Interview Ismail ‘Cool’ Abdoul in De Morgen van zaterdag 29 sep 2018

‘Een kop is niet gemaakt om op te slaan’

 

Zijn leven wordt verfilmd, maar anderhalf uur is veel te kort. Vijf seizoenen op Netflix, daarmee kom je misschien toe om een goed beeld te schetsen van de mens achter bokser Ismail Abdoul. Titelsuggestie? Breaking Good. Dat is toch wat iedereen hoopt.

Deze maand is hij 42 geworden. Ogenschijnlijk gezond, op zich al een wonder na 99 profkampen als bokser tegen de besten van de wereld, en passant vijf keer in de gevangenis en die ene ambetante kogel in zijn ballen. “Als ik ergens spijt van heb, dan is het dat men mij vooral zal herinneren als bad boy. En niet van mijn kampen tegen onder meer tien wereldkampioenen bij wie ik de twijfel in hun ogen zag. Freddy wel, die weet wat ik heb gepresteerd.”

Freddy is de zelfverklaarde legende Freddy De Kerpel en hoewel die 70 is, boksen De Kerpel en Abdoul volgende week vrijdag op het Gents Boksgala tegen elkaar, in vier ronden van twee minuten. Een showkamp, waarvoor Abdoul drie keer per week een uurtje gaat lopen. “Meer tijd heb ik niet. Ik werk twaalf uur per dag en dan moeten mijn gasten nog naar de voetbal. Het zal zo ook wel gaan, zekerst? Om in de bokszaal te gaan sparren en mijn neus scheef te laten slaan, daar heb ik geen zin meer in. Het schijnt wel dat Freddy aan het trainen is als zot, hein Charlotte?”

Enter Charlotte Deprez, al bijna twintig jaar zijn muze, toeverlaat, vrouw en moeder van zijn kinderen. “Freddy komt in dezelfde fitness als ik. De baas zegt dat hij daar bijna woont.”

Jij zou je maat Freddy kunnen doodslaan.

Ismail Abdoul: “Maar neen, ik ben niet afgetraind zoals voor mijn laatste kamp in 2016. Bovendien heb ik nooit een ko gezocht, dus nu zeker niet. Vrienden van mij bellen mij soms en vragen bezorgd of ik toch aan het trainen ben, want zij zien Freddy trainen.

“We boksen met dunne handschoenen, zonder helm, alles echt. Hij weegt ook 80 kilo en als ik een verkeerde slag krijg van hem… Hij wilde in het Guinness Book of Records als oudste bokser ooit met een officiële kamp, maar dat idee laat hij vallen. Voor mij. (slikt) Omdat hij zijn verjaardag in de ring met mij en niemand anders wil vieren. Wat een eer. “Freddy is mij altijd blijven steunen en ik wil alles doen voor hem, maar geen officiële wedstrijd. Ik heb er nu 99 en heb het mijn vader beloofd dat ik er geen 100 zou van maken. Omdat Allah 99 namen heeft. Ik kan het mijn pa niet meer vragen, want die is in 2016 gestorven.”

Hoe heb jij 99 profkampen overleefd en niet tegen de minsten?

“Hoge verdediging. Stoten blokkeren. Een goeie defensieve techniek. En ik was nooit bang. Ik ving hun slagen op, maar tegelijk drukte ik hen achteruit en dat hebben ze niet graag, want dan moeten ze slaan terwijl ze achteruitlopen. Dat verlamde hun tactiek. Murat Gassiev, Krzysztof Wlodarczyk, David Haye, Don Diego Poeder, Marco Huck, Yoan Hernández, Arsen Goulamirian, Mateusz Masternak, Tomasz Adamek… dat zegt je niks, zeker? Allemaal wereldkampioen geweest. Ik heb 25 titelkampen gevochten. Iedereen in de ogen gekeken en meegebokst, de mensen waar voor hun geld gegeven, soms voor 12.000 man.

“In Gent was ik graag gezien, maar in het buitenland werd ik echt gewaardeerd. Van Abdoul wisten ze: hij komt om te werken, hij gaat niet op de grond liggen na een paar rondes. Zevenendertig keer verloren, maar nooit ko gegaan, wie doet mij dat na?

“Die ene technische knock-out op mijn palmares was diefstal. Dat was in 2002, mijn eerste buitenlandse kamp: in Polen tegen Wlodarczyk voor de IBF-wereldtitel. Ik sta voor op punten, krijg een goeie slag, ga even door de knieën, maar sta onmiddellijk weer recht. Ineens zie ik de scheidsrechter de beweging maken dat de kamp afgelopen is. Niet eens acht tellen gehad. Misschien goed ook, je weet nooit of na een knockdown niet die ene vreselijke slag komt.”

Je lijkt niet geschonden.

Charlotte Deprez: “Je hebt hem niet gezien na de kampen. Soms zag hij er toch niet uit.”

Abdoul (haalt schouders op): “Boksblessures: wenkbrauwen open, een snee in het gezicht en zo, niks ergs. Kan gebeuren.”

Deprez: “Hij vergeet. Ik denk dat het komt door het boksen. Soms is het lachwekkend, loopt hij naar de auto om iets te halen en tegen dat hij daar is, weet hij het niet meer.”

Abdoul: “Een kop is niet gemaakt om op te slaan en elke slag is een slag te veel. Dat vergeten, moet ik dat laten onderzoeken? Weten dat ik iets heb en dat er niks aan te doen is, daar zie ik het nut niet van in. Ik ga gewoon een beetje meer opletten dat ik de dingen onthou.”

Deprez: “Ik heb vaak in spanning gezeten. Die kampen kwamen soms op Eurosport en dan was het dubbel: kijken of niet kijken? Wat als er iets gebeurt en je zit hier en je hebt dat gezien? Dan word je gek. Mijn eerste vraag was nooit ‘heb je gewonnen?’, maar ‘heb je iets?'”

Je staat nu weer wat in de belangstelling, en volgend jaar komt die film uit gebaseerd op je leven, maar dat zal verdwijnen.

“Het hoeft niet meer voor mij. Geef mij maar mijn gezin, drie keer in de week mijn zoontjes (Malik en Naim, 7 en 5, HV) naar de training brengen en werken overdag. In het weekend is er wedstrijd op zaterdag van de ene en op zondag van de andere. Ik hou mijn mond als ouder langs de lijn. Het enige wat ik zeg is: luister naar de trainer. Ik wil niet meer opvallen. Er is te veel over mij geschreven en niet altijd positief.”

Wat wil je, met alles wat je hebt uitgespookt.

“Ik ga niks ontkennen wat ik niet heb gedaan en ik ben nergens trots op, maar de eerste keer dat ik in de bak ben gevlogen was onterecht. Ik had in dat casino gewerkt en even later werd het overvallen door iemand met lang zwart haar. Ik had géén haar, maar ik werd wel opgepakt en zat twee maanden vast.”

Een jaar eerder kreeg je een kogel in je onderbuik. Wij zijn in dezelfde sociale woonwijk opgegroeid, maar mij is dat niet overkomen.

“Omdat je geen portier was. (lacht) Een raar beroep natuurlijk, maar ik moest het doen om te kunnen boksen. Overdag trainen, ’s avonds en ’s nachts portier. Wat dat inhoudt? Je moet jezelf bewijzen. Kostuumke aan, voor de deur gaan staan en iemand wa pletsen geven als hij zich niet gedraagt. Of klemmen en buiten zetten. Niet ideaal voor een sporter.

“Ik heb een goeie jeugd gehad. Op Malem (de sociale woonwijk op de Gentse Brugse Poort, HV) was het heerlijk opgroeien. Als kind ben ik naar de koranschool gegaan. Ik spreek dus Arabisch en hoewel ik makkelijk vergeet, kan ik nog koranverzen minutenlang uit mijn hoofd opzeggen. Die hebben ze er soms ingeklopt, zo gaat dat daar.

“Ik heb nog nooit alcohol gedronken, maar ik kan niet zeggen dat ik nooit heb gezondigd, met alle stommiteiten die ik heb gedaan. Ik bid nu vijf keer per dag, ik voed mijn kinderen zo op, maar later moeten zij kiezen wat ze willen. Charlotte is ook geen moslima. Ik ben wel in 2005 naar Mauritanië gevlogen om mijn vader zijn zegen te vragen om met haar voor de islam te mogen trouwen.”

Ben je betrokken bij de film?

“In het begin wel. Nadien zijn daar allemaal andere mensen bijgekomen en is het scenario aangepast. Het is ruwweg gebaseerd op mijn verhaal en het boek dat in 2007 over mij verscheen. Het gaat over een portier die een succesvol bokser wordt, maar veel details zijn veranderd, allemaal om het verhaal meer een verhaal te maken. Ik snap dat wel; als ze het juist willen vertellen, hebben ze een film van negen uur nodig.

“Misschien komt er nog een tweede boek. Mijn eerste boek stopt in 2007, ongeveer op het moment dat ik weet dat ik zal moeten zitten. Of een documentaire, want de film stopt als ik vrijkom met een enkelband. Er is daarna nog wel wat gebeurd.”

Hoeveel keer ben je naar de gevangenis gemoeten?

