Column de beste Club/club van het land in De Morgen van maandag 18 feb 2019

De beste Club/club van het land

Het was zomaar een fase in een mooie tweede helft van de nummer één bij de nummer twee, maar ze sprak boekdelen en ze wierp vooral veel vragen op. In de 62ste minuut veroverde Alejandro Pozuelo – neen, we kunnen en mogen niet zwijgen over die jongen – in het eigen verdedigende derde van het veld de bal ten koste van Sofyan Amrabat. Dat was nadat hij een ziekenhuisbal had toegespeeld gekregen.

Een beetje dirigent haalt daarvoor de schouders op en wacht op de volgende bal. Niet Pozuelo. Hij ging achter de speler aan en pakte de bal af zoals hij dat maar zelden eerder dit seizoen had gedaan. Je mag je dus afvragen waarom hij niet aan de wedstrijd begon. Natuurlijk, het ís een dilemma, maar als je Alejandro Pozuelo meeneemt (naar Praag en naar Brugge), als je hem op de bank zet, als je hem laat opwarmen en als je hem vervolgens bij 2-0 inbrengt, waarom hem niet laten starten? Genk met ‘Pozo’ en Genk zonder ‘Pozo’, dat scheelt niet de spreekwoordelijke slok op de borrel maar een heel vat jenever.

Als voetbal een spel is van passanten bij wie de liefde voor de portemonnee oneindig veel groter is dan voor de club, stel hem dan gewoon op zolang hij lid is van je club. Hij zegt dat hij vermoeid is en dat hij maar zeventig minuten meekan? Dan vervang je hem. Dat hij zich blesseert? Dan willen die Canadezen hem misschien niet meer en heb je hem fris terug tegen de play-offs.

Ander vraagje: waarom in godsnaam met drie achterin bij Genk? Dat had veel weg van overcoaching. Typisch voor trainers. Meer dan één clubbestuurder zinkt bij dat soort autodestructieve stunts de moed in de schoenen. Soms valt er voor een systeemwissel wat te zeggen, maar de 3-5-2 was geen succes. Kan best dat je dat op training en in oefenpartijen al een paar keer hebt uitgeprobeerd, maar Gent kwam onlangs bijna op Club winnen met vier achterin. Als Gent dat kan – dit seizoen een klasse minder goed dan Genk en Club – dan moet de leider dat ook kunnen.

“Er was te weinig duelkracht”, zei Philippe Clement. Geen duelkracht? Nou ja, hij had wel vijf man in het middenveld en toch kwamen ze er daar twee tekort. En achterin ook nog eens een echte verdediger toen Clinton Mata in kwam zweven, waardoor het 1-0 werd.

Anderzijds moet je geen te verregaande conclusies trekken uit een nederlaag in Jan Breydel. De thuisploeg kan zelf goed voetballen en kan het elke tegenstander bijzonder lastig maken, als ze er zin in hebben. Dat overkwam Salzburg vorige donderdag en gisteren hadden ze er zowaar weer zin in. Bovendien speelt alles zich af op een rechthoek met groene sprieten die gras moeten voorstellen, maar waarvan je niet zou schrikken als er na een paar dagen vroeg lenteweer ook maïs opschiet. Wie het best kan bikkelen, en dat kan Club als geen ander in België, heeft op zo’n veld de grootste kans op winst.

Volgens Club-trainer Ivan Leko, die zijn cool een beetje kwijt is, gingen die van Brugge even tonen wie de beste club van het land was. Over die onzin kunnen we kort zijn: de beste Club van het land is Club Brugge, de beste club van het land is KRC Genk. KRC Genk zou de kampioen moeten zijn want ze hebben het mooiste, beste en effectiefste voetbal gebracht van de hele eerste klasse, ook al raken ze van nu tot half mei geen bal meer goed.

