Column over de ‘verkoop’ van RSC Anderlecht in De Morgen van maandag 20 nov 2017

Anderlecht

Royal Sporting Club Anderlecht is te koop. Tenminste: driekwart van de aandelen van voetballend Belgiës ‘kroonjuweel’, maar in de praktijk betekent dat de hele club. Minderheidsaandeelhouders zijn de T2’s van de eigenaars: de ene heeft al iets meer in de pap te brokken dan de andere, maar finaal blijft het de T1, hij die de meeste aandelen heeft, die de knopen doorhakt.

Eerste reflex: dit tien jaar eerder en Bart Verhaeghe en Vincent Mannaert waren er opgesprongen met hun haar recht en hun portemonnee wijd open. Dat had hun samen vierhonderd kilometer auto per dag bespaard. Tweede reflex, in navolging van tv-maker Luc Kempen via zijn Twitter-account: als iedereen zogezegd van die nakende verkoop wist, waarom is dat niet eerder uitgebreid aan bod gekomen in de media? Het antwoord op die vraag is iets complexer. Wellicht was er een vermoeden en heeft Roger Vanden Stock al iets gehint, en eerder al was er de omzetting naar een nv, maar voetbal is een conservatief milieu en daarom geloofde niemand echt in een troonsafstand van de Vanden Stocks.

Al in 2015 gonsde het van de geruchten dat Vanden Stock – inmiddels halfweg de zeventig – de macht zou overdragen. Toen werd reikhalzend uitgekeken naar de komst van Alexandre Van Damme en alles wees daar ook op met het aantreden dat jaar van een nieuwe financiële directeur in de persoon van Jo Van Biesbroeck, ook met een AB InBev-verleden. Maar een jaar later verhuisde Van Damme zijn hele hebben en houden naar Zwitserland. Niet om fiscale redenen, hoe durfden we dat te denken, maar omdat de lucht er gezonder is en de mensen discreter zijn. Verhaeghe heeft/had daar ook een doeningske en woonde daar zelfs een tijd toen hij Club Brugge had overgenomen, maar hij ondervond al snel dat het in de volatiele emotiebusiness voetbal net iets makkelijker schakelen is als je in de buurt bent. Van Damme bleef in Zwitserland en werd steeds minder op Anderlecht gespot.

De berichten als zou Alisjer Oesmanov kandidaat-koper zijn, werden wellicht met een bijbedoeling de wereld ingestuurd. We moeten daar niet op hopen, de piste Oesmanov lijkt vooral een dwaalspoor, want wat heeft zo’n rijke Oezbeek te zoeken in de tiende voetbaleconomie van de wereld? Komt de brexit hem de strot uit en wil hij Belg worden? Weet hij meer, vermoedt hij de oprichting van een Europese superliga waar Anderlecht ook deel van zal uitmaken? Het is een halve gok, maar de naam Oesmanov is aas dat andere rijke investeerders moet lokken. Misschien wel die rijke Rus van Monaco, die Cercle Brugge heeft gekocht en vervolgens Salvator Mundi verkocht?

De tandem Gheysens-Vandenhaute lijkt de logica zelve. Wouter Vandenhaute wordt een beetje kort door de bocht voorgesteld als de grote Anderlecht-supporter. Wouter is vooral supporter van hemzelf en zijn portemonnee (dat is geen verwijt, maar een vaststelling) en heeft zijn oog al langer laten vallen op Anderlecht, dat zijn status van marktleider niet ten volle benut. Vijftien jaar geleden al wilde hij zijn rol als mediafiguur opgeven om Michel Verschueren op te volgen, maar dat ging niet door. Vervolgens ondernam hij de tot nog toe meest lovenswaardige poging in de geschiedenis van het wielrennen om die sport op de commerciële rails te krijgen, maar werd daar vakkundig geboycot door de Tour de France.

Wouter Vandenhaute was voetballer, licentiaat LO, sportmedewerker bij deze krant (Waregem was zijn specialisme), werd later tv-verslaggever op de sportredactie van de VRT en runde met Supersport een grensverleggend sportkanaal. Wouter ís sport, is ook business en is een strateeg. Wellicht heeft hij de toenadering gezocht tot Gheysens, Paul-de-bouwer die met zijn Brussels stadiondossier werd geboycot door Bart-de-Bouwer en finaal ook door RSC Anderlecht. Dat is toen nooit goed begrepen maar lijkt in het licht van een nakende verkoop een logische beslissing. Laat de nieuwe eigenaars maar investeren en zich engageren in dat stadionavontuur.

Voor Gheysens zou het een uitweg zijn om zonder veel gedoe in Brussel een groot stadion te bouwen dat ook nagenoeg wekelijks wordt bespeeld. De stelling van Gheysens is al jaren: de vraag is niet óf er een nieuw stadion zal komen langs de ring, maar wannéer. Liefst voor Euro 2020, daarna als het niet anders kan.

Brussel heeft nood aan een nieuw stadion en Anderlecht ook. Geen beter scenario dan een bouwheer die eigenaar is van het stadion en van de club. Gheysens gelukkig want dan moet/kan hij weg van die Bosuil waar hij zich niet thuisvoelt. En Vandenhaute ook, want dan kan hij zich op zijn 56ste eindelijk bezighouden met wat hem al altijd heeft geboeid: sport. Een wereld van over het paard getilde prima donna’s, zoals de televisie, maar veel leuker.

 

DM-COL-RSCA-WVDH-PG

Advertenties

Column Slopestyle in De Morgen van zaterdag 18 november 2017

Slopestyle

Bijna vier jaar heb ik gewacht om dit stukje te schrijven, vooral omdat er geen goede aanleiding was, maar eerst even dit. Een column is een karikatuur. De neus is altijd langer dan hij in werkelijkheid is. In journalistiek mag dat niet: je mag wel een mening hebben over de neus, maar de neus moet de juiste afmetingen hebben.

Zo heb ik ooit columnistisch geschreven dat de Afrikanen in geen honderd jaar wereldkampioen voetbal worden en de redenen die ik toen aanvoerde, werden als racistisch gelabeld, terwijl ik gewoon de sportrealiteit een beetje scherp verwoordde. Wat ik toen niet goed had ingeschat, was de ik-ben-beledigdcultuur van de lange tenen.

Ooit heb ik over het onmogelijk huwelijk journalist-columnist in de fitness van het pershotel van de NBA Finals 1998 in Salt Lake City een gesprek gevoerd met Rick Reilly, toen bij Sports Illustrated, later ESPN. Voor hem was het simpel: “De mensen over wie ik schrijf, weten niet wie ik ben, ze ontmoeten mij nooit, ik zit in het decor als een roofdier en ik sla toe. Soms laat ik hen leven, soms beginnen ze pas te leven als ik over hen schrijf, soms schrijf ik hen dood.”

Reilly kreeg toen 296.74€ per jaar betaald voor één stukje per week. Verplaatsingen waren op kosten van het bedrijf, woon- werkverkeer ook: hij woonde in Colorado Springs en de redactie was in New York.

Toen ik zei hoe ik dat combineerde, zei hij dat ik gek was en vroeg of ik nog nooit slaag had gekregen. Neen, wel eens belaagd door fans van een lokale voetbalclub, maar slaag niet. Ook wel eens uitgespuwd. Of een klacht bij de Raad voor Journalistiek aan mijn been van een gestoorde.

Maar goed, herinnert u zich nog dat we in 2014 met veel bombarie naar de Winterspelen zijn getrokken? Tenminste, zo kwam het op mij over. Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité had toen gedaan wat ze altijd heel goed doen (en dat is ongeveer het enige): een mooie spot maken. Daarin figureerden onze snowboarders, want die hadden wij – land van geen sneeuw – ineens en ze maakten nog een kans op een medaille ook. De spot was op muziek van Jacques Brels ‘Le plat pays’ en onze snowboarders deden hun ding op gras en zand.

Jammer, het liep minder gesmeerd dan verwacht met die medaillekansen en toen schreef ik een column waarin ik de draak stak met slopestyle, het snowboarden waarbij de jury punten geeft voor sprongen en voor tricks, in de lucht of op rails en andere dingen die normaal nooit in de sneeuw staan.

Ik vroeg in die column ook of je snowboarder wordt omdat je op je hoofd bent gevallen, of op je hoofd valt omdat je snowboarder bent. Ten slotte lachte ik ook met onze nummer één in die sport, Seppe Smits. Die was al uitgeschakeld nog voor de Spelen goed en wel waren begonnen en ik suggereerde om de volgende keer op sneeuw te snowboarden in plaats van op gras en zand.

Dat was allemaal grappig bedoeld, en heel veel mensen hebben er ook mee gelachen. Tegelijk was het een beetje pijnlijk voor wie erin figureerde, maar alles koelde zonder blazen en kort daarna maakte ik kennis met een paar mensen van Sneeuwsport Vlaanderen. Aardige lui, die het goed meenden met hun sport. Ze waren er het hart van in, van die column, en ik was er het hart van in dat zij er het hart van in waren.

Dit jaar kreeg ik het voorstel om mijn vrienden de snowboarders op locatie te volgen in hun trainen en leven in de bergen. Vorige week heb ik twee keer duizend kilometer gereden, twee dagen hoog op de Stubai-gletjser doorgebracht, mijn ogen de kost gegeven, veel gepraat, ook een beetje geskied (anders is het moeilijk om daar te komen en weer weg te geraken) en ten slotte de atleten op bezoek gehad.

Jawel, op bezoek gehad. Zelden meegemaakt dat topatleten – we hebben het over de wereldkampioen en de vierde van het laatste WK – zelf hun auto nemen en bij mij in de bar bij een spuitwatertje hun verhaal komen doen. Goed opgevoede jongens, niet de minste dikke nek en gek van hun sport waarvan ik de complexiteit en de achterliggende cultuur een beetje beter begrijp.

Ze waren duidelijk gebrieft om mij niet alleen het leven niet tot een hel te maken, maar mij zelfs met alle egards te behandelen en mij voor hun zaak te winnen. Daar zijn ze cum laude in geslaagd. Ik ben helemaal om. Let wel, ik ken nog steeds niks van dat hele slopestyle, maar ik zal kijken en ook als het misgaat (maar het gaat goed deze keer) zal ik mij niet aan hen vergrijpen. Integendeel, ik zal er een mooi verhaal over proberen te schrijven. Reilly had gelijk: een columnist mag niet te veel journalist zijn, maar een goed gevoel aan een reportage overhouden, is ook veel waard.

