Column Roodhuiden in De Morgen van zat 24 juni 2017

Roodhuiden

 

Het is typisch voor de media om veel heisa te maken van een onnozeliteit. U kent dat ongetwijfeld. Neem nu de staatszaak uit 2014 rond de Washington Redskins. Dat is een team uit de National Football League en het favoriete team van de advocaten in de hoofdstad. Voor elke twaalf inwoners van DC is er een advocaat, dus de Redskins hebben een grote achterban. Wat ook weer verwonderlijk is, want ze hebben in geen 27 jaar een prijs gehaald.

Die achterban was in 2014 totaal verbouwereerd toen het er ineens naar uitzag dat hun geliefde team van logo en naam zou moeten veranderen. Een commissie die moest beslissen over de handelsmerken en aanverwante symbolen had verordonneerd dat de naam Redskins, het indianenlogo en nog vier andere symbolen niet werden beschermd omdat ze minachtend (disparaging) waren voor de Amerikaanse indianen, ook weleens aangeduid als Native Americans.

De New York Times (uiteraard, want tegen Washington), maar ook de Washington Post zelf waren beide op de hand van de beslissing en kwalificeerden de naam Redskins als racistisch en evenzo verwerpelijk als de termen ‘negers’ en ‘spleetogen’ voor zwarten en Aziaten. De indianen juichten voor zoveel wijsheid, wat ook weer begrijpelijk was, want geen etnie werd/wordt in de Verenigde Staten slechter behandeld, en dat wil wat zeggen.

De vraag of roodhuid dan wel een belediging is, werd uiteraard gesteld en het kwam tot een felle discussie. Een belediging was dat niet echt, want indianen hebben dan wel een getaande maar geen rode huid. Die hebben ze alleen als ze zich boos maken en dan niet van een plotse aandrang van opstijgend bloed, maar omdat rood een van de oorlogskleuren was waarmee ze zich in onverdachte tijden beschilderden toen de blanken een beetje te opdringerig werden. Die uitleg is omstreden, maar minder omstreden is de vaststelling dat sommige stammen gewoon zichzelf als roodhuiden omschreven, zonder een blanke in de buurt.

De luizenkam werd bovengehaald. Op slag werden ook de Cleveland Indians een target. Die baseballploeg moest ook maar meteen van naam en logo veranderen want die deden dan weer aan cultural appropriation, nog zo’n hyperpolitiek correct standpunt. Culturele toe-eigening is verwerpelijk vinden minderheden in de VS. Zo mag een niet-zwarte het haar niet in cornrows vlechten. Of latino’s dat mogen, daar beraadslaagt de jury nog over: de ene zwarte vindt van wel, de andere van niet omdat cornrows uit Afrika stammen en latino’s niet.

Om het nog absurder te maken kwam zelfs voetbalclub KAA Gent in beeld na de titel van 2015. Die hadden (en hebben nog steeds) een Sioux-indiaan met een verentooi als logo en ook dat was niet correct volgens de racistische meetlat. Hoewel één Vlaams medium hard zijn best deed om aan de boom te schudden, lag Gent toch een beetje ver van welk reservaat dan ook en was het brandje snel geblust. Al bij al nog een geluk voor de Gentenaars dat die indianen niet wisten dat de roepnaam Buffalo is ontleend aan Buffalo Bill, op zijn hoogtepunt een notoire buffel- en indianendoder.

Voor de discussie rond de Redskins en andere symbolen, die nog onder de oppervlakte smeulde, is er nu ook een oplossing met dank aan het Amerikaanse hooggerechtshof. Dat heeft namelijk besloten dat de eerdere beslissing om het indianenlogo, de naam Redskins en de vier andere symbolen niet te beschermen ongrondwettelijk is.

Die beslissing was in strijd met het veelbesproken First Amendement. Dat zegt dat … het Congres geen wet zal aannemen die betrekking heeft op een staatsgodsdienst, of de vrije uitoefening van godsdienst verbiedt; of de vrijheid van meningsuiting of de persvrijheid beperkt; of het recht van het volk beperkt om vreedzame bijeenkomsten te beleggen, en verzoekschriften voor een herstel van grieven tot de regering te richten …

Uit deze paragraaf moet u de vrijheid van meningsuiting onthouden. Met andere woorden: ook al is iets beledigend, de overheid moet daar niet in tussenkomen en zeker niet de vrijheid van meningsuiting onderdrukken.

De New York Times en de Washington Post die eerst op de hand waren van de beslissing om géén intellectueel eigendomsrecht toe te kennen aan foute symbolen, hebben ook deze beslissing van het hooggerechtshof bewierookt. Hun conclusie was ondubbelzinnig: grondwettelijkheid en beleefdheid gaan niet noodzakelijk samen. Voor de Redskins hadden ze ook een advies: jullie hebben nu gewonnen, maar wees nu eens wijs en verander die naam.

 

COL-Roodhuiden

Advertenties

Dubbelgesprek Roger De Vlaeminck-Frank Hoste in De Morgen van zat 24 juni 2017

‘Aan de broek hangen? Nee, alleen in Italië’

Ze waren trainingscompagnons toen in 1982 de ene van de andere de trui van Belgisch kampioen overnam. Roger De Vlaeminck fileert nog elke koers het hedendaagse peloton, en petit comité. Frank Hoste doet het voor een breder publiek, zoals deze zomer namens Radio 1 in de Tour.

De voertaal was Oost-Vlaams, Gents en de Eeklose variant daarop. De mannen kenden elkaar. Soms ging het ook niet over de koers. Zoals:

De Vlaeminck: “Voor mij een viske met een beetje rijst.”

Hoste: “Voor mij een steakske. Ik eet nooit vlees, behalve als ik ga eten.”

De Vlaeminck: “Eet je nog zoveel groensels?”

Hoste: “Jaja, elke dag nog een hele pot. Ik eet dat graag.”

De Vlaeminck: “Nutella?”

Hoste: “Ja. Vroeger deed ik alles wat Roger deed. Ik at zoals hij, maar dat was moeilijk want hij at als een betonmolen. Ik trainde zoals hij, dus trainden we samen, maar dat was ook te zwaar. Ik dacht: als ik alles doe zoals hij, dan word ik even goed. Het is niet gelukt.”

Jullie zijn van een verschillende generatie en toch rijden jullie al veertig jaar samen met de fiets.

Hoste: “Dat is de laatste jaren heel wat minder omdat Roger het aan zijn rug heeft en niet meer met de koersfiets rijdt, maar tot voor een paar jaar waren we altijd samen op pad. En dat was zoals vroeger: volle bak van bij het vertrek.”

De Vlaeminck: “Die rug … Heb jij nergens zeer?”

Hoste: “Nu wel, ik ben gisteren met een groepje rappe mannen gaan rijden en ik voel het.”

De Vlaeminck: “Dat zijn spieren, dat is niet zoals mijn rug.”

Hoste: “Roger en ik verschillen acht jaar, maar … (kijkt verbaasd naar zijn buur) ‘Roger, je hebt minder grijs haar dan ik. Gij verft uw haar!'”

De Vlaeminck: “Zijde zot? Ik ben 70 jaar, wat zou ik mijn haar verven? Kijk hier, opzij word ik grijs.”

Hoe hebben jullie elkaar leren kennen?

Hoste: “Ik was liefhebber en ik kwam bij Julien De Vreese (ex-hoofdmekanieker van de ploegen van Godefroot en Bruyneel, HVDW). Die kende Walter Godefroot goed en hij zei tegen Walter: ‘Ik heb er daar een die wil meerijden.’ Walter trainde af en toe met Roger en zo ben ik bij hem gesukkeld. Hij liet mij de eerste rit samen de hele dag op kop rijden: ‘Jonge gasten moeten niet in het wiel zitten’, zei hij.”

De Vlaeminck: “Zijn we dan geen taarten gaan eten?” (lacht)

Hoste: “Ik mocht nooit betalen als we iets gingen drinken.”

De Vlaeminck: “Hij moest altijd naar de wc als er moest worden betaald.”

Hoste: “Neen, dat is niet waar. Ik verdiende gewoon veel minder, niets eigenlijk. Op een dag zei ik: ‘Ik ga trakteren.’ ‘Aha’, zei Roger, en de bakker kwam juist met een hele plateau éclairs af. Hij heeft ze allemaal in zijn kas gedraaid.”

De Vlaeminck: “Hoeveel moest je betalen? Tweeduizend frank?”

Hoste: “1.397 frank, ik weet het nog goed. Als je een koers won bij de liefhebbers had je 900 frank. ’s Avonds kreeg ik 2.000 frank van Roger. Dat kon hem niet schelen, hij had leut gehad.”

De Vlaeminck: “Mijn record was negentien éclairs.”

Jullie hebben wel nooit in dezelfde ploeg gereden.

Hoste: “Neen, maar best ook. Als je bij Roger reed, was hij de kopman. Hij kon niet verdragen dat een ander beter was in zijn ploeg. Nu, ik heb ook gecrost en dan vroeg Roger aan de organisatoren of ik mocht meekomen. Elke wedstrijd was ik precies één ronde achter.”

De Vlaeminck: “Als ik hem zag rijden en ik had wat marge, dan haalde ik hem niet in voor de meet. Zo mocht hij niet afstappen en moest hij nog zijn laatste ronde rijden. Wij trainden in de winter ook vaak samen, in de Lembeekse bossen. We hebben veel plezier gehad.”

 

Hoste: “Echte kwajongensstreken staken wij uit. Een balkje weghalen in een gracht waardoor je de volgende ronde er vol in knalde en overkop ging. Hij heeft mij ooit eens bij min twee in een waterplas doen vallen.”

Was er een hiërarchie, gezien het klasse- en leeftijdsverschil?

Hoste: “In de koersen kwamen we elkaar tegen, maar echte tegenstanders waren we niet. Ik ben wel Belgisch kampioen geworden het jaar na hem en ik weet nog dat hij in Heusden kwam zagen dat ik ook op kop moest rijden omdat ik nu ook startgeld kreeg.”

De Vlaeminck: “Ik reed mijn meeste wedstrijden in Italië omdat ik voor Italiaanse teams uitkwam. Dat waren ferme koersen hoor, allemaal heuvels of bergen. Ik herinner mij maar één volledige vlakke koers: Milaan-Vignola.”

