Column over René Weiler in De Morgen van zaterdag 16 sep 2017

WAS WILL WEILER?

 

Zou het zo zijn gegaan met René Weiler en Sven Kums en Herman Van Holsbeeck? De manager die naar zijn trainer belt en zegt: “Herr René, we kunnen Kums krijgen. Kums ja. Allez zeg, herinner je, in augustus toen Gent hier kwam spelen hebben ze ons toch op een hoopje gespeeld? Welnu, dat was Kums. Daarna ging hij weg, maar hij is niet gelukkig in Italië en dat weet ik van zijn pa die hier opmde club werkt. Wij hebben wat voetballende kwaliteit nodig na het vertrek van Tielemans, maar hij kost wel een cent. Wat denk je? Nemen? Zeker? Oké, dan gaan we ervoor.”

Eerste vraag: heeft Weiler gezegd tegen Kums wat hij moet doen, wat hij van hem verwacht? In dat ene telefoontje – hé Sven, ik zou graag hebben dat je komt – lijkt mij dat sterk. Of heeft Van Holsbeeck met Kums gepraat en hem overgehaald met de uitdrukkelijke belofte dat Anderlecht anders wil gaan voetballen, op balbezit en dominant, maar dat het vorig jaar niet anders kon dan vanuit de reactie omdat ze geen… Sven Kums hadden?

Tweede vraag: heeft de club – Van Holsbeeck of Vanden Stock of whoever – ooit echt Weiler toegesproken na het behalen van zijn titel en gezegd: “Bon, Herr René, we zijn zufrieden met de Meisterschaft maar niet met het Scheissefussbal. Volgend jaar moet dat anders.” Denk dat maar niet, want zo werkt dat niet in het voetbal. Een trainer die van nergens uit een titel pakt, is als een magiër en hypnotiseert zijn omgeving. Oké, het is wel zo gecommuniceerd naar de buitenwereld, maar Weiler heeft lak aan de pers, dus die heeft daar niks van meegekregen en indien wel, dacht hij bij zichzelf: ik doe mijn goesting want ik ben Weiler, Meister, en die domme Belgen kunnen aan mijn reet roesten.

Derde vraag: is Weiler een psychopaat, zoals een collega hyperboliseerde? Misschien niet, maar het is een Zwitser, dus met een ingebakken overtuiging van superioriteit tegenover de Europeaan. En hij is een voetbaltrainer met een ingebakken overtuiging van zijn gelijk. En hij is kampioen geworden. De combinatie Zwitser, trainer, titel is nefast voor de bescheidenheid.

Vierde vraag: met Sigmund Freud – was will das Weib? – vragen wij ons af was will Weiler? Weiler wil de baas zijn en wil winnen, punt uit. Als hij kampioen wordt met het slechtste voetbal ooit, is hem dat ganz egal. Hij speelt reactievoetbal omdat hij het voetbal dat sommige andere trainers voorstaan – dominant en aan de bal – maar niks vindt. Ja, voor Barcelona en PSG en Manchester City misschien, maar Anderlecht moet niet denken dat het zo’n club is en dat het die spelers heeft. Dat zei hij toch toen hij hier arriveerde: het palmares van Anderlecht, dat had hij weleens gezien, maar daar trok hij zich niks van aan, evenmin van de zogeheten huisstijl.

Er valt wat voor te zeggen, dat lak hebben aan het champagnevoetbal van het verleden. En aan een Sven Kums die terugdraait als de druk wat heftig wordt om via de keeper van flank te veranderen. Weiler wil snel, verticaal voetbal. Wil vechtjassen en lopers in het veld. Weiler houdt van de negatieve variant van het Atlético-voetbal: laten komen, afbreken en van de chaos profiteren om snel aan de overkant te komen.

Kums heeft in zijn kampioenenjaar met Gent vaak verticaal gespeeld, maar hij was niet de enige reden van het succes. Toen liep daar voorin een Laurent Depoitre met de hoogste maximale zuurstofopname ooit op Gent gemeten. Die kon het zich permitteren de longen uit zijn lijf te lopen, hij had er toch drie. Dat sloopwerk moet je ‘Teo’, ‘Hamdi’ en al die andere caractériels voorin bij RSCA niet vragen. Kums heeft wel degelijk een diepe bal maar hij kan hem moeilijk kwijt. Enfin, u begrijpt wat hier wordt bedoeld: Kums wil vooral voetballen, Weiler wil vooral winnen.

Vijfde vraag: wat heeft Kums gedaan om zonder pardon in de vleesmolen van Weiler te worden geworpen? (Wie niet inziet wat Weiler Kums heeft aangedaan in München, heeft zelf nooit ploegsport gespeeld.) Misschien is Kums te belangrijk gemaakt door de clubbazen. En, verkijk u vooral niet op zijn bescheidenheid, misschien vond Kums zichzelf wel belangrijk en dacht hij de strijd om de voetbalstijl te kunnen winnen. Kums dacht minimaal gehaald te zijn als procesversneller (dixit Heerenveen, waar Kums ooit speelde), het verlengstuk van de trainer. Dat kan nog steeds, en dat is hij ook bij iedereen, maar niet met deze trainer. Als Kums ballen heeft, is deze relatie voorgoed om zeep.

 

COL-Was will Weiler?

Advertenties

Interview/portret van Johan Van Herck, Davis Cupcaptain in De Morgen van vrijdag 15 sep 2017

‘Aan urinoirs sprak ik Goffin wat moed in’

Die ene in een wak krijgt een stamp onder de kont, met de andere gaat hij een plasje maken, maar altijd weer lijkt Davis Cup-kapitein Johan Van Herck de juiste snaar te raken. Dat zal nodig zijn tegen de aussies.

Johan Van Herck (43) is veranderd, maar wie niet? Forser geworden, kaler ook, maar de coach is dezelfde als de speler, wars van kapsones, bereid en ondanks de toenemende stress beschikbaar voor de journalist die hem samen met zijn generatiegenoten Kris Goossens, Christophe Van Garsse en Filip Dewulf een kwarteeuw geleden interviewde op hun weg naar de hoogste tennishemelen.

Van Herck was het die bedankte om hem de moeite te vinden om een verhaal over te maken. Zijn eigen bestorming van de hemelen botste uiteindelijk op het plafond van het fysieke kunnen.

“Een zwakke rug, daarmee kun je het schudden. Ik had twee wervels die aan elkaar waren gegroeid en op het laatst liep ik rond met een korset waarvan ik het gewricht moest loszetten en inoliën om te fietsen op een hometrainer. Zo gek was ik. Geen idee wat ik met een goeie rug wel had kunnen bereiken. Als ik nu nog tennis, drie dubbeltjes in interclub, heb ik drie weken last aan mijn kuit. Ik was niet de meest getalenteerde, passie overheerste. Maar met passie is niets mis. Ik heb het zelf altijd bijzonder gevonden om voor mijn land te spelen.

“Van onze generatie heeft Filip Dewulf het best gepresteerd. Hij was ook het grootste talent, maar misschien had hij het mentaal iets beter kunnen aanpakken. Vandaag is hij journalist en dat is wel bijzonder om die daar dan in de zaal te zien zitten. Hij schrijft goed, vind ik, en hij weet natuurlijk waarover hij het heeft.”

Beste mannengeneratie ooit

Precies twintig jaar geleden stond Johan Van Herck op zijn hoogste ranking, hing een tijdje ergens in de top zestig, een plek waar we nu niet meer van opkijken na de successen bij de vrouwen. Vandaag hebben we David Goffin aanschurkend tegen de top tien en heeft het mannentennis er nooit beter voorgestaan, beaamt de tennisbondscoach.

“In de lente van dit jaar stonden we het hoogst. David in de top tien en Steve Darcis even op 38. Dat is nog beter dan destijds met Xavier Malisse (hoogste ranking 19, HVDW) en Olivier Rochus (hoogste ranking 24, HVDW), maar in de Davis Cup hebben die nooit samengespeeld. Ik denk dat dit de beste mannengeneratie ooit is. Als de beste Malisse tegen de beste Goffin speelt, dan zou het spannend zijn maar Goffin zou het halen.

“De vorm van onze spelers is wel al beter geweest. Goffin verstuikte zijn voet tijdens Roland Garros en liep dan een compensatieletsel op aan de knie waar hij nog niet helemaal van is verlost. Vervelend bij het afzetten en hij moet het juist hebben van zijn benenspel. Darcis had te maken met de geboorte van een tweede kind. Het dochtertje dat ze al hadden moest van de zomer aan haar hartje worden geopereerd en dat is niet helemaal gelopen zoals het hoorde. Dus ook zorgen en weinig wedstrijden voor hem. En nu zijn we ook Joris De Loore kwijt.

“Ik hoop dat Steve zich kan optrekken aan de Davis Cup. Dat heeft hij al bewezen, onder meer toen hij in Duitsland Alexander Zverev ging kloppen, nu vierde van de wereld. Het plezante aan deze ploeg is dat ze willen voor het land spelen. Dat is een voordeel, maar de Australiërs hebben dat ook. Die zijn vanuit de US Open meteen naar België gereisd en hebben een week getraind bij TC Davis in Wezenbeek-Oppem. Natuurlijk op gravel, de ondergrond die wij hebben laten leggen. Dat is niet hun favoriete speeloppervlak, wel dat van ons. (lacht) En daarom ligt die daar ook in Paleis 12 op de Heizel.”

Australië komt met bad boy Nick Kyrgios (ATP 20), in Cincinnati in augustus nog gewonnen van Goffin die toen al sukkelde met de knie, en John Millman (ATP 185). Een 22- en een 28-jarige, wel met talent maar ver van huis op gravel. De kaarten voor een tweede finale in drie jaar liggen goed, op voorwaarde dat Paleis 12 kolkt zoals twee jaar geleden in de finale tegen Groot-Brittannië in Gent. Toen was Andy Murray te sterk en niet uit zijn comfortzone te halen. Misschien lukt dat met Kyrgios wel. Als België doorgaat, moet het tegen Frankrijk of Servië, die in het nieuwe voetbalstadion in Lille (waar de Rode Duivels op 1 juli van vorig jaar voetballes kregen van Wales op het EK) voor 27.000 man hun halve finale spelen. Servië speelt zonder Novak Djokovic, dus de kans op een Frankrijk-België bestaat.

Twee plassende mannen

“Sowieso spelen we een eventuele finale altijd uit. Dat heeft te maken met het Davis Cup-reglement dat landen om de andere keer thuis laat spelen. Wij hebben Frankrijk en Servië de laatste keer thuis ontvangen, vandaar dat een finale nooit in België kan zijn. Natuurlijk hebben we een mooie kans tegen Australië. We zijn een team dat zichzelf overstijgt in de Davis Cup, dat hebben we al verschillende keren bewezen.

“Ik weet niet of dat aan mij ligt. Ik doe wat ik denk te moeten doen, nu al zes jaar lang. Jawel, een record, ik heb Steven Martens onttroond als langst zittende coach ooit. De speler Van Herck is soms terug te zien in de coach Van Herck. Als Steve Darcis speelt, bijvoorbeeld, leef ik met elk punt mee, zoals ik dat ook als speler deed. Gebalde vuisten, schreeuwen. Als David Goffin speelt, doe ik dat juist niet, bewust. Die heeft rust rond zich nodig. Laat hem maar doen.