 

DM-COL-Slopestyle2

Verhaal IOC bibbert voor Rusland in De Morgen van zaterdag 19 nov 2017

IOC bibbert voor sportreus Rusland

De dopingbestrijders spraken zich al uit tegen een Russische deelname in PyeongChang en anders dan voor Rio lijkt ook de olympische wereld te neigen naar een uitsluiting. Maar de geopolitieke krachten in de sport laten het hier niet bij. ‘Wie wil nu oorlog met Poetin?’

Maksim Vyleghzjanin. Evgeniya Sjapovalova. Aleksandr Legkov. Evgeniy Belov. Joelia Ivanova. Aleksej Petoechov. Dit zijn de eerste zes namen van Russische atleten, allemaal langlaufers of crosscountryskiërs, die de voorbije weken door de Oswald-commissie
van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) zijn gestraft met afname van hun medaille, als ze die al hadden gewonnen, en hun olympische status. Ze mogen in februari ook niet naar PyeongChang.

Hun misdaad? Een onweerlegbaar bewijs dat tijdens de Winterspelen in Sotsji 2014 met hun urinestaal is geknoeid. Samen vertegenwoordigen ze vijf medailles, waarvan maar één gouden. Het zwaarst getroffen is de 50 kilometer massastart, waar het goud en zilver zijn afgenomen en de bronzen medaille nu goud zou krijgen. Zou, want ook Ilja Tsjernoesov is Rus.

Het nieuws zorgde voor verslagenheid en ook verdeeldheid, niet het minst in Rusland. Tsjernoesov, in training voor de aanstaande Winterspelen, wordt nu beschuldigd door zijn voormalige bondscoach Joeri Borodavko de informant te zijn geweest van de onderzoekers. Borodavko is geschorst en geen gevaar, maar de voorzitster van de Russische langlauffederatie hield een identiek discours: “Voor mij is elke informant een verrader van het moederland.” Haar naam? Jelena Välbe, winnares van veertien gouden medailles in diezelfde sport en de grootste atlete die ooit op langlauflatten stond. In die sfeer is Rusland met duidelijke tegenzin aan de opgelegde grote schoonmaak begonnen.

Nooit was er meer zekerheid over een allesomvattende dopingpraktijk, maar nooit was ook de bewijslast moeilijker. Zo ging de gouden medaille in het kunstschaatsen Adelina Sotnikova vrijuit, hoewel ook met haar staal was geknoeid. Wat precies de extra bewijslast tegen de anderen was, zullen we pas weten als Vyleghzjanin en Legkov met de steun van het moederland naar het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) trekken. In het geval van Sotnikova volstonden krassen op het flesje alvast niet. Wellicht zijn ook abnormale zoutconcentraties in de urine nodig om met 100 procent zekerheid van fraude te kunnen spreken.

Niet conform

Afgelopen week zijn een hele rist Russische biatleten voor de commissie verschenen en aanstaande woensdag moeten zeven ijshockeyspeelsters uitleg komen verschaffen. De verwachting is dat Rusland van zijn 31 medailles hooguit de helft zal overhouden eens alles en iedereen de revue is gepasseerd. Van de Zomerspelen van Beijing 2008 zijn de Russen al eens 10 medailles (van 70 naar 60) en van Londen 2012 zelfs 12 stuks (van 82 naar 70) kwijtgespeeld na hertesting.

De Russische autoriteiten blijven op last van het hoogste gezag in alle toonaarden ontkennen dat er een door de staat gestuurd dopingprogramma is opgezet. Nochtans wijst alles in die richting. Het begon met de vlucht van de Russische labodirecteur Grigori Rodtsjenkov naar de VS. Lange tijd was hij de enige bron, waardoor de Russen zijn beweringen konden afdoen als verzinsels van een overloper. Gaandeweg verzamelden onderzoekers meer bewijzen en meer getuigenissen, waardoor ze nu zeker zijn.

Rusland dopeerde zijn atleten niet alleen met een moeilijk opspoorbare cocktail, atleten werden ook nog eens getest op clean zijn voor ze ergens ter wereld in competitie kwamen. Tijdens de Winterspelen van Sotsji gingen ze nog een stapje verder: de 100 procent secure dopingflesjes werden door de geheime dienst moeiteloos geopend en de urine van gedopeerde atleten werd vervangen door schone urine.

Die laatste artisanale praktijk is bewezen en inmiddels gecounterd, maar wat de onderzoekers nu interesseert, is toegang krijgen tot het reservoir van bewaarde stalen. Elk door het Wereldantidopingagentschap (WADA) geaccrediteerd labo is verplicht die bij te houden. Wellicht wachten daar tientallen, zo niet honderden positieve urines op hertesting. Vooralsnog geeft de Russische overheid geen toestemming voor controles door buitenlandse controleurs, want dat zou neerkomen op een de facto overnemen van een Russisch staatsagentschap door het buitenland.

Die weigering lag eerder deze week aan de basis van de veroordeling van Rusland en het Russische antidopingagentschap Rusada door WADA als non-compliant, wat zoveel betekent als niet conform de WADA-code. Landen waarvan het nationaal antidopingagentschap en de dopingwetgeving niet worden aanvaard, kunnen worden uitgesloten van de internationale competities. Dat is geen verplichting, want de tekst in het Engels spreekt van “should be banned”, of zouden moeten worden gebannen.

Afluistermateriaal

Rusada is onbetrouwbaar en niet erg actief: het deed in 2017 tot vandaag maar 3.700 controles. Vlaanderen alleen zit aan 2.500. De bal ligt nu net als in juni 2016 in het kamp van het IOC. Toen besloot het hoogste sportorgaan om de Russen toe te laten tot de Spelen, maar gaf de sportbonden de vrijheid om al of niet Russische atleten te aanvaarden. De mondiale atletiekfederatie IAAF hield zowat alle Russen weg uit Rio en sindsdien is hun voorzitter Sebastian Coe persona non grata.

De beslissing van het IOC kon op weinig begrip rekenen, maar was de enige logische omdat nog niet alle rapporten waren gepubliceerd en omdat de sportbonden de laatste zeg hebben over de deelname van atleten aan de Olympische Spelen. Vandaag is de situatie rond de Russische staatsdoping veel duidelijker en lijkt men in Lausanne te neigen naar een advies tot uitsluiting.

Copyright © 2017 gopress. Alle rechten voorbehouden

De olympische coulissen doen er vandaag het zwijgen toe of praten alleen anoniem. “De kwestie ligt erg gevoelig. De druk is enorm. Het IOC wil als één geheel een beslissing nemen, zodat die niet op het bordje komt van enkele personen, want de wraak van Poetin zal niet min zijn. Niemand wil oorlog met die man.”

Lausanne weet dat de Russische president het dossier hoogstpersoonlijk opvolgt en gevoelige vergaderingen worden soms op onvoorspelbare plaatsen georganiseerd om afluisteren te voorkomen. Het IOC zit verspreid over verschillende gebouwen, zolang het nieuwe hoofdkwartier niet af is. Daarvan wordt gezegd dat er na de oplevering een budget is voorzien om alle afluistermateriaal op te sporen en te verwijderen.

Rusland voert nog elke dag de druk op. De bewering van Poetin dat de dopingbeschuldigingen een poging zijn van de VS om de aanstaande presidentsverkiezingen in zijn land (en hemzelf dus) te boycotten lijkt lachwekkend, maar ze wordt zonder verpinken bevestigd door de Russische minister van Sport en ex-goudenmedaillewinnaar in het schermen Pavel Kolobkov: “Rusland schuldig aan staatsdoping is een verzinsel van sommige staten (lees: de VS, HVDW), maar ik ben ervan overtuigd dat de onschuldige atleten niet zullen boeten voor die enkelingen die een grens hebben overschreden. Het IOC is een wijze instelling.”

Het IOC is in de eerste plaats een instelling waar de pleitbezorgers voor Rusland stevige posities hebben ingenomen en de Noord- Amerikanen met de jaren zwakker werden. Her en der werden getuigenissen van sportofficials en atleten verzameld en op geregelde tijden in een persbericht gegoten, met steeds dezelfde teneur: “Straf de schuldigen, maar niet de onschuldigen.”

Toen de nationale antidopingorganisaties (NADO’s) enkele weken terug vroegen Rusland uit te sluiten, kwam een zware tegenaanval van sjeik Ahmad al-Fahd al-Sabah, voorzitter van ANOC, de wereldwijde vereniging van nationale olympische comités. “De NADO’s zijn dienstverleners die moeten zwijgen en geen politieke standpunten mogen innemen.”

Worldcup

De Koeweitse sjeik en zijn vriend Poetin hebben in 2013 op het SportAccord-congres in Sint-Petersburg hun onvoorwaardelijke steun betuigd aan de kandidaat-voorzitter Thomas Bach. Van alle sportmogols zit deze sportpaus in de moeilijkste positie. Hij is enerzijds schatplichtig aan Poetin en co. voor de steun van het Oost-Europees en Arabisch blok bij zijn verkiezing, maar ligt anderzijds fel onder vuur van de Angelsaksen, de hardliners, en niet het minst in zijn thuisbasis Duitsland, waar vooraanstaande journalisten soms zelfs dagelijks om zijn ontslag vragen en hem wegzetten als een marionet van de Russen.

De redding voor Bach zou weleens kunnen komen van het ultieme bewijs, te groot om te negeren: de nieuwste informatie die door een gunstige wind op het bureau van het WADA is beland. Zij lieten vorige week weten dat ze de hand hadden weten te leggen op een database van het Russisch dopinglab. Inmiddels is die database door de Russen al afgedaan als een vervalsing, maar de eerste geruchten wijzen op explosief materiaal dat de Olympische Spelen overstijgt.

In het McLaren-rapport, het eerste onderzoeksrapport van juli en december 2016, viel al te lezen dat bij de Russische staatsgedopeerde atleten ook 34 voetballers zaten. Het staat vast dat tussen nu en juni het WADA ook zijn pijlen zal richten op de Russen en hun worldcup voetbal. Dat zou de finale afrekening zijn met hun Nemesis, de gevreesde, gehate en tot nog toe onaantastbare Vitali Moetko. Die is ex-voorzitter van Zenit Sint-Petersburg, ex-voorzitter van de Russische voetbalbond, minister van Sport tussen 2008 en 2016, voorzitter van de Russische succesvolle kandidatuur voor de worldcup en lid van de FIFA Council, het hoogste bestuursorgaan van wereldvoetbalbond FIFA.