Hoste: “Toen ik bij Del Tongo reed, moest ik die wedstrijden ook rijden. Op het palmares kwam je geregeld zijn naam tegen. Dus ik dacht: ik kan hier ook winnen. Welnu, na 120 kilometer lag ik eraf. Of er lag een molshoop van 18 procent juist voor de arrivée naar een of andere castello. Ik heb wel twee ritten gewonnen in de Giro en toen wilden ze mij laten bijtekenen. Maar ik wilde niet blijven; de mensen in België wisten niet dat ik nog koerste.”

Zie je de mannen van jouw generatie nog, Roger?

De Vlaeminck: “Neen, heel zelden. Ze mankeren allemaal iets. Ik ook hoor. De ene wordt een beetje dement, de andere heeft het aan zijn hart. Er zijn er bij met wie het echt niet goed gaat, zoals X.”

Hoste: “Wat heeft die allemaal niet gepakt?” De Vlaeminck: “Ik weet het.”

Hoste: “Ze zeggen soms dat de jaren 70, 80 de ergste waren, maar degene die het minst pakte, was Roger. Echt niet normaal, wat die maar deed. Daarom trok ik mij ook op aan hem: ik wist hoe hij het deed. Ik weet van andere kampioenen wat zij namen, ja salut.”

De Vlaeminck: “Het was veel te gevaarlijk. Die ene Ronde van Vlaanderen (1977, HVDW) dat ze allemaal zijn betrapt op Stimul was ik de enige van de grote namen die niet positief was. Later, toen ik bij Francesco Moser in de ploeg reed, heeft dokter Ferrari mij eens aangeboden om met bloedtransfusies te werken, maar ik durfde dat allemaal niet.”

Hoste: “Jij had schrik van de controles. En ik kreeg op slag ook schrik. Soms moest je wel iets doen. Ik heb ooit na de Ronde van Frankrijk 45 criteriums gereden. Ik dacht: ik win niet elk jaar de groene trui, dus nu ga ik ervan profiteren en cashen. Dan kon je wel een opkikkertje gebruiken om twee keer per dag zeventig ronden van één kilometer op rode kasseitjes te rijden.”

Jij hebt de miserie als gevolg van amfetaminegebruik van dichtbij meegemaakt, Roger?

De Vlaeminck: “Je bedoelt Erik (zijn overleden broer, HVDW). Daar mag ik niets meer over zeggen of ze doen mij een proces aan. Wie? Mensen uit zijn omgeving.”

Frank heeft één grote koers gewonnen die jij nooit hebt gewonnen, Roger.

De Vlaeminck: “Gent-Wevelgem? Ik was vier keer tweede. Parijs-Tours en Gent-Wevelgem zijn de enige grote koersen die ik nooit heb gewonnen. Eddy Merckx heeft alleen Parijs-Tours niet gewonnen en dat is nog mijn schuld ook. Ik was supporter van Van Looy en die had alle klassiekers gewonnen. Elke Parijs-Tours reed ik op het wiel van Merckx: ik verloor, maar hij ook. Daar heb ik nu spijt van, ik zou dat nooit meer doen.”

Merckx, Van Looy, De Vlaeminck. Is dat de klassieke hiërarchie?

De Vlaeminck: “Van Looy beter dan ik? Waarom? Omdat hij alle klassiekers heeft gewonnen en wereldkampioen is geworden? Dat klopt, maar hij had tien man die voor hem reden. Die had ik niet. De mannen die bij mij reden … Als ze niet tegen mij reden, mocht ik al content zijn. Ik heb ooit zestig wedstrijden in één seizoen gewonnen: crossen, wegwedstrijden en zesdaagsen samen.”

Hoste: “Ik kan het niet verdragen dat ze Roger wegzetten met opmerkingen zoals ‘vandaag is de top breder’. Ik heb tegen Roger gekoerst maar ik heb ook Johan Museeuw en Gianni Bugno meegemaakt. Ik weet wat hij kon op een fiets en dat was niet mis.”

De Vlaeminck: “Jij was wel een rappe, maar ik heb al de rappe geklopt. Noem maar op: Rik Van Linden, Marino Basso, Patrick Sercu, jij. En ik heb tijdritten gewonnen tegen Eddy Merckx, dé specialist. En ik heb de Ronde van Lombardije gewonnen toen er nog vijf zware cols in zaten. Nu zijn dat er maar drie meer.”

Hoste: “Roger was een klasse apart. Zijn trainingsarbeid kon ik niet aan.”

De Vlaeminck: “Vierhonderd kilometer alleen trainen is een gewoonte. Werken ook. Rik Van Steenbergen moest dag en nacht op de piste zijn, wij zestien uur en vandaag nog zes uur.”

Rik Van Looy zegt: ‘Roger De Vlaeminck was de meest getalenteerde en enige echt klassieke renner van zijn generatie.’

De Vlaeminck: “En ik reed tegen Eddy Merckx, weet je wat dat wil zeggen? Als Van Looy tegen Merckx had gereden op zijn best, dan had hij Luik-Bastenaken-Luik nooit gewonnen. Merckx was niet te doen, hé Frank?”

Hoste: “Dat moet erg zijn geweest. Ik heb alleen in 1978 samen met hem in het peloton gereden. Ik reed mee in Kemzeke en ik wist niet goed wat er gebeurde. Hij stapte af en zei: ‘Ik stop.’ En wij: ‘Allee.'”

De Vlaeminck: “Ik reed kort daarvoor een criterium met hem in Frankrijk en hij zei: ‘Ik heb schrik dat ik ga moeten lossen vandaag, ze gaan mij eraf rijden.’ Als je zo denkt, dan is het tijd. Ik kon Merckx goed verdragen, ’s avonds na de koers. In de koers kon ik er niet

tegen dat hij beter was. Ik wilde hem kloppen. Hij is mij ook als laatstejaarsliefhebber komen vragen om voor hem te komen rijden. En ik met mijn stoute muile: ‘Neen Eddy, ik ga tegen u rijden.'”

Hoe was jouw einde?

De Vlaeminck: “Ik won nog zes koersen.”
Hoste: “En hij is dan herbegonnen, maar alleen voor de cross.”

De Vlaeminck: “Die laatste twee jaar heb ik alleen maar moddercrossen gezien. De goesting was rap over. Maar je moet nu eens eerlijk zijn: als Nys en ik vandaag allebei 25 jaar zijn, weet je hoeveel keer hij wint van mij in de crossen van vandaag? Eén keer op de tien.”

Periodes vergelijken is niet makkelijk en je stelt je onnodig bloot aan kritiek.

De Vlaeminck: “Ja oké, die coureurs van vandaag … Neem nu Beppe Saronni. Wat kon die? Bergop rijden, want hij won de Giro. Massasprinten ja. Tijdrijden ja. Francesco Moser kon dat ook allemaal. Freddy Maertens en Eddy Merckx ook, Bernard Hinault idem. Dat waren polyvalente coureurs en die zie je nu niet meer. Als je Merckx hebt gekend, dan heb je koers gezien. Bernard Hinault was soms zelfs nog dominanter.”

Hoste: “Hinault was verschrikkelijk. Reed een hele dag op kop in de regen met zijn regenvestje aan, met mij in zijn wiel, en ik verloor nóg de sprint van hem. Het klopt wel dat in onze tijd de goeie renners altijd vooraan reden. Ze ontsnapten of ze probeerden. Dat zie je nu veel minder. Er is wel een verschil: jij hebt de tijd meegemaakt dat de kopman vol aan de broek mocht hangen.”

De Vlaeminck: “Dat heb ik niet te veel moeten doen.” Hoste: “Toch wel, Roger.”

De Vlaeminck: “Niet gelijk Jan Raas.”

Hoste: “Dus wel. Laat mij uitspreken. Alle groten deden het en natuurlijk bleven zij dan over in de finale. Ik ben maar koersen beginnen winnen nadat tijdens het WK van 1979 is gefilmd vanuit de lucht hoe Jan Raas wereldkampioen is geworden hangend aan de broek van zijn knechten. Ineens mocht het niet meer. Ik heb nog Luik-Bastenaken-Luik gereden met Didi Thurau die honderd kilometer aan mijn broek hing. En bij elk bergje duwde hij zich twee keer af. Na zo’n eerste keer moest je terug naast hem sprinten want dan volgde een tweede ruk.”

De Vlaeminck: “Ik deed het haast niet in België. In Italië daarentegen waren de helpers kwaad als je niet aan hun broek trok.”

Wat is het grootste verschil tussen vroeger en nu?

De Vlaeminck: “Dat er maar weinig goeie coureurs zijn en dat ze te weinig rijden. Na Parijs-Roubaix rustte Boonen twee maanden.”

Hoste: “Het zijn vandaag voorgeprogrammeerde renners die in de wedstrijd als een soort PlayStation-baasjes gezegd wordt wat te doen. Ik hoorde het nog van een sportbestuurder: als je hen niet zegt in de oortjes dat de Kwaremont eraan komt, dan weten ze het niet.”

De Vlaeminck: “Peter Sagan is natuurlijk wel een hele goeie, maar ook hij neemt nogal veel vrijaf. En die twee van de cross kunnen ook uit de voeten, Wout van Aert en Mathieu van der Poel, maar toch moeten ze het nog eerst bewijzen op de weg in grote wedstrijden.”

Wat betekent sport nog voor jullie?

De Vlaeminck: “Niet te veel meer, nu ik het aan mijn rug heb. Ik denk dat ik mij kapot heb gereden na mijn carrière. Tussen mijn 40 en 60 ben ik blijven trainen als een beroepsrenner. Ik heb nog rondjes van 70 kilometer gereden, alleen, 57 jaar was ik, met een gemiddelde van meer dan 39 per uur. Ik kwam altijd piepedood thuis.”

Hoste: “Hij was niet normaal. Ik ben vier jaar langer doorgegaan en wij trainden nog samen. Lopen kon hij ook goed. Hij is nog tweede geweest in de massaloop van Gent. Eet je nog zoveel taart?”

