gevaarlijker. De Giro d’Italia omarmt veel wat het wielrennen niet meer zou moeten zijn. Dit jaar werd een dieptepunt bereikt met de inmiddels afgevoerde prijs voor de snelste daler.

“L’impressione più viva l’è che me brüsa tant ‘l cü.” De eerste winnaar van de Giro, de Lombard Luigi Ganna, kon als eerste indruk niks anders verzinnen dan dat zijn gat zo vreselijk brandde.

Het was 30 mei 1909, de dwangarbeiders van de weg waren na 2.448 kilometer terug waar ze op 13 mei van start waren gegaan, in Milaan, thuisbasis van de organiserende krant La Gazzetta dello Sport.

De eerste van toen nog acht ritten ging meteen over net geen 400 kilometer naar Bologna. De Fransman Lucien Petit-Breton, die de Tour had gewonnen in de twee jaren daarvoor, stond ook aan de start – samen met 126 anderen – en was de favoriet. Tot hij zich in een gevaarlijke afdaling naar het Gardameer verslikte in het dalen en tegelijk eten van een stuk kip. Hij kwam ten val en stapte uit.

De Tourwinnaar van 1905, Louis Trousselier, was daarop de favoriet en maakte dat ook waar in de tweede rit, alvorens als de grote bedreiging voor een thuiszege in rit vier te worden gesaboteerd door jaloerse Italianen die spijkers hadden gestrooid. Idem in rit vijf en toen hij ook nog eens ten val kwam, zou ook hij bij zoveel vijandigheid de handdoek gooien.

De Giro d’Italia was van in het prille begin door en voor de Italianen en zou dat honderd edities lang blijven. Tot 1950 won nooit een buitenlander. Geen wielerwedstrijd in de wereld is vaker gewonnen door Italianen dan de eigen Ronde van Italië: 69 keer in totaal. De Ronde van Lombardije, die al in 1905 voor het eerst werd gereden, heeft 68 Italiaanse winnaars, Milaan-San Remo 50.

In de top-10 van de etappezeges staan maar twee buitenlanders: Eddy Merckx en Roger De Vlaeminck. Merckx is wel recordhouder in het aantal roze truien met 77 (of 78 of 79, afhankelijk van de bron), en deelt samen met Alfredo Binda en Fausto Coppi het record van vijf eindoverwinningen.

Zoals Henri Desgrange als oprichter van de Tour de France te boek staat, heet Armando Cougnet de man te zijn zonder wie er geen Giro d’Italia zou zijn. Hij was in 1898 als 18-jarige in dienst gekomen van La Gazzetta dello Sport, die net met het gespecialiseerde wielertijdschrift Il Ciclista e la Tripletta was gefuseerd, en werd door zijn krant, waar hij zelf ook een beetje mede-eigenaar van was, in 1906 en 1907 uitgezonden naar de Tour om verslag uit te brengen.

Cougnet schreef enthousiast en meeslepend over de zwaarste sportwedstrijd ter wereld die de menselijke limieten aftastte. Weze het in autorijden, vliegen met de eerste vliegtuigen, poolexpedities of op de fiets, de moderne wereldburger was in het begin van de 20ste eeuw mateloos geïnteresseerd in hoever de mens durfde te gaan.

De Tour achterna

In de hele westerse wereld was de fiets, het vervoermiddel van de gewone mens, ineens een vehikel voor extreme sport geworden. In de zomer van 1908 bereikte Milaan het gerucht dat de Romeinse krant Corriere della Sera dacht aan een Italiaanse versie van de Tour. De Milanese Gazzetta kon dat niet laten gebeuren, stak in één dag de eerste Giro in elkaar en kondigde de wedstrijd meteen aan.

Milaan had Rome afgetroefd: in een ietwat stoute move trokken ze naar de hoofdstad en vroegen de Corriere om 3.000 lire sponsoring voor de eerste prijs. De krant die haar idee had zien gekaapt worden, hapte toe. Later zouden beide kranten in dezelfde uitgeverij terechtkomen.

Van bij de conceptie liep de Giro de Tour achterna. In 1919 introduceerde L’Equipe de gele trui, naar de kleur van het papier waarop de krant toen werd gedrukt. In 1931 zou de roze Gazzetta met de roze trui beginnen voor de klassementsleider.

Door de minder goede staat van de wegen duurde het zeventien jaar voor een eerste zware Alpenetappe in het Giroparcours werd opgenomen, terwijl in de Tour de eerste Pyreneeënetappes met meerdere cols al in 1913 werden bedwongen. Uitzondering daarop in de Giro was de eindklim naar het bergdorp Sestrière, die in 1911 voor het eerst een wielrenner boven de 2.000 meter bracht, toen een wereldprimeur. Twee jaar later zou de Tour met de Tourmalet volgen. In die jaren hadden de fietsen nog geen derailleur.