Moetko wordt door alle informanten aangewezen als de man die namens Poetin het dopingprogramma overzag. Ook Rodtsjenkov heeft uitgebreid getuigd over zijn vergaderingen met de minister van Sport. Dat de zaak ook in Rusland zelf wordt gevolgd en Moetko stilaan aangeschoten wild is, bewijst Ksenia Sobchak, de vrouwelijke presidentskandidate bij de volgende verkiezingen. TV-ster Sobchak, die nochtans voor haar politieke aspiraties toestemming ging vragen bij familievriend Poetin, heeft openlijk om het ontslag van Moetko gevraagd.

De coulissen van Lausanne zijn duidelijk: “Moetko is de zwakke flank van Poetin. Als hij te veel vuilnis in zijn hoek krijgt, en uiteindelijk wordt geslachtofferd, zitten we toch al bij de vice-eersteminister van de Russische republiek. Dichter bij de zon zullen we nooit geraken, maar de zon zal wel wat moeten dimmen.”

 

 

IOC, Rusland en Poetin

Column Eat Your Heart Out, Roberto in De Morgen van maandag 13 nov 2017

Eat your heart out, Roberto

 

Zijn we er tóch ingetuind, riep Herman Kuiphof nadat Gerd Müller de 2-1 had gescoord namens toen nog West-Duitsland tegen Nederland in de finale van het WK 1974. Wij zijn er hier ook ingetuind, en geen klein beetje. Eén hele column, die van zaterdag, ging over het futiele van oefeninterlands net na een afgesloten campagne en deze gaat er ook over, dus zo futiel was het allemaal ook weer niet. En dan komen die kleine Japanners er nog aan om ons het leven zuur te maken, morgen in Brugge. Neen, we zijn nog geen wereldkampioen.

King Kev, geboren Kevin De Bruyne, heeft gesproken en hij had kritiek, dus is dat wereldnieuws. Je kon het een beetje zien aankomen. Dat schokschouderen, die armbewegingen af en toe, alsof hij wilde zeggen “loop nu een keer waar ik denk dat jullie moeten lopen en niet waar je zelf zo graag loopt”. Gisteren na de training spuwde hij een klein beetje gal. Tenminste, zo werd dat gepercipieerd en uitvergroot om heel even al het andere non-nieuws dat nu al een paar dagen Vlaanderen biologeert naar de achtergrond te verdringen.

We vatten Kevin De Bruynes betoog even samen: we spelen nog altijd te veel op basis van talent, we hebben niet de juiste tactiek, we spelen met vijf verdedigers, we spelen verdedigend voetbal met aanvallende spelers, het is jammer dat we nog altijd geen oplossingen gevonden hebben, ik wil dat alles op punt staat om een goed WK te spelen, het is aan de trainer om daar de oplossingen voor te bedenken. Conclusie: (eigen toevoeging) eat your heart out, Roberto.

Een vaststelling: Kevin De Bruyne voelt zich niet zo goed in de nationale ploeg als in zijn clubteam Manchester City. Zijn bepalende rol van spelversneller wordt bij de Rode Duivels tenietgedaan door het teveel aan talent dat volgens hem in de ploeg staat. Gevreesd wordt dat hij het dan heeft over de spelers die in de bal komen en de bal opeisen, zoals Eden en Thorgan Hazard, af en toe Axel Witsel, Moussa Dembélé en Youri Tielemans. Alle ballen die bij anderen terechtkomen, zijn niet voor Kevin De Bruyne en dus tijdverlies, zou het zo simpel zijn?

Zou het kunnen dat Kevin De Bruyne het verschil niet kent tussen interlandvoetbal en clubvoetbal? Dat hij niet weet dat clubvoetbal een verhaal is van wekenlang met elkaar trainen en spelen, terwijl interlandvoetbal meer iets is als speelplaatsvoetbal: je kiest een stel spelers en je hoopt met minimale afspraken dat de meest getalenteerden de boel op sleeptouw nemen.

“Te veel spelen op basis van talent”, is zeggen dat te veel wordt gekozen op basis van talent en te weinig op bewezen specifieke capaciteiten. Met dat verhaal is Roberto Martínez overigens helemaal mee. Hij vindt ook (althans in interviews) dat een team bestaat uit dragende en scorende spelers, generaals, en role players, soldaten, waarbij een soldaat zelfs tijdens de oorlog perfect kan worden bevorderd tot officier.

Blijft de vraag wat Rode Duivel nummer één van het moment bezielt om zo de kat de bel aan te binden, en dat op zeven maanden voor de World Cup na een welhaast perfecte kwalificatiecampagne tegen – toegegeven – niet al te getalenteerde tegenstanders. De verdediging viel door de mand tegen Mexico, ook dat klopt, en van veel communicatie met het verdedigende compartiment op het middenveld was al helemaal geen sprake, maar al gekeken wie daar achterin liep? Laurent Ciman en Dedryck Boyata zijn tweede keus en Thomas Vermaelen en Thomas Meunier spelen niet of weinig bij hun team. Daarvoor geen Marouane Fellaini, ook geen Radja Nainggolan, role players die je nodig zal hebben om middenvelden van getalenteerde ploegen te ontregelen.

Het is niet opportuun om de ploeg te fileren tijdens een troepenschouw op een moment dat de belasting voor de topspelers het grootst is. Tussen nu en mei zitten nog zes maanden. Wie weet wat er allemaal kan gebeuren. Vincent Kompany kan aan een derde jeugd toe zijn, of niet. Hazard of De Bruyne kunnen het WK missen door een blessure, of niet. Een verloren gewaande international kan ineens opstaan en zich onmisbaar maken op een plek waar niemand dat had verwacht, zo gaat het altijd met grote toernooien. Of een team goed presteert op een toernooi hangt af van drie dingen: de mate waarin spelers zich voor elkaar kunnen opofferen, dus de onderlinge sfeer, de juiste baasjes op de juiste plek en de vorm van het moment. Meer moet je achter interlandvoetbal niet zoeken en om dat te vinden is er nog tijd zat.

 

DM-COL-Eat your heart out

Interview Bart Swings in De Morgen van vrijdag 10 nov 2017

Zwaarder, rustiger, sneller?

 

Scorebordjournalistiek: Belgiës enige en beste snelschaatser Bart Swings verbetert zich niet meer. Journalistiek: is dit het plafond of kan er nog wat bij in het olympisch jaar 2018? ‘Als ik dat goede gevoel te pakken krijg en op het juiste moment piek, wel.’

Thialf, Heerenveen, halfweg deze week. De schaatsplas om de hoek heeft nog alles van een zwem- en visvijver, met temperaturen die nog geen ijs toelaten, maar schaatsland Fryslân en sportstad Heerenveen worden toch stilaan nerveus. Het marathonseizoen is al twee weken bezig en vandaag wordt het worldcupseizoen op gang geschoten in Thialf, het Wimbledon van het schaatsen.

Bart Swings (26) wilde gaan fietsen, maar besloot tegen alle schaatswetten in voor de vierde opeenvolgende dag op het ijs te gaan. Kwestie van het nieuwe, rijkelijk laat aangeleverde pak een beetje op te rekken zodat het goed zit voor wat moet komen: de lange winter met als hoogtepunt het olympisch schaatstoernooi op de Gangneung Oval, de ijsbaan van de Winterspelen in PyeongChang.

Als je toenmalige teammanager Bart Veldkamp gelijk heeft, moet 2018 jouw jaar worden. Maar dan was 2016-2017 geen goede repetitie.

Swings: “De vorige winter was niet goed, neen. Die begon wel goed met een baanrecord op de 3 kilometer in Inzell en mijn beste 1.500 en 5.000 meter van het seizoen, en dat in trainingswedstrijden. Ik dacht ‘oké, mooi’, maar daarna ging het bergaf. Dit jaar moet dat andersom. Ik moet er staan in februari en dat heb ik dan voor op de Nederlanders, voor wie de worldcups belangrijk zijn en het olympisch kwalificatietoernooi nog eens belangrijker.”

Ze wonnen 23 van de 36 medailles in Sotsji. Is men er al achter in het schaatswereldje wat daar aan de hand was? De pakken misschien?

“Dat denk ik niet, want ik had hetzelfde pak en de Russen ook en die brachten er niks van terecht. De Amerikanen hadden dan weer wel een slecht pak met een technologie die niet werkte. Ze hadden een gat op hun rug, maar Nederland had dat al eens geprobeerd en afgevoerd.”

Voor mij was het grote verschil dat elke Nederlander in Sotsji zijn beste niveau haalde.

“Ik ook. Ik werd vierde op de 5 kilometer op zeven tienden van een medaille en ook nog eens vijfde op de 10.000 meter, dat moet ik minstens kunnen herhalen. Mijn voordeel is dat ik rustig kan toeleven naar de Spelen. Ik wil ook presteren in Salt Lake City, op hoogte, en in Calgary, omdat daar hetzelfde ijs ligt als in Zuid-Korea.”

Is ijs niet overal hetzelfde: bevroren water?

“Neen, dat verschilt van baan tot baan en de ijsmeester van Calgary gaat ook het ijs van PyeongChang maken. De temperatuur, de grip, hoe snel het ijs breekt, hoe hard je kunt afduwen, vooral dan in de bochten, de oppervlaktespanning, nergens is dat hetzelfde. Hier proberen ze ook van alles met het ijs en dat kan van dag tot dag behoorlijk verschillen. Dan heb je nog de hoogte van de banen. Op hoogte ga je sneller en dan heb je iets meer kromming nodig in de ijzers om niet uit te breken in de bochten. Dat verhaal heb ik wel onder de knie. In het skeeleren, mijn oorspronkelijke sport, is het wieltjes wisselen in functie van het asfalt nog veel moeilijker.”

Jij laat onder de schaatsers bijzonder hoge fysiologische waarden optekenen. En je fietstesten behoren tot de allerbesten. En toch…

… “haal ik niet alles uit die motor. Dat heeft te maken met de techniek. Ik analyseer te veel, ik moet vrijer, losser schaatsen.”

Als je niet voor burgerlijk ingenieur had gestudeerd, was je daarnet nooit over oppervlaktespanning begonnen.

(lacht) “Misschien wel. Ik moet iets minder analyseren, dat klopt, maar ik heb geen formules in mijn hoofd als ik die rondjes draai. Ik ben misschien kritischer dan de gemiddelde schaatser als ik hoor dat ik iets moet doen, zonder dat men mij zegt waarom dat zo moet.