De Vlaeminck: “Minder, wel als het koers op tv is. Dan kijk ik op tachtig kilometer van het einde en dan nog eens het laatste halfuur. Eerder gebeurt er toch niets. Bergritten probeer ik langer te kijken. Naar de radio naar Frank luisteren? (grijnst) Ik heb geen radio.”

Hoste: “Ik fiets nog wel en ik loop, maar dat is iets minder.”

De Vlaeminck: “Weet je wat mijn nieuwe passie is? Biljarten: van carambole tot driebanden. Ik heb al Ludo Dielis bij mij thuis op bezoek gehad voor een privéles. Ik wil dat spel helemaal kennen en beheersen.”

Hoste: “Zo ken ik jou.”

 

RDV-FH

Column Coachen zonder handje in De Morgen van zat 17 juni 2017

Coachen zonder handje

In onze krant en haar concurrent voor de selectieve lezer was het donderdag een Belga-berichtje waard en in de kranten met een uitgebreid sportkatern stond het ergens achterin na voetbal en koers: Oostende is kampioen in het basketbal, voor de zesde keer op rij wat een record is in België. Het is lastig wennen aan zoveel miskenning van de tweede moeilijkste sport die de mens ooit heeft uitgevonden (na ijshockey).

Maar goed dus, Oostende en niet Brussels. Bulldozer Gillet en niet de mishandelde Loubry. Gjergja en niet Crèvecoeur. Van coach Dario Gjergja zag ik in wedstrijd twee iets vreemds. Normaal is hij niet normaal en is hij ook nooit de gezelligste mens, al is hij wel eens betrapt op een lachje, ooit. Maar in een cruciale fase van de eerste gewonnen uitwedstrijd in Brussel – een nagelbijter – liet hij de televisie toe om in de laatste minuut in de laatste time-out zijn tactisch bord te filmen en zijn uitleg live uit te zenden.

Eender wie met een minimum aan tactische basketbalachtergrond zal hebben gezien waar hij naartoe wilde. Die aangereikte oplossing kwam er niet helemaal uit en ze was ook weer niet bepaald hersenchirurgie, maar Gjergja had verschillende opties en dat hij überhaupt toeliet dat de tv live zijn tactische keuze in beeld bracht, is niet minder dan wonderbaarlijk. Al zou het in zijn geval ook kunnen dat hij zo gefixeerd was op zijn coaching dat hij nooit heeft gemerkt dat de tv meeluisterde en meekeek op zijn bord. Vooral dat laatste.

Zet daar eens voetbal tegenover. Trainingen die tien minuten open zijn en dichtgaan van zodra twee spelers buiten de opwarming om naar elkaar moeten passen. Je weet maar nooit dat de tegenstander daaruit de loop- en passlijn zou kunnen afleiden en waar sta je dan als coach? Extra controle op spionnen in de bomen en achter de hekkens als standaardsituaties worden ingeoefend. Afvegen van tactische borden in de kleedkamer, vernietigen van gekopieerde instructies.

Het laatste trucje, zeg maar obsessie, is coachingadvies met de hand voor de mond. Zinédine Zidane deed het ook en geen mens die weet wat die tactisch te verbergen heeft. Zelfs spelers die je doorgaans niet van heel hoogdravende teksten kan verdenken, houden nu hun hand voor de mond. Buffon zag je het nog doen na de verloren finale van de Champions League terwijl hij met een medespeler over het veld struinde, verlaten door het geluk. Misschien beschuldigde hij wel zijn coach van onkunde en wilde hij niet dat liplezers meekeken. Stel je voor.

In het basketbal trekken ze zich daar niet al te veel van aan. Gesloten tactische trainingen bestaan er wel al langer. In hun training center in Deerfield gingen bij de Bulls de gordijnen automatisch open aan het eind van elke training, soms iets te vroeg naar de zin van Phil Jackson waarna hij ze eigenhandig per afstandsbediening weer liet sluiten. Maar de coaching gebeurt er open en bloot. Meer zelfs, de laatste jaren worden coaches gemiked (voorzien van een microotje) en wordt hun geschreeuw gebruikt om een itempje samen te stellen dat Sounds of the Game heet.

Maar nu is er iets nieuws. Wás er iets nieuws, want gisterenavond kon je als Ketnet-kijker van de cruciale World League-volleybalinterland België-Canada je commentaar kiezen. Enerzijds had je Marc Willems, vaste volleybalman voor de VRT, maar je kon ook opteren voor de livestream met de stem van bondscoach Vital Heynen. Tactische aanwijzingen aan spelverdeler en aanvallers, richtlijnen voor de service, blokopties, alles heeft het microotje op het shirt van Heynen doorgegeven.

In een hypertactische sjablonensport als volleybal is dat ongezien. In honkbal en de NFL, ook een aaneenschakeling van standaardsituaties net als volleybal, wordt gewerkt met geheime signalen om toch maar geen info vrij te geven. Het is ook opmerkelijk omdat Heynen een wereldtopper is in zijn vak, en na een passage op de Olympische Spelen in 2012 (vijfde) en het WK 2014 (derde) als bondscoach van Duitsland terug in België aan het werk is. Hij staat bekend om zijn energieke coaching en is een zelfverklaarde ADHD’er, iets waar hij graag voor uitkomt. Het spektakel was dus verzekerd.

Het is te hopen dat de Red Dragons zich vandaag en morgen tegen Italië en Frankrijk kunnen plaatsen voor de Final 6 en het is vooral te hopen dat het niet op een achterafplekje in de krant terechtkomt zoals alle vorige uitslagen. Sommige sporten verdienen echt beter dan bij het krulbollen te worden neergezet.

 

Coachen zonder handje

Verhaal over Tom Simpson in De Morgen van zat 17 juni 2017

Geofferd op het altaar van zijn sport

Hij kwam om de Tour te winnen en verliet Frankrijk in een doodskist. Als de Sagan van zijn tijd won Tom Simpson grote koersen en vermaakte de massa. Onterecht leeft hij voort als ‘de dopingdode van de Mont Ventoux’.

Vandaag, 17 juni 2017, rijden 2.500 Vlamingen namens sportfederatie Sporta in allerlei formules, van licht tot heel zwaar, op en rond de Mont Ventoux. Honderdnegenenzestig begonnen om negen uur aan de klim vanuit Bédoin in het witte shirt met zwarte blokjes van het ooit mythische Peugeot-team, een hommage aan hun gevallen strijder Tom Simpson, die vijftig jaar geleden in het zicht van de top bezweek.

In het selecte gezelschap aangevoerd door Toms jongste dochter Joanne, rijdt ook Eddy Merckx naar de top, en dat uitgerekend op zijn 72ste verjaardag. Merckx was als beginnende prof twee jaar de ploegmaat van Tom Simpson.

“Een grappige collega die een stuk ouder was dan ik en die mij wilde behoeden voor de valkuilen”, aldus de grootste wielrenner aller tijden. “Hij heeft mij dat jaar wel geflikt in Parijs-Nice door weg te springen zonder mij te waarschuwen, waardoor hij kon winnen en niet ik zoals het plan was, maar dat is nooit blijven hangen. Zo gaat het in de koers. Wat hem is overkomen, dat is níét de koers.”

Een jaar later werd in de steenwoestijn ter hoogte van de plaats waar Simpson is overleden een monument opgericht. Het initiatief kwam van het Britse tijdschrift Cycling, dat in een mum van tijd genoeg giften had ingezameld voor een gedenksteen. De Tour de France zelf zou pas in 1970 terugkeren naar de Ventoux en wie anders dan Eddy Merckx won de etappe met aankomst boven op de kale berg.

Er is die historische zwart-witfoto, ter hoogte van het monument. Met de top in zicht, achternagezeten door het hele peloton, neemt Merckx al rijdend zijn pet af voor Simpson, terwijl op de voorgrond Tour-baas Jacques Goddet naar het monument klautert. Die kransneerlegging was een van de weinige keren dat de Tour de France wilde herinnerd worden aan Tom Simpson, de Brit die naar Frankrijk was gekomen om te leren koersen zoals ze dat op het continent deden en al snel beter was dan de Fransen, Italianen en Belgen.

Geen bedevaart

Op 13 juli van dit jaar zal het precies vijftig jaar geleden zijn dat Tom Simpson in de dertiende rit overleed. Vorig jaar arriveerde de Tour de France op de Ventoux. Thomas De Gendt klopte toen Serge Pauwels in een door de mistralwind ingekorte rit die de geschiedenis in zou gaan als de meest chaotische bergrit ooit nadat Chris Froome achterop een motorrijder was geknald, waarop de geletruidrager zijn fiets weggooide en in paniek de berg opliep. In 2018, het Merckx-jaar met start in Brussel, komt de Tour wellicht ook terug. Deze editie niet en dat is geen toeval.

“Le Tour au Ventoux cinquante ans après Simpson? Jamais”, zei huidig Tour-baas Christian Prudhomme in 2013 in de beslotenheid van een UCI-commissie. “Ik wil geen bedevaart voor een gedopeerde.”

Joanne Simpson weet wat er speelt. “Van in het begin zaten ze met een dilemma. Ze hadden twee opties: of de Tour had mijn pa de dood ingejaagd, of dat had hij zelf gedaan. Daarom hebben ze na een autopsie vastgesteld dat zijn dood zogezegd is veroorzaakt door de amfetamines. Conclusie: hij heeft het dus zelf gedaan. En zo hebben ze hun zwarte pagina snel kunnen omdraaien.”

Joanne Simpson is de jongste dochter van Tom. Ze was amper vier toen hij bezweek aan hartfalen net onder de top. Zij is de realist van de familie. Bij onze afspraak woensdag in Mormoiron in de buurt van Bédoin, had ik twee boeken mee over haar vader. Het pas verschenen Major Tom Simpson van uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts kende ze uiteraard, want daar had ze zelf aan meegewerkt.

Het andere boek, daar had ze alleen over gehoord. Het heet Put Me Back on My Bike, wat volgens de overlevering de laatste woorden van haar vader zouden zijn geweest, maar ook daar bestaan verschillende versies over. Het is een sterk document, met veel feiten – mooi en minder mooi – maar uiteindelijk vol respect voor Simpson. Joanne heeft het nooit gelezen.