Of Genk dat de komende veertien speeldagen voor mekaar krijgt, of Genk half mei de titel mag vieren, dat alles wordt niet in Genk beslist, ook niet in Brugge, zelfs niet in Toronto of in het hoofd van Pozuelo, maar is geheel de discretionaire bevoegdheid van ene David Garcia. Niemand kende deze arrogante klojo die zich voordoet als makelaar tot vorige week, maar nu houdt hij in Genk en wijde omstreken 20.000 mannen, vrouwen en kinderen uit hun slaap door te ijveren voor het vertrek van hun geliefde spelmaker.

Misschien is het kwaad al is geschied. Gisteren werd het geen gapend gat van veertien punten en het bleven ook geen elf punten; de kloof werd er een van acht punten die zoals bekend over vier speeldagen wordt gehalveerd.

Als Pozuelo blijft, is Genk nog steeds titelkandidaat nummer één, maar minder dan voorheen. Genk is ontregeld, de rustige vastigheid is weg, en Club en niet te vergeten Standard hebben nu de wind in de zeilen. Voor Club worden deze play-offs misschien extra aantrekkelijk. Aartsvijand AA Gent heeft het weer eens laten afweten en dreigt play-off 1 te missen, dat scheelt weer twee zwaarbevochten wedstrijden. Genk van zijn kant krijgt er behalve de Oost-Belgische derby tegen Standard ook nog een dubbele Limburgse hate game tegen STVV bovenop.

 

20190218_De-Morgen_p-19-mail

Advertenties

Interview Marc Brys in De Morgen van zaterdag 16 feb 2019

‘Voetballers zijn als kinderen’

‘Ook ik heb wel eens gedacht: ik ben de beste van de wereld.’ Het ging voorbij, zoals bij iedereen, en nu geniét Marc Brys (56) gewoon: een goeie ploeg, een ijzersterke reputatie, misschien play-off 1 halen en daarna de niet te weigeren aanbiedingen van grote clubs. Ein-de-lijk.

“Bedankt om tot hier te komen”, zegt de perschef welgemeend. En de trainer is bij het afscheid zowaar bezorgd: “Moet je geen colaatje voor onderweg in de auto? Het is nog ver rijden voor jou.” Die gastvrijheid houdt op aan de poorten van het oefencomplex in de St- Jansstraat. Op Staaien, het voetbalstadion van STVV, geldt voor de concurrentie het predikaat vervelend, zoals in maar één keer verloren in dertien thuiswedstrijden en meer dan de helft daarvan gewonnen.

Sint-Truidense VoetbalVereniging beleeft een topseizoen, net als in 2009-2010, toen het vijfde was na de reguliere competitie en vierde eindigde na de play-offs. Simon Mignolet stond toen nog in doel en Guido Brepoels was er trainer.

In bijna honderd jaar bestaan nooit iets gewonnen, geen beker, geen landstitel – één verloren finale en één keer tweede in de jaren 60 was het hoogste – maar wel eens in de zoveel jaar een uitschieter. Schaarstebeheer is het lot van een kleine traditieclub en de schaarstemanager met dienst heet Marc Brys, onlosmakelijk verbonden met Beerschot in welke (fusie)vorm dan ook, maar vorig jaar verrassend de E313 richting Hasselt opgereden, afslag Sint-Truiden genomen en daar als kleine ‘lelijke’ eendje tussen de grote clubs de lange weg naar play-off 1 ingeslagen.

Hoe hebt u dat voor elkaar gekregen? Hard werken, liet ik mij vertellen.

Marc Brys: “Hard werken, veel trainen dus, vind ik al lang geen compliment meer. Ik wil gericht en doordacht trainen omdat er veel facetten te trainen zijn. Niet alleen het conditionele. Voetbal is onvoorspelbaar en alles wat je een beetje kan trainen, kan je helpen om het onvoorspelbare voorspelbaarder te maken.