“Vijf keer. De eerste keer was onterecht, daar ben ik voor vrijgesproken. De laatste keer ook, dat was maar een paar dagen omdat
ik als portier had gewerkt tijdens mijn voorwaardelijke vrijlating. Dat mocht niet en dat was ik vergeten. Enfin, niet echt, ik had geld nodig. De rest was voorarrest en dan uiteindelijk twee jaar gezeten van de vijf die ik heb gekregen. Dat was enerzijds voor een zaak van afpersing en daar kwam ook nog bij dat ik eens een knokploeg had samengesteld om iemand een lesje te leren. Ik vertel het maar zoals het is en denk nu niet dat ik daar indruk wil mee maken.”

Wat bezielde je?

“Eigenlijk ben ik altijd omgepraat om mee te doen. En ik kon geen neen zeggen.”

Deprez: “Dat is juist, wat hij zegt. Mensen hebben mij gevraagd wat mij bezielde om bij hem te blijven. Of ik niet beter aan mijzelf kon denken. Mijn familie heeft mij wel altijd gesteund. De meesten werken nog wel bij de politie, maar ze wisten dat ik gelijk had: dat Ismail goed van inborst is en goed voor mij en de kinderen.”

Je zat in Merksplas, geen leuke plek.

“Ah, je weet het. Ik was de Nieuwe Wandeling in Gent gewoon en toen hoorde ik van iemand dat ik op de transferlijst stond. Normaal mag je dat niet weten, want ze zijn bang dat je dan boel gaat maken. Ik ben beginnen rondbellen als gek. Niks hielp. Mijn vrouw woonde in Gent, waar alle dagen bezoek was. In Merksplas kon dat maar één keer per week. Ze was vijf uur kwijt om mij één keer te zien.

“Merksplas, pfff. Kom ik daar aan op celblok, de doorgangscellen. Waar is het toilet? Daar, die emmer met een deksel. Wordt ververst om 12 uur en ’s ochtends. Lopend water? Daar, een kan water. Wordt ververst om 12 uur en ’s ochtends. Ik ben twee jaar op celblok gebleven omdat ik dan een cel alleen kreeg. Ik wilde niet met vier in een cel.

“Gelukkig ben ik snel fatik (gedetineerde met een ondersteunende functie voor het gevangenispersoneel, red.) geworden en was ik een voorbeeldige gevangene. Iedereen moet boeten voor zijn zonden, dus heb ik braaf mijn straf uitgezeten. Een maat van mij had me gewaarschuwd voor de psychotechnische testen. Ze hadden hem een zwarte vlek getoond en hij zag er een vleermuis in. Zeg nooit vleermuis, gaf hij als raad, want zo denken ze dat ik psychopathische trekjes heb. Ik kreeg ook die zwarte vlek en ik zei dat ik er een mooie vlinder in zag. Zo kwam ik vervroegd vrij met een enkelband.”

Hoe sta je er nu voor?

“Goed. Ik heb een mooi gezin met twee zonen en een lieve vrouw. We hebben allebei werk en samen hebben we een mooi salaris, ware het niet van die schuldbemiddeling. Ik kwam in 2007 vrij en vanaf 2009 kwamen de deurwaarders aankloppen om mijn schuld af te lossen.

“Van mijn salaris van 2.300 euro netto krijg ik een leefloon, en al de rest – ook de kilometervergoeding – gaat naar het terugbetalen van de schuld. Soms is het scharten, maar ik heb nog anderhalf jaar te gaan voor alles is betaald. Als dat voorbij is, zal ik 290.000 euro hebben terugbetaald. Een huis dus.

“Zeggen dat ik in het begin van mijn bokscarrière ongeveer zwom in het geld. In België bokste ik voor 3.000 euro, maar in het buitenland kreeg ik soms 20.000 tot 30.000 euro voor een titelkamp. Gevolg: dikke auto’s – zoals een BMW M3 cabrio met beige leren zetels en surround dvd – en een gouden ketting rond mijn nek.”

Je bokste voor het laatst in 2016 maar vorig jaar stond je weer in de krant. Uitkerings- en identiteitsfraude, hoe dom kun je zijn?

“Precies wat mijn vrouw ook zei. Zij wist er niets van, maar ze was er niet gerust op toen na de dood van mijn vader nog officiële post voor hem in de bus zat. ‘Heb je zijn dood wel aangegeven?’, vroeg ze. En ik loog. Mijn vader was in Mauritanië gestorven; ik was daar geweest voor de begrafenis en had gezien hoezeer zijn nieuwe gezin afhankelijk was van zijn pensioentje. Ik heb dat verder laten storten, ook na zijn dood. Gelukkig heb ik geen cent zelf gehouden, wat ik heb kunnen bewijzen.

“Het is uitgekomen omdat zijn identiteitskaart verviel en ik naar de Dienst Bevolking ging met een lookalike die niet echt op mijn pa leek. Dom, en ik had prijs, maar gelukkig al na een jaar, waardoor de som die ik moest terugbetalen nog enigszins meeviel. Charlotte vernam het van een collega die het had gehoord op de radio.

Deprez: “Ik dacht: het is niet waar. Al die jaren niks aan de hand en nu dit. Ik was zo boos. Jammer van die familie in Afrika, oké, maar wat met ons? Wat als hij terug naar de gevangenis moest?”

Abdoul: “Ze zwoer dat ze nooit meer zou komen en zeker nooit met de kinderen.”

Deprez: “Dit is nu toch zijn laatste stoot geweest.”

Abdoul: “Dat geld om terug te betalen hebben sponsors en vrienden mij voorgeschoten en gelukkig kreeg ik een werkstraf: 150 uur. Ik zit op vrijdag en zaterdag vier uur als onthaalbediende in het Dr. Guislain Museum (het museum van de psychiatrie, HV). Ik bewaar de rugzakken van de bezoekers en kijk of ze niet aan de schilderijen komen. (lacht) Weer portier, ja, maar een beetje anders.”

 

Ismail Abdoul

Advertenties

Column WK Molshooprijden in De Morgen van zaterdag 28 sep 2018

WK molshooprijden

voor en door eigen volk

Het WK wielrennen komt in 2021 naar Vlaanderen. Ik ben fan. Waar kan ik een petje kopen? Ik ken ook het parcours van de tijdrit, als dat tenminste klopt met wat er in de krant staat. Het probleem met grote organisaties, zelfs in een relatief kleine sport als wielrennen, is dat het finale plan nooit helemaal overeenkomt met de bid. Idem voor de finale kosten die nu worden geraamd op 18,7 miljoen euro.

Het WK naar Vlaanderen halen wordt verkocht als een stunt omdat dit de honderdste editie zou zijn. Goed voor de affiches, maar wie heeft er een boodschap aan dat de Zweed Gunnar Sköld op 4 augustus 1921 een 180 kilometer lange tijdrit won in Kopenhagen, wat dan als WK gold?

Het was een binnenkopper, want de editie van 2020 kregen ze aan de straatstenen niet kwijt. Nederland was eerst kandidaat met de provincies Groningen en Drenthe, maar dat plan kreeg deze zomer geen steun. Tegenkandidaat Veneto kreeg tot overmaat van ramp ook de financiering niet rond. Uit arren moede organiseert de internationale wielerunie UCI dan maar in de eigen achtertuin, met als gevolg dat zowel in 2020 als in 2024 het WK in Zwitserland doorgaat.

In 2025 wil UCI-voorzitter David Lappartient dan naar Afrika. Naar Afrika gaan met je kampioenschap is de snelste weg naar de afgrond. Alleen het voetbal heeft dat overleefd, al scheelde het geen haar. Het is te hopen dat die lapzwans er tegen dan niet meer bij is, maar het valt te vrezen dat een andere lapzwans hem opvolgt.

Het wielrennen heeft veel problemen, niet het minst het niveau van wie daar aan de knoppen draait. Het lijkt wel of na de betreurde Hein Verbruggen vooral is gerekruteerd onder de zwakzinnigen. Met als gevolg dat het WK niks te vroeg naar Vlaanderen komt. Zoals de ploegen nu fuseren en verdwijnen, de fans afsterven en de grote sponsors afhaken of wegblijven, zou het verbazen als het huidige profwielrennen het tot 2021 uithoudt.

Maar we blijven positief. En op onze hoede. De totale kosten van het WK in Vlaanderen zullen om en nabij de 20 miljoen uitkomen. Is dat veel? Ja, dat is veel. Is dat te veel? Neen, dat is niet te veel. Wellicht wordt Vlaanderen 2021 het enige WK uit de recente geschiedenis en ook in de toekomst dat er een euro of meer zal aan overhouden. De economische return, waarover minister Ben Weyts toeterde, is geen fata morgana.

Twee oorzaken. Ten eerste: dat de stroom fans andere bezoekers zou afschrikken, wat voor veel locaties geldt (‘verdringing’ heet dat fenomeen), geldt niet voor Dudzele en Leuven. Niet eind september, niet midden in de zomer, nooit eigenlijk. Anderzijds, mag men ook niet denken dat buitenlanders in de jaren daarna en masse naar onze contreien zullen afzakken. Het blijft Vlaanderen, niet bepaald de mooiste plek op aarde.

Ten tweede, en veel belangrijker: de lokale belangstelling voor wielrennen. Die is niet te schatten. Nergens ter wereld zijn zoveel wielerfans per honderd inwoners als in Vlaanderen. Ze zullen tegen die tijd de gemiddelde leeftijd van 60 hebben bereikt, maar als ook maar een fractie daarvan zich richting parcours begeeft en een pint koopt, zijn Golazo en Flanders Classics uit de kosten.

