Verhaal over Leander Dendoncker in De Morgen van 13 mei 2017

VEDETTE ZONDER KAPSONES

Geen tattoo (die we mogen zien). Geen hamster of inkeping op zijn hoofd. Geen Facebook, Twitter of Instagram. Leander Dendoncker (22) uit Passendale ging kapot van heimwee, maar werd hét talent van Brussel.

Het minste wat je kunt zeggen, is dat ze danig waren geschrokken op de boerderij van de Dendonckers. Van Passendale – la Flandre très très profonde – naar Roeselare was al een beetje een cultuurschok en dan lijkt de Club van Brugge het volgende veilige station voor een West-Vlaams voetbaltalent. Leander, de middelste van drie zonen, koos de andere weg. “Ze zijn allemaal geweest: Standard, Club Brugge, Genk, maar ik wilde naar Anderlecht. Die ene training met Romelu Lukaku op die school met daarnaast dat voetbalveld en ik was verkocht.”

Vanuit de varkenshouderij van Dirk Dendoncker zie je de contouren van Tyne Cot Cemetery, de grootste begraafplaats van soldaten van het Gemenebest op het Europese vasteland. “Ik ben er maar één keer geweest”, zegt zoon Leander. “Natuurlijk weet ik wat er is gebeurd honderd jaar geleden. Ooit kwam een Australische filmploeg zoeken naar skeletten onder onze boerderij.” Historie was in die beladen omgeving voor de broers Dendoncker nooit de prioriteit nummer één, wel het voetbal. Veel belangrijker is, dus: promoveert KSV De Ruiter van Andres, pakt Leander zijn eerste titel en hoe vergaat het kleine Lars?

Alleen die laatste vraag kreeg al een antwoord: Lars (16) tekende zijn eerste profcontract. Bij Club Brugge. Dus wordt hij angstvallig in de luwte gehouden. Andres greep naast de titel in tweede provinciale, maar zit nog verwikkeld in een eindronde. Ook hij doet er liever het zwijgen toe. En Leander had met Royal Sporting Club Anderlecht een paar weken geleden de titel voor het grijpen, maar moet nu nog vol aan de bak bij Club Brugge. Hem lijkt het allemaal niet zo heel veel te doen. Omdat het beste nog moet komen?

Hoe dit ook afloopt, aan de middelste Dendoncker zal het alvast niet liggen als Anderlecht de titel nog uit handen geeft. Hij is dé speler van het jaar bij paars-wit. Vergeet al wie al is vertrokken uit dit plots zo vruchtbare voetballand – op Kompany, Hazard en De Bruyne na misschien – en vergeet wie nog zal vertrekken, met alle respect voor de Tielemansen van deze wereld, maar Leander Dendoncker en niemand anders is ’s lands volgende uithangbord.

“Het grootste Belgische talent. Zeer intelligent, zeer sober, sterk, die heeft alles. Als hij speelt, draaien de anderen rond hem beter en niet omgekeerd. Leander Dendoncker van Anderlecht kan die nieuwe grote Belgische speler worden.”

Dat waren tegenover deze krant eind vorig seizoen de woorden van de Waregemse wijze man Mbaye Leye en hij heeft sindsdien alleen maar gelijk gekregen. Leander Dendoncker is uitgegroeid tot de stabiele factor en het enige altijd brandende lichtpunt in misschien het lelijkste Anderlecht van de laatste vijftig jaar, op de periode van Ivic na dan. Bij de vreselijke thuisoverwinning tegen Zulte Waregem van vorige zondag liep hij zich voor de 55ste keer dit seizoen de ziel uit het lijf, gaten dichtend, bijsturend, ploegmaats coachend, ballen afpakkend, aanjagend en als het even kon ook nog gevaar creërend, al leek het alsof zijn coach hem uitdrukkelijk had verboden te ver over de middenlijn te komen.