“Op stage in het Spaanse Pinatar trainden wij soms drie keer per dag, te beginnen met een ochtendloop. Dat is onze manier. Er zijn ploegen die kampioen spelen door een heel jaar te biljarten. Oké, dan is dat nog een methode. Anderlecht zat ook in Pinatar. Die trainden een uur en twintig minuten per dag. Ik ken de Nederlandse aanpak en uiteraard is er meer dan één weg die naar succes leidt, maar toch verbaas ik mij vervolgens over een opmerking van de Anderlecht-trainer dat het conditioneel niet goed zit. Met een weekje stage kan je dat niet rechttrekken, maar je had wel een begin kunnen maken.

“Als een training wegvalt, zoals vandaag, heb ik het daar lastig mee, want er is zoveel nog te trainen in de aanloop naar de volgende wedstrijd. Het was mijn beslissing. Er is deze ochtend scherp getraind en gisterenmiddag hebben we in Neerpede een gesloten oefenwedstrijd gespeeld tegen Anderlecht. De training vanmiddag zou toch maar minder zijn geweest en dat wil ik dan ook weer niet.”

Veel trainen, als het tenminste plezant blijft, bevordert het groepsgevoel.

“Ik heb het ook andersom zien werken. Het seizoen dat ik werkloos was (2015-’16, HV) ,ben ik overal wat gaan kijken. Grote en kleine clubs. Bij AC Milan was er misschien één moment in de week dat de hele ploeg elkaar zag. De rest van de tijd trainden ze daar individueel of per linie.

“De groep is iets van elke dag. Ook van deze zaal waar we nu zitten. Elke veertien dagen wordt de tafelbezetting veranderd. Dan krijg je de situatie dat Daichi Kamada, die nagenoeg alleen Japans spreekt, ineens tegenover Yohan Boli komt te zitten, die bijna alleen Frans spreekt. Na twee dagen begrijpen ze elkaar nog niet, maar ze lachen wel samen om de stomste dingen. Daarvoor klaagden ze elk over elkaar dat ze geen ballen kregen. Dat is veranderd nadat ze samen aan tafel zaten.”

Doet u iets aparts met het oog op die laatste wedstrijden waarin u die vier punten voorsprong op Anderlecht en AA Gent moet verdedigen?

“Ik heb mijn coaching aangepast. Spelers zijn net als kinderen, je kan er niet altijd op dezelfde manier mee omgaan. Ze moeten af en toe schrikken van wat je doet of zegt, zodat ze alert blijven. Deze vijf wedstrijden moeten we absoluut op de afspraak zijn, dus coach ik nu veel scherper. Ik zal ook harder en directer zijn tegen een aantal sterkhouders in de ploeg. Neem hem hier. (Texeira loopt achter ons langs.) Ik heb Texeira gevraagd wat scherpte in de groep te krijgen.”

De speelstijl van STVV noemt men wel eens onrespectvol ‘kameleonvoetbal’.

“Als ze bedoelen dat we ons aanpassen aan de specifieke gebreken van een tegenstander, dan is dat helemaal juist. Als ze bedoelen dat we niet willen voetballen, dan is dat fout. Wij proberen academisch, mooi en efficiënt te voetballen. Ik ben dit jaar geen enkele wedstrijd begonnen zonder de intentie te winnen, behalve dan tegen Genk thuis na de winterstop. Ik had spelers op de Asia Cup, De Norre en Bezus waren weg en er ontbraken er nog. Toen hebben we gespeeld om niet te verliezen, maar we verloren wel. In Genk hebben we een punt gehaald en konden we hebben gewonnen. STVV speelde mandekking over het hele veld, werd dan smalend gezegd. Neen, alleen op onze helft met de intentie bepaalde spelers in balbezit te duwen. Bovendien is het voetbal van Genk en Clement – een vernieuwer voor wie ik bewondering heb – gericht op het uit elkaar spelen van de zoneverdediging. Dus speel ik mandekking, logisch toch?”

Een vakman, is uw reputatie. Als u play-off 1 haalt, zullen de Belgische topclubs aan uw deur staan.