Lichtjes problematisch wordt het natuurijk als deze beide privébedrijven de eventuele lusten zullen verdelen, terwijl de lasten toch hoofdzakelijk op de rug van de belastingbetaler worden afgewenteld. Blijkbaar is dit nu eenmaal het businessmodel van de moderne sport: de hele maatschappij betaalt voor het sportvertier van een klein deel en de winst van een paar.

Vlaanderen, dus u en ik, draagt 13 miljoen euro bij in de organisatiekosten. Doe daar maar een hele schep bij aan verdoken en lokale kosten zoals ordehandhaving, of het toevallig net dan herinrichten en herasfalteren van straten en wegen waar het WK-peloton over moet. Het zou bijgevolg niet meer dan goed bestuur zijn als de vzw WK 2021 openheid van zaken zou geven, bijvoorbeeld over de fee die is betaald aan de UCI. Daar wordt nu wat geheimzinnig over gedaan, maar waarom? Hoog tijd voor een parlementaire vraag daarover.

Het WK wielrennen in Vlaanderen en vooral de 13 miljoen (en meer) die de overheid daarvoor op tafel zal leggen, is ook verheugend nieuws voor de andere sporten in dit land. Dertien miljoen is ruim meer dan de helft van het totale topsportbudget van Vlaanderen. Als men dat bedrag uit een apart potje op tafel kan leggen voor een tanende, regionale sport als koers, moet dat ook lukken om grote toernooien in andere, echt grote sporten, waarin we ook meetellen, naar Vlaanderen te halen.

Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat we in tijden van budgettaire krapte geen geld vinden om het topsportbudget te verhogen voor steeds beter presterende sporters en teams, maar wel 13 miljoen op tafel kunnen leggen voor het WK molshooprijden voor en door eigen volk, omdat we toch zo graag nog een keertje wereldkampioen zouden worden.

 

 

WK Molshooprijden

Column de Rek op Remco in De Morgen van woensdag 26 sep 2018

De rek op Remco

Niemand wil de Kannibaal van Schepdaal worden genoemd. Net zo min als de Hongerige van Tongeren of de Piston van Virton. Van onze kersverse wereldkampioen tijdrijden bij de juniores, en als alles een beetje normaal verloopt ook op de weg, is dat niet zo zeker. Remco Evenepoel (18) en entourage doen weinig moeite om te dimmen. Waarom zouden ze, als de dichtste belager op anderhalve minuut eindigt? Een beetje euforie is dan wel gewettigd.

Remco Evenepoel is de derde Kannibaal in de rijke geschiedenis van de vaderlandse wielersport. Sven Nys, die nooit verder kwam dan het veld en een negende plek op de Olympische Spelen op de mountainbike, kreeg al eens de twijfelachtige eer om hetzelfde epitheton als de GOAT (greatest of all time) te dragen, maar niemand die het aandurfde om hem als de nieuwe Eddy Merckx te bestempelen.

Nieuwe Merckxen anders genoeg gezien in die veertig jaar dat Eddy is gestopt, maar geen enkele die én de nieuwe Merckx én de Kannibaal werd genoemd. Evenepoel is het allebei en wat nu volgt, is een poging om het allemaal een beetje te contextualiseren, om te waarschuwen ook en vooral om dat hele arme Belgische wielrennen, dat al decennia smeekt om een supertalent dat níét voortijdig in de goot belandt, met de voetjes op de grond te houden.

Te beginnen bij Remco Evenepoel zelf. Onbegrijpelijk dat zowel de bond als zijn aanstaande ploeg QuickStep die jongen niet eerst op cursus heeft gestuurd. Een masterclassje ‘wat denk je, maar zeg je vooral niet’ was van pas gekomen. Je zegt bijvoorbeeld niet: “Ik klim 5 per uur rapper dan de rest.” Als iedereen met 15 per uur rijdt, is 5 per uur een derde sneller. Dat lijkt lichtelijk overdreven en zelfs al is het de waarheid, dan nog zeg je dat niet. Er is een regeltje: wat Eddy nooit over zichzelf heeft gezegd (maar Frans Verbeeck wel ooit over Merckx), moet Remco uit Schepdaal ook niet zeggen.

Dat het erin gaat als zoete koek, begrijpelijk. En als hij het zegt, mag het ook worden geschreven. Heel ander verhaal natuurlijk als de jongeman controleerbare dingen zegt die aanwijsbaar fout zijn. Bijvoorbeeld dat Chris Froome en Tom Boonen dezelfde maximale zuurstofopname zouden hebben, 82 met name. De laatst bekende data van Froome (in 2015 getest in het GlaxoSmithKline Human Performance Lab) geven 84,6. Boonen zat in de buurt van de 80.

De watts per kilogram lichaamsgewicht van de klimmende Evenepoel stonden ook in de krant. Evenepoel verklaart 7 watt per kilo te trappen en daar stond toen als uitleg bij dat de betere Tour-klimmers meer dan 7 halen. Er zijn er ooit twee geweest die boven de 7 uitkwamen: Marco Pantani en Lance Armstrong op l’Alpe d’Huez, toen die redelijk vol met epo zaten. Dit jaar reed Tom Dumoulin nooit boven de 5,7 watt en 6,3 is zowat de fysiologisch aanvaardbare grens voor beklimmingen die langer dan 20 minuten duren.

Misschien knijpt daar het schoentje en heeft Evenepoel op de Berendries 2 minuten lang 7 watt per kilo getrapt. In dat geval heeft hij een probleem, want hoe korter de klim, hoe hoger het vermogen. Vergeet die 7 watt, koop die jongen een nieuwe powermeter a.u.b. en stuur hem op cursus. Zorg ervoor dat hij daar niet mee te koop loopt.

Dat Evenepoel het grootste talent in jaren is dat het wielrennen heeft voorgebracht, staat als een paal boven water en het bijzondere/ frustrerende/leuke eraan is dat het wielrennen dat talent helemaal niet heeft voortgebracht. Hebben ze bij de wielerbond eens een keertje een supertalent, dan komt hij net als het speerpunt bij de profs, Greg Van Avermaet, uit het voetbal. Dat verhaal is bekend: Evenepoel speelde bij Anderlecht, PSV en ook nog KV Mechelen, verloor even zijn basisplaats en ging toen koersen.

Dat doet hij nu anderhalf jaar en hij wint alles. Een groot talent, jawel. Een uitzonderlijk groot talent, jazeker. Een nooit gezien talent? Dat moet nog blijken. Resultaten behaald in het verleden zijn een opsteker, maar geen garantie voor de toekomst. Evenepoel wordt volgend jaar prof bij QuickStep en dat is het slechtste wat hem kon overkomen. Niet QuickStep, maar dat hij op zijn achttiende, zonder één wedstrijd bij de beloften, meteen bij de grote jongens gaat rijden.

Het plan was om hem eerst bij Axel Merckx een jaar te laten rijpen en dan over te hevelen, maar Team Sky wilde hem onmiddellijk een kans geven en onder druk van alle aanbiedingen die zijn kant op kwamen, heeft Patrick Lefevere hem dan maar meteen een contract gegeven.

Zijn trainer is al jaren Fred Vandervennet, een marathonloper die ooit zijn vader trainde en die Remco Evenepoel ook begeleidde in zijn conditioneel werk als voetballer. Vandervennet stond als loper al bekend als een trainingsbeest en heeft zich later ontwikkeld als trainer. Wat dat aspect betreft, hebben ze het daar bij de Evenepoels op orde.

De vraag is dus niet of hij goed wordt begeleid en of hij een talent is, maar hoeveel progressiemarge hij nog heeft. Met andere woorden: hoeveel rek zit er nog op Remco Evenepoel?

 

 

De-rek-op-Remco

Column over de duiventil KAA Gent in De Morgen van maandag 24 sep 2018

De déconfiture van de Gentse duiventil

Het zal zoeken zijn bij AA Gent naar iets om zich aan op te trekken. Misschien dit: op 8 mei 2016 werd het in de play-offs, met een ingespeelde ploeg, ook 1-4 voor Club. Met diezelfde ingespeelde ploeg werd het eerder dat seizoen ook 4-1, maar dan voor Gent, dat was op 4 oktober. Beide scores waren overdreven, net als de 0-4 nu, maar gisteren was er toch iets meer aan de hand.

Er waren wel parallellen. Die 1-4 van mei 2016 kwam er nadat José Izquierdo bij een 1-1 stand – Gent was door Laurent Depoitre eerst op voorsprong gekomen – uit een onmogelijke hoek voorbij Matz Sels schoot. Daarna scoorde Gent zelfs nog een own goal. De ploeg werd toen niet uitgefloten. Gisteren was het fluitconcert striemend, hoewel Club ook door een gelukkig doelpunt op weg werd gezet en nadien gewoon erg efficiënt bleek.

Tenminste, dat was de tussentijdse conclusie aan de rust: dat Danjuma met een gelukje voorbij Souquet was geraakt en uit de Izquierdo-hoek had binnengeschoten, dat Gent niet moest onderdoen voor Club en zelfs veel meer aan de bal was en vaker gevaarlijker. Het fascinerende aan sport is dat soms de dingen met een reden gebeuren, en dat je goals en andere gebeurtenissen achteraf kan interpreteren aan de hand van het wedstrijdverloop.