“Op een dag belde mama mij. ‘Joanne’, zei ze, ‘er is een boek uit van ene Fotheringham over je daddy. Don’t you ever read that book. It’s full of lies.’ Ik snap haar wel dat ze niet graag hoort dat papa ook fouten heeft gemaakt, dat hij doping heeft genomen, maar ik zie hem als een kind van zijn tijd, een slachtoffer van een cultuur.

“Ze namen allemaal amfetamines in die tijd, het zou pas vreemd zijn geweest als mijn papa dat niet had gedaan, ja toch, maar is hij daaraan doodgegaan? Ik denk het niet, maar ik heb jaren achter de waarheid gezocht. Ik heb via een advocaat het autopsierapport laten opvragen, maar dat zou vernietigd zijn. Ik denk dat ik het boek van Fotheringham toch eens ga lezen.”

Hoezeer Tom Simpson de wielermassa beroerde en wat hij betekende voor zijn sport, dat kwam allemaal samen in 1965. Dat jaar werd hij wereldkampioen in Spanje door Rudi Altig te kloppen. Kort daarna gaf hij een lang interview aan het Britse boulevardblad People en sprak open en bloot over het kopen en verkopen van koersen, over de dunne lijn tussen tonics (versterkers) en doping, en fileerde en passant ook enkele concurrenten. De Franse pers vertaalde de serie interviews, die drie weekends na elkaar voor opschudding zorgden, en suggereerde dat Simpson zijn WK-titel had gekocht. “Het cyclisme zal hem nooit vergeven”, concludeerde L’Equipe. Vijf dagen later won hij in Simpson-stijl – met een waanzinnige aanval – de Ronde van Lombardije.

Copyright © 2017 gopress. All rights reserved

Simpson maakte er zich van af met de melding dat zijn woorden waren verdraaid. Hij kwam er mee weg en bleef de allemansvriend, de exoot die een kampioen onder de kampioenen was geworden, eloquent in verschillende talen, aanvalslustig als geen ander en bovendien succesvol. In 1961 won hij als 23-jarige al de Ronde van Vlaanderen. Kort daarna werd hij Gentenaar.

Geen collega – levend of dood – die een kwaad woord over Simpson sprak of spreekt. Ook de jonge Merckx niet, want enkele dagen na zijn stunt in Parijs-Nice reed Simpson zich de ziel uit het lijf om zijn jonge collega aan zijn tweede overwinning op rij in Milaan-San Remo te helpen. Simpson had die zelf al in 1964 gewonnen, maar Parijs-Nice nog nooit. Winst in zijn eerste rittenkoers ooit was een prima voorteken voor zijn grote doel van 1967: de Tour de France winnen als kopman van de Britse ploeg.

Plaag van het peloton

Het exacte antwoord op de vraag wat haar vader precies is overkomen op die fatale dertiende juli 1967 zal Joanne Simpson nooit krijgen. Daarom alleen al is het onterecht om Tom Simpson als dopingdode te brandmerken. Jawel, hij had doping in zijn achterzak van zijn shirt en hij had wellicht doping genomen, maar is hij daaraan doodgegaan? Als het de wijdverspreide amfetamines waren, de plaag van het peloton vanaf de jaren 50 tot diep in de jaren 70, waarom is hij dan als enige bezweken?

Amfetamines hadden hun reputatie verworven tijdens de Tweede Wereldoorlog als energiepil voor de soldaten op het slagveld en de piloten in hun vliegtuigen. Ze werden vanaf de jaren 50 massaal geslikt in de sport en later ook in de maatschappij als eetlustremmer.

De beste, duurste versie was Tonedron (bijnaam tonton), die werkte op middellange termijn. Wilde je direct effect, dan nam je Pervitine (bijnaam tintin). Bij Simpson is Tonedron gevonden in zijn shirt en getuigenissen van ex-ploegmaats en verzorgers zijn eenduidig: hij was zoals veel renners van zijn generatie behoorlijk afhankelijk van de pillen om te presteren.

Maar er was meer aan de hand die dag of die week. Het was een zware Tour – 4.800 kilometer lang – en Simpson had een paar dagen eerder diarree opgelopen. Zijn mecanicien Harry Hall, die hem tijdens die klim terug op zijn fiets had geholpen en erbij was toen hij neerzeeg, had bij de start van de etappe nog getuigd hoe hij na de vorige rit met een tuinslang de spetters stront van zijn kader had moeten spuiten.

Zijn ploegleider bij Peugeot had hem die ochtend bij de start gezien en zag diepliggende ogen in een grauw gelaat: hij gaf hem de raad niet te diep te gaan. Simpson stond bekend als iemand van tot het gaatje en ver daar voorbij. Een jaar eerder was hem in de Vuelta een appelflauwte overkomen. Fietsen tot je erbij neervalt is evenwel geen kunst, maar een medisch probleem. Vandaag zou Simpson uitgebreid worden getest en misschien zelfs zijn vergunning worden geweigerd, want flauwvallen bij zware inspanningen wijst vaak op een hartprobleem.

‘Tom, ne fais pas le con’

Het was die dertiende juli ook nog eens bloedheet en in die tijd bestond de regel dat er twee flessen van een halve liter op de fiets mee mochten en nog eens twee mochten worden aangereikt bij de bevoorrading, maar alleen in hele lange ritten. Drank vanuit de volgauto was verboden en motoren met gekoelde blikjes cola en waterflesjes reden er toen ook niet rond. Bovendien deed in het peloton nog steeds het riedeltje de ronde dat veel drinken nergens goed voor was, behalve om dikke poten te krijgen en dat wilde je niet, renner zijnde.

In Bédoin aangekomen bestormde het dorstige peloton het Café de l’Observatoire en plunderden de helpers voor hun kopmannen het café. Simpson kreeg cola van zijn helper Colin Lewis en ook een halflege fles cognac die hij ook uitdronk, rekenend op verdoving door de alcohol. Die hele rit naar de voet van de reus van de Provence had hij afgezien en zijn droom om de Tour te winnen, was gaan vliegen. Maar dit was Tom Simpson: nooit opgeven was zijn handelsmerk. De uitdroging had haar sloopwerk al verricht. De elektrolyten, broodnodig voor de samentrekking van de spieren, waren samen met het vocht verdwenen en niet aangevuld. Het hart is ook een spier en uitdroging kan hartritmestoornissen veroorzaken.

Lucien Aimar, de uittredende winnaar, merkte in de klim na Chalet Reynard dat Tom Simpson helemaal op was. “We zagen af bij de beesten, maar hij wilde mij steeds weer losrijden, nam vijf meter en zakte dan zwijmelend terug tot bij mij. Ik zei: ‘Tom, ne fais pas le con, on reste ensemble.’ Hij wilde niet luisteren. Arme jongen, ik hield van Tom, wij hielden allemaal van Tom.”

Toen hij daar lag, als geofferd op het altaar van zijn sport, dachten alle renners die voorbijreden: o jee, zie daar Tom, weer eens te diep gegaan. Er is een poging tot reanimatie geweest door ene dokter Dumas. Volgens de overlevering maakte die fouten, maar ook dat klopt niet. Tom Simpson had vandaag misschien gered kunnen worden door een defibrillator, maar die hadden ze toen niet. De hartmassage en beademing haalden niks meer uit. Tom Simpson stierf die dag door een combinatie van factoren, maar niemand die ooit zal weten waar het echt aan lag.

Niet langer haatplaats

Behalve een bezoek aan het pas opgerichte monument samen met haar zus, mama en haar nieuwe man Barry Hoban, de beste vriend en een collega van Tom, is Joanne Simpson voor het eerst teruggegaan naar de Ventoux in 1997, twintig jaar na zijn dood.

“Over daddy werd nog veel gepraat, maar de Ventoux, dat was voor ons Simpsons een no go-zone. Ik ben toch gegaan, na een jaar trainen. In twee uur was ik boven. Sindsdien doen we elke vijf jaar iets. In 2002 zijn we vanuit Gent vertrokken. Dertien etappes, ook geen toeval. Papa is op de dertiende gestorven in de dertiende etappe, met rugnummer 49 in ’67, wat telkens opgeteld ook dertien is.”

In 2007 bouwde ze trappen. Er waren er al twee, ze goot er elf bij, samen dertien. Kostprijs 15.000 euro. Daarvoor heeft ze vijf jaar lang elke avond tijdens de Gentse Zesdaagse de hand opgehouden. Ze kreeg van de Belgen 2.000 euro samen. Tot Cycling een artikeltje wijdde aan haar levensdoel en de Britse lezers in geen tijd 13.000 euro stortten, waarna ze de trappen kon laten afwerken. In 2012 beklom Joanne de Ventoux van de drie kanten en dat in één dag. Ze is daarmee Cinglé du Ventoux. En dit jaar staan er twee events op het programma.

“We hebben de trappen met graniet kunnen bekleden. Zomaar geschonken en gratis geplaatst, met gratis lijm, en nog wat hulp van andere mensen en van Sporta, dat de Memorial Tom Simpson organiseert.”

Zelf organiseert ze op 13 juli, de dag van zijn dood, een rit naar de top. Tweehonderd mensen zullen er zijn, onder wie ook twintig Australische familieleden. “En nadien houden we een groot feest.”

Vijftig jaar na die fatale dertiende juli die de levens van een jonge familie, maar ook van de jonge Britse wielernatie en bij uitbreiding de hele wielerwereld, even deed stilstaan, is de Ventoux niet langer de haatplaats van de Simpsons. Op de boekvoorstelling van Major Tom Simpson, een legende leeft voort klonk het zelfs zo: “Welke betere plek om dood te gaan voor een coureur dan de Ventoux?”

 

Tom Simpson

Column Jordan of Curry (NBA) in De Morgen van zat 10 juni 2017

Jordan of Curry?

Tijd voor een beetje (andere) sport. Als u deze ochtend wakker bent geworden, en dat is te hopen voor u, surf dan eens naar nba.com en check de uitslag van de vierde wedstrijd van de NBA finals tussen Golden State Warriors en Cleveland Cavaliers die afgelopen nacht is gespeeld in Cleveland.

Als Golden State de vierde wedstrijd heeft gewonen – op het veld van de Cavaliers – dan zijn ze het eerste team in de geschiedenis van de NBA dat de titel pakte door foutloze play-offs af te werken. 16-0: zestien keer gewonnen en geen enkele keer verloren. Dat zou na de overwinning van de Cubs in het baseball vorig jaar opnieuw een mijlpaal zijn in de Amerikaanse sportgeschiedenis.