“Ik heb die ambitie en af en toe was ik er al eens heel dicht bij, maar om verschillende redenen is het nooit kunnen doorgaan. Ik wil zo hoog mogelijk trainen en natuurlijk heb ik mij vroeger wel eens afgevraagd ‘waarom zijn ze nog niet gekomen?’ Toen ik na zeven jaar als trainer nog geen aanbieding had, heb ik dan maar voor het buitenland gekozen, eerst Nederland en later Saudi-Arabië. Daar heb ik heel veel geleerd over coaching, over communiceren zonder de taal te spreken, maar toch de spelers meekrijgen. Ik verbood hen te roken en te snoepen, maar toen ik er vertrok, vloeiden er tranen.”

Dat u als voetballer nooit de top hebt gehaald, is dat een nadeel?

“Neen, maar ik zie wel wat Michel Preud’homme voor heeft op mij. Als de druk te groot wordt, speelt hij daar mee. Ik denk dat sommige ex-toppers die trainer worden, geneigd zijn minder of te weinig te trainen, omdat ze dat zo gewend waren, zeker op het laatst. Dat vind ik dan weer een voordeel voor mij.

“We spreken over twee verschillende beroepen. Ik had ook in de Pro License-trainerscursus nooit de indruk dat ik tegenover een Eric Van Meir, Jan Boskamp en Peter Maes die allemaal in mijn jaar zaten, moest onderdoen als het om tactiek ging.

“Elke trainer heeft zijn eigen manier van werken en er is meer dan één weg die naar Rome leidt. Als Aimé Anthuenis Anderlecht met Radzinski en Köller aan de gang kreeg door bij het uitlopen door de vingers te zien dat ze achter een boom bleven staan, én hij haalt daarmee resultaat, dan staat dat resultaat voorop. Een week aan het zwembad gaan liggen in Tenerife en daarna kampioen spelen? Goed gedaan. Voor even. Je bouwt er natuurlijk niks mee op.

“Ik wil leren van anderen. Marcelo Bielsa (Argentijn, bij Leeds, HV) zou ik graag eens spreken en aan het werk zien. Maar evengoed Diego Simeone van Atlético hoe die het mannetje Antoine Griezmann in het gareel houdt zodat die zich te pletter loopt voor de ploeg. Pep Guardiola bij Bayern München, daar had ik bij willen zijn. Hoe die de Duitsers zijn speelstijl eigen heeft gemaakt.”

In een vorig leven was u rechercheur bij de Antwerpse politie. Hebt u dingen uit deze job meegenomen?

“Toch wel. Mensenkennis bijvoorbeeld. Je komt tegenover mensen te staan die je onmiddellijk moet beoordelen op wie ze zijn, wat ze doen en eventueel of ze gevaarlijk kunnen worden. Inschattingsvermogen, mensen kunnen plaatsen, dat is iets wat een politieman zich snel eigen moeten maken, al was het maar uit lijfsbehoud.

“Verder weet ik wat werken in team betekent. Bij de politie is het extreem: daar leg je je veiligheid soms in de handen van anderen. Ik deed dat werk heel graag en we hebben ook mooie successen geboekt. Op het laatst zat ik in de hooligancel en in 2001 hebben we na de rellen in Massenhoven tussen Antwerp- en Club Brugge-fans heel wat kopstukken kunnen oppakken.

“Trainerschap is onzekerder, dat klopt. Het voetbalvirus kreeg mij te pakken bij Delta Londerzeel en ik voelde meteen dat het mijn ding was: voor een groep gaan staan en proberen alle neuzen in de richting te krijgen die ik wil. Als je dan resultaten boekt, denk je met je Antwerpse arrogantie al snel: ik ben de beste van de wereld. Wat ook weer rap overgaat.”

Het ene jaar tovenaar, het andere jaar sukkelaar.