Die Arnaud Souquet werd namelijk meteen na de rust voorbij gelopen dat het geen naam had en daar kwam de tweede goal uit. Kort daarna haalde Souquet voor het eerst en het laatst de achterlijn en zette behoorlijk voor. Wat daarna volgde was één lange/trage martelgang terug naar zijn eigen verdediging.

Misschien dat Club kampioen zal worden, maar gisteren moesten ze vaker dan hen lief het middenveld aan Gent overlaten. Ze waren wel dodelijk efficiënt voorin, geholpen door een zwakke Gentse defensie. En ze hadden het trio Vanaken, Vormer en Wesley. Vooral die laatste dan. Onhoudbaar voor de Gentse verdedigers en onhoudbaar in de volgende transferperiodes. Die vierde goal, de derde van Wesley, moet u nog eens bekijken want die illustreert de wedstrijd.

Geert De Vlieger tweette: …Overwinning van @ClubBrugge op kwaliteit. Als @KAAGent beter wil spelen zou ik toch betere spelers kopen i.p.v. naar de trainer te kijken #centraleverdedigers #spitsen #GNTCLU.

Hij heeft een punt. Voor de fans van Gent is de zomer bepaald frustrerend geweest. Vorig jaar eindigde Gent het seizoen als derde met twee certitudes: achterin werd heel weinig weggegeven met een goed sluitstuk en stevige verdedigers, voorin was met Yuya Kubo als valse negen een alternatief gevonden. Wat gebeurde er vervolgens in het tussenseizoen? Drie van de vijf verdedigers werden verkocht, Kubo werd verhuurd en met de doelman werd geleurd. Wat in de plaats kwam, is op zijn zachtst gezegd geen kampioenenmateriaal. Erger nog: geen play-offmateriaal.

AA Gent heeft alles verkocht waar ook maar een beetje winst op te halen viel. Club heeft Vanaken, Vormer en Wesley gehouden
en dat heeft geld gekost. Genk heeft Pozuelo, Malinovski en Berge kunnen houden en dat heeft geld gekost. Het zijn de twee beste ploegen van het moment en dat is geen toeval. Gent heeft van alle uitblinkers vorig jaar eigenlijk alleen Dylan Bronn (onverkoopbaar na zijn blessure op het WK), Tsjakvetadze en Kalinic kunnen/willen houden.

Gaan we nog verder terug om een reden te vinden voor deze déconfiture, dan komen we uit bij de seizoenen na de – naar Belgische begrippen althans – triomftocht in de Champions League. In de zomer van 2016 vertrokken ook heel veel spelers, maar naar competities met veel te veel geld.

De bedragen variëren van bron tot bron, maar onder het vorige trainersbewind is nadien veel geïnvesteerd in nieuwe spelers: over drie transferperiodes tussen 30 en 35 miljoen. Daarvan zijn er een aantal al weer weg, of mislukt of doorverkocht met winst. De grootste miskoop stond gisteren tussen de lijnen: vier en een kwart miljoen voor Franko Andrijasevic is geld in het water gebleken.

Gent boet nu voor fouten die in 2016 zijn gemaakt. Met al die Champions League-miljoenen had Gent stabiliteit moeten nastreven in plaats van in het wilde weg spelers te kopen en verkopen in de hoop op een snelle herhaling van de successen. De Gent-supporters konden gisteren makkelijker de Brugse elf uit hun hoofd opnoemen, dan die van hun eigen ploeg.

Gent is een duiventil geworden en de duiven zijn niet dom: ze weten dat ze na een paar goeie vluchten kunnen worden verkocht. Probeer maar eens een ploeg te bouwen met spelers die vooral eigen succes nastreven.

20180924_De-Morgen_p-22-mail

Column Wout & Walter in De Morgen van zaterdag 22 september 2018

Wout en Walter

Wout van Aert rijdt dit weekend in Waterloo, VS. Napoleon is thuisgebleven. Die werkt aan een klacht tegen de ex-ploeg van Van Aert.

Heel goed mogelijk dat meester Walter Van Steenbrugge namens Wout van Aert zijn gelijk haalt – en het weze de renner ook nog gegund – maar wellicht dan toch alleen als er door Nick Nuyens manifeste fouten zijn gemaakt die ook een idioot van een rechtenstudent, bijvoorbeeld Dries genaamd, er zou uithalen.

De sterren staan niet echt gunstig. Meester Walter zou zijn trackrecord in de sport op zijn website moeten afficheren. Het zou onschuldige/onmondige/onwetende sporters een stuk wijzer maken. Bovenaan zal staan dat hij Wesley van Club Brugge in eerste instantie heeft vrij gekregen op procedurefouten. Klein detail: die waren door een andere advocaat uitgevlooid.

In kleine lettertjes zullen volgen: de zaak tegen de Ghelamco Arena namens zijn inderhaast opgerichte vzw van Club-supporters. Die belandde in de Europese vuilbak. Zijn poging om aansluitend het grote foutenboek van zijn kompaan Ignace Vandewalle bij een uitgeverij te slijten: noppes. Zijn optreden in de zaak van een skister die naar de Olympische Spelen wilde: verloren. Marc Wilmots die wil dat de pers niet meer schrijft dat hij er niks van kent en die de lekken vanuit de ploeg twee jaar na datum laat aanklagen: geen schijn van kans en weggelachen door iedereen met een minimum aan gezond verstand.

Dat waren de bagatellen, de tussendoortjes voor het harde werk zoals het dagvaarden van de Heilige Stoel en het bisdom. Operatie Kelk, wat een sof. Of het proberen vrij te pleiten van drugdealers en doodrijders, wat ook niet lukt, maar dat is dan weer toe te juichen.

Veel problematischer en sportoverstijgend is natuurlijk wat hij de bokser Junior Bauwens heeft aangedaan. Toen die in Gent een titelkamp verloor van de Spanjaard Nieto sprong meester Walter op tafel en schreeuwde het uit: de Spanjaard had vochtafdrijvende middelen genomen.

Resultaat: dopingtest negatief en meester-tafelspringer voor eeuwig verbrand in het boksmilieu. Een advocaat komt dat te boven, maar voor Junior Bauwens was het de rechte weg naar bergaf. En o ja, dat huis dat meester Walter hem had beloofd voor zijn gehandicapte broers en zussen, daar hebben we ook niks meer van vernomen.

Wout van Aert is een pure klasbak die nooit eens hoog van de toren blaast, zijn tot voor kort enige tegenstander respecteert en als dat van hem wordt verwacht ook presteert. Het is hem gegund dat zijn advocaat voor de verandering eens een grote sportzaak wint. Kijk, en dát wordt nu een hele klus. Het arbeidshof is niet direct een plaats waar ze zitten te wachten op een showpleiter die lijzig lispelend tussen de tanden, het haar in de ogen, zijn verhaaltje komt opdissen.

In dat hof zullen ze in de eerste plaats kijken naar de feiten en de neergelegde stukken beoordelen op hun juridische merites. De feiten pleiten een beetje tegen Van Aert. Om heel eerlijk te zijn: een beetje veel zelfs.

Die heeft bij leven, welzijn en gezond verstand ooit een contract getekend tot 2019 en dat is verlengd tot 2020. Hij was toen nog jong, dat klopt, maar een contract is geen vodje papier, zo heeft zijn teammanager Nick Nuyens al eens laten vallen. Niet helemaal duidelijk hoeveel dat contract waard is – gespecialiseerde bronnen denken dat het boven het half miljoen euro bedraagt (per jaar) – maar het wordt bepaald lastig om het op uitbuiting of slavernij te gooien.

Nick Nuyens is misschien geen al te beste ploegbaas, maar van discriminatie, #MeToo of koeioneren lijkt ook geen sprake. Vervolgens heeft Wout van Aert al in juli 2018 met een andere ploeg een contract getekend dat in januari 2020 moet ingaan. Dat is met de grote trom bekendgemaakt, hoewel daar geen reden toe was met nog anderhalf seizoen te gaan. Ooit al eens geweten dat een overgang zo vroeg wordt bekendgemaakt?

Vervolgens is hij trammelant gaan maken: dat hij van de fusiegesprekken van zijn team niet wist. Ja sorry, zelfs Cristiano Ronaldo wist niet in 2013 dat Gareth Bale naar Real Madrid zou komen en hij wist zeker niet dat die duurder was dan hij.

Het management is niet verplicht om managementbeslissingen af te toetsen, ook niet bij de belangrijkste werknemer. Zo werkt dat niet in een arbeidsrelatie. Zolang Van Aert een fiets heeft, ploegmaats, sportvoeding, mecaniciens en verzorgers en – uiteraard – zijn geld krijgt, moet hij fietsen en zich voegen naar wat het team beslist.

De tegenpartij zal aanvoeren dat de breuk werd uitgelokt met het oog op een vroegtijdig vertrek. Dat er een kiezeltje is gezocht en gevonden om over te struikelen en het contract te verbreken. Met andere woorden: met voorbedachten rade.

Jawel, Wout van Aert had het volste recht zijn arbeidscontract te verbreken, alleen moet hij daar wel de gevolgen van dragen en dat wordt betalen. Aan Nick Nuyens en co. én aan meester Walter natuurlijk.

 

 

Wout en Walter

Over de schandalige Champions League in De Morgen van dinsdag 19 sep 2018

Meer geld voor minder clubs

Eén keer gelijkspelen in de Champions League en Club Brugge verdient evenveel als achtstefinalist AA Gent drie jaar geleden. Op het Europees kampioenenbal blijven de Belgische verdiensten evenwel kruimels.