“Die aanpak werkt. Ik heb in Duitsland voorspeld wat er zou gebeuren, dat het tij zou keren en dat we hen konden breken, wat ook gebeurde. Dat was een aanvoelen. Ik heb ook in Duitsland op een bepaald moment Darcis onder zijn voeten gegeven. ‘Stop met zagen en speel je tennis’, heb ik hem toegeroepen. Ik zag hem schrikken, maar hij begon te tennissen.

 

“En in Gent in de finale stond David Goffin 2-0 achter tegen Kyle Edmund en was hij klaar om met 0-3 te verliezen. Hij nam een plaspauze en ik ging mee naar het toilet. Je had ons moeten zien staan, twee plassende mannen boven een urinoir en hij begon te praten. Ik liet hem praten en bij het buitengaan zei ik: ‘Nu stap jij hier buiten als de nummer 15 van de wereld en daar staat de nummer 90, gedraag je daar ook naar en het komt goed.’ Dat is niet veel, maar het heeft geholpen. Hij won de volgende drie sets.”

Dankbaar

De sfeer in het Belgisch Davis Cup-team is optimaal, in een ongewone setting die in België in veel milieus tot communautaire spanningen zou leiden. Twee Franstalige toppers worden gecoacht door een Vlaming, met een hoofdzakelijk Franstalige staf. Dat verloopt probleemloos.

“Het zijn karakters, dat wel, maar geen moeilijke jongens. Dat is een voordeel. Wellicht heeft mijn keuze om de persoonlijke coaches er nauwer bij te betrekken geholpen. Zij kennen hun speler, ik zie die maar een paar weken per jaar. België heeft ook geen geld voor een voltijdse Davis Cup-captain. Mijn dagelijks werk is het begeleiden van de 15-plustalenten van Tennis Vlaanderen.

“Ik ben als speler ook altijd dankbaar geweest voor alles wat men voor mij heeft gedaan. Ik wil dat de leden van het Davis Cup-team ook dankbaar zijn. Ze mógen voor hun land spelen, ze wórden goed behandeld en er komen veel mensen kijken. Dat is ook het eerste wat ik hen heb gezegd toen we samen kwamen: de mensen komen naar de Belgische sterren kijken en dat zijn jullie, speel en gedraag je daarnaar, drie dagen lang. Verlies je, jammer, maar ga ervoor. Vergeet even het circuit, dit is de Davis Cup en daar zijn wij goed in.”

Tennis is veranderd, zegt Van Herck, maar het wordt niet altijd beter gespeeld. De spelers slaan harder, maar slaan ze juist? In de tweespalt Federer-Nadal kiest hij onomwonden voor Federer, maar ook Nadal kan hij waarderen.

“Tennis is veel fysieker geworden, maar dat die oude mannen, met alle respect, nog de grootste toernooien winnen, heeft zeker te maken met hun tennis. Fysiek zijn ze beter voorbereid dan ooit en ze hebben een enorme staf rond zich. Anders kan zo’n Nadal niet steeds weer terugkeren uit blessure. Maar er is meer. Ze lezen het spelletje gewoon beter en dat probeer ik onze aankomende talenten ook wijs te maken.

“Ik geloof meer in de goede zones, de juiste tactiek, de opbouw van een punt en de plaatsing van de bal dan in de snelheid waarmee je een bal slaat. Hoe hard ook, tegenwoordig kan elke speler een harde bal terugslaan. Een juiste bal slaan, is veel efficiënter.”

 

DM-VER-Johan Van Herck

Column over Alberto Contador in De Morgen van maandag 11 sep 2017

Contador

Dit stukje gaat over Alberto Contador, maar eerst twee rechtzettingen over een portret dat zaterdag verscheen in deze krant. Dat ging ook over Contador en daar stond in dat hij in opspraak is gekomen in de Operacion Puerto, de zaak tegen dokters Fuentes en Merino. Dat klopt. Zijn initialen A.C. zijn gevonden op het document met nummer DD.PP 4293/06 van 27 juni 2006, afkomstig van het Ministerio del Interior. Dat gaat over Liberty Seguros, waar de piepjonge Contador net een contract had getekend.

In het bewijsstuk staat Contador drie keer vermeld. Niet op de pagina’s waar de bloedzakjes worden geïdentificeerd, evenmin op de pagina’s over de dopingschema’s en ook niet op die over de bezoeken of de telefoongesprekken. De piepjonge Contador komt ter sprake in een opsomming van de leden van de hele Liberty Seguros-ploeg voor het seizoen 2004 (in 2006 rijdt hij voor Astana).

Vervolgens duikt hij nog eens op in het programma van de ploeg, waar naast zijn naam ‘niets of hetzelfde als Jörg Jaksche’ is genoteerd. Op de achterkant van een ander bewijsstuk staat Contadors naam handgeschreven onder de titel ‘Individualiseren’, wat dat ook mag betekenen. Wat het wellicht betekende, is dat Saiz hem eerst clean voor de leeuwen wilde gooien om te zien wat en hoe, om dan wellicht bij Fuentes langs te gaan.

Tweede rechtzetting: clenbuterol wordt her en der wel eens aanzien als een maskeermiddel, maar daar is geen wetenschappelijk bewijs voor. Bovendien, waarom zou je een maskeermiddel nemen dat makkelijk opspoorbaar is. Neen, clenbuterol heeft zelf een drievoudige werking: je verbrandt makkelijk vet, het werkt anabool maar niet zo sterk als anabolen en het verbetert de ademhaling. Gebruik clenbuterol als maskeermiddel in een Tour en je hangt, zoals Contador ook overkwam.

Alleen is de brave Alberto op zo’n kleine hoeveelheid betrapt dat zelfs de labo’s de these van besmette voeding de meest waarschijnlijke achtten. Dat stond ook op zijn veroordeling door het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS): het zal wel een besmetting zijn, maar je krijgt twee jaar.

Die overwinning van zaterdag op de Anglíru was een geschenk van Chris Froome en Sky, maar eerlijk is eerlijk: dat heeft hij zelf afgedwongen door de hele Vuelta aan te vallen als in zijn beste dagen. Eén verschil: in die beste dagen hield hij zijn voorsprong ook vast. In deze Vuelta lukte dat nooit, tot zaterdag. Omdat Nibali niet kon volgen, reed Froome nog even weg, verstevigde zijn leidersplaats maar ging niet al te fanatiek achter Contador aan. Zeventien seconden rijden Wout Poels en Chris Froome normaal zo dicht, maar dit scenario leende zich voor een geschenk en dat was deze man gegund.

De beste dagen van Alberto Contador, dat was de Tour van 2007, maar toen was er nog één net iets beter: Michael Rasmussen. Op YouTube vind je de beklimming van de Aubisque waar Rasmussen op 800 meter van de finish versnelt en Contador achterlaat. Eerder die dag was bekend geraakt dat de Italiaanse ex-renner en analist voor de radio Davide Cassani hem had gezien in de Dolomieten. Dat klopte, maar het spoorde niet met de verblijfsgegevens van Rasmussen die beweerde dat hij in Mexico zat. Na die zestiende etappe zou Rabobank de gele trui terugtrekken en daardoor won Contador zijn eerste Tour.

Zoals Contador toen reed, zo hebben we hem na 2007 nooit meer gezien. Op de flanken van de Aubisque viel hij keer op keer aan, of counterde een tegenaanval van Rasmussen. Als de toppers vandaag zo zouden rijden, mogen ze hen na tien kilometer met een vuilblik samenvegen. 2007, dat waren nog andere tijden. Epo en varianten waren weliswaar opspoorbaar en de bloedbank van Fuentes was opgerold, maar kleine doses epo in combinatie met eigen bloedtransfusie, dat kon nog steeds. Het Athlete Biological Passport, aangekondigd in 2005, werd pas echt operationeel vanaf 2010 omdat voldoende bloedwaarden nodig zijn om de grenzen te trekken van het toelaatbare en zo de marges voor gesjoemel te verkleinen.

In 2010 is Contador zijn Tour-overwinning afgenomen om een totaal andere reden, die zero, zero, zero,… clenbuterolaffaire. Na 2010 heeft hij de Tour niet meer gewonnen, wel nog twee keer de Vuelta en ook de Giro in 2011, die hij dan weer kwijtspeelde omdat hij pas in 2012 is gestraft voor het ‘vergrijp’ van 2010. Contador is wellicht de laatste van de groterondewinnaars die de grenzen heeft kunnen opzoeken. We hebben er het raden naar wat de jonge Contador, die op zijn 25ste al de drie grote rondes had gewonnen, vandaag in het veel cleanere wielrennen zou kunnen presteren.

 

 

COL-Contador

Column Vreemden in De Morgen van zaterdag 9 september 2017

Vreemden

Zwarten, bruinen, gelen, Oost-Europeanen en andere vreemden, die tjoektjoeks van over welke grens dan ook, dat komt hier profiteren van onze hoge salarissen en onze sociale voorzieningen en onze eigen jongeren werk afnemen…

Het was een onvervalst Eigen Volk Eerst-discours van de week in de media toen was vastgesteld dat 58,9 procent van de voetballers op onze velden buitenlanders zijn: het nieuwe record was een nieuw dieptepunt en dat moesten wij een schande vinden. Dat ís ook een schande, niet zozeer omdat het buitenlanders zijn, wel omdat de clubs hun werk niet goed doen. Of hun werk met opzet niet goed willen doen, want net als in de reguliere economie spinnen de werkgevers garen bij die ongelimiteerde import van werkkrachten. Ze staan voor de vorm mee aan de klaagmuur en houden tegelijk elke regulerende maatregel tegen.

Migratie in de sport heeft andere achtergronden en ook andere mistoestanden dan migratie op de normale arbeidsmarkt. Politica Anne-Marie Lizin vroeg ooit eens in een senaatscommissie of ik van gevallen wist van geketende voetballers van wie de kettingen pas afgingen als ze een matchke moesten spelen. Ik ben beginnen lachen. Voetbal is geen seksindustrie, het is niet eens een gewone industrie. Geïmporteerde voetballers slapen niet in hun auto’s zoals de vrachtwagenchauffeurs, maar ten minste in driesterrenhotels voor ze een flat krijgen.

De eerste voetbalmigranten kwamen uit onze voormalige kolonie. Die waren pikzwart en ze heetten toen nog negers. Of moren, wat een vergissing was. De eerste muur – want hij speelde in Gent bij La Gantoise – was Léon Mokuna in 1959. Hij werd meteen topscorer en dé attractie van de club. De voorloper van KAA Gent verschilt in niks van de club vandaag die nog steeds gek is op buitenlanders, al zijn de Congolezen nu wel vervangen door andere West-Afrikanen, Oost-Europeanen, Fransen en wat al niet meer.

Het Belgisch voetbal werd al snel een import-exportindustrie waarbij wij half afgewerkte producten importeerden en voor een kleine meerwaarde exporteerden. Met de tijd is dat verschoven naar de aankoop van ruwe grondstoffen en de verkoop van half afgewerkte producten met een hoge doorverkoopwaarde.