“Precies. Het is zoals Sef Vergoossen (Nederlandse ex-coach, HV) ooit zei: bij voorkeur voor de trainer een houten standbeeld, dan kan het snel worden afgebrand. We hebben met Beerschot ooit de beker gewonnen (in 2005, HV) en ik had het gevoel: dit is mijn ploeg. Enkele maanden later gooiden ze mij gewoon buiten. Met de melding: volgend jaar nemen we je terug als trainer.

“Ik was helemaal van slag daardoor en omdat ik niemand wilde zien, ben ik om halfzeven mij lockertje gaan leegmaken. Jos Verhaegen was toen voorzitter en die wachtte mij op. We hebben het samen leeggemaakt en dan in zijn bureau nog wat gehuild. Het daaropvolgende seizoen nam hij mij terug als trainer.”

Hoeveel compromissen bent u bereid te sluiten?

“Ik heb mijn eigenwaarde en daar stap ik niet van af. Ooit vroeg de Armeense eigenaar van Berchem – niet gewend dat veel mensen hem tegenspraken – om te veranderen van systeem. Het nieuwe spelsysteem dat ik trainde, liep in het begin niet te best. Straks
gooi ik je buiten nog voor de competitie begint, zei hij. Ik heb nagedacht over wat hij zei en ik kwam tot de vaststelling: dit kan ik niet maken tegenover mijzelf. Ik weet dat dit het goeie systeem is, het moet er alleen uitkomen. Het is er uitgekomen en we zijn twee keer kampioen geworden.”

In de wintermercato verhuisden spelers Casper De Norre naar Genk en Roman Bezus zelfs naar Gent, dat met STVV strijdt om een plaats in play-off 1. Hoe heeft men u dat laten doorslikken?

“Ik heb van in het begin heel goed begrepen dat het soms niet anders kan. Casper De Norre speelde twee jaar geleden nog bij Geel en is deze winter de op één na duurste inlandse transfer ooit geworden omdat Genk, waar hij is opgeleid, hem wilde. In voetbal is er die ene wet: elke speler ter wereld, in welk team ook, is voor de correcte prijs verkoopbaar. Vier miljoen was meer dan correct.

“Roman Bezus is een verhaal dat langer aansleept. Eigenlijk wilde hij de voorbije zomer al weg en liep hij ongelukkig tot we hem toch weer gemotiveerd bij de les kregen. Hij had nog een half jaar op zijn contract en dan moet je ook afwegen: vrij laten vertrekken of toch nog wat geld krijgen. Ik begrijp hem en ik begrijp de club.”

Het zwaard boven uw hoofd is een eventuele afkeuring van het veld voor play-off 1. Volgens geruchten zit dat er in.

“Ik heb gelezen dat ze komen controleren voor play-off 1. Voorlopig is dat mijn probleem niet, maar dat zou het wel eens heel snel kunnen worden. Ons veld is natuurlijk niet goed, dat ziet en weet iedereen. Het trainingsveld hier is tien keer beter, wat meteen bewijst dat het niet aan het kunstgras ligt, maar wel aan dat specifieke kunstgrasveld in ons stadion. Er zijn plannen om het te vervangen, neen, niet na de reguliere competitie maar na play-off 1. Allez, de play-offs bedoel ik. (lacht) Nu heb ik mij versproken.”

U denkt na over de aanleg van kruispunten en rotondes. Dat herken ik.

“Serieus? Heb jij dat ook? Dan kijk ik naar een kruispunt en kan ik daarover nadenken hoe het beter zou moeten. Tegelijk denk ik: waar ben jij nu mee bezig?”

Een analytische geest moet je koesteren.

“Ach, is het dat maar, dan is het goed. (lacht) Nadenken over structuren en lijnen is typisch voetbal. Jawel, ik heb een notaboekje naast mijn bed liggen. Soms word ik gewoon wakker van een voetbalidee en schrijf ik dat meteen op. Verder slaap ik bijzonder goed.”

U hebt nog een nadeel, of het kan een voordeel zijn: trainers met een jongere vrouw blijven langer actief.