KAA Gent is sinds de editie 2015-2016 de Belgische referentie in de Champions League: het won drie groepswedstrijden en ging er in de achtste finales eervol uit tegen Wolfsburg. De opbrengst voor de Gentenaars bedroeg afgerond 28 miljoen euro.

Zonder één bal goed te raken zit Club drie jaar later al aan 27 miljoen. Het startgeld bedraagt 15,25 miljoen, en daarbij komt
8,86 miljoen euro van de prestatiecoëfficiënt. Dat is een nieuwigheid, waarover verder meer. Samen maakt dat 24 miljoen, te vermeerderen met naar schatting 3 miljoen uit de ‘market pool’. Dat potje afkomstig van de sponsor- en tv-gelden wordt verdeeld aan de deelnemende landen op basis van de lokale waarde van de tv-contracten voor de Champions League.

Gent beurde daar nog 5,1 miljoen euro uit, een recordbedrag voor België, maar Club Brugge krijgt minder omdat het aandeel market pool in de totale pot gedaald is van 40 naar 15 procent. Het is afwachten tot november volgend jaar voor we het juiste bedrag kennen.

Vliegwiel

Stel dat Club Brugge zo stunt dat het niet alleen beter doet dan Gent door vier keer te winnen, maar doorgaat en doorgaat en nog eens doorgaat en de finale haalt en als klap op de vuurpijl wint, pakweg van Real Madrid. In dat geval verdient Club Brugge 62 miljoen euro extra. Die 27 miljoen euro is dan ineens 89 miljoen euro geworden.

En nu Real Madrid. Die hebben ook vier keer gewonnen in hun groep en krijgen 58 miljoen euro extra prestatiegeld. Die 4 miljoen verschil tussen Club en Real zit hem in de premie voor de winnaar. Real start wel met een grotere rugzak dan Club. Het krijgt ook die 15,25 miljoen startgeld, net als elk ander team, maar Real voert de ranking van de prestatiecoëfficiënten aan als best presterende team van de laatste tien jaar.

Real is nummer 1, Club is nummer 25. Elke plaats van onderaan te beginnen is een aandeel van 1,1 miljoen euro waard. Club heeft acht aandelen en krijgt dus 8,86 miljoen euro. Real Madrid krijgt 32 keer 1,1 miljoen, waardoor het al begint met 35,5 miljoen euro.

Opgeteld bij die 15,25 betekent dat een startgeld van meer dan 50 miljoen euro. Maar we zijn er nog niet, want Real heeft ook recht op marketpoolgeld: 20 miljoen extra marktgeld is een conservatieve schatting. Tellen we alles even samen? Club heeft de Champions League gewonnen, was dus de beste, en verdient 89 miljoen euro. Real was de op één na beste en zal net geen 130 miljoen euro verdienen.

Het kan nog absurder. Stel dat Club de finale wint en Real Madrid haalt ternauwernood de achtste finales, waarin het roemloos wordt uitgeschakeld. Dan verdient Real Madrid toch nog 5 miljoen meer dan Club.

Die ongelijke/oneerlijke verdeling is louter en alleen het gevolg van imago, marktwaarde en resultaten behaald in het recente verleden. Uiteraard houden die verband met de sterke positie in de voetbalmarkt, die op zich weer het gevolg is van structureel hogere inkomsten. Dat is het vliegwieleffect van de Champions League: nergens in de sport worden rijke clubs zo snel nóg rijker als in het Europees voetbal.

Ongelijkheid in het topvoetbal – ook binnen België – is simpel voor te stellen door de bestedingen van de clubs. Met het bedrag dat Anderlecht betaalde voor één speler (8 miljoen voor Sanneh) kan KV Kortrijk de hele sportieve werking – spelers, staf en operationele kosten – financieren. Club Brugge gaf 21 miljoen euro aan transfers uit deze zomer, een recordbedrag. Atlético Madrid hield zich rustig en gaf 210 miljoen uit. Monaco 168 miljoen, maar kreeg 234 miljoen binnen (tel uit de winst). En Dortmund, de derde tegenstander van Club, besteedde maar 100 miljoen en haalde en passant Axel Witsel uit China.

Het is niet de bedoeling dat Vormer en co. lang meegaan in de Champions League. De hele competitieformule is erop gericht tegen de lente de grootste Europese clubs tegen elkaar te zien voetballen. Competitief evenwicht is in het Europees clubvoetbal ongewenst. De beste teams zo vaak mogelijk tegen elkaar laten voetballen, dat is de Europese voetbalbusiness.

Superliga

Dat de tien rijkste teams al jaren onveranderd dezelfde zijn, is de schuld van de UEFA. Naarmate de opbrengsten van het Europees kampioenenbal stegen (zie grafiek) – alleen in 2004 zakten ze heel even – hebben de topclubs een steeds groter deel van de koek opgeëist.

Dit is de 27ste editie van de Champions League en het kwaad is geschied. De grote schande begon met de jaargang 1999-2000. In de aanloop naar dat seizoen hadden de grote Europese clubs een voorstel gekregen van enkele rijke Arabieren en Berlusconi om een Europese superliga op te richten. De UEFA deed het in de broek en formuleerde een tegenvoorstel: ineens was drie keer zoveel geld beschikbaar.

De topclubs speelden het hard en eisten dat de helft van het geld sowieso de grote voetballanden moest toekomen. De market pool was geboren: voor de helft van het geld was niet langer winst, verlies of gelijk spelen de verdeelsleutel, maar de waarde van de tv- contracten voor de Champions League per land.

Toen Michel Platini UEFA-voorzitter werd, schroefde hij het aandeel market pool terug van de helft naar 45 procent en uiteindelijk zelfs de laatste drie jaar naar 40 procent. Platini is weg, en nu het prijzengeld met de helft is gestegen, is weer een nieuwe verdeelsleutel uitgedokterd.

Het enige bedrag dat al die tijd solidair werd verdeeld, het startgeld, is nu zelfs gezakt van 30 naar 25 procent van de totale gelden. De prestatiepremies zijn gelijk gebleven, maar het marketpoolgeld is verminderd van 40 naar 15 procent.

In de plaats kwam de prestatiecoëfficiënt, die wordt bepaald door de resultaten van de laatste tien jaar in de Europese competities. Een herhaling van zetten: de grote clubs zijn zo slim om alle clubs een beetje beter te laten worden van elke verhoging van inkomsten, zolang ze er zelf veel beter van worden.

 

 

Champions League

Column over Grote motoren vs. Solexjes in De Morgen van maandag 17 sep 2018

Britse grote motoren versus Vlaamse solexjes

In de Giro stond een Brit op kop, maar hij viel van de kop weg. En toen won een andere Brit. In de Tour stond een Brit op kop die daar niet had moeten staan. Die andere Brit van de Giro had moeten winnen, maar hij won niet. In de Vuelta won een Brit(je) van 1,72 meter. De eerstvolgende Brit was zijn broer, op plaats 45. Net als in de Giro en de Tour deed ook een Nederlander mee om het podium.

De prestatie van de Britten is in die zin uniek dat drie verschillende renners de drie grote rondes domineren. Drie renners met
een andere achtergrond. Chris Froome, die de Giro in extremis pakte ten koste van Simon Yates, is een witte Keniaan die via het mountainbiken op de weg is beland. Geraint Thomas heeft het klassieke Britse wielerbaanmodel doorlopen tot en met olympisch goud. Hij is in die zin de nieuwe Bradley Wiggins, die in 2012 de Tour won.

Simon Yates komt ook van de wielerbaan. Hij was in 2013 wereldkampioen puntenkoers, een bijnummer, en verdween vervolgens uit het Britse opleidingsmodel om bij een Australisch team te tekenen, samen met zijn minder getalenteerde broer Adam.

Eerste quizvraag: wat hebben drie van de vier voornoemde Britten gemeen?

Ze hebben allemaal op de een of andere manier last gehad van astma of allergieën en zijn in opspraak gekomen met het gebruik van geneesmiddelen. Simon Yates miste zo de Tour van 2016 omdat voor zijn terbutaline geen therapeutische uitzondering werd aangevraagd. Alleen Thomas ontspringt hier de dans.

En nu kun je een hele boom opzetten en doorzagen over die al of niet vermeende astma en aanverwante dopingcultuur in het Britse wielrennen, maar dan verval je in simplismen. Het Britse succes in het rondewerk is niet terug te voeren op puffertjes. Hier is meer aan de hand. Hier is doelgericht gewerkt. Hier is talent opgespoord en ontwikkeld. En gescoord.

Tweede quizvraag: welke andere wedstrijden dan kleine en grote rondes hebben Britten gewonnen sedert 2010 in de UCI ProTour of UCI WorldTour?

Antwoord: twee. Geraint Thomas de E3 Harelbeke en Adam Yates de Clásica San Sebastián (allebei in 2015). Eigenlijk maar één want was Greg Van Avermaet niet door een motor overhoop gereden in de finale van de Clasíca, dan was Yates tweede geworden. Daartegenover staat dat de Britten elke meerdaagse wedstrijd al een paar keer hebben gewonnen.