In de jaren 80 bleef het aantal buitenlanders op onze velden onder 30 procent en dat was toen meer dan in welk ander Europees land. Begin de jaren 90 kwam het een paar jaar boven de 40 procent uit om dan terug te vallen tot minder dan 25 procent in ’95-96. Dat is een cruciaal seizoen want in december 1995 krijgt Jean-Marc Bosman gelijk van het Europees Hof. Gevolg: het vrije verkeer van personen is van toepassing op voetbal, de beperking op buitenlanders wordt opgegeven op EU-niveau en later bij alle landen die handelsrelaties hebben met de EU. Tegen de eeuwwisseling piekten de buitenlanders al op 45 procent. Toen al werd gesproken van Hunnen aan onze voordeur, maar de volgende vijftien jaar tijd zijn er nog eens 15 procent bij gekomen.

Om een einde te maken aan die ongebreidelde migratie zijn geen Libische bendes nodig. Gezond verstand en enkele regulerende maatregelen zouden volstaan. Bijvoorbeeld: een loondrempel voor niet-EU-spelers zo hoog als het gemiddelde salaris in de Jupiler Pro League (250.000 euro in plaats van de 80.000 nu). Of nog: een echte Belgen Eerst-maatregel en niet die halfslachtige ‘zes spelers op het wedstrijdblad moeten drie jaar voor hun 23ste in België zijn opgeleid’. Ten slotte: een minimaal aantal Belgen tussen de lijnen en niet alleen maar op de bank of het blad.

Elke maatregel ten voordele van de professionele sportbeoefenaar die de politiek de laatste decennia heeft gefiatteerd, had voor gevolg dat de import alleen maar is toegenomen en heeft het belang van de Belgische jeugd in de eerste elftallen verminderd. Omdat Belgen schaars zijn, nadat de clubs decennialang de opleidingen schromelijk hebben verwaarloosd, zijn ze nu duur geprijsd. Een Belg kost het dubbele van een Fransman of een Afrikaan met dezelfde kwaliteiten.

De laatste jaren gaat het iets beter met de opleiding, maar nu komen de Belgische clubs bij elkaar talenten pikken nadat de grote competities de beste Belgische jeugd zijn komen weghalen nog voor die inzetbaar is. Frankrijk ziet al twintig jaar de grootste talenten naar het buitenland vertrekken (PSG is een tijdelijke uitzondering) maar leidt nog steeds meer talent op dan het aan het buitenland kan verkopen.

Een meer drastische maatregel zou er kunnen in bestaan dat de Europese Unie de sectorale voordelen – gunstige fiscale en sociale tarieven – van de Belgische profsport afschiet, waardoor minder geld vrijkomt om handel te drijven met het buitenland. Het is een fabeltje dat de korting op de bedrijfsvoorheffing door de clubs wordt gebruikt om de jeugd te stimuleren, zoals voorzien in de wet. Jeugd is wel een heel breed begrip als met dat geld ook het salaris van een jonge import-Afrikaan mee mag worden betaald. Als de regering nu eens vijf minuten politieke moed zou hebben…

 

COL-Vreemden

Verhaal over Olympische steden in De Morgen van zaterdag 9 september 2017

Wie wil nog Spelen?

Wat een breuk met de traditie, als volgende week in Lima wordt bevestigd dat Parijs zonder slag of stoot de Olympische Spelen van 2024 krijgt en Los Angeles die van 2028. Maar daarna? Het IOC dreigt zijn extravaganza aan de straatstenen niet meer kwijt te raken.

 

Die Donald Trump toch. Op 11 juli speelde hij golf en tweette: “Working hard to get the Olympics for the United States (L.A.)”. Had hij het een beetje gevolgd, dan had hij geweten wat iedereen wist op 9 juni toen de Executive Board van het Internationaal Olympisch Comité in een nooit geziene beslissing de ledenvergadering (de Sessie) adviseerde – dus instrueerde – om in één move de edities van 2024 en 2028 toe te wijzen. De weg lag open voor Parijs en Los Angeles, de enige twee kandidaat-steden die met een redelijke kans op succes Olympische Spelen konden organiseren, zonder de economie te ontwrichten en de bevolking te bruuskeren.

Op 11 juli besliste de Sessie dat advies te volgen en op 31 juli berichtte het IOC dat er een deal was met en tussen de twee steden, de enige overgebleven kandidaten voor de Spelen van het volgende decennium. Op 31 juli feestte Trump ongevraagd mee en tweette: “For the first time in a generation, the Olympics are coming back to the United States, and I am proud to support LA 2028.”

En de stad kon opgelucht ademhalen, want hun democratische burgemeester had donkere wolken zien hangen over zijn bid na de anti-immigratiewetten van zijn politieke vijand/president.

Als kapitalist zal Trump wel trots zijn geweest op hoe die left softy mayor de buit voor Los Angeles had binnengehaald. Om te verzaken aan de ambitie voor 2024 vroeg Los Angeles van het IOC een handgift en kreeg die ook. 1,5 miljard euro hebben de Amerikanen al binnen, en dat nog vóór de kraan van de olympische tv-rechten en sponsoring wordt opengedraaid. Misschien dat ze daardoor deze keer wel goede Spelen organiseren, want de twee voorgaande edities op Amerikaanse bodem – Atlanta 1996 en Los Angeles 1984 – waren dan wel winstgevend, organisatorisch waren ze ondermaats.

Misschien ook dat er wel nog wat oudere IOC-leden in hun wiek zullen zijn geschoten omwille van dit zoveelste cadeau aan de Amerikanen, maar wat haalt het uit? Het IOC is al lang blij dat ze voor een tijdje gerust zijn. Ze hebben een decennium stabiliteit gekocht en hebben de tijd tot 2025 om hun Zomerspelen aantrekkelijker te maken voor organisatoren.

Het zal wel wennen zijn, geen echte verkiezingen, en wat een tegenvaller voor de dure hotels in Lima nu de delegaties met een minimumbezetting afreizen. Normaal wordt elke twee jaar een olympische stad toegewezen en vooral de uitverkiezing voor de Zomerspelen staat meestal borg voor een mooi spektakel: steden presenteren zich van hun fraaiste kant en laten prominenten invliegen. Obama kwam in 2009 naar Kopenhagen en greep met Chicago naast de Spelen van 2016, maar Poetin haalde in Guatemala in 2007 wel Sotsji 2014 binnen. De steden bewerken er de stemgerechtigde IOC-leden een laatste keer, dat alles volgens de spelregels die zijn opgesteld na Birmingham 1991 waar Nagano als winterstad voor 1998 werd verkozen en de Japanse cadeaus voor de bevriende IOC-leden niet weg te slepen waren. Voor een aantal hardleerse leden bleken die regels niet streng genoeg, zo leerde het Salt Lake City-schandaal. Die stad kreeg de Winterspelen van 2002 en was in 1991 verliezer van Nagano, waarna ze maar hetzelfde deden. Het kostte enkele kardinalen van de sport hun lidmaatschap.

In 1999 werd de blauwdruk van het huidige verkiezingsproces neergeschreven: de honderd of wat IOC-leden mochten niet meer reizen, geen geschenken meer ontvangen en geen intieme banden onderhouden met de kandidaat-steden. Alleen stemmen voor de kandidaat-stad mochten ze nog onder Jacques Rogge, die tussen 2001 en 2013 het IOC voorzat. En zie, nu wordt ook dat laatste beetje macht hun afgenomen. De stedenverkiezing op de Sessie in Lima wordt een hamerstuk: Parijs krijgt 2024 en Los Angeles 2028.

Dat had helemaal anders moeten lopen. Voor de editie van 2024 hadden zich naast Parijs ook nog Boston, Boedapest, Hamburg en Rome gemeld. Boston was de eerste stad die afhaakte en Los Angeles sprong in het gat. Burgemeester Eric Garcetti, een democraat, zag in de olympische bieding een opportuniteit om de stad te renoveren waar nodig. Sportinfrastructuur hadden ze genoeg en er komt tegen 2020 nog een stadion bij voor de American-footballclubs Rams en Chargers. Garcetti’s motto was van in het begin niet ‘de stad aanpassen aan de Olympische Spelen’, maar ‘kijk wat de Olympische Spelen kunnen betekenen voor de stad’. In planologische kringen heet dat het Barcelona-effect. Die stad is de enige in de moderne Olympische Spelen die zichzelf op kosten van de belastingbetaler en de internationale sport duurzaam heeft getransformeerd van een grauwe havenstad tot een aantrekkelijke toeristische metropool.

In Boston had men geen boodschap aan dat verhaal. Toen er ook voor de burgemeesters van Boedapest, Hamburg en Rome – telkens na protest en na peilingen waarbij de steun voor de Spelen soms maar 20 procent bedroeg – niks anders opzat dan hun dossiers
terug te trekken, zag men in Lausanne de bui al hangen. Ineens zat het IOC met het scenario van 1979: te weinig kandidaten om de Olympische Spelen te organiseren. Los Angeles profiteerde toen maximaal, dwong ‘Lausanne’ op de knieën door voor eeuwig de olympische rechten te verwerven voor Noord-Amerika en kreeg zonder slag of stoot de editie 1984. Een herhaling van het scenario van 1932, toen ze ook alleen kandidaat waren. Conclusie: Los Angeles krijgt voor de derde keer de Spelen zonder echte tegenkandidaat, tenzij dan heel even Parijs, dat ook al organiseerde in 1900 en 1924 en honderd jaar na datum het olympische circus opnieuw ziet passeren.

Maar het kon nóg erger. Voor de Winterspelen van 2022, die in 2015 moesten worden gekozen, trokken maar liefst zes Europese en Aziatische steden hun kandidaturen in, weeral na protest. Uiteindelijk ging het nog tussen Almaty en Peking. Die laatste stad werd gekozen en ook dat was een primeur, want nog nooit had een stad van Zomerspelen ook de Winterspelen georganiseerd. Dat laatste wordt een probleem, omdat het in Peking in de winter weliswaar koud is, maar er bijna nooit sneeuw ligt. De Chinezen hebben al gezegd dat ze desnoods sneeuw zullen aanvoeren vanuit Tibet. Bij wijze van spreken, want op 100 kilometer ligt meestal wel sneeuw, maar het grapje over Tibet viel internationaal een beetje verkeerd.

Weer olympische corruptie?

Olympische Spelen – zomer, maar winter nog meer – kreunen onder het gigantisme van het evenement, de megalomanie van de plaatselijke organisatoren en de corruptie. Op het niveau van het IOC leek alles zuiverder te verlopen dan pakweg bij wereldvoetbalbond FIFA onder Sepp Blatter, al raakte dit jaar bekend dat de familie Diack (papa Lamine is lid en was oud-voorzitter van de internationale atletiekfederatie IAAF) in de aanloop naar de succesvolle verkiezing van Rio geld zou hebben ontvangen van een Braziliaanse bouwmagnaat.