“Ik hoop echt dat ik dit nog heel lang mag doen. Zolang het maar voetbal is, het moet niet altijd de top zijn. Mijn vrouw is van Kreta en wij hebben daar nu al een huis, maar later gaan we terug en wil ik daar een voetbalschool beginnen. Daar kijk ik echt naar uit. Het gaat nu veel beter, maar zelfs met alle ellende die Griekenland meemaakte, blijft de levenskwaliteit zeer groot.”

 

Marc Brys

Column over Pozuelo in De Morgen van zaterdag 16 feb 2019

Het voetbal heeft maar één norm: geld

 

De fanclubs van Anderlecht kunnen niet geloven dat Het Onheil hen zal overkomen, maar als het gebeurt en het wórdt Play-off 2, o wee, dan vragen ze geld terug. In Brugge morren de supporters over Ivan Leko omdat hij volgens hen steeds weer de verkeerde keuzes maakt, maar na donderdagavond is dat weer even vergeten. In Gent morren supporters omdat hun ticket voor de bekerfinale op 1 mei wordt gekoppeld aan hun bereidheid om al of niet een play-offabonnement te nemen. Om precies te zijn, Play-off 2, want dat is hun grote angst.

Komt het voetbalplebs in opstand? Ontbreken nog op het appel: de fans van Standard, maar die houden het nu even iets rustiger nadat een aantal van hen een eetfestijn (van Anderlecht) in Halle kort en klein hebben geslagen. Daarbij vielen gewonden en de ambulance die kwam werd ook aangevallen. Lees die laatste zin een paar keer opnieuw en laat het goed tot u doordringen. Wend u af en ga in de tuin iets doen, want het wordt mooi weer.

Bent u terug? Steek de houtkachel aan (grapje), neem dan het sportkatern weer ter hand en lees voort. We nemen u even mee naar hockey, de sport waarin onze nationale ploeg alle internationale prijzen won nadat ze ook al in eigen land Sportploeg van het Jaar was geworden.

Een klein deel van de voetbalpers vond dat een aanfluiting. Deze week wonnen de Red Lions alle mondiale prijzen die ze maar konden winnen. De Rode Duivels pakten afgelopen zomer één prijs: de Golden Glove voor Thibaut Courtois. Beide ploegen kregen de Grote Markt van Brussel vol, de hockeyers nog wel op een midweekse werk- en schooldag.

Het argument dat voetbal door meer mensen wordt gespeeld en daarom meer aanspraak kan maken op een prijs is grotesk. Niemand pleit ervoor om de winnaar van de Europese Spelen krulbollen op de Doornzeledries te bekronen, maar als de populariteit van twee olympische sporten het criterium wordt, dan moeten we voortaan alle prijzen altijd aan voetbalteams en voetbalspelers geven.

Het hockey had deze week nog iets apart in petto: een blauwe kaart. Een vervelend nevenverschijnsel van een lange staat van dienst is sarcasme. Dus was de eerste reactie: ‘O jee, hoe melig kan het worden?’ Bij nader inzien zijn fair play en de daaraan gekoppelde waarden best wel een duwtje in de rug waard. Hockey heeft dat goed gezien: waarden zijn hetunique sellingpoint van deze sport. Goede zet, die blauwe kaart.

Waarden, daar heeft het voetbal het lastig mee. De blauwe kaart zal daar niet zo snel verschijnen. Voetbal heeft maar één norm en één waarde: geld. Onder de noemer ‘het gaat om veel geld’ wordt ranzig gedrag vergoelijkt.

Afgelopen donderdag in Praag. Ineens verscheen daar Alejandro Pozuelo aan de zijlijn, voor een invalbeurt. Hoe hij daarvoor werd toegejuicht door de meegereisde fans, dat kan je aan geen zinnig mens uitleggen.