De Belgen hebben niet meegespeeld in deze Vuelta, net als in de Tour, net als in de Giro en vermenigvuldig dat gerust met een jaar of veertig. Vaak geprobeerd, vaak ernaast gegrepen, tot Jelle Wallays (Lotto-Soudal) vorige donderdag tegen alle logica in voorop bleef en het afmaakte. Waarvoor hulde en al helemaal omdat hij onderweg gejend werd door een andere Belgische ploeg. Dat zal het oud zeer tussen de rooien en de blauwen geen goed hebben gedaan.

Evenzeer hulde voor Thomas De Gendt, die de bergtrui veroverde. Maar mag/moet het niet iets meer zijn? Vlaanderen is de
wieg van het wielrennen. Waarom sterft elke ronderenner hier de wiegendood? Jazeker, wij presteren beter dan de Britten in eendagswedstrijden (25 overwinningen in de Pro- of WorldTour sedert 2010), maar het een sluit het ander niet uit, zoals Nederland de laatste jaren bewijst.

Als het Vlaams wielermodel nog af en toe een winnaar voortbrengt, is dat puur toeval. De ontwikkeling van talent wordt hier gestuurd door het welbekende mand-met-eierenprincipe. Alle eieren (talenten) in een mand en die mand gooien we tegen de muur. Met het ei dat niet is gebroken, doen we verder en als we geluk hebben komt daar een winnaar uit.

Groot-Brittannië ligt links van ons op drie uur sporen. Nederland ligt ten noorden op een uurtje auto. Nederlanders en Britten verschillen in niets van Belgen, behalve de taal. Aan het genotype (de genetische aanleg) kan het dus niet liggen dat die landen wel groterondewinnaars voortbrengen. Het fenotype (genotype + omgevingsfactoren) is de oorzaak.

In ons Belgisch/Vlaams toevalmodel, waar de wielertalenten aan de bomen groeien, wordt niet doelgericht gewerkt. Wij ontwikkelen geen grote motoren omdat de wielercultuur dat niet toelaat en omdat we vanuit de bonden die archaïsche wielercultuur zelfs hebben gestimuleerd. Wij laten getalenteerde wielrennertjes opgroeien in een milieu dat bol staat van grootmoederwijsheden in plaats van die vroeg op te sporen, bij de hand te nemen en in regionale trainingscentra op te leiden.

Wij ontwikkelen geen grote motoren, maar fabriceren solexjes. Wij promoten geen groterondewerk, maar draaien liever rondjes. In de wei tussen de koeienstront voor het veldrijden, op een wielerbaan van 166,66 meter voor de Zesdaagse en op de kasseien van de Paterberg en Kwaremont voor de Ronde van Vlaanderen.

We moeten oppassen dat we met onze obsessie voor het Vlaamse wielerwerk niet in de marge van het wielrennen terechtkomen.
De overwinning van Tiesj Benoot in de Strade Bianchi (in Vlaamse omstandigheden) dit jaar was een van de eerste ver buiten onze grenzen sinds de Clásica San Sebastián in 2011 van Philippe Gilbert. Overigens is de enige Belg die de laatste jaren grote wedstrijden in het buitenland heeft gewonnen dan nog een Waal.

UCI-voorzitter David Lappartient heeft plannen voor 2020. Hij wil een Champions League van het wielrennen met wedstrijden over de hele wereld en bijgevolg veel minder in Vlaanderen en wijde omstreken. Het Belgische wielrennen gaat dan de weg op van het voetballen: kansloos in de Champions League, af en toe een kruimel in de Europa League, maar wel een grote bek opzetten in de Jupiler League.

Column over Stoffel Van Doorne in De Morgen van zaterdag 15 sep 2018

Exit Stoffel Vandoorne

Formule 1 is een zeer complexe en ook weer een zeer simpele sport. Complex omdat het raderwerk van zo’n team minutieus moet worden afgesteld, iets wat zich uiteindelijk vertaalt in een performante auto, bestuurd door een performante rijder. Als alle puzzelstukjes in elkaar vallen, is die rijder de held.

Of onze Stoffel Vandoorne (26) ooit nog zo’n F1-held wordt, nu Kimi Räikkönen door Sauber is opgevist nadat die weg moest bij Ferrari, daar mag aan worden getwijfeld. Alles kan in de sport, maar de F1 heeft dat alvast voor op voetbal: er is weinig toeval mee gemoeid. Daarom is de complexe F1 tegelijk een simpele sport.

De grootste discriminerende factor is de auto. Ander gesteld: het is vaak de beste auto die wint. Dat de beste auto’s vaak onder de bips van de beste rijders worden geschoven, is ook geen toeval. De formule 1 is constant op zoek naar uniek talent, naar die ene superman die alle andere supermannetjes kan domineren.

Stoffel Vandoorne is zo’n supertalent, maar de kans dat we hem volgend jaar terugzien in de F1 is klein, ondanks al dat talent, ondanks zijn eerdere triomfen in andere categorieën, ondanks de jarenlange investering van McLaren. Ondanks dat alles, is Vandoorne afgeserveerd bij McLaren.

Volgend jaar wordt zijn zitje ingenomen door het Engelse talent Lando Norris. Oorspronkelijk bestond het plan om Vandoorne al na Monza (begin september) te vervangen door Norris, die al een paar testritten had kunnen rijden. Tot McLaren erachter kwam dat ze voor Norris dit jaar geen racelicentie meer konden krijgen.

De fanclub van Stoffel Vandoorne treurt. Er zijn maar twintig sturen om te bemannen in de F1 en daarvan is het merendeel al toegewezen. Vandoorne heeft één groot nadeel: hij brengt geen sponsors mee. Ook dat is de F1: een goeie auto doet wonderen en een goeie bankrekening nog meer. Stoffel heeft geen van beide. Komt daar nog eens bij dat hij in een slecht functionerend team rijdt, met een teamgenoot die hem niks gunt. Ex-wereldkampioen Fernando Alonso is een egotripper van het ergste soort.

Misschien is Vandoorne de juiste man, maar dan is hij wel op de verkeerde plek op het verkeerde moment. Zo wordt het althans voorgesteld, waarna een opsomming volgt van het geknoei aan de te trage auto, de momenten waarop Alonso werd bevoordeeld en wat al niet meer. De conclusie: Stoffel Vandoorne kreeg geen eerlijke kans.

Daar zit waarheid in, maar het is niet de hele waarheid en diep vanbinnen zal Vandoorne dat ook beseffen. De paddock is hard en het circuit is misschien de meest darwinistische omgeving die je in de sport kunt vinden. Die paddock schuift niet – zoals de meeste F1- volgers – de volledige schuld voor het falen van Vandoorne in de schoenen van het disfunctionele McLaren. De paddock wijst evenzeer op de kansen die hij niet heeft gegrepen.

De F1 is eten of opgegeten worden. Vandoorne heeft zich laten opeten. Door Alonso en door de anderen. Hij teerde op zijn immense talent uit de GP2, maar kwam in een voor hem ongewone situatie terecht: niet langer bij het beste team, niet met de beste auto. Ineens zat hij aan de onderkant van de voedselketen en vergat te vechten voor zijn kruimels. In die twee jaar McLaren was Alonso steeds de betere en dan zal het weleens zijn voorgevallen dat die eerst het nieuwe materiaal kreeg, maar niet elke keer, niet elke race.

Vandoorne had nooit wat kunnen winnen in die auto, maar hij had af en toe kunnen verbazen. Hij had zijn immense talent kunnen demonstreren met een inhaalmaneuver, met een superronde, met iets bijzonders, met iets wat de paddock met verstomming zou slaan. Dat wauw-moment is er niet van gekomen.

In de kranten verschenen al veel analyses en na een opsomming van de technische problemen werd daar voorzichtig bij gesuggereerd dat hij misschien wat te braaf is geweest. Het is hoe je het beziet, maar de keiharde conclusie na twee jaar blijft: Stoffel Vandoorne heeft kansen gehad en hij heeft ze niet gegrepen. Op geen enkel moment heeft hij kunnen imponeren, niet binnen het eigen team, niet in de interne strijd tegen teamgenoot Alonso, niet tegenover de paddock.

Als alles normaal verloopt, maar niks is normaal verlopen tot nog toe, heeft Vandoorne nog zeven races om zich te tonen aan de F1.

 

20180915_De-Morgen_p-20-mail

ZWART OUD ZEER, verhaal over Serena Williams in De Morgen van zaterdag 15 sep 2018

Oud zwart zeer

Interessanter dan de discussie of Serena Williams zich al dan niet aanstelde in de verloren finale van de US Open (zonder twijfel), is de vraag waar al die opgekropte woede vandaan komt.

Bij het fileren van Serena Williams deze week, na haar emotionele meltdown in New York, werd graag verwezen naar haar uitbarsting in 2009, tegen Kim Clijsters en ook op de US Open. Ze kreeg een voetfout aangesmeerd en ging helemaal door het lint, wat resulteerde in zoveel straf dat de wedstrijd op slag voorbij was.

IJverige journalisten gingen terug tot de editie 2004, naar haar verloren kwartfinale tegen Jennifer Capriati, weer op de US Open. Umpire Marina Alves gaf call na call in haar nadeel en overrulede enkele beslissingen van lijnrechters in haar voordeel. Serena Williams, toen nog maar 22, maakte beleefd duidelijk dat ze het er niet mee eens was, maar speelde verder, duidelijk van slag.

Mariana Alves is net als haar collega Carlos Ramos een Portugese umpire die in het bezit is van de golden badge van de International Tennis Federation (ITF). Ze werd na die wedstrijd naar huis gestuurd. Vragen over wat er toen precies speelde, zijn nooit beantwoord door de tennisinstanties. Sindsdien leeft bij de Williamsen de overtuiging dat de (overwegend blanke) scheidsrechterij een grondige hekel aan hen heeft.