De Diacks werden wereldvermaard toen bleek dat ze tegen betaling positieve plasjes van de Russen hadden laten verdwijnen. Een deel van dat geld zou vervolgens van de Diacks naar Frankie Fredericks zijn gegaan. Die oud-atleet en IOC-lid was toezichthouder bij de verkiezing van Rio in 2009, maar stemde zelf niet. Het onderzoek loopt nog, maar de IAAF heeft Fredericks wel preventief geschorst. Van de week raakte bekend dat in Brazilië het voorname IOC-lid Carlos Nuzman, ook organisator van Rio 2016, is opgepakt. Hij zou collega-IOC-leden hebben omgekocht. Als dat hard wordt gemaakt, en de omkoping verder gaat dan Diack, is dat ongewild ook een smet op het palmares van Jacques Rogge, die zuiverheid hoog in het vaandel had staan.

Gigantisme blijft het grootste struikelblok voor een olympisch organisatiecomité dat tegelijk een erfenis wil achterlaten en niet de publieke rekeningen wil plunderen. Dat is wat is gebeurd bij de laatste Zomerspelen in Rio. Dertien miljard dollar (10,9 miljard euro) zouden de Spelen hebben gekost. Een deel daarvan werd besteed aan de aanleg van linha 4, de nieuwe metrolijn die 3 miljard dollar zou hebben opgeslokt. Die is uiteraard blijven liggen nadat de Spelen zijn vertrokken, maar de vraag kan worden gesteld of een prestigeproject tussen twee chique wijken (Ipanema en Barra da Tijuca) een prioriteit was in een stad die gebukt gaat onder verpaupering en vervuiling. De erfenis van Rio 2016 is verwaarloosbaar, zeggen de Carioca’s, zoals de inwoners van Rio de Janeiro genoemd worden. “De metro is winst en het havengebied is mooier, maar alle sportinfrastructuur staat te verkommeren en de bevolking is er echt niet beter van geworden.”

Dertien miljard is misschien nog te overzien, maar het zijn vooral de enorme bedragen die Peking in 2008 en Sotsji in 2014 hebben uitgegeven (in beide dossiers wordt uitgegaan van 45 miljard dollar) en de extravaganza die daarmee gepaard ging, die veel kandidaat-steden afschrikken. Londen organiseerde in 2012 dan wel kleinschaliger, maar niet elke stad heeft infrastructuur die met enkele aanpassingen kan dienen voor een olympisch event.

Parijs en Los Angeles wel. Die begrootten hun budget op respectievelijk 6,2 en 5,3 miljard dollar, maar misschien kunnen ze voor de uiteindelijke kostprijs hun oren te luisteren leggen bij Tokio, dat in 2020 de Zomerspelen organiseert. Ondanks waarschuwingen zoals een economische studie van de Universiteit van Oxford die de ‘cost overrun’ (de niet-gebudgetteerde extra kosten) bij Olympische Spelen aan de kaak stelde, zijn de Japanners er nu al in geslaagd om de helft meer uit te geven dan ze initieel van plan waren.

Verbindend project

Parijs 2024 en Los Angeles 2028 zijn vooral projecten van burgemeesters. Die van Parijs, de socialiste Anne Hidalgo, geloofde er eerst niet in, tot het bid committee haar kwam vinden en enthousiasmeerde. Wat ook hielp, was de steun van François Hollande voor het olympische idee en Hidalgo was hem nog enige trouw verschuldigd. Ze kondigde haar steun aan in februari 2015, een maand na de moordende raid op de redactie van Charlie Hebdo. “Parijs heeft een verbindend project als de Olympische Spelen nodig.”

Het olympische dorp en het zwembad worden gebouwd in Saint-Denis, de voorstad waar de terroristen die in november van datzelfde jaar in de Bataclan negentig concertgangers doodschoten, zich schuilhielden.

Eric Garcetti was meteen gewonnen. Aanvankelijk bestreden de twee favorieten elkaar, maar naarmate de rest afhaakte, groeiden Hidalgo en Garcetti naar elkaar toe. Hun beider strijd tegen hun inmiddels nieuw aangetreden president, werkte verbindend, zo verklaarde Garcetti aan sportzender ESPN. Garcetti was de initiatiefnemer van de beweging van 338 burgemeesters die de uitstap van de VS uit het klimaatakkoord van Parijs door de regering-Trump naast zich wil neerleggen. Garcetti en Hidalgo vonden elkaar in de C-40, de internationale vereniging van burgemeesters die de akkoorden van Parijs onveranderlijk willen uitvoeren. Het idee om onder elkaar de koek te verdelen, kwam uit hun koker, en werd uiteindelijk gefiatteerd door het IOC omdat het geen andere uitweg zag. Parijs beledigen door de stad een vijfde keer af te wijzen, was geen optie. En meer dan veertig jaar wegblijven uit de VS, de grootste sportmarkt, evenmin.

Dit kan het begin zijn van een gewijzigd olympisch biedingsproces, zoals eerder dit jaar voorgesteld door een man die onlangs is overleden. Hein Verbruggen, de oud-UCI-voorzitter en voormalig vooraanstaand IOC-lid, wijdde zich tijdens de laatste maanden van zijn leven niet alleen aan zijn verdediging, maar ook aan het schrijven van blogs over de internationale sportpolitiek.

Verbruggen vertrok van de vaststelling dat Zwitserland, het thuisland van het IOC, in geen tachtig jaar de Olympische Winterspelen heeft georganiseerd, terwijl het een wintersportland is. Alle pogingen dienaangaande werden door de bevolking van de regio’s afgeschoten, maar nu is er voor de wintereditie van 2026 een nieuwe kandidatuur, met Sion als gaststad. Het project omhelst drie kantons, waaronder Vaud, waar het IOC huist.

Die laatste kandidatuur moet het IOC koste wat het kost koesteren, volgens Verbruggen. Zijn stellingen zijn duidelijk. De belastingbetaler mag niet opdraaien voor de sportinfrastructuur en organisatorische kosten, wel voor de bouwsels die nadien de regio ten goede komen. Het IOC moet zelf op zoek naar regio’s en landen, in combinatie met grote steden, die zo’n mega-event kunnen dragen. En het IOC moet zelf veel meer organisator zijn in plaats van miljarden door te sluizen en toe te kijken hoe elke vier jaar een andere ploeg het wiel uitvindt en maar hopen dat het goed komt.

Ten slotte is het niet aan de IOC-leden om de stad te kiezen, want die kennen er niks van, is de kort-door-de-bochtvertaling van Verbruggens pleidooi. Voor de Spelen van 2032 werkt de Duitse regio Noordrijn-Westfalen een innovatief project met maar liefst dertien steden uit. Die editie wordt toegewezen in 2025 en na twaalf jaar Thomas Bach (gekozen in 2013 en wellicht herkiesbaar in 2021 voor vier jaar) kan dit als een soort afscheidsgeschenk dienen. Ook Bach heeft onlangs gezegd dat de verkiezingen op de schop moeten en hij heeft een commissie van zwaargewichten aangesteld om met ideeën te komen.

Het concept van compacte Spelen zal ook worden verlaten, maar volgens het olympische charter moeten Spelen worden toegewezen aan een stad en niet aan een land of regio, zoals wel het geval bij de World Cup voetbal. Ook grensoverschrijdende projecten zijn nog niet voorzien, maar dat kan snel veranderen met een simpele wijziging van het charter.

Andere kandidaten voor 2032 zijn voorlopig Brisbane in Australië en New Dehli in India. Die laatste stad is een Rio in het kwadraat, met hele families die op middenbermen van ringwegen wonen en nog veel meer onnoemelijke ellende. Ze hebben daar wel andere prioriteiten dan de organisatie van een miljardenevent als Olympische Spelen, maar wellicht geldt dat voor nog wat regio’s, zelfs in het rijke Westen. In elk geval moet het de betrachting zijn van het IOC om de Spelen zo goedkoop en kleinschalig mogelijk te houden. Wat dat betreft is Tokio 2020 al een slag in het water, want men gaat van 28 sporten naar 33. Het animo om een gooi te doen naar de meest complexe organisatie die de mensheid heeft uitgevonden, zal er niet meteen op vergroten.

 

VER-Wie wil nog Spelen?

Column Huurkoop in De Morgen van zaterdag 2 september 2017

Huurkoop

In een ideale wereld zou een topsportcompetitie aan volgende regels beantwoorden: er zou niet worden betaald voor mensen want dat is mensenhandel, contracten zouden worden gehonoreerd tot de laatste dag en ploegen zouden met alle mogelijke middelen gelijkwaardig worden gemaakt, zowel sportief als economisch, om de voorspelbaarheid van de einduitslag zo laag mogelijk te houden. Ook degraderen of promoveren zou niet bestaan of onderworpen zijn aan economische regels: met andere woorden, zolang je alleen sportief pech hebt maar je draagt bij aan het product, is er niks aan de hand.

Die competities bestaan en ze trekken veel toeschouwers, ze hebben een bezettingsgraad van tegen de 100 procent, een gemiddeld salaris van enkele miljoenen en het minimumsalaris van een CEO. Nog belangrijker: de pariteit (de kans om kampioen te worden voor verschillende teams) ligt er bijzonder hoog.

Geen van de regels hierboven is van toepassing op het Europees voetbal. Ooit wel, niet in mijn leven wellicht, maar ooit wel, omdat er geen weg terug is. De Europese voetbalbond UEFA heeft destijds met de Financial Fair Play (FFP) de aanzet gegeven tot regulering en laat dat nu een van de eigenschappen van regulering zijn: je kunt niet een beetje reguleren. Of je doet het goed, of je doet niks.

Na wat aarzelen opent de UEFA nu een onderzoek, mede ingegeven door de uitgestelde transfer van Kylian Mbappé naar Paris Saint- Germain. Die getalenteerde jongeman, die vorig seizoen tot volle wasdom is gekomen bij de voetbalclub van het prinsdom Monaco, zal vanaf volgend jaar de tweede duurste speler aller tijden zijn. Er wordt in twee schijven, over twee jaar gespreid, door PSG 145 miljoen euro betaald aan AS Monaco, meent de krant L’Equipe te weten, plus een eventuele bonus van 35 miljoen. Eventueel, want als Mbappé niet kan aarden in Parijs en daar geen deuk in een pakje boter trapt, wordt gewoon 145 miljoen betaald, vanaf volgend seizoen.

‘Vanaf volgend seizoen.’ In dat bijzinnetje zit de hele perversiteit van de Europese voetbaleconomie vervat. Mbappé kan namelijk niet meteen door Parijs worden gekocht, want die hebben al 222 miljoen euro vrijgemaakt om FC Barcelona te vergoeden voor Neymar. Verkoper FC Barcelona heeft daartegen achteraf klacht ingediend bij wel vijf verschillende instanties en gerechtshoven. Bovendien wordt de Neymar-transactie zeker het voorwerp van het onderzoek in het kader van die fameuze Financial Fair Play die bepaalt dat teams niet meer dan 30 miljoen euro verlies mogen maken over drie seizoenen.