Ook toen de eerste versies op de markt kwamen met drie tandwielen achteraan, bleven de Italiaanse passen of eindklimmen, die doorgaans steiler dan de Franse waren, te zwaar. Pas na de Tweede Wereldoorlog zouden de bekende Italiaanse Dolomieten en Alpenpassen, zoals de Stelvio (1953) en Tre Cime di Lavaredo (1967), de renners nog hoger voeren. De Mortirolo, Gavia of Zoncolan zijn pas de laatste decennia vaste prik.

Sommige journalisten vinden de Giro d’Italia een plezantere wedstrijd dan de Tour de France om te volgen. De verse pasta al dente, de doorgaans iets betere hotels en minder drukte hebben daar alles mee te maken. Maar de Giro staat meer dan de Tour symbool voor het oude wielrennen, de heroïek van het betere sloopwerk, waarbij zo veel mogelijk renners uitgemergeld en uitgewoond over de eindmeet moeten komen.

Heroïsch, maar onverantwoord

 

De ongelijke concurrentiestrijd met de Tour die in de zomervakantie wordt gereden, heeft de Italianen altijd gefrustreerd. Daarom zoekt de Giro elk jaar naar speciallekes. Een start in Noord-Ierland bijvoorbeeld, of in Nederland tot drie keer toe. Lastig is dat niet, over Ierse of Nederlandse wegen rijden, maar de reis heen en terug is dat natuurlijk wel.

In een wanhopige zoektocht naar een eigen identiteit werden al snel extremen opgezocht, ook geholpen door het parcours en het tijdstip van organiseren. Wie het in mei boven de 2.000 meter zoekt, vraagt om sneeuw en afgelaste etappes. De Giro is kouder, steiler, hoger, natter en mistiger dan welke wedstrijd ook. In 1968 eindigde een etappe voor de tweede keer boven op de Tre Cime of Drei Zinnen in de Dolomieten. Merckx reed er het hele peloton naar huis in wind, sneeuw en hagel. Wel heroïsch, maar evengoed onverantwoord, evenals de etappe van 1989 die in ijssneeuw over de Gavia moest, waarna de renners ook nog eens de gevaarlijke afdaling naar Bormio op besneeuwde wegen moesten nemen.

Ook in de recentere Giro’s kunnen de aankomsten ongemeen lastig zijn, tot soms op hellingen waar je normaal alleen maar met een mountainbike kunt komen, zoals een klimtijdrit op de onverharde weg naar het skigebied Kronplatz, waar de zwaardere renners met een triple (drie tandwielen) naar boven reden. Of de Colle delle Finestre in 2005, ook onverhard. Uiteraard ontbraken ook de strade bianche van Toscane niet.

De Giro, die gisteren van start ging op Sardinië met een Grande Partenza (copy-paste van de 100ste Grand Départ van de Tour in 2013 op Corsica), is de enige grote ronde die over 24 dagen gepland staat en die drie rustdagen heeft tegenover twee voor de Tour en de Vuelta. Verplaatsingen tussen de etappes kunnen dan weer ongemeen lang zijn en van gevaar zijn ze ook niet bang: aankomsten beneden in een dorpje na een gevaarlijke brede afdaling die ineens overgaat in een smal steegje, de Giro draait er zijn hand niet voor om.

Namens sponsor Pirelli een prijs voor de beste daler in het leven roepen (en na protest afvoeren), het zegt alles dat niemand bij de organisatie zelfs maar op de gedachte kwam dat dit een fout signaal is. De Giro heeft in honderd edities drie doden op het donkere palmares, twee daarvan in een afdaling.

En dan is er nog de staat van de wegen, vaak slecht en in het zuiden zo vies dat de minste regenbui ellende veroorzaakt. In 2008 was de Giro in Napels. Het begon plots te regenen en een half peloton ging onderuit, zelfs de aansnellende mecaniciens vielen over de glibberige oliewegen.

Foute symboliek

De Giro heeft niet noodzakelijk meer hoogtemeters dan de Tour, die vaak in tussenetappes ook het middengebergte of de heuvelachtige regio’s aandoet. In de Giro wordt ook doorgaans minder nerveus gereden van bij het begin, maar uiteindelijk valt die zwaarder uit dan de Tour door de opeenvolging van bergetappes in de laatste week. Dat heeft dan weer te maken met een meteorologische logica: hoe later in mei, hoe beter het weer in de bergen en minder kans op sneeuw.

Al mocht Nederlander Steven Kruijswijk vorig jaar van geluk spreken dat hij in de afdaling van de Colle dell’Agnello tegen een royale sneeuwmuur crashte en niet tegen een rotswand.