En in 2011, op de US Open natuurlijk, kreeg ze in de verloren finale tegen Sam Stosur ook een waarschuwing, toen om te luid te kreunen tijdens de rally.

Dramaqueen

Serena Williams lijkt de controverse aan te trekken, meer dan welke speelster ook. Eerder dit jaar was er de melding dat ze haar catsuit, spannende leggings en dito spannend shirt, niet meer mocht dragen op Roland Garros – de Parijse pendant van de US Open – want ‘niet gepast’.

Williams argumenteerde nog dat ze een compressiebroek moest dragen om medische redenen, om bloedklonters tegen te gaan, want dat ze verdorie vorig jaar bijna in de bevalling van haar dochtertje Alexis Olympia was gebleven, enzovoort en zo verder.

Ze droeg die catsuit al in 2002 op de US Open en speelde dit jaar in New York haar halve finale in een soort van tutu. Genoeg voorbeelden om aan te tonen dat La Serena de wereld graag naar haar pijpen wil laten dansen en als dat niet lukt, in een blinde woede ontsteekt. Een dramaqueen, noemde Dominique Monami haar, omdat ze de hele heisa had gerelateerd aan haar vrouw-zijn. Later kwam daar ook nog eens het raciale thema bij.

18 miljoen dollar sponsoring

In de VS werd in commentaren gewezen op de lijst die Forbes een paar weken voor de US Open publiceerde. “Een belachelijke gedachte dat ze het gewicht van een achtergesteld geslacht of ras draagt. Ze verdiende 18 miljoen dollar (15,5 miljoen euro) zonder een klap te doen.”

Het zakenblad gaf over Serena Williams deze toelichting bij de jaarlijkse lijst met topverdieners: “Tussen juni 2017 en juni 2018 won de bestbetaalde vrouwelijke sportster maar 62.000 dollar (53.000 euro) prijzengeld. Ze had een goed excuus nadat ze in januari 2017 bekendmaakte dat ze een kind verwachtte. Toch blijft ze de nummer één onder de vrouwelijke atletes met 18,1 miljoen dollar.”

Die 18,1 miljoen haalde Williams in 2017 op bij sponsors als Nike, Intel, Audemars Piguet, JPMorgan Chase, Lincoln, Gatorade en Beats. Zonder te spelen: op de hele planeet verdienen maar zestien atleten (m/v) meer dan Williams met zogeheten endorsements.

Desondanks zit Williams er warmpjes bij. Als zij, vrijgevochten zwarte vrouw en ook nog eens getrouwd met een steenrijke blanke ondernemer, niet mag klagen over erkenning door de sponsormarkt, wat is dan het probleem? Twee woorden: oud zeer. Bij de Williamsen – vader Richard, moeder Oracene, zus Venus en maar liefst tien halfzussen en -broers – sluimert dat altijd onderhuids.

Er is eerst en vooral de afkomst. Venus en Serena groeiden op in Compton, een voorstad van Los Angeles, vooral bekend van rappers als Coolio, Dr Dre en Kendrick Lamar, maar evengoed van een disproportioneel aantal doden door gang-geweld.

Op haar negende verhuisde het hele gezin naar Florida, naar West Palm Beach, om de zussen op de tennisschool van Rick Macci bij te spijkeren. Een jaar later verbood vader zijn dochters nog langer in toernooien te spelen. Ze wonnen alles en de commentaar van de andere ouders was te kwetsend.

Je kunt de zussen uit Compton halen en succesvol de wereldtop laten bestormen, maar je haalt Compton niet uit de zussen. Toen hun personal assistent en halfzus Yetunde Price in 2003 per toeval werd vermoord in een drugsoorlog, in Compton, kwam de realiteit weer akelig dichtbij. In 2016 zouden Venus en Serena hun zus eren met de oprichting van een community center gericht op het verlenen van hulp aan slachtoffers van zinloos geweld. Eerder al mocht er geen goed doel passeren of Serena schreef zich in en doneerde geld, tot de bouw van scholen in Kenia en Jamaica toe.

Om haar emotionaliteit wat te kaderen: toen Serena Williams afgelopen zomer hoorde dat de moordenaar van haar zus voorwaardelijk vrij was, verloor ze op slag haar eerstvolgende wedstrijd met 6-1, 6-0 van de matige Britse Johanna Konta. Ze gebruikte dat niet als excuus.

Niet langer zwijgen

Veel van haar woede heeft Serena meegekregen van haar ouders. Beiden zijn opgegroeid met de gesegregeerde sport, met racisme in alle domeinen en dus ook in de sport. Veel van die woede kan men catalogeren onder zwarte woede, black anger, die altijd al sluimerde maar de laatste jaren springlevend is.

Het tenniswereldje heeft niet geholpen om hen milder te stemmen, wel integendeel. In maart 2001 speelden de twee zussen op Indian Wells, een toptoernooi net onder de grand slam, en het onvermijdelijke dat vader Richard tot dan altijd had vermeden, gebeurde: inde halve finale moesten ze tegen elkaar. Vier minuten voor de wedstrijd meldde Venus zich af met een knieletsel. Twee dagen later tijdens de finale werden Venus en haar vader in de tribune en Serena op het veld uitgejouwd door het bijna geheel witte publiek. Serena, toen 19, zou die finale winnen, van Kim Clijsters.

Richard sprak tegen USA Today van racistische commentaren zoals “was het 1975, we hadden je kunnen villen” en scheldwoorden als “nigger”, maar die zijn nooit bevestigd. Slotsom: de zussen hebben dertien edities lang – ook al waren ze daartoe verplicht – geen voet meer op Indian Wells gezet.

In 2015 kwam Serena Williams terug op haar boycot, en nam zelfs een filmpje op, te zien op YouTube (youtu.be/YE_xaNziaf4), waarin ze het zo fantastisch vond om terug te zijn en hoe ze dat ene slechte moment wilde vergeten. Pure hypocrisie, maar toch met een bijzondere uitsmijter: of de aardige surfers niet meteen in één moeite 10 dollar wilden doneren voor Equal Justice Initiative, een non- profitorganisatie die advocaten toewijst aan wie dat niet kan betalen.

Dramaqueen, kapitaliste, en ook activiste. In 2016 postte ze op Facebook haar steun voor de Black Lives Matter-beweging. Dat deed ze naar aanleiding van een situatie waarbij haar neefje met haar SUV reed en zij ernaast zat te mailen terwijl plots een politiewagen opdook. “Stel dat ze hem gewoon doodschieten: een jonge gast met een dikke auto?” Ze quootte Martin Luther King: “Soms wordt stilzwijgen verraad. Ik zal niet meer stil zijn.”

‘Ik wilde iemand zijn’

Stil past niet bij haar. Bovendien heeft ze lange tenen en wie in de buurt van die tenen komt, zal het geweten hebben. Enige context doet wonderen. In een ESPN-artikel, niet toevallig over tennis, dook de term mysogynoir voor het eerst op. Zwartevrouwenhaat mag dan een licht overtrokken begrip zijn, tennis is samen met golf wel de meest archaïsche van de grote sporten en heeft niet de grote getallen zwarte atletes van bijvoorbeeld het basketbal.

Het was en is nog steeds geen pretje om zwart te zijn in tennis. Zwarte vrouwen worden over het algemeen niet geacht veel praatjes te hebben. Als een zwarte vrouw een blank circuit gaat domineren op basis van onmiskenbare skills en al even onmiskenbare fysieke capaciteiten, volgen daar vaak nare commentaren op waarbij de fysiek het ruimschoots haalt van de skills.

De Williamsen hebben illustere voorgangsters, elk met hun verhaal. Evonne Goolagong won in de jaren 70 zeven grandslamtoernooien. Zij groeide op in Australië als dochter van een aboriginal schaapscheerder en nadat ze op een dag samen
met de blanke dochter van haar trainer twee oudere vrouwen van de club had ingemaakt, kreeg ze felicitaties van een van de tegenstandsters, die over de derde persoon sprak. “Het is voor het eerst dat ik tegen een negerin heb gespeeld, ik heb ervan verloren en ik heb haar zelfs een hand gegeven.”

De grote wegbereidster in tennis heet evenwel Althea Gibson, ‘de Jackie Robinson van het tennis’, zo genoemd naar de legendarische zwarte honkballer die de rassenbarrière doorbrak in die sport. De Amerikaanse Gibson deed hetzelfde in tennis door al in 1956 de Franse Open te winnen en een jaar later ook Wimbledon.

Gibson groeide op in Harlem, toen nog een zwarte middenklassewijk, en kreeg pas in 1950 toestemming om tegen blanke vrouwen te spelen. Dat was vaak een probleem omdat die wedstrijden plaatsvonden op clubs waar zwarten niet welkom waren, en ook slapen in hotels was in die tijd een hele opdracht.

Vooral in de VS kreeg ze veel tegenstand, maar in 1957 werd ze toch de eerste zwarte atlete van het jaar. Een jaar later bracht ze haar biografie uit, met een titel die voor de meeste grote zwarte sportvrouwen de lading dekt: I always wanted to be someone.