Net 22 geworden, is hij nu al de aorta van Anderlecht. Bij leven en welzijn zal hij in de mogelijke kampioenenclash bij Club bij de rust aan zijn 5.000ste minuut in zijn 56ste wedstrijd van dit seizoen komen, en in elk van die wedstrijden startte hij in de basis en werd nooit gewisseld.

Zonder EK of WK kan Dendoncker uitkomen op 60 wedstrijden in één seizoen als hij in de twee volgende competitiewedstrijden en ook bij de twee interlands met de Rode Duivels in actie komt. Lionel Messi, om maar even buiten categorie te gaan, speelde dit seizoen 53 wedstrijden, en 400 minuten minder. In meters gelopen met en zonder bal zal middenvelder Dendoncker ongetwijfeld aan het dubbele zitten.

“Leander is een genetisch fenomeen. Hij recupereert zo makkelijk dat hij drie wedstrijden per week aankan, zelfs op zijn veeleisende positie.” Dat zegt Jochen De Coene, hoofd van het medisch departement van Anderlecht. “Wij zien op onze data tijdens de wedstrijd dat hij enorm snel herstelt van hoogintensieve inspanningen na elkaar en daags na de wedstrijd is hij bij wijze van spreken al weer klaar voor de volgende.”

Wat heb jij speciaal?

Leander Dendoncker: “Ik heb altijd al goed kunnen lopen. Ik denk dat het aangeboren is. Ik loop graag, dat helpt. Ik voel mij ook nooit zo vermoeid. Vorig jaar had ik wat last van de heupbuigers, maar dat probleem is verholpen door oefeningen. En door liggend te spelen op de PlayStation. Ik speel elke dag en ik deed dat zittend op een stoel, voorovergebogen. Ze dachten dat het daar van kon komen.”

Hoe verklaar je dat Anderlecht de ene week super is en er de andere week totaal niks van bakt?

“Totaal niks vind ik overdreven. We hebben onze mindere momenten. Het dieptepunt vond ik in de eerste ronde het verlies thuis tegen Westerlo, 0-2 nog wel. Vreselijk. Ik pieker daarover, maar ik heb geen verklaring, behalve misschien dat we niet genoeg leiders in de ploeg hebben die opstaan en de zaak op scherp kunnen zetten.”

Ben jij een leider?

“Dat denk ik wel. Misschien dat je het niet merkt, maar ik praat voortdurend. Ik probeer altijd positief te zijn, maar als iemand in de fout gaat, zal ik er toch iets van zeggen. Ook op mijzelf kan ik sakkeren en dat blijft nog wel even doorwerken, zodat ik nooit kan slapen na de wedstrijd. Ik hoef die ook niet terug te zien. Al mijn acties heb ik in mijn geheugen geknipt en achter elkaar gezet. En dan ga ik nadenken: dit had beter gekund, dit had ik zo moeten oplossen, waarom heb ik daar dat niet gedaan? Ik ben best wel zelfkritisch.”

Heb je jezelf verbaasd met wie je nu bent en wat je presteert?

“Ja en neen. Ik bedoel: je komt naar Anderlecht met de hoop in het eerste elftal te geraken en ze zagen het wel in mij. Neen, omdat ik het in het begin wel lastig had. Ik kwam in 2009 bij de U15 en na een maand trainen of zo kwam Jean Kindermans (jeugdopleider, HV) bij mij en zei: de trainer (Yannick Ferrera, nu KV Mechelen, HV) verwacht wel wat meer van jou.

“Doodongelukkig was ik en bang. Ik heb dat nog nooit aan mijn ouders verteld. Toen zeker niet, omdat ik hen niet nog meer pijn wilde doen. Ze hadden het al zo lastig om mij te laten gaan en er was ook zo veel werk op de boerderij waar ze al genoeg kopzorgen over hadden. Ik zag het toch een beetje als mijn luxeprobleem.”

Maar je was echt ongelukkig?