“Schaatsen is nog meer dan skeeleren een verhaal van techniek en ik ben een skeeleraar die op zijn achttiende, na het behalen van zijn eerste wereldtitel, besloot ook te gaan schaatsen. Die achterstand op zo’n Sven Kramer, die altijd technisch goed schaatst, haal ik niet in. Fysiologisch kan ik hen aan, technisch is het bij mij na elke transfer van het asfalt naar het ijs weer hard werken om het juiste gevoel te pakken te krijgen.”

Werd je dat geklooi met die ploegen vorig jaar niet een beetje moe?

“Dat heeft een invloed gehad op mijn presteren, ongetwijfeld. In het begin van het seizoen had ik in Team Victorie een goeie groep met jonge Nederlanders, ideale trainingsmaten. Maar toen de worldcups eraan kwamen, konden die zich niet plaatsen en moest ik alleen de baan op.

“Je kunt alleen trainen op de fiets, maar niet in schaatsen. Wil je rustiger fietsen, dan fiets je trager, maar je fietst nog steeds en je speelt met je verzet. Ga je aan een lager vermogen schaatsen, dus trager, dan schaats je niet meer zoals dat hoort. Je wilt dus met de juiste snelheid, met het juiste aantal passen schaatsen, maar niet altijd met dezelfde belasting. Daarvoor heb je een groep nodig die
je op sleeptouw neemt. Het gebeurde dat wij vorig jaar op een uur kwamen trainen en vaststelden dat ik zo goed als alleen op het ijs stond.”

Sinds deze zomer train jij samen met de Noren. Is het niet gek dat die een concurrent helpen?

“Sverre Lunde Pedersen heeft zelf gevraagd of ik met hem wilde trainen. Eigenlijk is alleen Sverre een concurrent en de andere jongens mikken in de eerste plaats op de ploegenachtervolging. Een extra man meer, ik dus, die ook eens op kop kan komen, is ook voor hen een voordeel.

“Noren zijn rustiger dan Nederlanders. Die zijn dan weer een stukje luidruchtiger, wat ik ook kon waarderen, maar het is anders. Het zijn ook hele coole, aardige mensen. Onze uitvalsbasis is Stavanger, de duurste stad van Noorwegen en de stad waar het altijd regent.

“Ik denk dat ik het nu, van al die jaren dat ik op hoog niveau schaats, het beste voor mekaar heb. Ik heb ideale trainingspartners en Jelle Spruyt en ik kunnen samenwerken. Destijds bij Team Stressless had de hoofdtrainer Rutger Tijssen Jelle niet nodig en was hij er niet bij. Ik ben rustiger en heb meer vertrouwen in de goede afloop.”

Die Tijssen is aan je techniek beginnen prutsen. Neem je hem dat kwalijk?

“Onze relatie is veranderd natuurlijk, maar ik zeg hem wel nog goeiendag. Nadat hij aan mij is beginnen sleutelen en het niet meer goed ging, was ik wel down. Het jaar daarna ben ik weer met Jelle gaan trainen en met de Australische Desly Hill en het heeft moeite gekost om mijn motor weer op gang te krijgen. Ik moet over een groot vermogen kunnen beschikken. Nederlandse trainers hameren in de eerste plaats op techniek en ze plannen ook te veel rustdagen naar mijn goesting. Nu doen we dat anders.”

Sven Kramer is de maat der dingen. Jaloers?

“Neen. Hij raakt alles juist, op het juiste moment. Zo schaatst niemand rond. Als hij op het ijs komt, probeer ik te leren.”

Het verschil tussen Kramer en nog wel wat andere toppers en jou is het gewicht.

“Tegenover de meeste schaatsers ben ik lichter. Maar, vergeleken met Sotsji ben ik toch vijf kilo zwaarder geworden: allemaal spieren, want ik zit aan 6 procent vet. Lager is geen goed idee, want we zijn tenslotte een wintersport. Het voorbije jaar ben ik weer een paar kilo spieren aangekomen door gerichte krachttraining in de zomer.”

Niet ongerust dat je sinds 2015 geen persoonlijk record hebt gereden?

“Neen, want daarvoor moet ik naar Salt Lake en het is even geleden dat ik daar was. Dat laaglandrecord op de 1.500 meter van 1:45, daar zou dit seizoen iets af mogen, dat vind ik ook. Dat zal dan moeten gebeuren in PyeongChang op de Spelen.

“Had ik vorig jaar niks meer goed gereden na nieuwjaar dan zou ik mij meer zorgen maken, maar in de laatste worldcup ging het ineens weer beter en dat stelt mij gerust. Ik ben na het seizoen een weekje naar de Dominicaanse gegaan met mijn vriendin en ben daarna beginnen skeeleren. En winnen. Wat goed doet.”

Massastart, 1.500 meter en dan de 5.000, is dat de volgorde van de prioriteiten op de Spelen?

“Ik denk dat ik vier nummers kan combineren. Soms laat ik beter de 10 kilometer vallen, maar nu komt die later in het programma. Ik heb eerst de 5.000, dan een dag rust, vervolgens de 1.500, weer een dag rust en dan de 10 kilometer. Dan een week rust en aan het eind de massastart. Die 5.000 laten vallen ten voordele van de 1.500? Neen, ik wil spanning op de benen voelen en met één dag ertussen ben ik zeker gerecupereerd. Mijn grotere inhoud is ook mijn voordeel als skeeleraar tegenover de schaatsers.”

Kun jij de Peter Sagan van de massastart worden? Geen ploeg en toch winnen?

“Dat moet kunnen, zeker nu er maar twee per land mogen starten. Hoewel je met de Nederlanders niet weet wie allemaal met hen meedoet. Ze hebben altijd nog wel een Fransman of een Canadees achter de hand met wie ze het in de wedstrijd ineens erg goed kunnen vinden. Wat dat betreft, lijkt het op het WK wielrennen, waar de belangen van merkenploegen ook spelen.”

Hoe kijk jij naar de Russen, de paria’s van de wintersport sinds het bedrog van Sotsji?

“Dat is moeilijk. Dat ze paria’s zouden zijn, heb ik niet echt gemerkt. Claudia Pechstein (ooit de eerste die voor verdachte bloedwaarden werd geschorst, HVDW), die wordt wel met de nek aangekeken. Ze moet ook steeds naar alle mogelijke dopingcontroles. Er zijn hier twee Russen die ongelooflijk hard schaatsen: Denis Joeskov en Pavel Koelizjnikov. Maar als je die gasten op het ijs ziet, die kunnen ook echt ongelooflijk mooi en goed schaatsen. Er zit een logica in hun tijden.

“Ik weet wat er in Sotsji is gebeurd, maar de Russen wonnen toen amper drie schaatsmedailles en geen enkele keer goud. Vóór Sotsji en ook erna zijn die twee pas erg goed beginnen rijden. Ik vind dat geklaag van de Nederlanders over die Russen en die verwijten aan Koen Verweij, die met hen meetraint en toevallig ook heel hard rijdt, een beetje hypocriet.”

Stel dat het met kerst zwaar begint te vriezen en nog wel een weekje of drie. Wat denk je?

“Als hij goed valt, dan rij ik hem. De Olympische Spelen zijn groot, maar de Elfstedentocht is het grootst. Het is 200 kilometer en ik rij maximaal 40 kilometer in het marathonschaatsen, maar mijn broer is ooit op de Weissensee gaan meerijden en eindigde bij de eerste twintig. En ik ben beter dan mijn broer. Ik weet dat ik een kans zou maken. Als hij goed valt, geen week voor de Spelen of zo, sta ik aan de start.”

 

 

DM-VER-Swings

Column Radja in De Morgen van vrijdag 10 nov 2017 (voor de blessure)

Radja

Beste lezers, het is weer die tijd van het jaar: Onnozele Prijzentijd. Van de week is de Flandrien 2017 uitgereikt. Met de tijd heeft die prijs veel kindjes gekregen. In dat tempo ligt voor iedereen die competitief met een fiets rondrijdt volgend jaar een prijs klaar. Een beetje zoals met de Sint: zet je koersschoentje en er ligt wat in. Wel gelachen om de Internationale Flandrien Chris Froome, die niet alleen zijn prijs niet kwam halen maar die ook nog eens wilde weten wat een flandrien precies was.

Het is van de week ook de Onnozele Wedstrijdtijd. Over het nut van vriendschappelijke voetbalinterlands kort na het afsluiten van een competitie, in casu het kwalificatietoernooi voor de worldcup en op zeven maanden van die worldcup, kan men zich vragen stellen. Gaat het om automatismen verder inslijpen? Spelers overschouwen om te zien of ze een bal goed kunnen raken en hun been er niet half afhangt? Geld verdienen voor de bond? Dat laatste misschien wel en dat moet ook kunnen, maar maak er dan zoveel theater niet over.

Veel logischer zou zijn dat de nationale competities gewoon doorgaan, zeker in een seizoen voorafgaand aan een groot mondiaal of continentaal toernooi, en dat die ingewonnen weken aan het eind als bonus worden gebruikt voor rust en een langere voorbereiding op dat toernooi. Dat zou fittere spelers voor gevolg hebben, minder blessures en beter voetbal, want ze zouden langer samen kunnen trainen.

Vriendschappelijke voetbalinterlands zoals deze vanavond tegen Mexico en volgende week tegen Japan zijn bezigheidstherapie voor voetbaljournalisten die er niet in slagen om twee weken zonder voetbal door te brengen zonder ernstige ontwenningsverschijnselen.

Wij in België hadden wel geluk. Er viel echt nieuws te rapen: onze allerlaatste der Mohikanen, Radja Nainggolan, keerde terug als een verloren zoon.

Ik moest hem eerst niet, maar sinds ik dat gesprek tussen hem en Thibaut Courtois in de spelerstunnel een beetje heb kunnen volgen (een beetje, want enkele cruciale zinnen waren onverstaanbaar) krijgt hij het voordeel van de twijfel. Hij ziet er niet uit, je wilt hem niet in het donker tegenkomen, ook niet op een veld als je de bal hebt, en je wilt hem al helemaal niet als schoonzoon, maar hij is wel authentiek.

Zoek even op ‘Courtois en Nainggolan’ in uw browser en luister mee. Het gesprek dateert van 18 oktober, de 3-3 voor de Champions League op Stamford Bridge. Volgens een tweet van VTM Stadion “toonde Radja Nainggolan nog eens zijn ongenoegen aan Thibaut Courtois” omdat hij zei dat het “in zijne kop speelde”, zich afvroeg “wat moet ik nog doen?” en besloot met “ze komen niet kijken”.