Gibson plaveide de weg voor Zina Garrison (veertien WTA-titels), die leerde spelen in een publiek park in Houston, en Arthur Ashe (drie grandslamtitels), die opgroeide in Richmond, Virginia, in de portierswoning van een publiek park voorbehouden voor zwarten.

En toen kwamen de Williamsen. Samen dertig grandslamtitels gewonnen, het succesvolste zussenpaar in de geschiedenis van de sport, miljonair, wonend in de villawijken van West Palm Beach en dan denk je: zijn die nu nog niet ontvoogd?

Bosapen

Katrina Adams is voorzitster van de Amerikaanse tennisbond én zwart én opgegroeid in de West Side van Chicago. “Elke keer dat wij op een tennisveld stappen, dragen we het gewicht van een hele groep mensen en proberen we iets te bereiken voor hen. Er is een glazen plafond en als we dat willen doorbreken, moeten we twee keer zo hard werken.”

Niet alleen in tennis zijn zwarte sportvrouwen minderbedeeld. Dat staat in schril contrast met hun sportieve prestaties: op de podia van de Olympische Spelen of andere grote toernooien zijn zwarte vrouwelijke atletes oververtegenwoordigd.

Heel lang is hen een stem ontzegd, ook door hun rasgenoten. Toen de zwarte socioloog Harry Edwards in 1967 zijn Olympic Project for Human Rights oprichtte, bedoeld om de zwarte atleet te engageren voor de rassenstrijd en uitmondend in een gedeeltelijke boycot van de Spelen, dacht hij geen moment aan de zwarte vrouw. De Amerikaanse olympische ploeg bulkte nochtans van het vrouwelijk talent met een donkere huidskleur dat een karrenvracht aan medailles zou winnen.

Een vergissing, zou hij later volmondig toegeven. “Als een vrouw goed is in sport, heeft ze een grote kans dat ze wordt geprezen om haar onvrouwelijk atletisch vermogen. Als die vrouw bovendien zwart is, zal ze worden geprezen om haar dierlijke, mannelijke capaciteiten.”

Dat is wat ook Serena Williams is overkomen, maar evengoed alle andere zwarte atletes sinds hoogspringster Alice Coachman als eerste zwarte ooit in 1948 olympisch goud won.

Althea Gibson, die nog uit de exclusief zwarte American Tennis Association stamde, moest al optornen tegen het beeld dat ze mannelijk tennis speelde. Serena Williams werd ooit door haar generatiegenote Maria Sjarapova omschreven als iemand om bang van te zijn. “Met haar dikke armen en dijen is ze erg intimiderend. Ze is zo sterk en zo lang.” Sjarapova is misschien minder sterk, maar ze is 13 centimeter langer dan Serena Williams.

Alle racistische en seksistische verwijten opnoemen aan het adres van Serena Williams is onmogelijk. Een greep uit het aanbod. Tennislegende Illie Nastase: “Het is te hopen dat die kleine van haar zwart met melk is.” Of IOC-lid Sjamil Tarpitsjev: “Ik zou niet graag tegen de broers Williams spelen.”

Een Amerikaanse sportcommentator vond dat Venus en Serena te dierlijk waren voor Playboy en beter zouden passen op de cover van National Geographic. Toen hij daarop werd aangesproken, sprak hij tegen dat het om racisme ging: de commentaren waren biologisch.

Ook in ons land waren de Williamsen het voorwerp van kwalijk taalgebruik. Radiopresentatoren Sven Ornelis en Erwin Deckers (die laatste is intussen CEO bij De Persgroep-Medialaan, uitgever van deze krant) vergeleken in 2003 de tenniszussen met “bosapen” in hun ochtendshow op Qmusic na hun overwinning in de Australian Open op Kim Clijsters en Justine Henin. Een luisteraar, zelf iemand met een donkere huid, diende daarop een klacht in bij het toenmalige Centrum-Leman. De klacht werd gegrond verklaard en in de D&O Ochtendshow moesten de presentatoren middels een voorgeschreven boodschap publiekelijk door het stof.

Twee jaar eerder werd een journalist van de Franstalige zender Radio Contact de laan uitgestuurd omdat hij live in de ether Venus Williams, tijdens haar finale in Wimbledon tegen Justine Henin, had vergeleken met een aap. Radio Contact kreeg een boete van 1.000 euro en bood in het openbaar zijn verontschuldigingen aan.

 

20180915_De-Morgen_p-54_Oud-zwart-zeer-all-mail

Column over Serena Williams in De Morgen van maandag 10 sep 2018

Hopelijk pakt Serena Williams snel haar 24ste grandslam

Serena Williams heeft haar 24ste grandslamtitel nog niet binnen. Ze verloor van de Japanse Naomi Osaka (6-2, 6-4). Omdat de Japanse beter was en ook – het eerste is mede de oorzaak van het tweede – omdat ze haar zenuwen niet meer onder controle had. Zo kun je de vrouwenfinale van zaterdag op de US Open samenvatten.

Er was wel iets aan de hand. Nadat ze de eerste set had verloren, kreeg Williams in het begin van de tweede een waarschuwing omdat haar coach Patrick Mouratoglou zat te coachen. Daarop ging ze verhaal halen bij de umpire Carlos Ramos, maar kreeg nul op het rekest.

Volgend bedrijf in het drama was toen ze haar racket kapot sloeg na het verlies van een game. Tweede waarschuwing en automatisch een punt voor de tegenstander. Ten slotte noemde ze in die set de umpire ook nog eens een dief en kreeg een derde waarschuwing, wat haar meteen een heel game kostte. De coaching violation kwam er na een duidelijk handsignaal van haar coach dat ze dieper in het veld moest spelen en prompt kwam ze meer aan het net. Williams argumenteerde dat ze niet had gekeken, dat ze een kind had en daarom nooit zou bedriegen.

Dat soort bestraffingen in tennis betreffen de coach, maar de straf gaat in het boekje van de speler. Mouratoglou heeft toegegeven dat hij zat te coachen. Dat mag niet in tennis en hoewel het niet meer van deze tijd is om je speler of atleet of wielrenner onderweg niet meer te mogen bijsturen, zijn dat de reglementen.

Ze zei dat haar bestraffing a gender thing was. Omdat in het mannentoernooi de hele tijd wordt gecoacht en niemand wordt bestraft. Daarop sleurde ze er Alizé Cornet bij, die in de eerste week haar speelshirt had omgedraaid op het court en daarvoor een warning kreeg. Dat laatste is nog belachelijker dan wat Serena Williams is overkomen, en het klopt dat mannen de hele tijd hun shirt mogen uittrekken en dat daarbij zelfs levensechte tepels te zien zijn, terwijl die maliënkolders van sportbeha’s niks onthullen.

De volgelingen van Williams vonden het a race thing. Niet slim en dat kun je ook zeggen van de gedragingen van Williams. Williams is een van de gezichten van de 30 Years Just Do It-campagne van Nike, samen met Colin Kaepernick, de footballspeler die weigert te knielen voor het volkslied. Een kleine 400 kilometer naar het zuiden zal die met zijn rood haar in dat witte huis in zijn vuistje hebben gelachen en met hem alle white supremacists, toen de Rosa Parks van de Amerikaanse sport zichzelf tot scheldend viswijf degradeerde.

Het is Serena’s goed recht om dingen oneerlijk te vinden en het is nog meer haar goed recht om als een vulkaan uit te barsten, maar ze zou beter een voorbeeld nemen aan de basketbalsterren LeBron James en Stephen Curry. Bewonderenswaardig hoe die zich in alle omstandigheden in dat rare land van hen boven alle drama en herrie verheffen, telkens de goede beslissing nemen, de juiste woorden gebruiken en de tegenstand geen argumenten geven.

De vergelijking met Curry is lastig want die is de zoon van een ex-profspeler. Toen Stephen in de play-offs zijn cool verloor na een ruime overwinning riep hij “this is my fucking house”, waarop moeder Curry hem adviseerde zijn mond te wassen. Met zeep. Dat mag je van vader noch moeder Williams niet verwachten.

Als je vrouw bent én zwart is tennis bovendien niet de meest voor de hand liggende speelplaats. Inzake archaïsche zeden, gewoontes en moraliteit is dit ongeveer de meest foute sport. Daarom wekt het (soms) sprookje van de Williamsen zoveel verbazing: zussen uit het rauwe Compton die de beste speelsters ooit zijn geworden.

Het enige wat Serena ontbreekt om in alle lijstjes bovenaan te staan, is die 24ste grandslamtitel. Daarmee zou ze op gelijke hoogte komen van Margaret Court. Behalve van die overwinningen op de vier grote toernooien is de Australische vooral bekend als pastor van de conservatief evangelische gemeenschap in Perth en haar racisme en homofobie.

Zuid-Afrika pakt het rassenprobleem beter aan dan de VS, zei ze in volle apartheid. Oké, laat dat een slip of the tongue in onvermoede tijden zijn. Maar vorig jaar legde ze nog uit dat het overaanbod van lesbiennes in het tennis een soort besmetting was door zeldzame lesbische koppels die andere jonge meisjes hebben meegesleurd in hun (quote) perversiteit. Transgenders zouden dan weer best een duiveluitdrijving krijgen.

Geen enkele weldenkende sportvolger die niet hoopt dat Serena Williams alsnog die 24ste wint en tegelijk wanhoopt als ze weer eens door het lint gaat en een kans verknalt. De tijd dringt. Op 26 september wordt ze 37.

 

20180910_De-Morgen_p-20-mail