De Giro heeft niet de uitstraling van de Tour, en daarom heeft men van spektakel de unieke verkoopstrategie gemaakt. ‘Extremer, gekker, gevaarlijker’, werd het devies. Aanvankelijk ook langer, als in langere etappes.

De zwaarste wielerwedstrijd ooit moet de Giro van 1914 zijn geweest, een paar maanden voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. Maar liefst vijf etappes waren langer dan 400 kilometer. De winnaar was gemiddeld zeventien uur onderweg. Slechts één op de tien gestarte renners haalde de eindstreep.

Drama en spektakel voorop, sport is als opera in Italië. Het was een ex-journalist, Angelo Zomegnan, die daar als Giro-directeur deze eeuw nog een schep bovenop deed. Zijn hoogte- en vervolgens dieptepunt beleefde hij met de Giro van 2011, waarin niet minder dan acht aankomsten bergop en drie tijdritten waren opgenomen. Het was de editie waarin Wouter Weylandt overleed na een zware val in een afdaling.

Dat drama kan niet direct gelinkt worden aan de zwaarte van de Giro, maar had wel veel, zo niet alles te maken met het ondergeschikte belang van de veiligheid. In die editie stond de afdaling van de Monte Crostis gepland. Niet alleen moesten daarvoor meer dan duizend bomen worden omgehakt, maar de hele afdaling werd ‘beveiligd’ met honderden meters skinetten en driehonderd matrassen. Na de dood van Weylandt wilde het peloton de Crostis niet meer.

Zomegnan moest na die Giro ontslag nemen en werd opgevolgd door Michele Acquarone. Die ging de Giro moderniseren, maar het eerste wat hij deed, was in de kleinere rittenwedstrijd Tirreno een aankomst leggen op een helling van 27 procent op gladde middeleeuwse stenen. In 2014 is ook Acquarone ontslagen, na een financieel schandaal.

Inzake foute symboliek kunnen ze er daar wat van. Dat de beklimming van de Mortirolo dit jaar opgedragen wordt aan ex-winnaar Michele Scarponi die twee weken geleden bij een verkeersongeval het leven liet, daar valt geen mens over. Maar in 2014 werd de aankomst naar Plan di Montecampione één groot eerbetoon aan Marco Pantani, omdat hij daar in 1998 had gewonnen. Er was en is nog steeds geen reden om op het graf van de arme drommel te spuwen, maar een bescheiden hommage was meer op zijn plaats geweest. Alleen de Giro zet een cocaïneverslaafde en hardleerse dopinggebruiker op een piëdestal.

Column over dopingrecords in De Morgen van zat 6 mei 2017

Dopingrecords

Stefka Kostadinova is boos. Nu vraagt u zich af: wie is Stefka? Voorzitter van het Bulgaars olympisch comité, 52 jaar oud en, belangrijker, wereldrecordhoudster hoogspringen met 2,09 meter. Inderdaad, 2,09 meter. Als de beste hoogspringsters van het moment naar een lat op 2,09 meter kijken, barsten ze in huilen uit. Stefka sprong die 2,09 meter op het WK in Rome, in 1987, dat is van de zomer dertig jaar geleden. De bronzen medaille ging toen over 1,99 meter. In Rio op de Olympische Spelen vorig jaar sprongen goud, zilver en brons 1,97 meter hoog.

Van die 2,09 meter van Kostadinova denkt iedereen meteen: hmmm, verdacht, doping … Het belangrijkste in de vorige zin is niet het begrip doping, maar het werkwoord denken. Wie denkt, weet niet. Wie denkt, heeft vermoedens en kan daar geen staalharde conclusies aan vastknopen. Daarom is het schrappen van de atletiekrecords van vóór 2005 een lichtjes van de pot gerukte, onrealistische en arbitraire maatregel.

Tegelijk alle begrip voor wie het idee heeft geopperd, want er is wel degelijk een probleem met die oude records. We zitten dus met een klassiek dilemma: een probleem waarvoor geen oplossing is, althans geen goede.

Enerzijds heb je die records en die zijn op zijn zachtst gezegd verdacht. Zoek op YouTube naar Marita Koch, Canberra, 1985. Kijk, geniet en trek grote ogen. Je ziet de Oost-Duitse Koch in baan twee. In baan één loopt namens de USSR de coming woman Olga Vladikina. In baan zeven loopt de toenmalige wereldrecordhoudster Jarmila Kratochvilova uit Tsjecho-Slowakije. Veel wordt verwacht van Vladikina, maar het is Koch die doorkomt aan de 200 meter in 22.4, twee tienden boven het Belgisch 200 meterrecord van Kim Gevaert, en finisht in 47.6 waarmee ze drie tienden van het vorige wereldrecord haalt. Waarop ze drie keer diep ademt, in haar handen klapt en aan een ereronde begint. Dat allemaal in oktober aan de andere kant van de planeet. In Rio vorig jaar liepen de drie medailles in de 49 seconden.