No way dat PSG die som voor Neymar en het salaris (30 miljoen) kan verantwoorden, zelfs al wint het drie keer na elkaar de Champions League en laten we met zijn allen hopen dat dit niet één keer gebeurt. En nu komt ook nog eens Mbappé aanwaaien. De economische logica achter die waanzin is compleet zoek. De Franse Ligue 1, economisch het debiele broertje van het Europees topvoetbal, heeft nu vier transacties in de top twintig van de duurste inkomende voetbaltransfers, waaronder de twee duurste spelers ooit. En dat allemaal voor rekening van Paris Saint-Germain, dat net zijn vorige straf van de UEFA uit 2014 voor overtreding van diezelfde regels had afgehandeld.

Dat lijkt dus op termijn de richting uit te gaan van een geldboete (ze betaalden al 20 miljoen, maar geld is geen probleem), een paar jaar met een beperkte spelerskern Europa in (die straf kregen ze ook al) en wie weet de zwaarste straf van allemaal: uitsluiting van Europees voetbal. Blijkbaar heeft niemand in Parijs die Arabische eigenaars – PSG is de facto eigendom van de Qatarese staat – wegwijs gemaakt in die FFP.

Het zou evengoed kunnen dat ze geen boodschap aan al die Europese economische correctheid hebben, want van de week gingen ze dus ook Mbappé weghalen. Daarvoor gebruikten ze een trucje: ze gaan hem eerst een jaartje huren. Huurkoop, als het ware. Alle ogen zijn nu gericht op de UEFA. Die zou PSG kunnen verplichten om de 145 miljoen over vijf jaar voor Mbappé al dit seizoen in de boekhouding op te nemen.

Behalve de controleurs van de UEFA, heeft PSG nog een ander, groter probleem. De ploeg wekt al langer ergernis bij een aantal collega’s, maar nu zijn alle grote Europese tegenstanders unaniem in hun veroordeling. Het is voortaan Paris Saint-Germain tegen de rest van Europa.

 

COL-Huurkoop

Interview Iljo Keisse in De Morgen van zaterdag 2 september 2017

‘Op de wielerbaan ben ik nog altijd DIE KILLER’

Het seizoen loopt op zijn eind en terwijl al zijn collega’s zich stilaan opmaken voor een welverdiende vakantie, zal Iljo Keisse (34) blijven trainen. Uit liefde voor de piste en ter compensatie voor de anonimiteit van de weg.

Tot wat een gesprek met een journalist kan leiden. Een van de vragen, of eerder een vaststelling, luidde: je hebt de laatste jaren op de weg niet te veel meer gewonnen. Zijn antwoord: “Allez bedankt om mij eraan te helpen herinneren, maar je hebt wel gelijk. Het zal ook niet voor nu zijn, want ik voel mij wat slapjes. Gisteren heb ik in Mere opgegeven.” Een dag later won Iljo Keisse de Omloop Mandel- Leie-Schelde, een 1.1-koers in Meulebeke. Er volgde een sms: “Misschien moet ik er wat meer op worden gewezen dat ik niet dikwijls meer win…”

Op de plaats van de drie puntjes had ook een smiley kunnen staan, maar die stond er niet. Zo is Keisse: nooit te uitbundig, altijd ingetogen. Een goeie, bescheiden gast met meer dan één zwaar kruis.

Vandaag is hij na twee dagen in Amsterdam met zijn vrouw en zonder de kinderen – “daar waren we echt aan toe” – aan het werk in de Brussels Cycling Classic. Hij rijdt er in een 100 procent dienende rol, zoals altijd tot tevredenheid van de ploeg en tot verbazing van de anderen. Eind 2019, na de tweejarige verlenging van zijn contract, zal hij tien jaar in de ploegen van Patrick Lefevere hebben gereden. Dat is een wonder voor een baanwielrenner met een kleine motor en een ongelukkige voorgeschiedenis, die werd opgevist door een topploeg op zoek naar een harde werker met lage looneisen die na twee rampjaren ook nog eens moest smeken om te mogen verlengen. De mecenas in Lefevere toonde zijn groot hart en daar heeft hij nog geen spijt van.

Keisse: “Patrick en ik kennen elkaar nu door en door, na al die jaren. We hebben aan een half woord genoeg. Hij weet ook wat hij aan mij heeft: een trouwe werknemer. Hij vraagt soms iets aan mij over het functioneren van de ploeg en dan antwoord ik eerlijk. Die onderhandelingen doe ik trouwens zelf. Afgelopen met 5 procent aan een manager te betalen voor een gesprek dat niet eens een onderhandeling is. Ik praat, ik teken voor een eerlijk salaris en daarmee is de kous af.”

Kon je naar een andere ploeg?

“Ik had mooie aanbiedingen, eigenlijk voor het eerst, maar ik wilde absoluut bij QuickStep blijven. Als ik nu 28 was geweest en ze waren afgekomen met hun aanbieding, dan was ik misschien beginnen vergelijken en onderhandelen. Misschien was ik toen ook vertrokken, zoals mijn collega Julien Vermote. Als je ergens anders meer kunt verdienen, en je bent nog jong, waarom niet?

“Ik ben Patrick ook dankbaar dat hij mij twee keer uit de miserie heeft gehaald. In 2011 heeft hij mijn contract verlengd, maar dat is pas eind december getekend. Hij twijfelde tussen mij en een jongen die nu al is gestopt. Hij was daar ook eerlijk in. Ik weet nog wat hij zei: ‘Zorg dat je niet de slechtste van de ploeg bent.'”

Tien jaar verdediger bij het Manchester United van de koers, verbaas je jezelf niet?

“Ja en ook weer neen. Ik wist dat ik meer kon dan op de piste zesdaagsen en ploegkoersen winnen. Toen ik bij Chocolade Jacques en later Topsport Vlaanderen (nu Baloise-Sport Vlaanderen, HVDW) reed, voelde ik wel dat ik ook op de weg uit de voeten kon. Alleen besefte ik snel genoeg wat ik kon en vooral wat ik niet kon. Ik had nooit de illusie dat ik een Tom Boonen was.

“Heb ik de laatste tijd niet meer gewonnen? Dat klopt. Bedankt om mij daaraan te herinneren. (lacht) Weet je, op den duur verleer je het winnen. Op de wielerbaan heb ik dat niet. Daar ben ik nog altijd de killer die als hij in een goede positie zit het zal kunnen afmaken. Vroeger had ik dat op weg ook meer. Ging je met mij in een kopgroep naar de meet, dan was ik toch bij de favorieten.

“De keren dat ik mijn kans mag gaan, kan ik op twee handen tellen. Op den duur is dat winnen ook geen doel meer. In de Grote Prijs Samyn was het voor mij: ik werd derde. In Halle-Ingooigem ook: werd ik weer derde. Mijn snelheid op de weg is wat afgebot door
dat lang op kop rijden. In Heusden Koers waren we van bij de start weg en had ik aan het eind 360 watt gemiddeld, en dat voor een kermiskoers. Jammer, dat ze ons op vier kilometer van de meet terugpakken. Ik had zo graag gewonnen in mijn fusiegemeente. (Een dag na het gesprek maakte hij het in een kopgroep met veertien wel af in de sprint, HVDW).”

De ploeg noemt jou een van de hardst werkende renners in het peloton.

“Ik heb de meeste koersdagen. Er zijn veel renners die kunnen wat ik kan, maar ze moeten het ook willen. Als je van kilometer nul op kop moet rijden, verzet je wel wat werk. En ik heb geen grote motor. Dat wordt ook steeds weer bevestigd in de testen als ik vergelijk met sommige van mijn ploegmaats, maar op de een of andere manier trekt mijn lichaam toch zijn streng.

“Vermogen is niet alles. Op kop rijden is simpel: zo hard rijden als je lang kan volhouden, zonder het gevoel te krijgen dat je snel leegloopt. Als het om de prijzen gaat, ben ik meestal niet meer in beeld en dat vloekt met mijn status op de piste waar ik wel altijd bij de favorieten ben en waar ik in de schijnwerpers sta. Het ene compenseert het andere, vermoed ik. Weet je wat ook veel goedmaakt: één op de twee koersen waarin ik start, rij ik mij leeg met een serieuze kans op winst voor een ploegmaat. Of je ploeg wint of verliest – en wij winnen het meest van alle ploegen – maakt een heel verschil. Ik kan mij niet verbeteren.

“Ik word 35 in december. Elke dag ben ik met jongens van begin de twintig op pad, dat houdt je jong. Laatst nog heb ik Fernando Gaviria op sleeptouw genomen. Die had geen competitie meer na de Giro en hij is naar België gekomen om bij te trainen. Elke dag ben ik hem gaan halen in het Lepelbed in Melle en ben met hem gaan rijden in de Vlaamse Ardennen. Aardige gast, begrijpt goed Engels, spreekt het inmiddels redelijk en kan zelfs al wat woorden Nederlands. In het begin dacht ik dat hij niet wilde, maar nu begint het te gaan.”

Jij behoort tot de anciens van het peloton. Geeft je dat een speciale status?

“Wij mogen meer zagen. Het is onder meer de taak van de ouwe wortels (oude zeuren in het Gents, HVDW) om de jonge snotneuzen die een moord zouden begaan voor een WorldTour-punt tot de orde te roepen. Ik weet niet of het erger is geworden, dan wel dat ik met te verouderen gevoeliger ben voor gevaarlijk gedrag in het peloton.

“Zelf ben ik van grote valpartijen gespaard gebleven. (klopt af op de houten tafel) Je zult zien dat je een dag later wél valt natuurlijk. En toch: als je een grote valpartij vanuit de lucht gefilmd ziet, iedereen tegen de grond gaat en er staan er nog recht, dan ben ik daarbij. (klopt nog eens af) Kan ik beter sturen? Misschien. Neem ik iets minder risico? Zeker. Ik kom vaak aan de remmen zonder veel plaatsen te verliezen, dat is ook een kunst. Ik denk dat ik ook een extra zintuig heb ontwikkeld op de wielerbaan. (wijst naar de straatkant) Zie je die drie postbussen? Hoewel het niet kan, zal ik het toch zien als er een kleine kans is dat ze toch vallen en ik zal nog weten wanneer ook.

“Ik rij ook met een Garmin 1000. Die is groter dan de Garmins van de ploeg en ik rij meestal op het kaartje zodat ik zie hoe de weg draait. Ik vind het handiger om te weten of er over een paar honderd meter een scherpe bocht naar rechts volgt dan om mijn vermogen te zien. Vooral bergaf zijn er alleen maar voordelen aan als je ziet waar je heen moet.”

Je lijkt heel erg flamboyant zoals je de show verzorgt in de Gentse Zesdaagse, maar eigenlijk ben jij introvert.

“Soms ben ik erg gesloten. Als ik nieuwe mensen ontmoet, heb ik vaak drempelvrees. Dat had ik met Tom Boonen ook. Ik was in het begin behoorlijk geïntimideerd, maar na een tijdje samen in de koers gaat dat wel over en dan ben ik gewoon.”

Je hebt je deel van de klappen wel gehad. In 2008 werd je beticht van dopinggebruik en daarin kreeg je gelijk, maar dat sleept blijkbaar nog steeds aan?