“Behoorlijk. Ik was een moederskind en ineens was ik ver van huis. We reden naar Brussel om mij weg te brengen en dat was het dan: ik móést daar blijven slapen en het leek wel voor altijd. Die eerste maand kon ik echt niet aarden. Er waren dagen dat ik drie keer per dag naar huis belde met tranen in de ogen. Ik wist dat ik mijn moeder pijn deed, maar ik kon niet anders. Ma zag daar echt van af. Mijn pa ook wel, maar die verborg dat meer.

“Dat lag niet aan het gastgezin, want dat waren hele warme mensen, en ook niet aan de omgeving. Ik was veertien en alles kwam in één keer bij elkaar: nieuwe club, nieuwe stad, nieuwe school, nieuwe taal, nieuwe spelers. De oefenwedstrijden waren ook niet te best en mijn pa had dat gezien toen hij kwam kijken: jij kunt beter, zei hij. Toen was het nog vakantie en het is eigenlijk beginnen beteren toen ik naar school ging. Dat was een openbaring, hoe ze mij daar meteen aanspraken en opnamen in de klas. Zo open, helemaal niet zoals in West-Vlaanderen, waar ze eerst weken de kat uit de boom kijken in een nieuwe omgeving. Iets wat ik natuurlijk wel doe en nog steeds.” (lacht)

Had je vooroordelen?

“Wat dacht je? Ik was gewend van met de bus van Passendale naar Roeselare te rijden om bij de broeders naar school te gaan. Daar zat één zwarte jongen, één zwart meisje en één Turk. In Brussel was het omgekeerd. Je leert heel snel hoe je daarmee moet omgaan, ook met de verschillende godsdiensten en met bepaalde groepjes jongeren. Zoals? Soms moet je oogcontact absoluut vermijden, want anders krijg je gegarandeerd ruzie, maar dat zal wel aan de grootstad liggen. Brussel, een urban jungle? Een beetje wel, maar inmiddels voel ik mij hier thuis.”

Werd jij aanvaard met je West-Vlaams accent?

“Er werd vaak iets over gezegd. Niet echt uitgelachen, maar wel lacherig gedaan: zo van, wat heb jij een apart accent. Ik ben dan maar dat Brabantse taaltje gaan aannemen dat ik nu spreek als ik interviews geef, maar zodra ik met West-Vlamingen praat, of thuis kom, draai ik de knop onmiddellijk om en is het plat-West-Vlaams.

“Op school ging het best. De eerste vier jaar deed ik aso, maar ik was vaak met de nationale ploeg weg en voor wiskunde, chemie en fysica kreeg ik problemen. Hoewel ik een A-attest haalde, raadde men mij toch aan om technisch onderwijs te volgen en zo kwam ik op Sint-Guido terecht. Of de school van Lukaku.

“Toen was ik al een beetje ingeburgerd en bekend met andere culturen en rassen, maar Sint-Guido was nog een stap verder. Ik was de enige blanke Belg in de klas; we waren op die hele school misschien maar met tien. Maar het was een gouden tijd. Ik had ook geen enkel probleem met de studies: ik was weer vaak weg, maar ik was altijd de eerste van de klas.

“Alleen waren mijn ouders toch weer ongerust, want die hadden natuurlijk De school van Lukaku op televisie gezien en nu zat hun zoon daar. Die ook ineens zo raar sprak. Ik gaf rond die tijd een interview voor de tv na een wedstrijd en mijn moeder begreep er niks van. ‘Waarom spreek jij geen West-Vlaams?’, vroeg ze.”

Tja, waarom niet?

“Omdat je integratie dan een stuk makkelijker verloopt natuurlijk. Ma vond het toch lastig hoor. Zij is erg gesteld op West-Vlaanderen en het boerenbestaan. Wij hebben varkens thuis en bij haar thuis waren het kippen.