Dat lijkt mij geen uiting van ongenoegen, maar eerder van ongerustheid. Meer zelfs, het lijkt op een welhaast kinderlijk verlangen naar een selectie voor de Rode Duivels. Naar het schijnt heeft zijn Nederlandse ploegmaat Kevin Strootman hem in diezelfde tunnel ingelicht over de aanwezigheid van bondscoach Roberto Martínez in de tribune. Dat lijkt mij vreemd, want wat heeft Strootman te maken met Martínez en hoe weet hij dat? Krijgt Strootman bij elke uitwedstrijd dan de lijst met gratis tickets die de thuisploeg heeft weggegeven? Het lijkt eerder nieuws dat Thibaut Courtois of Eden Hazard hadden kunnen weten.

Bon, feit is dat we iets hebben om naar uit te kijken tegen Mexico en Japan: hoe doet Radja het? De opdracht is duidelijk: geen rare terugkopballen, geen Mexicanen en Japanners onnodig doormidden zagen, veel ballen afpakken, goeie passes geven, een goaltje maken mag ook altijd. Ach, het is op deze plek al voorspeld: Radja Nainggolan gaat bij leven en welzijn gewoon mee naar dat WK als een van de 23. Hij is multi-inzetbaar, onverzettelijk, kan de vlam in de pan gooien, hij mag alleen niet beginnen zeuren en zeveren als hij op de bank zit.

Dat gesprek tussen Martínez en Nainggolan behoort tot het colloque singulier des Diables Rouges, maar het zal ongeveer zo zijn gegaan: “Radja, als je meegaat, is het niet zeker dat je speelt. Als je daarmee kunt omgaan, ben je welkom. De eerste keer dat je te laat komt of je ongenoegen laat blijken, vlieg je naar huis.” Waarop Radja braaf “oké coach” zal hebben geantwoord.

De ninja is getemd, voorlopig toch. Aan die jongen zullen we nog veel plezier beleven, indien niet op, dan zeker naast het veld.

 

DM-COl-Radja

Column Cultuur van bedrog in De Morgen van zaterdag 4 november 2017

Cultuur van bedrog

Begrip voor de woede van KAA Gent en STVV na de scheidsrechterlijke ‘interpretaties’ van vorig weekend is op zijn plaats. Dat is niet hetzelfde als de manier goedkeuren waarop die woede werd geuit, al weet je nooit hoe je zelf reageert als je de benadeelde partij bent. Het zou voor alle actoren (en hun geliefden en naasten) beter en gezonder zijn als de emotieknop van stand 5 naar 2 kon worden teruggedraaid, maar dat zal wel ijdele hoop zijn.

De drie bewuste spelsituaties blijven – met of zonder technologie gaande van tv-beelden tot de microscoop – voor interpretatie vatbaar. Over de haakfout op Kubo (laat die zich vallen of niet?), als de handsbal van Baby (aangeschoten of niet?), als de fout op Vormer (de doelman raakt de bal, maar neemt hij ook niet man en bal mee?) zullen de meningen verdeeld blijven.

De woede van de benadeelden is even begrijpelijk als hypocriet, want de klagers van vandaag zullen morgen zwijgen als ze voordeel halen uit die oneerlijkheid. Daar was ik over aan het filosoferen van de week toen een persbericht in de mail belandde van de Liefhebbers Zaalvoetbal Cup, geschreven door ene Kris Verbert, initiatiefnemer van een competitie met 548 clubs en 0 scheidsrechters. De ploegen regelen het daar onder elkaar of er fout is en welk doelpunt telt.

Natuurlijk, dat zijn recreanten en die spelen niet voor premies, promoveren, Europese tickets, tv-gelden en lucratieve transfers. Eén mooie zin in dat persbericht willen we u niet onthouden: professionele voetbalclubs verliezen niet graag door fouten van de scheidsrechter maar hebben er geen enkel probleem mee om te winnen dankzij de fouten van die scheidsrechter. Of de voetbalethiek samengevat in één zin.

Die fouten kunnen tot een minimum worden beperkt als het hele voetbal zich wat ethischer zou gedragen. Dat begint bij niet voor dood neervallen als iemand je aanraakt, geen strafschop proberen versieren, geen gele kaart aannaaien, een fout of een aangeraakte bal gewoon toegeven en niet elke beslissing in twijfel trekken. Een beetje meer rugby dan voetbal, als het ware. Het zou ook de sfeer in de tribunes ten goede komen.

Heel af en toe geeft een voetballer spontaan iets toe: scheids, ik heb die man niet geraakt dus geen penalty. Of nog: ik heb de bal geraakt dus geef hem maar aan de andere. Of in het extreme: een onterecht doelpunt laten uitwissen door de andere te laten tegenscoren. Zo héél af en toe dat de idealisten aan de tafel van Extra Time (de anderen zijn realisten) er telkens een minuut of vijf lyrisch over doorbomen hoe mooi de (voetbal)wereld niet zou zijn als er een beetje meer eerlijkheid was.

Ik heb nog een olympische finale gezien in het volleybal – met aan beide zijden van het net levenslange pensioenen te verdienen door de winnaars – waarbij spelers van beide ploegen aangaven als ze een bal hadden geraakt. Die erecode is met de tijd veranderd. Van spontaan toegeven, over alleen toegeven als de scheidsrechter het vroeg, tot niks meer toegeven. Ze zijn met zes en ze moeten het godverdomme maar zien, die redenering.

Nog bleek het niet genoeg en tegenwoordig komt er in topvolleybal videoscheidsrechterij aan te pas. De scheidsrechter gaat op tv bekijken wat er aan de hand was: raakbal of niet, binnen of buiten, net- of voetfout. Dat gebeurt overigens in de meeste sporten langs de rand van het veld. De kritiek dat de onze scheidsrechters op een scherm moeten gaan kijken onder een kap slaat helemaal nergens op. De NFL, de American football-competitie in de VS, met zijn 13 miljard dollar omzet in vier maanden en dertig jaar ervaring doet het ook zo. Ook daar blijven de discussies en tig verschillende interpretaties van de instant replay.

Discussie hoort bij sport, maar voetbal heeft een fundamenteel probleem: het is een oneerlijk spel met diep ingewortelde twijfelsituaties, extra in de hand gewerkt door onduidelijke regels. Dat alles verklaart meteen de status van voetbal als eerste sport van de planeet en de fascinatie voor voetbal als spektakel, ondanks de lage score.

Voetbal is de weerspiegeling van de maatschappij: ongestraft wegraken met bedrog en dus beloond worden is des mensen. Wie eenmaal in het voetbal zit, heeft snel door dat deze sport drijft op een cultuur van oneerlijkheid. Had Machiavelli gesport, hij was een voetballer.

 

Cultuur van bedrog

Verhaal over het moeilijke Belgische voetbal in De Morgen van zaterdag 4 november 2017

Veel tactiek maar te weinig techniek

(grafieken alleen in de PDF onderin)

Volgens Anderlecht-trainer Hein Vanhaezebrouck, die zondag Club Brugge ontvangt, is onze Jupiler Pro League zowat de hellhole van het Europees voetbal. Akkoord, het is een complexe competitie, maar dan vooral voor de scheidsrechters.

“De Jupiler Pro League is de moeilijkste competitie in Europa.” Hein deed zijn uitspraak naar aanleiding van zijn blijde intrede in Anderlecht en zijn bezoek aan KV Mechelen. De Jupiler Pro League zou voor veel strijd en onvoorspelbare uitslagen staan, volgens Vanhaezebrouck. “Bij ons kan de eerste altijd verliezen van de laatste en is dat in andere landen niet altijd het geval.”

Hij vervolgde met selectieve voorbeelden uit één speeldag van de Franse en Duitse competitie. Dat de laatste kan verliezen van de eerste is inherent aan voetbal, het meest evenwichtige (en dus meest oneerlijke) spel ter wereld. De reden is simpel: hoe lager het aantal doelpunten, des te groter de rol van toeval.

Maar hoezo Belgische uitzondering? Vorig jaar verloor de gedoodverfde en alsnog latere kampioen Feyenoord een kampioenswedstrijd tegen Excelsior, dat het met tien keer minder budget moest doen en niks meer te winnen of te verliezen had.

Vorige week verloor Real Madrid bij promovendus Girona en een week eerder won Crystal Palace makkelijk van Chelsea nadat het van de hele competitie nog geen bal goed had geraakt. Doorgaans zijn dat momentopnames die nooit een hele competitie duren en in de afrekening niet meetellen. Daarom is ook de formule van de competitie uitgevonden: om toeval uit te sluiten. Naarmate een serie langer duurt, wordt toeval minder belangrijk.

Competitief evenwicht

Het aantal verschillende kampioenen is een belangrijke graadmeter voor de pariteit of het competitief evenwicht van een competitie (zie grafiek). Ondanks de play-offs die na dertig speeldagen de voorsprong halveren, scoort België gemiddeld met zes kampioenen in de laatste twintig jaar. In de realiteit zijn dat er vijf, de klassieke Belgische G5. Lierse, dat precies twintig jaar geleden kampioen werd, is die zesde maar is van geen tel meer. Vraag om landen op te sommen waar het overwicht van enkele teams groot is, dan worden naast Frankrijk ook Spanje en Duitsland vaak geciteerd. Welnu, de Ligue 1 in Frankrijk is de meest evenwichtige met acht verschillende kampioenen de laatste twintig jaar, gevolgd door Duitsland met zes kampioenenploegen.

Deze randbemerking evenwel: in sommige landen domineert de laatste vijf jaar steeds vaker één ploeg. Bayern in Duitsland en Paris Saint-Germain in Frankrijk zijn de beste voorbeelden. Engeland is met vier verschillende kampioenen in vijf jaar een uitzondering en is ongetwijfeld de meest competitieve, zwaarste en moeilijkste eerste klasse ter wereld. Uit wetenschappelijke publicaties blijkt dan weer dat in The Championship (de Engelse tweede klasse) met zijn 24 ploegen en dus alleen al 46 competitiewedstrijden, de competitie het grootst is.