(zucht) “Ja. Het zal bijna tien jaar zijn en waar zitten we nu? Ik heb een schadevergoeding van de UCI geëist en 100.000 euro gekregen van de rechtbank. De UCI is in beroep gegaan en heeft dat verloren. Vervolgens hebben ze in cassatie gewonnen. Dus is dat terug naar een ander beroepshof. Telkens als er een brief van die zaak in de bus valt, is mijn dag om zeep. Ik heb aan de advocaten gevraagd om daar zo snel mogelijk komaf mee te maken, maar zij vinden het een princiepskwestie om gelijk te halen, wat ik ook begrijp.”

En het proces met de leverancier van het voedingssupplement?

“Is van de baan. De overnemer van dat bedrijf wilde daar vanaf en ik ook. Dus dat is geregeld. Laatst zaten we voor het EK met de nationale ploeg in Herning in Denemarken in hetzelfde hotel waar ik verbleef toen ik alleen maar in het buitenland mocht koersen. In dat hotel kreeg ik toen telefoon van mijn vrouw dat er een brief was toegekomen: men eiste 600.000 euro schadevergoeding. En ik reed daar voor 250 euro per wedstrijd. Dan is het even slikken.

“Mijn grote tegenstander was toen de UCI-voorzitter Pat McQuaid. En wie kwam ik tegen tijdens de Zesdaagse vorig jaar? Niet Pat, maar zijn zoon die manager is van Bradley Wiggins. En zo zat ik daar na de Zesdaagse met een McQuaid pinten te drinken in het café van mijn vader. Het is een klein wereldje en je komt elkaar altijd tegen, vandaar dat ik vooral vrede wil.”

Het uitstekende boek De val gaat over jou en je vrienden-wielrenners van wie er drie zijn overleden. Heb je het helemaal gelezen?

“Uiteraard, nog voor verschijnen heb ik het op stage gelezen. Maar niet in één keer omdat ik bij sommige passages wist dat ik ze niet moest lezen voor ik ging slapen. Af en toe heb ik het boek ook moeten wegleggen om op adem te komen. Het is een mooi boek van iets dat niet mooi is, dus genieten was er niet bij. Het is nu ook goed geweest, een sequel of een vervolg in docuvorm of zo hoeft niet noodzakelijk voor mij. Voor nog andere jongens, zoals Kurt Hovelijnck, is het helemaal een afgesloten periode.”

Terug naar Peking 2008. Voel je mij komen?

“De olympische ploegkoers waar we een medaille misten? Ik heb die wedstrijd nooit meer teruggezien.”

Jij probeerde een ronde te pakken, deed driekwart van het werk maar de toen nog jonge Kenny De Ketele kreeg het niet rond.

“Dat is hoe ik het mij ook herinner, maar weet jij hoe ik aan die beelden geraak? (wordt stil) Kijk, ik krijg er nog kippenvel van. Pakken we die ronde, dan hebben we goud. Neen, we werden vierde en geen medaille. Dat was de grootste ontgoocheling in mijn carrière.”

Nu heb jij laten weten dat je Tokio 2020, waar de ploegkoers opnieuw olympisch is, wel ziet zitten.

“Ik heb de bond laten weten dat ik geïnteresseerd ben en ik wacht af wat ze van mij verwachten. Als dat programma realistisch is, wil ik gerust een jaar wereldbekerwedstrijden rijden.”

De vraag is met wie? Al eens gedacht aan Iljo Keisse-Jasper De Buyst, de twee beste pistiers van de laatste jaren die nog nooit samen reden omdat ze te goed waren?

“Keisse-De Buyst lijkt mij een mooi duo. (lacht) Ik heb er met Jasper over gesproken, maar hij zegt hetzelfde als ik: er moet een realistisch programma komen. Als het de bedoeling is dat we ons ook moeten engageren voor de ploegenachtervolging, waarin België in het beste geval zevende kan worden, dan zien wij dat niet zitten. Maar er zijn nog goeie koppels zoals Kenny De Ketele en Moreno De Pauw, die derde werden op het WK, en jonge gasten als Robbe Ghys die eraan komen. Het mooiste zou zijn als ze gewoon de beste ploeg meenemen naar de Spelen en alles op de ploegkoers zetten.”

 

Iljo Keisse

Column Tendoet (over HVH) in De Morgen van zat 26 aug 2017

Tendoet

Het is niet langer fijn met Hein. Dat was de teneur van een artikel eerder deze zomer. Hein vond dat zelf niet fijn. Geen enkele beat writer schrijft graag zo’n beladen verhaal als eerste, maar omdat het hek daarmee van de dam was, gingen ook andere media daar op door. Het zou zomaar kunnen dat je het opschrijft en dat daarna met ruime cijfers wordt gewonnen en dan lig je voor een tijd uit de gratie, ook bij zij die je hebben gevoed, want spelers zijn pas eersteklas windhanen.

Rond die tijd was er nieuws over de operatie van Renato Neto, waarna een medium dat het bericht had gemist een stapje verder ging met de melding dat het wel eens fin de carrière kon zijn voor Neto. Toen was Hein pas echt furieus: hij zou voortaan alleen nog het strikte minimum doen voor de media. Gedaan met faveurtjes, geeft hij aan in een interview in deze weekendkrant naar aanleiding van Anderlecht-Gent. Dat interview was geen faveurtje, voor alle duidelijkheid. De afspraak lag al vast van lang voor het begin van de competitie en daar heeft hij zich ook netjes aan gehouden. Hij kan een hork zijn, onze Hein, maar een woord is een woord. Al is wel een luizenkam door de tekst gegaan, kan ik u verklappen.

Na drie jaren van relatieve rust, ondanks het obligate dipje dat al decennia in de Gentse voetbalgenen zit, gaat de club nu echt door zwaar weer. Meer nog: zelfs de trainer voor wie na de titel en de knappe prestaties in de Champions League standbeelden op de Korenmarkt, de Kouter, de Graslei, de Vrijdagmarkt en aan de Ghelamco Arena zouden worden opgericht, ligt nu ook onder vuur. ‘Hoeveel krediet heeft Hein?’, titelde de pers en Hein werd nog bozer.

Alles zit tegen wat tegen kan zitten. ‘Murphy’, zo kun je de uitleg van Hein Vanhaezebrouck samenvatten. Dat is wat kort door de bocht. Het zit ongetwijfeld tegen, na jaren waarin het heeft meegezeten – de titel en de twee mooie Europese campagnes – maar er lijkt meer aan de hand. In het jaar na de titel raakte de ploeg die net met brio de tweede ronde van de Champions League had gehaald, uit koers door een stomme bekeruitschakeling en een onverdiend verloren uitwedstrijd in de competitie tegen Club Brugge. Wat een fait divers had moeten zijn, werd een huizenhoog structureel manco – ‘de code gekraakt’ – en toen ook nog eens Mbark Boussoufa het oefencentrum kwam oprijden in zijn Bentley, was de ooit zo mentaal sterke spelersgroep helemaal van slag.

Een jaar later – vorig seizoen – volgde een heel lange periode waarin niet werd gewonnen, waarna met de hakken over de sloot alsnog Play-off 1 werd gehaald. Tekenend voor de mentale zwakte was de Europese derby tegen Genk, waarin Gent op een hoopje werd gespeeld. In eigen huis, waar tot dan alleen Europese grootheden hun wil hadden opgedrongen, werd hen de les gespeld door Limburgse koorknapen op noppen. Die twee momentopnames hadden bestuur en staf de ogen moeten openen, en misschien heeft dat de ogen wel geopend en misschien hebben ze naar oplossingen gezocht om leidersfiguren aan hun ploeg toe te voegen, maar dat is dan schromelijk mislukt. Ook dat is voetbal.

Hein Vanhaezebrouck wordt verweten dat hij al het geld van de transfers en van de Champions League zelf heeft mogen uitgeven.
Hij zal daar ongetwijfeld een hand in hebben gehad, maar ‘al het geld’ is overdreven, en dus ging hij in de tegenaanval. O ja, hij kreeg een nieuw oefencentrum, niet langer op loopafstand van de Ghelamco en niet langer zichtbaar vanuit de Hudson-controletoren van voorzitter Ivan De Witte. Net als met de Ghelamco in het eerste jaar na de verhuizing blijven de positieve vibes van het nieuwe OC nog wat achterwege.

Van Hein Vanhaezebrouck staat het vakmanschap boven alle verdenking, maar een opfriscursus people management zou van pas komen. Hij zegt dat hij geen opgever is en zijn trackrecord geeft hem gelijk. Hij belooft ook zijn leven te beteren, minder te zeuren over hoe hij toch niet helemaal zijn goesting heeft gekregen, minder te chicaneren over zijn spelers. Hij zat tijdens het gesprek gelukkig niet in zak en as en er kon zelfs een grap af.

Uit het interview haalde hij een volstrekt onschuldig zinnetje, met als commentaar “anders denken ze weer dat ik zit te greiten”, wat West-Vlaams is voor spottend uitlachen.

Ik repliceerde: “Het zal toch niet zo zijn dat we je nooit meer zullen horen greiten?”

Hein: “Tendoet.”

 

DM-COL-Tendoet

Interview Hein Vanhaezebrouck in De Morgen van zaterdag 26 aug 2017

‘Nee, het is niet op’

Hij bestaat, de Hein Vanhaezebrouck die niet alleen de omgeving de schuld geeft, niet met de armen zwaait en die toegeeft dat hij en zijn ploeg in een crisis zitten. Nu is er zelfs een Hein Vanhaezebrouck die zal zwijgen, maar eerst even nog dit (voorlopig laatste) interview.

Disclaimer vooraf: dit gesprek naar aanleiding van de topper tussen Gent en Anderlecht werd aangevraagd eind juli, ging door op 15 augustus, maar werd geactualiseerd na de wedstrijd van 20 augustus tegen Moeskroen, een voorlopig dieptepunt. Na vier matchen van een op papier relatief makkelijk competitiebegin heeft de kampioen van 2015 en de Europese sensatie van 2016 voorlopig één schamel puntje, behaald middels een felbevochten gelijkspel bij KV Mechelen.

Sinds de start van het seizoen 2017-2018 heeft Gent nog geen enkele wedstrijd gewonnen en dat voor een club die zichzelf nog voor de start tot kandidaat-kampioen uitriep. Anderlecht deed het maar een fractie beter, en zo is Gent-Anderlecht van zondag heel even een degradatieduel.

Drie jaar geleden viel Gent met tien in Oostende, maar speelde het de wedstrijd hoog in het veld volwassen uit. En won. Tegen Moeskroen afgelopen zondag zakte de ploeg in als een pudding. En verloor.

(zucht) “Laat ik het hier op houden: het verschil is dat we toen in Oostende zijn blijven voetballen. In Moeskroen niet: er was schrik om de bal te vragen en we kropen te ver achteruit. Na de uitsluiting van Samuel Gigot – onterecht, zeg ik er nog eens bij, want hij is niet gestraft – heb ik Damien Marcq achteruit gehaald en bij nader inzien had ik hem misschien moeten laten staan in het middenveld. We hadden iets meer druk naar voren gehad, maar het was afwegen: ik zat met een onuitgegeven verdediging met twee nieuwe, jonge jongens die het tot dan erg goed had gedaan. En dat wilde ik behouden.”

Hoe schat u de situatie in op de vierde verdieping in de Ghelamco Arena?