“Ruiken, zeg jij? (lacht) Neen hoor, varkens en kippen stínken, allebei, maar ik heb het niet anders geweten en ik ben ook trots op mijn afkomst. Mijn vader werkt dagen van meer dan twaalf uur en vooral de laatste jaren zijn heel moeilijk geweest voor boeren met varkens. Ik heb een eindeloos respect voor mijn ouders. Ik ben blij dat ik wat heb kunnen terugdoen.”

Bedoel je materieel?

“Ook. Het is bekend dat tekengeld vaak naar de ouders gaat. Maar ik heb hen ook fierheid en een bepaalde rust gegeven. Ik ben nu een vaste basisspeler terwijl ik onder John van den Brom maar moeilijk in de ploeg geraakte. Dat was vooral lastig op familiefeesten. Wanneer ga je spelen? Zou je niet beter worden uitgeleend? Daar word je op den duur gek van, ook als ouder.”

Je pa legde ooit een voetbalveld aan en daar zijn jullie alle drie groot geworden.

“Ik mag drie wedstrijden in een week hebben gespeeld, als ik nog eens thuis kom en een van mijn broers is er ook, trek ik andere kleren aan en ga ik sjotten. Op dat veldje heb ik uren getraind. Samen met mijn oudere broer en nog een buurjongen, die bij Passendale doelman is. Hele dagen heeft die in de goal gestaan voor ons. Ik ben hem daar erg dankbaar voor. Neen, ik denk niet dat hij al is komen kijken en ik vraag het hem ook niet, omdat hij niet zal willen. Hij is een hevige Club-supporter. Nu ik bij Anderlecht speel, zegt hij: ik supporter nooit voor Anderlecht, maar wel voor jou. Toch chique. Ik heb veel aan hem te danken.”

Zou jij naar je broer Lars gaan kijken in Brugge?

“Ik ben vorig jaar nog eens geweest. Sommige mensen kijken dan raar op, maar ik heb geen nare reacties gekregen. Waarom ook? Ik probeer normaal te doen. Voetbal is bijzaak. Ik word straks ook liever herinnerd als een goed mens dan als een goed voetballer.”

Dat is mooi, maar voetbal is vooral business en in jouw geval big business.

“Kan zijn, maar ik weet daar het fijne niet van. Mijn ouders trekken zich dat aan, samen met mijn management. Eerlijk, tegen mijn pa zeg ik: ik hoef niet te weten hoeveel ik meer ga verdienen en ik hoef daar ook niet bij te zijn als het wordt besproken. Als jullie denken dat het oké is, dan kom ik wel af om te tekenen.

“Dat materiële, ik heb daar niks mee. Dat zal dan wel mijn afkomst zijn, maar dure horloges, een Porsche of een Ferrari, dat zegt mij allemaal niks. Ik leef gewoon goed, maar zonder overdrijven. Als ik met een witte Porsche Cayenne in Passendale zou aankomen, je zou mijn ouders nogal horen. Ik rij met een Audi Q5 van de club en dat is al een heel mooie auto.

“De grote valkuilen liggen in de jeugdreeksen: ik heb veel jongens gezien met heel veel talent die vandaag in vierde klasse spelen of geen ploeg meer hebben. Gefaald op mentaliteit. En het blijft altijd oppassen dat je jezelf niet verliest, want wat gaat het ongelooflijk snel. Ik kijk soms naar mijzelf en dan kan ik het niet geloven: het is alsof ik gisteren ben vertrokken uit Passendale en ineens woon ik in een villa in Groot-Bijgaarden. En ik ben net 22 geworden.”

En nu, het buitenland? Jij bent Barcelona-fan, welnu, ze kunnen je daar goed gebruiken.

“Ik denk dat Barcelona niet eens weet wie ik ben. Denk je van wel? Ach ja, we zien wel. Spanje, Engeland, Duitsland, dat zijn voor mij de mooiste competities. FC Barcelona is natuurlijk de mooiste club en dat vind ik al van toen ik met de Balbalschool uit Ieper op stage ging naar Barcelona. We bezochten toen Camp Nou en ik was meteen verkocht.”

Advertenties