Als u niet vertrouwd bent met de Amerikaanse sport: een team wordt kampioen als het vier wedstrijden in een maximale serie van zeven wint. In de NBA zijn aan die finale drie ronden voorafgegaan: tegen Portland, Utah en San Antonio werd telkens de serie met 4-0 gesweept, zoals de Amerikanen dat zo mooi zeggen.

Vorig jaar leidden de Warriors na een fenomenaal seizoen waarin ze in 82 wedstrijden maar 9 keer verloren, ook met 3-1 in de finale tegen diezelfde Cavaliers. Jammer genoeg verloren ze daarna drie keer op een rij. In de zevende beslissende wedstrijd, nota bene in eigen zaal, kregen ze een koude douche van LeBron James, die daarmee zijn derde NBA-ring haalde. De kans op nummer vier is microscopisch klein want nog nooit heeft een basketbalteam een 3-0-achterstand in de finale kunnen ophalen.

Drie ringen kan voorlopig volstaan, wat James betreft – net zoals het een opluchting was dat Kobe Bryant bleef hangen bij vijf – want anders laait de discussie weer op over wie nu de beste speler aller tijden is: Michael Jordan of LeBron James? Maar als de Warriors winnen, zal evengoed de discussie losbarsten welk team nu beter is: de Bulls van 95-96 of de Warriors van dit seizoen? De enige met ervaring in beide teams is de huidige coach van de Warriors, Steve Kerr. Hij speelde bij de Bulls van Jordan, Pippen en Rodman. Hij is er één keer over ondervraagd en wilde geen uitsluitsel geven.

Periodes vergelijken is ook onzinnig. Hoewel het met de fysieke capaciteiten van de bevolking achteruitgaat, staat het vast dat de outliers – de buitenbeentjes, de elite – nog steeds beter wordt. Het aanbod mag dan wel minder zijn – de jeugd is wereldwijd vadsiger, dikker en minder mobiel -, de natuurlijke talenten worden beter opgepikt en beter ontwikkeld.

Alleen al daarom zouden de Golden State Warriors van vandaag het wellicht halen van de Chicago Bulls van toen. De vista en spelintelligentie zal in twintig jaar misschien weinig zijn veranderd, maar de fysieke présence, snelheid van uitvoering en de hele medische begeleiding tot en met voeding is in een stroomversnelling terechtgekomen. Daardoor is het algemeen atletisch vermogen nog vergroot (althans in populaire sporten) en zoals bekend is fysiek nog steeds dé discriminerende factor in teamsport.

Michael Jordan of Stephen Curry, de spelverdeler van de Warriors, is nog zo’n discussie. Jordan heeft zes titels, Curry één. Curry kan/zal op twee komen, maar is pas 29. Jordan won toen pas zijn eerste titel. Jordan was ook een ander type speler, acht centimeter langer, speelde op een andere positie. Curry verknoeide dan weer die 3-1 vorig jaar en dat is Jordan nooit overkomen. Die domineerde, heerste, controleerde en won altijd als het er om ging.

Er zijn nog verschillen, zoals de reglementen. De Bulls profiteerden met hun triangle offense van een driepuntlijn die toen iets dichter lag dan vandaag, maar hadden dan weer het nadeel van de hand-checking. Verdedigers mochten tot 2004 een speler met de hand in de rug afhouden en zelfs wegduwen – te vergelijken met wat zich in het voetbal bij corners afspeelt. Is Curry spectaculairder dan Jordan? Soms wel, maar hij zou twintig jaar geleden nooit die open boulevards naar de ring hebben gekregen.

Dat Jordan ook vandaag zou hebben gedomineerd, dat staat wel vast. Net zoals Jesse Owens met zijn talent getransporteerd naar vandaag ook olympische finales zou lopen en misschien wel Usain Bolt kloppen. En Eddy Merckx in zijn tijd misschien trager de Tour reed dan vandaag en dus op papier niet mee zou kunnen, maar in de realiteit Chris Froome duchtig het vuur aan de schenen zou kunnen leggen.

 

 

Jordan of Curry

Portret/interview Thomas Pieters in De Morgen van zat 10 juni 2017

‘Van golfen kun je enorm gefrustreerd raken’

Aan golfetiquette heeft hij een broertje dood, aan Amerika ook, vliegtuigen haat hij, gras en bomen geven hem hooikoorts en de eenzaamheid valt hem soms zwaar. Maar dat weegt niet op tegen de ambitie van Thomas Pieters om de beste speler ter wereld te worden.

Wentworth Golf Club, ten zuiden van Londen, enkele weken terug. Twee dagen voor het PGA Championship valt nog maar weinig activiteit te bespeuren op de course. Alleen op de driving range wordt duchtig gemept door de keur van golfers van de European Tour. Veel jonge gasten, atletische lichamen en daartussen één basketbalspeler met het postuur van een NBA-guard. De lange jongen met de brede schouders en de gespierde, rechte rug staat bij een bordje met een Belgisch vlagje.

Elke concullega met wie hij oogcontact maakt, krijgt een hug, een aardig woordje of een vriendschappelijke tik met de iron 9. Tussendoor slaat hij twee keer een half uur ballen heel ver weg, verder dan een zwaar gehandicapt golfer kan bevroeden en vooral zoveel preciezer. Golf is vooral het moeilijkste, mentaal meest veeleisende spel ooit en een Belg, een Vlaming uit de middenklasse nog wel, wil de allerbeste worden. Thomas Pieters is zijn naam, zijn accent is onmiskenbaar Antwerps, zijn babbel rechttoe rechtaan.

Na de driving range stapt hij de baan op voor negen holes. In zijn zog Thomas Detry, Brusselaar, studiegenoot op de University of Illinois en een jaar jonger. Detry was net niet goed genoeg gerankt om op donderdag te mogen starten. “Thomas (Thomá uitgesproken) slaapt bij Thomas (met s, op z’n Vlaams) op de kamer. De Tour is duur voor een beginnend golfer en Thomas heeft graag gezelschap.” Aldus Lieselotte Pieters, zus van, maar ook manager, steun en menselijk schild.

De eerste kennismaking met de baan waar hij de eerste twee dagen op zal schitteren, verloopt voorspoedig. Dit is het tiende toernooi van het jaar, het is dicht bij huis en de course bevalt hem. Onderweg naar hole negen versnelt hij zijn anders al stevige pas bij het zien van bekende gezichten. Mama Pieters staat discreet opgesteld in de schaduw maar zoonlief heeft haar gezien en omhelst haar. Ook het neefje van acht maanden en schoonbroer delen in de groeten. De clan Pieters is gedeeltelijk herenigd, het toernooi mag beginnen. Lieselotte: “Hij wil er ons zo vaak mogelijk bij. Mijn broer lijkt dan wel erg afstandelijk, maar dat is eerder pose.”

Perfectionisme en oplapwerk

Op het toernooi in Wentworth hing zijn portret dinosaurushoog aan de grandstand, naast de groten der aarde in zijn sport. Mede het gevolg van zijn schitterende Ryder Cup die hij namens Europa afwerkte en waarin hij het beste rookieresultaat ooit neerzette, en van zijn vierde plaats op de Masters in Augusta, het Wimbledon van het golf. Hij had van de mural gehoord. Naar het schijnt hang ik om de hoek, was zijn reactie, en hij zou weleens gaan kijken. Veel van wat Pieters doet, lijkt op desinteresse, maar onder dat laagje vernis, dat airtje van ‘wtf, wie doet mij wat?’ borrelt een vulkaan van emoties. “Mijn broer is een perfectionist en perfectionisten zijn nu eenmaal niet makkelijk gelukkig te maken.”

Dat bleek op Wentworth, waar hij na dag twee mee aan de leiding stond, maar op dag drie een offday kende. Die avond kwam er heel wat oplapwerk aan te pas. Zus: “Eerst zat hij in zijn eentje wat op zijn kamer, maar dat mag niet te lang duren. Wij zijn hem gaan halen en hebben een uur of drie gepraat. Golf is zo’n eenzame sport. Het is vooral treurig als je hem volgt en je ziet hem struggelen en kopje onder gaan.” Een dag later herpakt hij zich en speelt een schitterende ronde. Nog geen jaar terug deed zich hetzelfde voor in Rio op de Spelen: twee goeie dagen en een desastreuze derde. Hij werd er nog vierde, net buiten de medailles.

Je zus zegt: hij staat daar dan mooi bovenin en dan legt hij zichzelf te veel druk op. Weer dag drie, gaat dat op den duur in het hoofd zitten?

Thomas Pieters (spottend lachje): “Het is te hopen van niet, maar het lijkt mij wel een werkpuntje. Het blijft ook een beetje een raadsel voor mij en ik kan alleen maar hopen dat het met de jaren beter wordt.

“Nu was de derde dag op Wentworth ook een hele bijzondere dag met vreemd weer. Niemand presteerde naar behoren, maar bij mij was het echt slecht. Van bij die eerste hole had ik niet het juiste gevoel en dat werd steeds erger.”

Golf is de totale mindfuck.

“Ze vergelijken golf soms met tennis, maar er is een groot verschil. Tennis is zo snel dat je altijd een nieuwe kans hebt. Verlies je tien minuten je concentratie in tennis, dan ben je een paar spelletjes kwijt. Doe je dat in golf, dan is je hele toernooi misschien om zeep of haal je de cut na dag twee niet en mag je naar huis. Golf is vier dagen op een zo hoog mogelijk niveau spelen, zonder diepe dalen.

“Het is ook de sport waarvan je bijzonder gefrustreerd kunt raken. Die woedebeheersing heb ik wel moeten leren, maar ik heb bijvoorbeeld geen mental coach. Ik heb twee jaar geleden wel een paar bezoekjes gebracht aan Rudi Heylen (o.m. sportpsycholoog van Club Brugge, HV) om wat meer controle te krijgen, en hij heeft mij goed geholpen.