De Belgische eersteklassers spelen veel wedstrijden vergeleken met andere landen (zie grafiek). Een standaardbelasting van veertig competitiewedstrijden ligt hoger dan in Engeland en het team dat het geluk of ongeluk heeft play-off II te winnen, speelt 42 wedstrijden zonder beker of Europees voetbal. Bovendien ligt het zwaartepunt van de belasting door het systeem van de play-offs aan het eind van de competitie en daarin is België uniek. Op de voorlaatste speeldag van de vorige competitie waren alle wedstrijden, op één na, nog van belang.

Typisch Belgisch

Een andere indicator voor de intensiteit van de competitie is het verschil in punten tussen de eerste en de laatste. Ook daarin is België niet opvallend evenwichtiger dan andere landen, wel integendeel. Rekening houdend met de kortere serie van dertig reguliere competitiewedstrijden (zonder play-offs, maar omgezet naar 38 wedstrijden) bedraagt het verschil tussen de laatste en de eerste over de laatste tien seizoenen gemiddeld 67 procent. Alleen in Oekraïne presteert de laatste slechter. Omgezet naar een competitie van achttien of twintig ploegen kan dat verschil alleen maar groter worden.

De tweede wint in België de laatste tien jaar 6,25 procent minder punten dan de eerste en daarmee zit België in het midden van het Europees peloton. Nog meer cijfers: in België wint 60,7 procent van de thuisteams de wedstrijd. Op de tien onderzochte landen scoren alleen de thuisteams in Turkije en Spanje (61 procent) beter. Opvallend is wel dat het verschil tussen de zestien ploegen in de Jupiler Pro League onderling gemiddeld 3,3 punten bedraagt. Van de grote voetballanden scoren alleen Engeland en Frankrijk lager met 3,2 punten. In Nederland is dat 3,5 punten.

Ook het aantal doelpunten geeft niet aan dat het er in België competitiever zou aan toegaan. Per wedstrijd worden 2,8 doelpunten gescoord, evenveel als in Nederland, Engeland en Duitsland. In Frankrijk is dat 2,6 maar in het zo verdedigende en tactische Italië werden vorig seizoen net geen drie doelpunten per wedstrijd gescoord, terwijl Spanje 2,9 haalt.

Wat typeert wél onze Jupiler Pro League? Volgens het Zwitsers onderzoeksinstituut CIES een groot aantal buitenlandse spelers. Met 59,1 procent buitenlanders in de kernen van de eersteklassers evenaart de Jupiler Pro League de Engelse Premier League, maar
de kwaliteit van die import is duidelijk verschillend. Van de 31 onderzochte landen doen alleen Turkije (65,6 procent) en Cyprus (65,3 procent) slechter.

Nog wat cijfers: slechts 9,1 procent van de spelers in de kernen is club trained, wat betekent dat ze drie jaar tussen 15 en 21 jaar in de club zijn opgeleid.

 

Conclusie: typerend voor het Belgisch voetbal is de grote mobiliteit van spelers en in die krabbenmand moeten de trainers hun weg vinden en elk seizoen een team tussen de lijnen brengen dat vooral niet in degradatienood komt. Het gevolg is een tactisch uitgekiend voetbal, met veel duels en niet al te hoge scores. De voorlopige uitkomst is zes: het aantal Belgische trainers dat op keien staat na drie maanden competitie.

Geen verslaggever of commentator die meer Belgische wedstrijden ziet dan Filip Joos. Hij kan de Belgische trainers wel waarderen, maar: “Wij voetballen al jaren onder een stolp, zonder op tijd en stond frisse inbreng van buitenaf zoals in andere grote landen. Trond Solied was de laatste buitenlander die iets nieuws bracht. Daarna moesten we het stellen met Ron Jans en Adrie Koster en daar schoten we weinig mee op.”

Bont allegaartje

Het resultaat is een competitie waarin elke trainer elke collega kent, en ook nog eens elke speler. Joos: “Ze weten alles van de andere, analyseren die tot op de draad en spelen daarop in. Ik zie elke week spiegelopstellingen. Doorgaans zit er meer stikstof in ons voetbal dan zuurstof.”

Stijn Vreven, speler in België en Nederland en trainer in die twee landen, kan dat alleen maar beamen. “De Belgische competitie is een beetje als de Schotse: erg fysiek, veel inzet, gespeeld door een bont allegaartje van spelers die opgeleid zijn in verschillende voetbalculturen. De trainers weten van elkaar wat ze gaan doen en verrassen nog zelden. Dat is in Nederland helemaal anders. Het ene blok staat lager dan het andere, maar doorgaans proberen ploegen er hun eigen spel te ontwikkelen.”

Ook Jacky Mathijssen is als voormalig trainer van zeven verschillende Belgische ploegen goed geplaatst om het Belgisch voetbal te typeren. “Ik wil niemand betichten van negatief voetbal, maar onze trainers slagen er doorgaans goed in om de jus uit het spel van de tegenstander te halen. Ik heb dat ook gedaan met Westerlo, dat geef ik grif toe. Niet alle clubs hebben vervolgens de spelersgroep om zelf iets te brengen, waardoor je een spel krijgt van afgesneden looplijnen en veel duels. Dat Vanhaezebrouck jaar na jaar minder kansen creëert met zijn voetbal, is daar een gevolg van.”

Ook bondscoach Roberto Martínez vindt het Belgisch voetbal niet moeilijk maar complex. “De Belgische competitie combineert de Noord-Europese discipline en fysiek met de Zuid-Europese emotie. Quite complicated, very intense.”

Van de week werd tijdens PSG-Anderlecht nog een verschil pijnlijk duidelijk. Wij mogen dan steeds meer geld betalen bij transfers, het aangekochte talent blijft derde en vierde keus. In die wedstrijd trapte Dani Alves namens PSG vanaf dertig meter een moeilijke volley haast perfect. De bal ging weliswaar een metertje naast, maar het was een demonstratie van superieure techniek, fysiek, lichaamsbeheersing en alles wat de ene voetballer beter maakt dan de andere.

Kort daarna controleerde Lukasz Teodorczyk een bal (geen volley of halfvolley) en uit de draai schoot hij op doel. De bal ging buiten over de zijlijn, niet in de buurt van de hoekschopvlag maar halfweg de aanvalshelft.

Beschamend voor een speler die vorig jaar een titel binnenhaalde? Het is niet anders. Vanhaezebrouck had gelijk toen hij stelde dat wij in België moeten leven met onze beperkingen. “Hier zit potentieel, maar geen wereldtalent zoals Neymar waartegen je niks kunt beginnen. De kleintjes doen het beter (wat aan het eind van de competitie niet wordt gestaafd door de cijfers, HVDW) omdat de groten niet zo sterk zijn.”

Vanuit het oogpunt van de trainer is werken in de Jupiler Pro League bepaald moeilijk, maar misschien zijn de tien keer minder betaalde scheidsrechters echt te beklagen. Beoordeel maar eens dat fysieke en tactische voetbal, gebracht door matig getalenteerde spelers, voor een streng publiek, met trainers die vrezen voor lijfsbehoud en een emotioneel bestuur dat toekijkt. Tot overmaat van ramp (niet altijd) geholpen door manke technologie.

Of zoals Filip Joos stelt: “In het Belgisch voetbal met al zijn rare spelsituaties is het heel moeilijk om een wedstrijd niet kapot te fluiten.” Gebrek aan talent

Als het Belgisch voetbal al moeilijk zou zijn, is dat een rechtstreeks gevolg van een gebrek aan talent. Joos: “Dat is vooral lastig voor de scheidsrechters. Waarom denk je dat Frank De Bleeckere bij ons soms in de problemen kwam maar in Europa haast perfect floot? Het spel is er verfijnder en sneller en het verschil tussen fout en geen fout is vaak levensgroot.”

Mathijssen: “Spelers die uit duel onhoudbaar wegdraaien, die hebben wij niet. Het klopt dat naarmate de kwaliteit van de spelers
daalt, het belang van het collectief toeneemt en ook het aantal fouten, wat het extra moeilijk maakt voor de scheidsrechter om te beoordelen. Maar trainers komen bij ons ook vaker onder druk te staan dan in andere landen omdat elke clubbestuurder panisch is voor die degradatiezone. De Belgische voetbaleconomie is onderaan de eerste klasse een zeer onzeker verhaal en daarom pleit ik ook voor een gesloten competitie. Het zou ons voetbal minder angstig maken.”

 

 

Veel tactiek, weinig techniek

Column over veldrijden in De Morgen van maandag 30 oktober 2017

Boerenleute

Wij inwoners van groot-Oostkamp, zelfs inwijkelingen die de taal niet machtig zijn zoals ondergetekende, konden gisteren gratis naar het veldrijden in Ruddervoorde. Het volstond je naam en adres op te geven en dan kreeg je een ticket toegestuurd. Ter plekke moest je dan nog met je identiteitskaart bewijzen dat je de rechtmatige eigenaar van het ticket was en dan kon je zo naar binnen, langs een aparte ingang voor Oostkampenaren zowaar.

We hebben er geen gebruik van gemaakt. Waarom zouden we ook? Wat voor lol beleef je tegenwoordig aan een middagje veldrijden op de weide van de Pyfferoens? Niks, helemaal niks. Ik heb er ooit nog Sven Nys zien rijden met Niels Albert die hem op de hielen zat. Albert kwam tot op een paar meter en stierf in het wiel van Nys. Dat was ooit, toen veldrijden nog spannend was. Toen Sven Nys veel won, maar niet altijd, Later zou Niels Albert veel winnen, maar ook niet altijd. Of Lars Boom. Of Zdenek Stybar. Het WK in Hoogerheide heb ik van minuut 1 tot minuut 65 gebiologeerd zitten kijken naar een formidabele tweestrijd. Stybar won, het was 2014, amper drie jaar geleden.

Sindsdien zijn Nys, Wellens en Albert gestopt, Stybar en Boom op de weg gaan rijden en is van de oude garde alleen Kevin Pauwels overgebleven. Die doet aan veldrijden omdat hij niks anders kan en omdat Jurgen Mettepenningen zo gek is hem nog een contract te geven.

Ongeziene dominantie

Vorig jaar kwam dan de aflossing van de wacht: Wout van Aert namens België en Mathieu van der Poel namens Nederland. Een nieuwe crosshype diende zich aan. Van der Poel toonde zich in het begin vaak de beste en dat was een teken aan de wand. Zonder noemenswaardige voorbereiding reed hij af en toe de hele zooi zoek, om dan rond Nieuwjaar terug te vallen en door pech naast de wereldtitel te grijpen.