“Ik denk dat Michel Louwagie en Ivan De Witte net als ik niet erg gelukkig zijn. Bijna-paniek is het juiste woord, maar ik heb dat wel al meer meegemaakt en ik heb daar begrip voor: het is niet makkelijk om nu positief te blijven, maar aan paniekverhalen hebben we nog minder.”

U heeft zelf een paar keer uitgehaald naar de club.

“Dat was nooit de bedoeling. Ik heb een analyse gemaakt van een aantal gebeurtenissen die niet altijd goed zijn gelopen, maar ik heb nu wel het gevoel dat men mijn woorden heeft gebruikt om spanningen op de spits te drijven die er altijd zijn als de resultaten uitblijven. Ik heb vorige zaterdag nog samen gezeten met Ivan De Witte en Michel Louwagie (voorzitter en algemeen manager, HVDW) en we zitten op dezelfde lijn: we weten alle drie wat de oorzaken zijn van de problemen.”

Oké dan, hoe is het zo ver kunnen komen?

“De voornaamste oorzaak is toch pech. Het had anders kunnen lopen, zeker Europees. Thuis tegen Altach hebben we veel kansen gehad, en scoren we er een paar meer, dan hebben we een veel betere uitgangspositie. In Oostenrijk zijn we overbluft door een bijzonder ervaren ploeg die ons agressief aanpakte.

“Tweede oorzaak: we hebben spelers moeten opstellen die nog niet voor 100 procent klaar waren na blessures, maar die toch
hun verantwoordelijkheid hebben opgenomen. Derde oorzaak: tien internationals zijn allemaal twee weken later begonnen aan de voorbereiding. Vierde oorzaak: de scheidsrechters benadelen ons twee keer manifest, thuis tegen Antwerp en in Moeskroen, en dat mag een keer ophouden.

“Maar dan nog, we hadden nooit mogen verliezen op Sint-Truiden of thuis tegen Antwerp, moeten winnen in Mechelen en we hadden zondag ook niet mogen verliezen in Moeskroen, waar we met 0-2 volwassen waren voorgekomen. Dat toont tegelijk aan dat het momenteel niet helemaal juist zit. En toch: het komt allemaal wel goed, denk ik dan.”

‘Denk ik dan’?

“Denk ik, jawel, want dat weet je nooit zeker. Ons grootste probleem is het gebrek aan wisselmogelijkheden in de verdediging en dat we rekening moeten houden met het minimale aantal voetbalbelgen. We spelen met een jonge Colombiaan en een jonge Fransman in de verdediging, maar ze doen het beter dan verwacht, dus dat is een meevaller.”

U had maandag een heel lang gesprek met de spelersgroep. Wat kwam daar uit voort?

“Het heeft even geduurd voor ze loskwamen, maar na een halfuur zijn de dingen toch gezegd die moesten worden gezegd, en dat kwam vanuit de spelersgroep. De ene speler zei iets – soms een speler van wie ik dacht dat die nooit iets zou zeggen, dus dat is een stap vooruit – een andere pikte daar op in. Oké, soms spraken ze elkaar weleens tegen, maar over het algemeen hebben ze zonder veel remmingen hun gedacht gezegd.”

En was u de schietschijf?

“Ze hebben over mij ook wel wat gezegd, maar daar kan ik tegen. Vanuit de staf hebben wij ook onze mening gegeven over hoe wij het zien. Uiteindelijk had iedereen hetzelfde gevoel: we moeten het plezier terugvinden. En zoals iedereen weet, komt het plezier toch in de eerste plaats met winnen. Hadden we die 0-2 in Moeskroen vastgehouden, dan was die vergadering met de spelers er wellicht niet gekomen en liep iedereen hier happy rond.

“Uiteindelijk ben ik blij dat we dat gesprek hebben gehad. Ik heb alleen maar vragen gesteld en uiteindelijk kwam het meeste wel van de spelers. Vertalers hadden we niet nodig, het ging in het Engels en het Frans. Alleen onze Spaanstalige Colombiaan zal er niets van hebben begrepen, maar dat vertalen we weleens apart. Een gesprek is één ding, nu moet het worden omgezet op het veld.”

U had het vorige week over houdbaarheid van spelers?

“Moeten we daar weer over beginnen? Er zouden spelers zijn die klagen dat drie jaar met Vanhaezebrouck te veel is. Weet je met hoeveel we nog overblijven van het kampioenenjaar? Momenteel drie: Milisevic, Asare en Dejaeghere. Neto en Foket zijn gekwetst. Simon en Saief zijn er in die winter bijgekomen. Als een van hen niet meer voor KAA Gent en zijn fantastische fans wil spelen en wil vertrekken, dan moet hij dat tegen mij of Michel Louwagie zeggen en niet anoniem tegen een journalist.

“Een houdbaarheidsdatum geldt zowel voor trainers als voor spelers, en dat is niet abnormaal. Er zijn er die om het jaar van club veranderen. Bij de minste tegenslag – of zelfs zonder die tegenslag – kijken ze onmiddellijk of ze ergens anders aan de slag kunnen waar alles nieuw en beter is.”

Als u hier het jaar volmaakt, bent u de eerste die vier volle seizoenen trainer is in Gent sinds Jules Van Dooren, bijna vijftig jaar geleden

“Allez, zeg. (lacht) Die ken ik niet.”

René Vandereycken kwam nog het dichtst in de buurt, maar werd een maand te vroeg ontslagen in zijn vierde seizoen.

“René, zat die hier bijna vier jaar? Goed, ik heb toch wat referenties als het erop aankomt om bij een club te blijven. Als speler lang bij Lauwe, acht jaar bij Harelbeke, vijf jaar bij Lokeren als speler-trainer en als trainer zeven jaar bij Kortrijk – met een tussensprong naar Genk, dat wel – en nu mijn vierde jaar bij Gent.

“Ik denk dat ik een lange houdbaarheidsdatum heb, maar nu focust men op de keren dat ik mijn spelersgroep heb wakker geschud. Ik heb misschien vijftien, hooguit twintig keer echt kritiek geleverd en 160 andere wedstrijden was ik positief. Als kritiek al niet meer mag… Soms kun je als trainer niet anders dan je groep te confronteren met haar fouten. Ik prikkel af en toe, maar ik ben echt niet de trainer van het conflictmodel.”

Maar u bent ook niet de trainer die eieren legt onder spelers die dat nodig hebben.

“Neen, wat heeft dat voor zin? Hoor je dan bij een topclub thuis? Bemoederen doen we wel, als het nodig is. Ik heb bij alle clubs waar ik heb gewerkt heel veel goede connecties overgehouden met mijn spelers. Geen grote-en-kleine-broerrelatie, maar eerlijke connecties: ik ken spelers die mij na al die jaren zeiden dat ik hen beter had meegenomen naar Gent.

“Het zal wel juist zijn dat ik als trainer van KV Kortrijk wellicht minder pushte en misschien iets minder eiste dan in Gent. Bij de middenmoter Kortrijk hadden we niet de topspelers en probeerden we de groten te laten struikelen. Bij Gent zit ik met spelers die ik eigenlijk niet meer zou moeten overtuigen van het feit dat wij de grote clubs kunnen kloppen. Wij zijn na onze titel zelf een grote club en dat verhoogt natuurlijk de druk, ook van mijn kant.”

Het is altijd hetzelfde verhaal: of je vervangt de trainer, of je vernieuwt je spelersgroep.

“Ik denk dat onze spelersgroep serieus is vernieuwd. Wij konden ook niet anders. Bovendien zitten we in een nieuwe situatie: Gent draait sinds de titel steevast mee aan de top en geeft nu meer uit aan transfers dan het ooit gewend was. Dat houdt ook in dat je tegenslagen kunt hebben, waardoor er wat paniek ontstaat. Dat zijn ervaringen die je als topclub moet meemaken.”

Yuya Kubo die altijd heel eenzaam zit te eten aan de Zuid, is dat geen kapitaalsvernietiging?

“Ik heb hem dat gevraagd. Ik zei: ‘Yuya, als je wil dat er eens een collega meegaat met jou, zeg dat gewoon.’ (lacht) Ik had de indruk dat hij bang was dat hij niet meer alleen zou mogen eten, dus het zal wel meevallen met die eenzaamheid. Hij is nogal graag op zichzelf.

“Maar een uitgebreide sociale cel met mensen van verschillende achtergronden en leeftijden die de spelers kunnen opvangen kan een meerwaarde zijn. In een ideale wereld zouden we ook alle niet-voetbalgerelateerde info over spelers moeten kunnen vergaren: hoe reageert die bij tegenslag? Wat is zijn thuissituatie?

“Medisch-conditioneel worden ze al doorgelicht en op dat vlak heb ik een aantal eisen gesteld. In sommige gevallen zijn we daar toch moeten van afwijken, maar dan is het eigenlijk niet eerlijk dat ik van een speler meer vraag dan hij conditioneel aankan en hij daardoor zichzelf opblaast. Al heb je ook spelers die de stap wel kunnen zetten en het volgende niveau halen. Waarmee ik terug bij het karakter van die speler kom.”

Het geld van de Champions League en de transfers lijkt nu wel opgesoupeerd. Dit jaar is er geen Europees voetbal en Foket en Neto zijn niet vertrokken: dat scheelt samen ongeveer 15 miljoen euro.

“We hebben pech gehad met de uitgaande transfers van Neto en Foket, waardoor de balans niet helemaal klopt. Maar deze club zet stappen op alle vlakken en daar hoort een keer een minder jaar bij. Foket zullen we wel snel terugzien, hoop ik. Zijn probleem had niemand gezien. Hij was verdorie onze beste loper. Van Neto wisten we dat zijn knie een zwak punt zou kunnen zijn, maar ik reken er ook op dat we hem zullen terugzien.”

Het laatste jaar dat Gent niet Europees speelde, is het…

 

“…kampioen geworden, ik weet het. Een of twee wedstrijden per week scheelt een stuk in de belasting voor de spelers. Maar daar zijn we nog niet aan toe. Eerst de ploeg weer in gang krijgen.

“Iedereen heeft het steeds over het kampioenenjaar, maar het beste Gent was het jaar na de titel, toen we de tweede ronde van de Champions League haalden en in de winter achtereenvolgens Standard, Anderlecht en Club naar huis speelden. En toen zijn we op een ongelukkige manier door Club Brugge uitgeschakeld voor de beker, verloren we in Brugge in de competitie en ineens liep het niet meer.”

Zijn de spelers niet geïntimideerd door uw aanvallende verwachtingen? Als Mitrovic 25 meter in zijn rug ziet, doet hij het in zijn broek.

“Mijn spelers willen aanvallen. Als we te laag staan, is het van: ‘Vooruit, we staan te laag, druk zetten naar voren.’ Wat Mitrovic betreft, hij heeft geen probleem met ruimte in zijn rug, want hij heeft Champions League gespeeld in die aanvallende setting. Ik ken Mitrovic. Als hij top is, kan hij alles aan.”

Is uw aanvallend voetbal dan niet te moeilijk voor deze spelers?