“Maar de beste manier om geen clubs meer over je knie te breken uit nijdigheid, is beter gaan spelen. En de boetes die mijn caddie mij oplegde: voor elke club die ik brak, moest ik 500 euro aan een goed doel schenken. Dat liep aardig op. Als je dat bovendien doet in primetime op televisie, krijg je ook nog eens een boete van de Tour. Uiteindelijk moet ik na een foute slag gewoon leren redeneren ‘het is maar golf’ en dat gaat mij steeds beter af.”

Tennissers klagen soms over hun eenzame, lange verplaatsingen, maar jullie golfers zijn de mijlenvreters van de sport.

“Dat valt dan bij mij nog mee omdat ik de toernooien meer en meer kan uitkiezen. Detry komt nog maar kijken en die heeft een helser schema.”

Hoezo? Als jij volgende week terugkomt van de US Open, heb je het voorbije jaar meer dan 220.000 kilometer gereisd.

(haalt de schouders op) “Je hebt gelijk: het reizen is een van de dingen die ik het meest haat aan mijn sport. Mijn lichaam kan daar trouwens niet goed mee om, ik voel dat. Dat vliegtuig met die ijle, gerecycleerde lucht en al die bacteriën die daarin hangen, een mens is daar niet voor gemaakt. Er moet er maar één in het vliegtuig zitten met een virus of foute bacteriën en iedereen deelt in de miserie.

“Mijn immuunsysteem reageert daar heel slecht op. Ik ben al zo vaak bij dokters geweest om mij wat sterker te maken, maar niks helpt. Zestig procent van de tijd heb ik wel iets: ontstekingen of verkoudheden, en als gevolg daarvan weer slaaptekort en zo hoopt dat zich op.

“Momenteel heb ik vooral last van pollenallergie. Als mijn vriendin ’s morgens naast mij wakker wordt, schrikt ze zich dood. Ook daaraan probeer ik wat te doen. Ik volg nu een drie jaar durende kuur en dan zou het moeten voorbij zijn. Deze periode is dramatisch, het is alsof het sneeuwt met al die pollen in de lucht. Eigenlijk ben ik best niet buiten in de natuur en kom ik maar beter niet in de buurt van gras en bomen. Behoorlijk lastig voor een golfer.”

Sommige golfers volstaan met een caddie, maar jij bent omringd door een heel team. Ik zag je bij de driving range druk in gesprek met je coach, maar je hebt zelfs een statisticus in dienst.

“Hoewel ik over het algemeen niet te vinden ben voor verandering, zijn we wat dingen aan het bekijken met de clubs, allemaal erg golftechnisch maar zo heb ik het graag: alles om de controle over mijn spel op te voeren.

“Die statisticus heeft al bewezen bij andere spelers dat hij hun spel kan verbeteren. ‘Beter’ betekent minder slagen nodig hebben om de achttien holes af te werken en daar kun je niet genoeg aandacht aan besteden.

“Ik heb volledig vertrouwen in de mensen rond mij. Als mijn coach op de driving range zegt ‘doe nu dit eens’, dan doe ik dat. Als mijn caddie zegt dat ik moet eten, dan eet ik. Over de clubs en hoe we een hole gaan spelen, beslissen we samen.”

Je familie moet er ook zo vaak mogelijk zijn?

“Ja, die zijn keibelangrijk. We wonen ook samen in hetzelfde gebouw. Mijn zus op het vierde, broer op het derde en ik op het tweede, samen op ’t Eilandje in Antwerpen. Toen ik 15 was en goed begon te worden, hadden we het er vaak over, mijn broer, mijn zus en ik: ik zou als prof gaan golfen, zij zou mijn management doen en mijn broer het creatieve. En zie, het is helemaal gelukt. Natuurlijk voel ik af en toe wel een bepaalde verantwoordelijkheid want ons bedrijfje draait niet als ik niet meer presteer, maar daar moet je niet te veel aan denken.”

Je houdt niet van de Verenigde Staten, maar ben je niet zelf een beetje op Amerikaanse leest geschoeid?

“Je bedoelt mentaal? Dat kan wel kloppen. Ik was zeer technisch, analytisch toen ik naar de University of Illinois trok en ik heb dat kunnen loslaten en ben daar iets meer emotioneel geworden. Never give up, val je zeven keer, sta acht keer op, dat soort peptalk. Allemaal oppervlakkig als je er dieper op ingaat, maar het positivisme van de Amerikaan helpt hen wel in de sport.”

Je presteert wel op grote momenten: vierde op de Spelen en nu de Masters, een opvallende Ryder Cup…

“Ik vind dat plezant (lacht), het gevoel het te doen als het moet. Ik leef daarvoor. Ik heb soms moeite om mij voor kleine toernooien op te laden. De Ryder Cup spelen is het beste gevoel dat je als golfer kunt hebben. Als je dan een paar weken later in Portugal speelt voor tien keer minder mensen, is dat toch iets anders.”

Body language, nog zoiets. Probeer jij te imponeren door je gestalte?

“Ik ben zo opgevoed. Schouders achteruit, tieten naar voren. Het klopt wel dat ik die body language ook gebruik en ik ga ook vaak fitnessen. Ik ben een van de langste spelers van het circuit en ik wil dat de andere met wie ik speel, ziet dat ik er sta. Het dient nergens toe om je schouders te laten hangen als het minder goed gaat, al was het maar als signaal naar je eigen hersenen. In golf moet je hard opletten voor zelfdestructie.”

Maar onderling gaat het er wel gezellig aan toe, heb ik de indruk. Weinig haat en nijd of afgunst.

“Dat komt omdat het zo vreselijk moeilijk is om op de Tour te komen en nog veel moeilijker om een toernooi te winnen. Dat gezellige geldt dan weer alleen voor Europa. Wij grappen onderling en gaan ’s avonds samen wat eten. In de VS zijn de spelers veel meer op zichzelf en gunnen ze de anderen zo weinig mogelijk. Daarom speel ik ook het liefst op de Europese tour, al zitten daar ook toernooien in het Oosten en Australië bij. Ik denk ook niet dat ik naar de Amerikaanse tour moet om nummer één te worden (hij is nu 24ste op de wereldranking, HV). Nick Faldo, Ian Woosnam, Bernhard Langer en Severiano Ballesteros zijn ook in Europa gebleven en zo eerste geworden. Oké, sinds Tiger Woods is het prijzengeld in de VS gigantisch gestegen. Ieder- een zegt dan: ga in Florida wonen en reis van daaruit, maar ik ben het liefst dicht bij de familie.

“Als die er zijn, én er zijn veel Belgen die mij volgen, zoals op de Spelen, dan voel ik mij ook verplicht – positief bedoeld dan – om iets terug te doen. Voor mensen die de halve wereld zijn afgereisd om mij te zien, mag je weleens je best doen.”

Dáárom ben je vierde geworden in Rio, voor de supporters. Het was de mooiste van alle vierde plaatsen die België behaalde.

“O ja. Voor mij was het de meest frustrerende vierde plaats ooit. Die deed veel meer pijn dan de vierde op de Masters. Een medaille kunnen winnen voor je land, is er iets mooiers in de sport?”

 

 

Thomas Pieters

Interview JM Dedecker over judoschandalen in De Morgen van zaterdag 3 juni 2017

‘De leeuw moet met zijn poten van het lam blijven’

Elke onthulling van grensoverschrijdend gedrag was een steek door het hart van de godfather van het judo. De conclusie van Jean- Marie Dedecker is zo direct als zijn ‘my way or the highway’-coaching destijds: het judo moet gered en trainer D.B. moet op de highway.

Disclaimer: interviewer en geïnterviewde hebben een voorgeschiedenis van dertig jaar, in een relatie als coach-journalist, coach- bobo, coach-ghostwriter (van zijn eerste boek Ik, Jean-Marie Dedecker), politicus-criticus en vandaag, na al die kilometers samen, weten we het niet meer. Als we met de fotograaf naar de rand van Plassendalevaart wandelen, glinstert in de verte de hoogbouw van Middelkerke. “Is het daar dat jij burgemeester gaat worden?”, vraag ik hem spottend.

“Zou kunnen”, zegt hij. “Het ziet er niet slecht uit, maar dat is nu wel het verste van mijn zorgen. Die judo, dat zit mij hoog.”

Nooit gedacht dat ik je nog eens zou moeten interviewen.

Jean-Marie Dedecker: “Neen, ik ook niet, en dan nog over iets waarvan ik zeventien jaar geleden definitief afscheid had genomen. Dacht ik.”

Je kunt de man uit het judo halen, maar niet omgekeerd. Volgens je zoon Dimitri trek je je dit erg aan.

“Ik vind het vreselijk. Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Ann Simons heeft mij op voorhand gewaarschuwd dat er van alles zat aan te komen. Ik heb haar de raad gegeven om de waarheid te vertellen en ik geloof haar verhaal. En daarna is het begonnen met dat weekenddossier in De Standaard. Ik was het voorbije weekend in de Ardennen, er even rustig uit met de familie dacht ik, maar ik hing de hele tijd aan de telefoon. Ik heb bijna iedereen gesproken die van iets wordt beschuldigd of die zelf beschuldigt.”

Wat zijn je conclusies?

“Dat de judobond een augiasstal is. Dat het judo – nota bene de meest succesvolle Belgische sport – sportief is afgegleden. En dat daar nog eens bovenop de moraal en de ethiek van een prachtige oosterse sport kapot is gemaakt.

“Twintig jaar na onze grootste triomf hier op het EK in Oostende (negen medailles, waaronder zes Europese kampioenen, HV), beleven we nu ons grootste debacle. Ik vind het vooral jammer voor al onze olympische, Europese en wereldkampioenen. Zelfs de moeder van Ulla Werbrouck heeft mij gebeld om te vragen wat er allemaal aan de hand is.”

Hoe is het zover kunnen komen? Weet je waar en wanneer het is begonnen?

“Op de topsportschool in Antwerpen, die ik heb helpen oprichten, daar is het grensoverschrijdend gedrag begonnen. Zes maanden later was ik weg uit het judo en een hele tijd later zijn daar drie trainers moeten vertrekken. Eén is veroordeeld voor ongepast seksueel gedrag en nog een andere voor dronkenschap. De details ken ik niet, maar het was verdorie een school en leraars horen onberispelijk te zijn en al helemaal bij de elite die topsport is.”

In 2006 werd Ann Simons voor het eerst geconfronteerd met trainer D.B. op het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité. Je wist dat?