Doping? Ik denk het wel, met de nadruk op denk. Want net zoals over Stefka Kostadinova, over Florence Griffith-Joyner en over al die andere records uit de jaren 80 in kracht- en snelheidsnummers kan je niet met zekerheid zeggen dat bij Marita Koch doping in het spel was. Is er dan een andere reden waarom de prestaties vooral bij de vrouwen zo zijn achteruitgegaan na 1988, behalve de trainingscontroles op anabole steroïden die zijn ingevoerd na Ben Johnson?

Misschien. Jawel, de DDR, de USSR en alle die andere Oostbloklanden waren bewezen structureel met doping bezig, maar ze hadden ook een doorgedreven sportmodel gericht op selectie en veel training. Bij goed presteren volgde beloning, onder meer in de vorm van sociale promotie. Dat systeem klapte na de val van de Muur in elkaar.

Doping en de verbeterde controles zijn niet de enige verklaring voor de fantastische prestaties en evenmin voor de terugval in de laatste kwarteeuw. Men heeft in Duitsland tijdens de DDR-processen de Oost-Duitse prestaties tot doping proberen te herleiden, maar de boemerang kwam terug toen nadien ook bleek dat in West-Duitsland evenveel werd gedopeerd, maar alleen minder genoteerd.

Een argument dat ook een prestatieval kan verklaren, is het verminderde aanbod aan toptalent. Het communistisch sportmodel is samen met het politiek model gecrasht en in de westerse wereld kiest atletisch talent niet meer automatisch voor een klassieke sport als atletiek, maar vaker voor andere sporten waarin meer geld en roem te behalen valt. Nog een aspect dat vaak onderbelicht blijft: wetenschappers wijzen al langer op de nefaste invloed van sedentarisme op sportprestaties. Wat als dat effect zich eerder heeft gemanifesteerd bij de vrouw dan bij de man?

Overigens is het onzin te beweren dat vooral de vrouwenrecords een probleem zijn. Van de 24 olympische atletieknummers komen zowel bij de mannen als de vrouwen dertien records van voor 2005 in aanmerking voor schrapping. Maar dat jaartal 2005 slaat werkelijk nergens op. Als men bedoelt dat dan ongeveer is begonnen met het biologisch paspoort, dan is ‘ongeveer’ een juiste omschrijving. Het is een fabeltje dat vanaf 2005 alle stalen zijn bijgehouden. De huidige dopingcontrole, die beter is dan ooit en van jaar tot jaar verbetert, zit pas vanaf 2008 op volle kruissnelheid toen voor het eerst in de aanloop naar de Spelen van Peking heel wat sporters werden geschorst.

Supertijden van Bolt

Begrijpelijk dat het heel vervelend moet zijn voor Dafne Schippers en anderen om tegen die 10.49 van Florence Griffith-Joyner aan
te kijken, maar ze zullen er toch mee moeten leren leven. ‘Fast Flo’ is nooit betrapt. Ze is ook dood, dus zij zal niet meer protesteren als de recordlijsten op nul worden gezet. Andere atleten wel. Zo zou Paula Racliffes fenomenale marathonrecord van 2u15 uit 2003 niet voor erkenning in aanmerking komen. Als één afstandsrecord verdacht is, dan wel dat van Radcliffe. Het enige argument om haar te geloven en al die anderen niet, is haar keurige Engels en haar Brits paspoort. Ook dat andere Britse wereldrecord van Jonathan Edwards op de hink-stap-sprong zou bedreigd zijn, waardoor de Britten ook al op hun achterste poten staan.

Een grens in de tijd impliceert dat men een hele periode als verdacht labelt, terwijl daar ook weleens een zuiver record zal tussen hebben gezeten, en omgekeerd de laatste twaalf jaar als maagdelijk clean. Maar wat dan te denken van de supertijden van Usain Bolt, nu we weten dat in de aanloop naar de Spelen van Londen in Jamaica geen enkele dopingcontrole is gebeurd? En van de Kenianen, na alle recente onthullingen over epo-ziekenhuizen?

Copyright © 2017 gopress. All rights reserved

Een tweede lijst hanteren zou een tussenoplossing kunnen zijn; records op nul zetten niet. De dreiging van verspringer Mike Powell – de Amerikaan die 8,95 meter sprong in 1991, dus in verdachte tijden – om de atletiekbobo’s een proces aan te doen als ze records gaan schrappen, zou moeten worden gesteund door iedereen die iets van sport begrijpt.