Niks zegt dat Van der Poel dit seizoen wel wereldkampioen wordt, maar nu hij een mooie zomer heeft afgewerkt, is zijn basis breder dan ooit en hij is een jaartje ouder. Zijn dominantie is nooit gezien. Het moet geleden zijn van Roland Liboton dat één crosser zo het hele veld domineert. Van der Poel heeft al op alle mogelijke manieren gewonnen: weg van bij de start, weg in de eerste ronde, weg in de tweede ronde, de derde, halfweg er een lap op geven of wachten tot het eind.

Hij heeft ook al een keertje niet gewonnen, zoals in Ronse toen hij niet achter Lars van der Haar aan wilde en Wout van Aert evenmin. Van der Haar won. Of vorige week omdat hij tegen een omheining reed. Een dag later, de schouder helemaal ingepakt in de kinesiotape, reed hij van bij het begin weg in de Koksijdse duinen en ze zagen hem niet terug.

Zaterdag had hij al gewonnen in Rosmalen en gisteren won hij ook: hij reed van de eerste ronde weg en hield de tegenstand spelenderwijs op een handvol seconden.

Sport in verval

Veldrijden heeft een probleem en dat heet competitief onevenwicht. Niks laat uitschijnen dat daar verandering in komt. De enige die Van der Poel min of meer aankan of kan volgen, is Van Aert, maar die werkt aan een andere afstelling van zijn motor, met het oog op zijn uitstap volgend jaar naar de weg. Als Van Aert – een klasbak, vergis u niet – dat wegavontuur een beetje serieus aanpakt, en daar ziet het naar uit, zal hij van de winter nog meer kilometers moeten maken dan ooit tevoren. Dat duurwerk moet ten koste gaan van zijn anaeroob vermogen.

Veldrijden heeft zelfs een groot probleem als de inwoners van een hele grote gemeente gratis binnen mogen bij een cross die voor een paar jaar bulkte van de belangstelling. Veldrijden heeft nog een veel groter probleem als straks Mathieu van der Poel bij gebrek aan tegenstand ook de weg opzoekt.

Het blijft verbazend stil rond kijkcijfers en toeschouwersaantallen en dat is geen goed teken. Het gaat bergaf met deze tak van wielrennen die ooit verkeerdelijk door de VRT als topsport in de markt is gezet. Misschien wordt veldrijden nu herleid tot de essentie: boerenleute in een wei, hooguit een trainingsvorm, maar ook niet meer dan dat. Vreemd genoeg hebben we die teloorgang te danken aan de twee beste atleten die ooit hebben gecrost.

 

 

COL-Boerenleute

Verhaal over en met Filip Joos in De Morgen van zaterdag 28 oktober 2017

‘Ik doe niet aan #mezelf’

Het Duracell-konijn onder de voetbalcommentatoren praat morgen namens Play Sports zijn negende wedstrijd in elf dagen vol. Tussendoor Extra Time mee in elkaar steken, vrouw en kinderen koesteren, vijf keer een tien kilometer lopen, een column schrijven en twijfelen of het allemaal wel goed genoeg is. Wij liepen onlangs een weekendje mee met Filip Joos.

Jan Wauters zaliger zei ooit, nadat ik hem had opgevoerd in een interview: “Een journalist interviewt geen andere journalist.” Hij had gelijk en dat was ook niet de bedoeling toen ik Filip Joos aanschoot met het idee om hem een weekend te volgen. Het opzet was voetbal zien in zijn tempo en door zijn ogen, noteren en observeren, praten en discussiëren, sportdier meets voetbaldier.

Dat doen wij wel meer, zoals laatst via WhatsApp toen hij in zijn rubriek ‘Keek op de Week’ mooie lobs liet zien en ik hem jende dat hij de lob aller lobs van Cruijff in en tegen Haarlem was vergeten. Prompt kwam de repliek: “Wéét ik, maar die beelden hebben we niet in ons archief.” Ik antwoordde: “TV = volksverlakkerij.” En hij weer: “Dat is te kort door de bocht.”

Tijd voor een eerste rechtzetting: Filip Joos zou betweterig zijn. Welnu, dat is hij niet. Hij verdraagt een andere mening, behoorlijk atypisch voor de voetbaljournalist en -analist. Anderzijds is er niks wat in de buurt van voetbal komt waar hij geen mening over heeft. Hij heeft voor vertaler Frans-Italiaans gestudeerd én voor voetbalkenner bijgeleerd.

Als hij in Extra Time uitlegt – met een lichte gêne, maar de drang om te doceren is sterker dan hemzelf – dat Pep Guardiola liever met Kevin De Bruyne speelt dan met Messi, dan voelen Messi-fans zich aangesproken en vervloeken ze hem. Buitenspel staan bij een pass achteruit: als iedereen zegt dat het niet kan, legt hij graag uit dat het wel kan, ook als hij daarmee de hiërarchie onder de analisten – “ik was een betere speler dan jij dus ik ken er meer van” – aan zijn laars lapt.

We zouden twee dagen en een avond samen optrekken, te beginnen op vrijdag de dertiende met KV Mechelen-Anderlecht: het debuut bij paars-wit van Hein Vanhaezebrouck. Joos: “Ik ben drie uur op voorhand in het stadion.” Drie uur? De voetbaljournalist die liever in een duivenhok van een perszaal/bank geplooid zit dan bij zijn gezin, was die niet uitstervende? Het zij zo. Joos zet de agenda, dat is de afspraak.

Vóór de wedstrijd genieten we van het nazomeravondje als een oude bekende passeert. Mark Uytterhoeven, de grijze manen geknipt en de rood-gele sjaal geknoopt, hij is er klaar voor. Het gaat er hartelijk aan toe. Bij het afscheid volgt nog een Alles kan beter-tip: “Cocali# wordt Tsotsalik uitgesproken, niet vergeten, Filip.” Filip oefent een paar keer, Mark hoort dat het goed is en gaat naar zijn vak. Wij moeten straks naar de nok van de hoofdtribune, maar we gaan eerst naar het veld. Even het gras voelen, wat keuvelen met de trainers en hun begeleiders.

Je verwacht een zenuwpees van een commentator, maar behalve rusteloos trillende benen tijdens de uitzending, misschien ook te wijten aan zijn ongemakkelijke kruk, verraadt niks spanning. Hij mag dan het imago hebben van een jonge hond (tweede rechtzetting), Filip Joos is wel al 44 en heeft meer dan duizend wedstrijden becommentarieerd, sinds hij bij het EK van 2004 debuteerde in zijn eerste grote toernooi. Naast een fenomenale parate kennis vertrouwt hij op een A4-schrift met een klassieke schriftelijke voorbereiding, maar ook op een iPad met daarop de statistische info van Gracenote gedownload.

Filip Joos: “Van mijn generatie schrijf ik nog het meeste. Er kruipt veel werk in, maar het moet, anders onthoud ik het niet. Toen we in de lente van 2014 in Ethiopië waren om onze dochter te adopteren, heb ik op een hotelkamer in Addis Abeba uren aan een stuk spelerslijsten gemaakt van alle teams op de World Cup. Met de hand, maar vraag mij niet om zo een column te schrijven. Een auteur zoals A.F.Th. van der Heijden die alles met de hand schrijft en dan knipt en plakt, ik vind dat onwezenlijk.”

Geen rechtzetting, wel een verduidelijking: Filip Joos leest niet alleen vakliteratuur, kijkt niet alleen voetbal. Hij heeft favoriete schrijvers en die schrijven geen voetbalboeken. Dit jaar zal hij meer dan veertig niet-sportboeken hebben gelezen, wellicht daarom dat hij ooit het woord reminiscentie gebruikte in een voetbalverslag. Een intellectuele uitschuiver waar hij eigenlijk zelf nog steeds blij mee is.

A.F.Th. is zijn favoriete schrijver, maar evengoed Jamal Ouariachi. “Als een van mijn favoriete schrijvers een nieuw boek uit hebben, kan het gebeuren dat ik voor de winkel ga staan wachten tot die om 10 uur opengaat. Ouariachi bijvoorbeeld. Ik had zijn eerste boek De vernietiging van Prosper Morèl uit en toen heb ik hem een mail gestuurd dat ik het een erg goed boek vond. Vijf jaar later schreef hij Een honger en dat gaat over adoptie en toen heb ik hem opnieuw gemaild. Jawel, hij antwoordde telkens.”

Adoptievader

Het is zaterdagochtend, we hebben afgesproken aan de gate van de Iberia-vlucht naar Madrid. Twaalf uur eerder hadden we het telraam opgeborgen bij zeven, 3-4 voor Anderlecht en een mooie wedstrijd. Zijn conclusie: “Yannick Ferrera (toen nog trainer van KV Mechelen, HV) heeft iets geprobeerd, maar het is mislukt. Hulde dat hij heeft gedurfd, dus ben ik mild geweest want het is een goeie trainer.”

We zijn onderweg voor het hoofdgerecht van het weekend. Derde rechtzetting: u kent hem misschien van de VRT, maar dat is niet zijn enige werkgever. Hij is halftijds in dienst bij de VRT en voor het overige is hij zelfstandige met een vaste opdracht bij Play Sports, de sportzender van Telenet. We roddelen en vergelijken met collega’s die wel fulltime werken en schnabbelen, we vergelijken ook onze salarissen en omzetten en we stellen samen vast: hij wordt niet overbetaald. In Nederland zou hij drie keer zoveel verdienen en in Engeland tien keer zoveel. Een betere persoonlijke marketing kan wonderen doen en moet hij daarvoor niet eens te rade gaan bij een aantal van zijn collega’s, suggereer ik. Nu is de teamspeler Joos op zijn hoede voor het woord te veel.

 

“Ik ben ten eerste geen onderhandelaar, ook geen netwerker. En dat marketen: ik doe niet aan Twitter en Instagram. Ik weet wel hoe het werkt: hashtag Jezelf. Als ik wil, sta ik in alle boekskes met mijn twee donkere kinderen. Ik bén een adoptievader, maar niet dé adoptievader van Vlaanderen. Negen jaar geleden heb ik in deze krant eens mijn verhaal gedaan en aan het eind heb ik gezegd dat dit het laatste was wat ik erover te melden had en dat blijft zo.”