“Ik heb dat toen vernomen, maar ik was daar niet bij betrokken. Ik heb altijd gedacht dat het was uitgepraat tussen die trainer en Ann.”

Als de judobond haar contacteert om een sportieve job in te vullen en daarbij meldt dat zij aan D.B. moet rapporteren, dan zou je er voor minder opnieuw over beginnen, Simons zijnde.

“Daar kan ik mij iets bij voorstellen. In het geval van Ann Simons en de expliciete opmerkingen aan haar adres, zal ik heel eerlijk zijn: in eerste instantie heb je de neiging om te zeggen dat ze daar niet zoveel spel van moet maken.

“Ikzelf heb dat soort opmerkingen over kleine of dikke borsten en seks nooit gemaakt ten aanzien van atleten, maar ik zou er toen, in wat ik onze harde periode noem, in het geval van een volwassen atlete als Ann niet zwaar aan hebben getild. Ik zou hebben gedacht dat het hoort bij het hardmakingsproces van topsport. Vandaag zie ik dat anders, zoals alles vandaag anders is dan twintig en dertig jaar geleden.”

Er zijn ook getuigenissen van ongewenste aanrakingen.

“Die geruchten waren er destijds ook al. Het is pas helemaal erg als dit allemaal binnen de topsportschool is gebeurd zoals een paar meisjes vertellen. Heel vreemd dat niemand dat vroeger heeft gerapporteerd, want de directeur van de topsportschool was Frans Van Den Wyngaert en die stond bekend als erg streng.”

Klopt het dat D.B. nu meer vuilnis in zijn hoek krijgt dan hij verdient?

“In hoever er al of niet sprake is van een afrekening, moet worden uitgezocht. Eén van de getuigen, Niki Heylen, heeft in 2003 in de topsportschool geklaagd over het gedrag van D.B. en is daarop geschorst. Later heeft ook Dylan, de zoon van haar trainer en inmiddels ook haar man Luc Van Nuffel, een probleem gehad, in zijn geval een gemiste WK-selectie, ook door D.B. De rechter stelden hen in het gelijk. Er waren ook klachten tegen die club (het vroegere KV Judo en nu Antwerp United met zetel in Borsbeek, HV) vanuit het buitenland, waarna de bond is opgetreden. Maar wat daar allemaal van waar is en wat gefabriceerd is, moet worden onderzocht.

“Er is veel oud zeer tussen beide partijen en de laatste getuige – Cindy Dandois – komt óók uit die hoek. Om dat uit te klaren, weegt een tuchtcommissie te licht. Bovendien zit die bij de judofederatie vol met leden van de raad van bestuur. Een onafhankelijke onderzoekscommissie onder voorzitterschap van een magistraat kan dat beter reconstrueren en heeft meer kans om de waarheid te achterhalen.”

Het wordt woord tegen woord.

“Ja, lastig. Maar ik begrijp niet dat D.B. pas woensdag op non-actief is gezet. Ik begrijp nog minder zijn vreemde persbericht van dinsdag dat hij nooit ergens is van beticht. Dat is natuurlijk niet waar en uit de politiek weet ik: stilzitten, als je wordt geschoren.

“Ik twijfel er niet aan dat het voor hem binnen de judostructuren einde verhaal is. Dat persbericht, eigenlijk een soort patersbriefje waarin hij alles ontkent, was bijzonder ongelukkig. Hij zal wel niet tevreden zijn als hij dit leest en ook niet met wat ik bij Van Gils en gasten heb gezegd, namelijk dat hij weg moet, maar nogmaals: de hele zaak moet tot op het bot worden uitgeklaard.

“Anderzijds hebben enkele trainers mij bevestigd dat er wel degelijk sprake zou kunnen zijn van een vete en dat vooral zijn selectiepolitiek hem niet populair gemaakt heeft. Stel je maar één moment voor dat er inderdaad dingen zijn verzonnen, dan is er sprake van broodroof want die man is ook kinesitherapeut.”

Woensdag stond een opinie in onze krant van een professor die vindt dat selecties transparanter moeten worden en niet meer door één coach mogen worden gemaakt om afhankelijkheid van de atleet tegen te gaan.

(blaast en draait met zijn ogen) “O ja? Topsport is een aparte wereld, met aparte wetten. Topsport is geen democratie, maar een dictatuur. Wie nooit iets te maken heeft met topsport, zal nu op zijn achterste poten staan, maar wij zitten er lang genoeg in om te weten wat ik daarmee bedoel. Ach, dat is ook het probleem met die breed uitgesmeerde gevallen: iedereen heeft nu een opinie.

“Zeg tegen iemand die judo niet kent, dat er een sport bestaat waarbij je tussen de benen moet grijpen en met je biceps op de ballen van de andere moet duwen, dan denkt die meteen aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat je tegen die ballen duwt, is bedoeld om hem pijn te doen als hij beweegt. Om een signaal te geven dat die houdgreep dertig seconden moet duren want dan heb je gewonnen.

“Ik ben ook de eerste tien jaar als bondscoach op de training af en toe op mijn vrouwelijke atleten gaan liggen. Tot ik in 1991 een assistent kreeg, kon die dat doen. Dat was om hen beter te maken, maar het wordt natuurlijk een ander verhaal als je daarbij obscene gedachten en een erectie krijgt. Dan is het over en uit.”

Onder het mom van eigen wetten voor topsport kunnen we fout gedrag nooit minimaliseren.

“Neen, dat doe ik ook niet. Ik probeer het te objectiveren. Maar of het nu een beetje erg is of heel erg, het is erg genoeg om te zeggen: tot hier en niet verder. Opkuisen die boel.

“Er zitten overal foute mensen in de sport, dus ook in het judo. Neem nu de Nederlander Peter Ooms die ik destijds tegenover mij had als coach en die door drie atletes is beticht van seksueel misbruik. Ik ben vaak met hem en mijn atlete Ingrid Berghmans en zijn Irene de Kok als laatste overgebleven voor een of andere finale. Ik zag toen wel dat die twee een andere relatie hadden dan Ingrid en ik en dat er wat fout zat. Als je het achteraf allemaal hoort, schrik je wel.

“Tegen de Oostenrijker Peter Seisenbacher, twee keer olympisch kampioen, loopt een Europees aanhoudingsbevel voor aanranding van kinderen. Hij is gevlucht naar Georgië waar hij bondscoach is. En in Cuba hebben twee judoka’s een kind van dezelfde bondscoach en dat is dan weer een ander verhaal. In sommige landen raak je makkelijker in de selectie en mag je naar het buitenland als je je trainer pijpt.

“Momenteel loopt er nog een zaak in het Vlaamse judo. Bij een ontgroening zou een jongen met zijn bloot gat op het gezicht van een andere zijn gaan zitten. Daar wordt moord en brand over geschreeuwd. Dat zijn allemaal voorbeelden uit het judo, maar is dat nu typisch voor het judo of is dat toeval?”

Jouw erfenis wordt alvast besmeurd.

“Ja, maar ik sta zelf boven alle verdenking. Ik was allergisch voor dat soort gedrag. Never fuck your athlete vind ik een heilig principe en ik had geen moeite om mij daar aan te houden. Het is ook nooit bij mij opgekomen om met een atleet aan te pappen of zelfs dat soort opmerkingen maken. Ik ben zelfs tegen een relatie tussen coach en atleet, omdat je dan je gezag verliest. Je bent coach, vader, toeverlaat maar ook af en toe beul en wie je graag ziet, die kun je geen pijn doen.

“Grensoverschrijdend gedrag? Daar hadden wij geen regels voor. Ik wist wat er leefde en ik besliste wat kon en niet kon. Ik heb ooit een nieuwe kinesist weggestuurd die op stage in Hooglede een techniek toepaste om via de vagina het bekken recht te zetten. Het schijnt dat die techniek bestaat, maar dat kun je niet maken. Dus weg ermee.

“Het ergste is dat ook iedereen uit mijn tijd nu met de nek wordt aangekeken, ook de mensen achter de schermen die met de jeugd bezig waren. Neem nu Freddy Bellon, die twintig jaar lang de jeugd heeft opgeleid en afgeleverd aan mijn seniorenteam. Nooit ook maar één moment is die man in opspraak gekomen, maar nu is onze sport die van het grote misbruik. Daar wil ik tegenin gaan.”

De Ardeense saunastages, wat is daar van aan?

“Ik ken die man. Ik ken ook zijn vrouw. Die zijn altijd samen, ook in de sauna of de jacuzzi, en voor mij staan die boven alle verdenking. (Iets later belt de betrokkene om te klagen over hoe hij in de pers is opgevoerd, HV) Ik ben zeker dat die man niks kan worden verweten. Een sauna na een judotraining is welkom, maar vandaag, tegen een achtergrond van post-Dutroux-preutsheid, is naakt in de Ardennen in een sauna ineens fout. Daar doe ik niet aan mee.”

In de VS zijn mannen- en vrouwenjudoteams altijd gescheiden.

“Het gevaar bestaat dat straks het kind met het badwater wordt weggegooid. De gemengde trainingen waren juist het geheim van onze successen. Ik was de eerste die een vrouw meenam naar de judo-universiteit van Tokai, waar de grote sensei Sato de baas was. Ingrid Berghmans mocht niet op de mat tot hij haar had getest: hij woog meer dan honderd kilo en gebruikte haar als ventilator. Alle hoeken van de dojo heeft ze gezien, maar daarna mochten onze vrouwen meetrainen met de jongens en daardoor zijn ze zo goed geworden. Er zijn uiteraard ook relaties en huwelijken tussen atleten uit voortgevloeid, maar is daar iets verkeerd aan?”

Wat met de seks- en zuipcultuur die nu ook als bezwarend element wordt aangevoerd? Niet ontkennen, want ik was af en toe getuige.

(lacht) “Soms werd goed er gezopen en ontspand, zoals tijdens de olympische stage op Lanzarote, maar de dag erna trainden mijn judoka’s wel het hardst van alle olympiërs. Ik tilde daar niet zwaar aan omdat het erbij hoort. Wij deden veel inspanningen en dan is de ontspanning navenant.