“Neen. Als ze mijn voetbal in Kortrijk konden spelen, met alle respect… Het is zo duidelijk wat van iedereen wordt verwacht in balbezit en balverlies. Vraag aan de minst getalenteerde van de spelers met wie ik heb gewerkt of het duidelijk was. Ik weet wat ze zullen antwoorden.”

Dat Belgenprobleem ten slotte, of liever het gebrek aan Belgen, dat was toch te voorzien?

“Dat is vorig jaar al ter sprake gekomen, we hebben naar oplossingen gezocht, maar jammer genoeg zijn een aantal pistes niet gelukt. Wat wel is gelukt, is het niveau van onze jonge Belgen optrekken. Horemans, Verstraete en De Smet zijn allemaal gasten die geregeld spelen. Met Raskin, die we zijn gaan halen bij Anderlecht, hebben we nog een piepjong talent in de kern dat makkelijk spelers van tien jaar ouder omverblaast. Op onze bank zitten nu heel veel Belgen. Ik ben zelf niet zo voor positieve discriminatie – wie goed is, speelt bij mij – maar door die maatregel krijgen de Belgen automatisch meer kansen.”

Dit weekend tegen Sven Kums. Als er één weet hoe hij af te stoppen is.

(lacht) “Wat ben ik daar mee? Wie zegt trouwens dat Weiler hem opstelt?”

Hoe moet het hier nu verder met u en KAA Gent?

“Het gaat niet over mij, dat heb ik juist tegen die gasten gezegd. ‘Hoe lang is Vanhaezebrouck nog houdbaar? Is het einde van Hein in zicht?’ Wat met mij gebeurt, is niet belangrijk. Ik doe het voor die 125.000 mensen die ons stonden toe te juichen in de Gentse binnenstad en die voor het leven op mijn netvlies staan gebrand.

“Ik doe het ook voor de spelers. Ik werk harder dan ooit tevoren, want ik doe nu ook zelfs de videoanalyses, omdat we momenteel niemand voor die functie hebben. Dus neen, het is helemaal niet op bij mij en opgeven staat niet in mijn woordenboek. Ik trek mij op aan de goede momenten die we dit seizoen al hebben gehad: thuis tegen Antwerp, op Mechelen, op Moeskroen. We hebben kansen afgedwongen, we maakten ze alleen niet af.”

Zien we een andere Vanhaezebrouck?

“Misschien. Ik ben altijd tot veel bereid geweest, zeker met mensen met wie je denkt een band te hebben. Die mensen krijgen dan iets extra’s, want zo werkt dat, tot het minder gaat en dan komt hun ware bedoeling naar boven: tweespalt en controverse creëren. Ik was nog zo gewaarschuwd en ik heb mij toch laten vangen.”

 

 

DM-INT-HVH

Verhaal over de sportzomer 2017 in De Morgen van zaterdag 19 augustus 2017

NAFI THIAM op eenzame hoogte

Dat we vorig jaar uit het dal waren geklommen, dat België/Vlaanderen geen sportwoestijn meer was. Dat was de conclusie van 2016. Maar toen kwam 2017, waarin de glans van voorheen verdween. Een tussentijdse balans.

Het jaar na de Olympische Spelen is doorgaans een jaar waarin Belgische atleten veel medailles pakken, vaak omdat de kampioenen een snipperjaar houden. In haast alle olympiades na Atlanta 1996 haalden we in dat postolympisch jaar de meeste medailles van de hele cyclus. Voorlopig staat de teller voor de Belgische atleten op negen medailles in olympische nummers (zie kader). Dat is amper één meer dan in 2013 – een diepterecord voor de laatste twintig jaar – maar er komt nog wat aan. Evi Van Acker kan volgende week scoren op het WK zeilen in Medemblik en de wielrenners kunnen nog wat halen op het WK op de weg in Bergen en op het EK op de wielerbaan in oktober, in Berlijn. En misschien valt er nog wel een judomedaille te vieren op het WK.

Wielrennen heeft een flinke bijdrage geleverd en scoort vijf van de negen podia, met de gouden en bronzen medaille op de ploegkoers bij de vrouwen en mannen en het brons in de keirin van Nicky Degrendele. Maar de ene medaille is de andere niet, de ene sport is ook de andere niet. De Europese tijdritmedailles bieden ook weinig garanties op mondiaal succes en onze ploegkoerskoppels krijgen in dat nieuwe oude nummer de volgende jaren zware concurrentie van speciaal voorbereide duo’s.

Grote olympische sporten als atletiek, zwemmen en judo stonden vorig jaar nog bovenaan de Belgische/Vlaamse hitlijsten maar zijn nu toch stilaan het zorgenkindje van de klas geworden. Dat weerspiegelde zich al in het terugdraaien van de overheidssteun in het Vlaams Topsportactieplan IV, dus komt die terugval niet als een verrassing. Buiten categorie presteerde de wonderbaarlijke Waalse Nafi Thiam, die zoals steeds haar eigen rustige zelf bleef en snel even een WK-titel mee naar huis nam.

Dat met de zevenkamp, zeg maar de hele meerkamp, geen groot geld te verdienen valt waardoor die nummers stilaan de ondergeschoven kindjes zijn van de atletiek, zelf een sport in steil verval en geplaagd door continue dopingproblemen, is een terechte relativerende randbemerking. Dat maakt evenwel de rekening van Thiam niet. Zij moet nu mikken op progressie, op het schandalig oude en uit dopingtijden stammende record van Jackie Joyner (7.291 punten) en op een Europese titel volgend jaar. Daarmee zou zij de eerste Belgische atleet worden sinds Fred Deburghgraeve die in haar sport zowel olympisch, wereld- als Europees kampioen werd. Fred deed nog iets beter met zijn wereldrecord erbovenop.

Verder presteerden onze atleten in Londen op het WK net niet het equivalent van een deuk in een pakje boter, al verdient ook de 4×400 meter nog een pluim voor die vierde plek in een ook al marginaal nummer. Dat deukje in dat pakje gold enkele weken eerder al voor de zwemmers op het WK in Boedapest. Er waren verklaringen zat om het falen te verklaren: Pieter Timmers was vader geworden en had niet genoeg getraind. Het houdt het midden tussen een gegronde reden of een goedkoop excuus.

Waakzaamheid is gepast

Kimberly Buys zwom wel de finale van de 50 meter vlinderslag, maar dat is geen olympisch nummer, terwijl het op de 100 meter niet lukte want ze had haar koolhydraten niet snel genoeg ingenomen. Hallo? Die club heeft een voedingsdeskundige in dienst en koolhydratenloading is niet bepaald hersenchirurgie.

Gefrons is op zijn plaats, maar het is ook geen reden om die atleten af te branden. Enige waakzaamheid is wel gepast: de Vlaamse overheid is er niet om het prepensioen te financieren van atleten die zich fin de carrière-gewijs nog een paar jaar wentelen in hun statuut. Dat Timmers beduidend trager zwemt in zijn tweede 100 meter ’s avonds in de halve finale dan ’s ochtends in de series wijst op een behoorlijke trainingsachterstand. Maar Timmers haalde ooit olympisch zilver en dan mag je je een misslag veroorloven. Die beurt heeft hij in Boedapest opgebruikt.

Waar we vorig jaar ook in het wegwielrennen scoorden tijdens de zomer, ging nu de Tour compleet de mist in. Lovenswaardige pogingen werden ondernomen, dat wel, maar of ze strandden met de meet in zicht zoals Serge Pauwels, of ze reden te vaak in dienst van de ploeg zoals Jan Bakelants, of ze waren net niet goed genoeg, zoals Greg Van Avermaet eerlijk toegaf. Die laatste heeft natuurlijk al een supervoorjaar achter de rug, maar Parijs-Roubaix is en blijft een buitenbeentje binnen de wielersport.

Tenenkrullende Tour

Hoe bekrompen wij in Vlaanderen naar die sport kijken, viel weer eens op tijdens die Tour de France. De Belgische wielrenners – en dan met name de ‘Backy’s’ en ‘Keirsi’s’, de ‘wacky’s’ van Wanty – kregen er al snel het stempel van nuttige idioten door als kippen zonder kop voor het peloton uit te gaan rijden, zonder ook maar de minste hoop op succes. Iemand moet die sport en dan vooral die ploeg toch eens uitleggen dat in beeld komen niet de finaliteit is van sport. Ook niet met een riek in een koeienstal.

Het Vlaams gezeur rond de niet-toegekende prijs van de superstrijdlust aan Thomas De Gendt was tenenkrullend. Die jongen zit voor alle duidelijkheid een categorie boven Backaert en Van Keirsbulck. Wie op de Stelvio en op de Ventoux – weze het een halve – wint, heeft recht van spreken en recht op ontsnappen. Maar de beslissing van de jury om de superstrijdlust over de hele Tour toe te kennen aan Warren Barguil was niet meer dan terecht.

De Gendt heeft deze Tour het meest op kop gereden, maar was geen enkele keer ook maar in de buurt van ritwinst. Barguil is dan wel een Fransman, maar hij koos zijn momenten uit. Hij won twee etappes, en dat hadden er drie moeten zijn. Daarbij won hij ook nog eens de trui van beste klimmer.

Smits mikt op Winterspelen

 

Ondanks onze drie wereldkampioenen – ook Seppe Smits pakte goud in het slopestyle en mikt op een medaille volgend jaar in Pyeongchang – is de kwaliteit van de podia van 2017 voorlopig bleker vergeleken met vorig jaar. Daar kan het brons van de basketbalvrouwen niets aan veranderen. Hoe mooi en charmant ook, dat was een eenmalig succes, een unieke uitschieter. Tegenover elke uitschieter staat een tegenvallende sport: judo lijkt helemaal de weg kwijt, maar toch heeft zich weer talent aangediend op de Europese jeugd-Olympische Spelen (EYOF) met Jente Verstraeten die goud haalde.

Het EYOF werd overigens geen onverdeeld succes. Zeven medailles is zes minder dan twee jaar geleden, maar daartegenover staat dat Belgen vijf van de zeven keer op de eerste plaats stonden. Het grootste succes haalden we op de Wereldspelen, het toernooi voor niet-olympische sporten. België eindigde in de landentabel als negende tussen China en de Verenigde Staten en kwam naar huis met 24 medailles, waarvan 9 voor de rollerskaters Bart Swings en Sandrine Tas. Nederland eindigde zestien plaatsen lager met zes povere medailles.

We zijn een rijk sportland dat we zoveel kwaliteit in zoveel onbetekenende sporten en disciplines kunnen inzetten. Al zou het ook kunnen dat we onze prioriteiten niet goed op een rijtje hebben.

 

‘Olympische’ podia in 2017

Seppe Smits snowboard slopestyle WK goud

Nafi Thiam atletiek zevenkamp WK goud

Lotte Kopecky- Jolien Dhoore baanwielrennen – ploegkoers WK goud

Moreno De Pauw-Kenny Deketele baanwielrennen – ploegkoers WK brons

Nicky Degrendele baanwielrennen – keirin WK brons

Nina Derwael gymnastiek-brug EK goud

Victor Campenaerts wielrennen-tijdrijden EK goud

Anne-Sophie Duyck wielrennen-tijdrijden EK brons

Belgian Cats basketbal EK brons

 

 

SPortzomer 2017