Atlético de Madrid thuis tegen FC Barcelona, want dat is onze bestemming, heeft een politieke connotatie. Zowel hij als ik kijken uit naar het vlagvertoon, het fluitconcert aan het adres van Piqué, de voetballer die zich onomwonden pro Catalaanse afscheuring van Spanje heeft uitgesproken. Hij ook naar Diego Simeone, de coach van Atlético. Ik weer wat minder. Simeone lijkt mij een psychopaat, maar Joos begrijpt hem, wellicht omdat hij veel herkent.

Filip Joos is zeven jaar geleden gestopt met voetballen na een tijd te hebben gezweefd tussen derde klasse en eerste provinciale, een topsporter dus onder de sedentairen en corpulenten van de sportjournalistiek. De verhalen over die eikel in het veld, altijd zeuren en zagen, zijn soms overdreven, soms niet. “Ik was soms vervelend, ik kon blijven zeuren. (lacht) Omdat ik het beter zag. Als speler was ik bezeten van het voetbal. Verloren we op zondag of ik speelde slecht – want winnen alleen was niet genoeg, ik moest zelf goed zijn – dan beleefde ik tot de eerste dinsdagtraining twee zwarte dagen. Dat verandert als er kinderen komen, zeggen ze, maar Jude is pas gekomen toen ik stopte, dus ik zal het nooit weten.”

Radio Gaga

Eerder die dag had hij geprobeerd het ultieme genieten in zijn job uit te leggen met een metafoor. “Je zit in een vliegende schotel, of je opstijgt hangt af van de techniek en daar kun je niets aan doen, maar zodra je in de lucht bent, komt het erop aan het juiste te doen. In sommige wedstrijden zeg je altijd de juiste dingen op het juiste moment en gebeuren ook de juiste dingen.”

Profetische woorden, want met nog goed vijftien minuten te gaan, zorgt een stroomonderbreking – de techniek – ervoor dat de kijkers thuis alleen nog beelden krijgen en geen Joos meer. Net nu het spannend wordt, net nu Suárez tegenscoort. Hoewel hij dat weet, gaat hij in opperste staat van ontkenning door met commentaar geven. Je verwacht achteraf een hoopje ellende bij een commentator zonder luisteraars, maar niks van. “Dat is nu het relatieve van mijn job.”

Na afloop van een heel intense wedstrijd, die Barcelona had moeten winnen maar het werd 1-1, zijn we snel het stadion uitgelopen. Aan het Wanda Metropolitan-stadion in een buitenwijk van Madrid is dat geen overbodige luxe. Na een jogging van een kilometer vinden we een taxi die ons naar ons hotel brengt, waar op het terras een schoteltje jamón ibérico en vitello tonnato wacht. Tijd om te filosoferen over ons leven en onze strijd, zoals thuis de kerk in het midden houden.

Neem nu zijn ‘elfdaagse’. Vorige week donderdag becommentarieerde hij Zulte Waregem-Vitesse, vrijdag Moeskroen-Standard, zaterdag Lokeren-Charleroi en zondag Anderlecht-Genk. Vervolgens wachtte de midweekcompetitie met dinsdag AA Gent-Eupen en woensdag Genk-Club. Gisteren ging het dan verder met Charleroi-Gent, vandaag doet hij Man United-Tottenham vanaf Old Trafford en morgen Club-STVV. Negen wedstrijden in elf dagen, met nog eens twee keer een halve dag visioneren voor Extra Time, tussendoor het lijf op orde houden met wat sport en vrouw en kinderen aandacht schenken. Hoe speelt hij dat allemaal klaar?

“Ik probeer ze elke ochtend naar school te brengen en af te halen om halfvier, maar ik ben in het weekend vaak op pad. Sarah, mijn vrouw, is graag alleen en ik ook, dus dat overleven we wel. Ik kijk weleens wat opgenomen wedstrijden of samenvattingen thuis, maar als ik die koptelefoon afzet en vijf minuten later in mijn auto zit, ben ik dat kwijt. Het moet ook niet altijd voetbal zijn. Tijdens België- Cyprus, de interland die er niet meer toe deed, zijn we uitzonderlijk naar de bioscoop gegaan. Vind je dat vreemd? We zijn Detroit gaan bekijken. Wat daar in Detroit is gebeurd (de film gaat over de rassenrellen in die Amerikaanse stad in 1967, red.), is overigens oneindig belangrijker dan de Rode Duivels.

“Champions League? Natuurlijk, maar ik kijk ook naar Radio Gaga. Daar word ik week van, zoals die aflevering in die instelling in Mol waarin een jongen aan bod komt die vecht tegen agressie. Dat moment als zijn moeder en zijn zussen hem in de armen sluiten, dan houd ik het niet meer.”

Selfie met Zola

Onlangs verraste hij op zaterdagochtend, tussen twee wedstrijden door, zijn vrouw en twee kinderen op het adoptieweekend dat ze met andere gezinnen hadden gepland. Hij is er anders nooit; de verrassing was des te groter.

Het jongetje Jude is inmiddels acht en Zola is vier. Zola, naar Emile?

“Niet naar Emile en ook niet naar Gianfranco (Een Italiaanse voetballer, HV). Hoewel, toen ik hem laatst zag bij Chelsea, heb ik hem het verhaal verteld van mijn dochter die Zola heette en toen hebben we een selfie genomen van ons beiden. Hij vond het een mooi verhaal. Mijn eerste en enige selfie.

“Mijn kinderen zijn donker en vooral Jude beseft dat hij een andere mama heeft gehad. Af en toe stelt hij weleens een vraag. Dat ze donker zijn, geeft soms aanleiding tot hilarische situaties. Laatst in het zwembad hing hij aan de rand naast een twintiger. Die had mij herkend en toen Jude ‘papa’ naar mij riep, zei die gast – helemaal niet kwaad bedoeld – ‘Maar allee, dat is uwe pa niet’. Waarop Jude, heel verontwaardigd: ‘Jawel, dat is wel mijn papa.’

“En Zola, als ze tien meter voor ons loopt in de Ikea, zie je mensen denken: oei, een zwart kindje, en o jee, we zien geen zwarte moeder, moeten we dat kind niet laten omroepen? Sarah en ik moeten daar altijd weer om lachen.”

Wat hebben we nog besproken? Het voordeel van lengte in het voetbal, voetbal en toeval, Messi uiteraard (ook zijn kuurtjes groeihormonen) en de machine van Barcelona. Verder: dat het bon ton is om de Premier League maar niks te vinden en dat dit klinkklare nonsens is, want dat je maar één wedstrijd moet zien om te beseffen dat het spel nergens sneller en harder wordt gespeeld dan in Engeland. Dat play-offs een goeie zaak zijn voor ons voetbal. “Omdat we nu Europees één keer slecht scoren, moeten play-offs

Copyright © 2017 gopress. Alle rechten voorbehouden

worden afgevoerd? Terwijl we al die jaren daarvoor Europees wel goed scoren en dat ligt dan niet aan de play-offs?” Onze golflengtes lopen vervaarlijk gelijk. “Ik werk sommige voetbaljournalisten op de zenuwen, maar jij ook hoor”, lacht hij.

Lopen op de zeedijk

Op zondagochtend hebben we afscheid genomen in Zaventem en nog geen enkel verkeerd woord genoteerd. Niet van hem en – misschien nog meer verwonderlijk – ook niet van mij. “Ook met Frank Raes heb ik nog nooit een meningsverschil gehad dat een probleem werd.” Ik geloof hem. Eerder nog dan een Joos-indigestie dreigt een voetbalindigestie, want in de late namiddag – hij is er opnieuw drie uur op voorhand – rijden we voor het dessert naar Oostende. KVO-FCB, Oostende tegen Brugge, is zijn derde wedstrijd live in 48 uur, in drie verschillende stadions. En dat dus allemaal nog vóór die moorddadige elfdaagse-met-negen-wedstrijden.

We hebben nog iets gemeen: die van FCB houden niet van Filip Joos. “Dat komt door één column in De Morgen. Club Brugge had op hun site scheidsrechter Boucaut zwaar aangepakt, de scheidsrechter voor hun volgende wedstrijd tegen Standard. Daar ben ik hard tegenin gegaan. Kort daarna werden stickers met mijn kop erop in de wc-potten geplakt. Stel je voor. Ik heb nu eenmaal een kop, dat komt door Extra Time, maar wat was ik graag een gezichtsloze commentator gebleven.”

Het moet bepaald vervelend zijn als het tot je koptelefoon doordringt dat de Blue Army in koor ‘Joos is een Jood’ aanheft. Dat is nu wel wat voorbij. Anderlecht-fans vinden dat hij te veel partij trekt voor Club. “Als Club kansloos met 5-0 gaat verliezen in Napoli, kan ik daar echt geen goeie wedstrijd van maken, het spijt mij. Ik ga niet twijfelen aan mijzelf door die kritiek. Ik twijfel al genoeg vanuit mijzelf. Ja toch, jij toch ook? Hebben we dat niet allemaal in dit vak, dat we ons afvragen of het allemaal wel goed genoeg is?”

O ja, of hij Jude heeft kunnen afhalen van de scouts onderweg van Zaventem? “Ja, hij schrok toen hij mij zag. Vanmiddag hebben we dan nog een beetje gevoetbald. Het lopen zal voor vanavond zijn. Mijn uithoudingsvermogen is nu beter dan toen ik voetbalde.” Hij zal uiteindelijk, gewaarschuwd door mijn fileleed, zijn loopje op de dijk van Oostende afwerken en zonder file richting Antwerpen rijden.

We zien in Oostende een erg leuke wedstrijd die op en neer gaat. KVO geeft drie doelpunten weg en scoort zelf twee keer enig mooi en toch is de overwinning van de leider uit Brugge oververdiend.

De hele rust gaat op aan poseren voor de fotograaf die we op hem hebben afgestuurd. Van zenuwen nog steeds geen spoor. Als de studiogesprekken op hun eind lopen, neemt hij zijn plaats weer in. Hij praat de spannende tweede helft vol. Ik vraag hem nog of hij zijn wedstrijden zal terugkijken om zichzelf te verbeteren. Neen, dat haat hij.

“Ik weet dat ik fouten maak. Ik weet dat ik moet opletten voor de Tom Lanoye-A, typisch voor iemand van het Waasland en in mijn geval vooral als ik moe ben. Als ze mijn stand-up afspelen, zet ik zelfs mijn koptelefoon af. Ik wil mijzelf niet horen. Je ergert je aan dingen waar de kijker zich helemaal niet aan ergert en dan ga je iets veranderen, waarna misschien nog meer ergernis ontstaat. (lacht) Dát is pas ergerlijk.”

 

VER-JOOS