“Na zes dagen op je kas te hebben gekregen in een dojo in Japan ging je de zevende dag naar Roppongi, de uitgaansbuurt van Tokio. Er zijn excessen geweest, maar nogmaals: ik had te maken met volwassen mensen. Dat bedoel ik dus met dingen die op een hoop worden gegooid.

“In de krant stond ook een getuigenis van Sissi Veys over een judoka die was verkracht in het buitenland. Ik ken Sissi goed en ik heb het haar op de vrouw af gevraagd wat er toen was gebeurd: bleek dat ze waren uitgegaan in het buitenland, te veel hadden gedronken, een groepje mannen tegengekomen en één zou zijn verkracht door één van die mannen. Heeft dus niks met de sport judo te maken, wel met uitgaan op een foute plek op een foute manier.”

De avonturen van Dirk Van Tichelt in Rio, die uiteindelijk bij de politie eindigde, is dat typisch judo?

“Deels wel. Ik moest wel lachen toen ik zijn uitleg hoorde. Ik weet niet precies wat er is gebeurd, maar ik herken het. Ooit klopten ze om 2 uur ’s nachts op mijn kamer in Valencia. Ik zag onmiddellijk dat er was gevochten. Het enige wat ik vroeg was: en wie heeft gewonnen? Jullie? Oké, om 7u kom je uitleggen wat er is gebeurd.

“Had er één touche in Boedapest en vroeg hij om even te mogen verdwijnen na de kampioenschappen, dan gaf ik toe: die dag zo laat is ons vliegtuig. Dat was de compensatie voor jarenlange ontbering. Judoka’s zijn geen voetballers die in chique golfhotels zitten en een uurtje per dag trainen. Wij zaten weken in Podolsk onder Moskou op stage, weken in Japan, Korea, Cuba, vaak in omstandigheden die op het randje waren. Kregen we eten na de training, dan waren we al blij. Ik had geen miljoenen om als premie uit te delen. Hun premie was die ontlading.”

Zou je het nu anders aanpakken?

“Neen, totaal niet. En my way or the highway zou nog steeds mijn devies zijn. Het was een dictatuur die werd verdragen omdat de resultaten er waren. Judo is een oosterse sport en in het Verre Oosten bestaat de totale onderwerping van de atleet aan de trainer. Sportieve onderwerping, voor alle duidelijkheid.

“Maar die machocultuur van toen zou nu niet meer kunnen. Ik stond heel af en toe met een stok op de mat en als het niet goed was, deelde ik een tik uit. Meer licht pedagogisch dan echt bestraffend en eerder een imitatie van wat ik had gezien in Japan en nog meer in Zuid-Korea, waar ze echt nijdig sloegen. Stel je voor dat ik vandaag met die stok langs de mat zou staan… ”

Je hebt ooit een homo gehad in de ploeg, maar die situatie noemde je onhoudbaar.

“Die jongen voelde zich bij ons niet thuis en hij is zelf opgestapt. Iedereen wist dat hij homo was en er werden opmerkingen over gemaakt. We stonden ook samen onder de douche en dan ging het al eens over wie een grote en kleine had. Die situatie zou vandaag niet anders zijn en ook nu zou die jongen vertrekken, maar hij zou ook meteen naar de pers stappen of naar een belangenvereniging.”

Wat vind je van de Vlaamse Judofederatie?

“Die reageert zoals de Kerk. Ze hadden beter meteen zelf maatregelen aangekondigd. Ze wilden de jonge judoka bewuster maken van fout gedrag, wat een onzin. Als trainer heb je macht en je atleet kijkt naar je op. Als je dat misbruikt, ben je een paljas. Jij bent de leeuw en de atleet is het lam. De leeuw moet met zijn poten van het lam blijven en het is niet aan het lam om de leeuw tot orde te roepen.

“Ach, die hele raad van bestuur zou beter opstappen. Het gaat ook nog eens sportief erg slecht met het judo. Geen enkele sport heeft 40 procent van zijn topsportgeld moeten inleveren, behalve het judo. En dat terwijl er een medaille is gewonnen in Rio. Als performance manager zou Dirk Van Tichelt prima zijn, een master bewegingswetenschappen, medaillewinnaar en volgens mij klaar met topsport.”

En met jou als voorzitter?

“Neen, maar ik wil wel een goeie kandidaat chaperonneren. Op de terugweg van Van Gils en gasten verraste mijn zoon Dimitri mij. Pa, zei hij, wat zou je ervan denken moest ik proberen die boel daar mee op te kuisen en te moderniseren? Ik zei: doe maar, mijn steun heb je. Hij is advocaat en ex-Belgisch judokampioen: Dimitri heeft het ideale profiel.”

Een beetje een beladen familienaam wel.

“Misschien, maar de grote schoonmaak is meer dan nodig.”

 

Dedecker

Column Subcultuur in De Morgen van 4 juni 2017

Subcultuur

Goed gezien om het promofilmpje tegen grensoverschrijdend gedrag in de sport te laten beginnen met een zwemmer, vervolgens een judoka aan het woord te laten en te eindigen met een taekwondoka. Het is wel niet zeker of die stemmen allemaal even relevant zijn.

Die laatste is een brave gast die wellicht nooit heeft geweten dat de grootste vergrijpen zich op zijn topsportschool hebben voorgedaan, weliswaar niet in zijn sport. De judoka is een van de moedige vrouwen die al jaren willen getuigen maar die niet of nauwelijks werden gehoord. De zwemmer komt dan weer uit de inner circle van de initiatiefneemster. Drie ervaringsdeskundigen en/of slachtoffers was nog een sterker signaal geweest.

Maar prima dus dat het begon met een zwemmer want ik heb nooit grotere ogen getrokken over wat zich afspeelt in de coulissen van de sport dan bij het zwemmen. Mijn wake-upcall kwam die warme juli-avond in Barcelona in 1992 toen ik aan de voet van Montjuich op advies van enkele van onze eigenste atleten – ik was perschef van de Belgische ploeg – het adidas-dorp ontdekte. Of ik binnen mocht? Dat mocht, zei de halfnaakte hostess, want ik was Olympic Family. Ik verbleef in het olympisch dorp en toen zag ik er nog uit als een atleet.

Ik ben er drie keer geweest, in de befaamde/beruchte tweede olympische week als de zwemmers en judoka’s klaar zijn, en elke avond werd de hoop groter. Ik bedoel de hoop zwetende lichamen die onder de gratis alcohol (en tapas) op elkaar lagen te wriemelen, met daartussen coaches en officials van allerlei kunne en geslacht. Het was daar één grote dronken hoerenboel en overal rook je cannabis.

De jongste atlete die ik daar zag roken en die toen ook haar eerste lief binnendeed (of zelf werd binnengedaan) was de veertienjarige zwemgodin Franziska Van Almsick. In haar biografie en in latere interviews had ze het over Barcelona en de adidas-party’s als een heftige stap in haar volwassenwording. Drie dagen voor het einde van de Spelen moest adidas het bezoek contingenteren en werd de alcohol gerantsoeneerd. Vier jaar later was van een open dorp geen sprake meer.

Er werd gegrabbeld en gegraaid in de topjes en de broekjes dat het een lust was, maar was dat grensoverschrijdend gedrag?
Dan moeten we eerst weten waar de grens ligt. Is die leeftijdsbepaald? Ik ken sporters van zestien met een volwassen blik op de maatschappij en gymnastes van twintig met de levenservaring van een kind van de lagere school. Door heel wat sporters en coaches wordt de grens voor laakbaar gedrag – verbaal of fysiek – op achttien gelegd. Dat is een vergissing. Elk gedrag waarbij in een coach- atleetrelatie seks en/of geweld voorkomt, overschrijdt een grens.

Neem nu de coach die sms’jes stuurt naar een atlete: ‘Als je onder de douche staat, mag ik dan naar je borstjes komen kijken?’ Is dat fout als ze zestien is, omdat ze dan van slag kan geraken en moet ze daar kunnen om lachen als ze twintig is? Welnu, ze was twintig en ze raakte zo van slag dat ze niet meer presteerde. Moeilijk.

In onze weekendbijlage Zeno verdedigt Jean-Marie Dedecker zijn sport, probeert tussen het amalgaam aan beschuldigingen het kaf van het koren te scheiden, kadert ook een en ander in een tijdgeest en legt uit hoe de subcultuur van de (top)sport in elkaar steekt. Die is hormoongedreven, gericht op dominantie van de ene atleet tegenover de andere en onderwerping van de atleet aan de trainer. De hele handel en wandel in die wereld en het taalgebruik zijn navenant.

Dat kan allemaal wel kloppen, maar de topsport en bij uitbreiding de sport moet op zijn tellen letten. De sportwereld heeft er een handje van weg om het zo voor te stellen dat wat geldt voor de rest van de maatschappij niet zou gelden voor de sport. Zo’n jarenlange uitzonderingspositie is geen verworven recht en met de tijd heeft de maatschappij de sport op alle domeinen gecorrigeerd, zij het niet altijd even oordeelkundig.

Neem de soms onmenselijke werkomstandigheden in de eerste zesdaagsen en de vroege Tour de France. De wereld rond de sport en niet de sport zelf heeft ingegrepen. Of het arbeidsrecht. Ook daar heeft de sport een aparte status, al is die in 1995 uitgehold met het Bosman-arrest, ook een ingreep van de buitenwereld. De genderproblematiek: sport wil een strikte scheiding van de seksen en dus is er voor sommige transgenders en interseksen geen plaats in topsport. Daar komen processen van. Maar het beste voorbeeld van een subcultuur die een eigen weg was ingeslagen was de overmedicalisering, c.q. doping. Ook daar zijn buitenstaanders nodig geweest om de sport terug in de juiste koers te krijgen.

Al die uitzonderingen voor de sport staan onder druk en dat geldt ook voor de relaties tussen de atleten onderling en tussen coaches en atleten. In de problematiek van de transfers en de overmedicalisering heeft de sport nagelaten zichzelf te reguleren en het resultaat was een set maatregelen die inmiddels hun doel ver zijn voorbijgeschoten. De sport neemt dit probleem van grensoverschrijdend gedrag best ernstig want als de maatschappij er zich mee bemoeit, meestal niet bezwaard door al te veel kennis en opgejaagd door de (sociale) media, slaat de slinger door.