Voor wie de voorbije weken onder een steen heeft gezeten: Pozuelo kan heel goed voetballen, zo goed dat hij in de belangstelling stond van de Arabieren die veel geld (8 miljoen euro) wilden betalen aan Genk en veel geld aan hem. Hij flirtte, ging vreemd, maar keerde terug. Het gras aan de overkant was toch niet groener, of althans niet groen genoeg. Daarop vroeg Genk hem of het op hem kon rekenen tot het einde van het seizoen. Dat ware handig met het oog op de nakende landstitel die het als geen andere club verdient. Ja zei Pozuelo en ja zei ook zijn makelaar, hij blijft. Jammer genoeg niet per mail, ook niet schriftelijk bevestigd. Van Genk kreeg hij een half miljoen euro bovenop zijn al riant salaris. Getrouwheidspremie noemen ze dat, een handig trucje om de verplichte groepsverzekering te omzeilen.

Maar toen kwam Toronto op de proppen en dat wilde ook die 8 miljoen euro betalen ter vervanging van een voetballer die 7 miljoen bij elkaar had gerakeld. En weer ging Pozuelo vreemd en van een belofte om nog wat te blijven kon hij zich ineens niets meer herinneren en zijn makelaar ook niet. Genk hield het been stijf. Tot veler verbazing zat hij gewoon op het vliegtuig richting Praag.

Daar was het dat Pozuelo inviel en bijna het verschil maakte, want voetballen kan hij. Nog een geluk voor de mensheid dat hij niet scoorde. Philippe Clement, zijn coach, zei achteraf: “Ik had wel verwacht dat de fans hem niet zouden uitfluiten. Dat heeft met zijn persoonlijkheid te maken. Supporters houden van spelers die altijd alles geven.” Ik kon niet meer volgen.

 

Pozuelo 2

Column over Pozuelo in De Morgen van maandag 11 feb 2019

Spaans hypocriet

Enkele adviezen over wie, hoe, waar en wanneer je mag huilen in de harde, aartsconservatieve wereld van de topsport:
# als je vrouw bent, dan mag het altijd: winnen, verliezen, gelijkspelen, zelfs bij niet spelen mag een traantje,
# als je man bent: alleen bij dramatisch verlies,
# of bij winst na verlies van een geliefde, maar niet overdrijven met die vingertjes naar de hemel want daarboven is helemaal niets, # als je (man of vrouw) buiten je wil om wordt weggestuurd ergens waar je heel graag bent.

Je huilt niet, ik herhaal NIET, als je zelf ergens vertrekt, bij je volle verstand en in de wetenschap dat je ergens anders heengaat waar het misschien niet noodzakelijk zoveel beter is, maar waar je vijf keer meer gaat verdienen. Als je dan toch huilt, ben je een bleitmuile, zoals Joke zou zeggen. Als je dan toch huilt, zoals Alejandro Pozuelo, ben je hypocriet, Spaans hypocriet, naar Spaans plat.

Dit weekend bleef de tam-tam in het bronsgroen eikenhout oorverdovend stil: geen nieuws over het lot van Pozo. Nou ja, lot, van onvoorspelbare onbestemdheid is in zijn geval geen sprake: hij heeft zijn lot in eigen handen. Dan is het een beetje van de pot gerukt om bij een applausvervanging in wat je laatste wedstrijd zou kunnen zijn voor de club die je in de steek laat, te beginnen huilen alsof je hele gezin zopas is uitgemoord.

Het is nu niet dat een vertrek plots op zijn dak is komen vallen. Pozuelo wilde al langer weg, eerst naar Al-Ahli. Dat ligt in Dubai. Het lijkt mij niet dat het een plek is waar ik het langer dan veertien dagen zou uithouden. Voor voetballers en hun gevolg ligt dat anders. Als er genoeg shopping malls zijn en restaurants waar steaks met bladgoud kunnen worden besteld, is het voor een sjotter al een paradijs.

Hij ging niet, omdat ze bij KRC Genk nog eens de broekzakken hebben leeggeschud en nog wat extra euro’s zijn kant opstuurden. Bij Genk dachten ze met de voeten van het ijs te zijn, Pozo zou hen kampioen maken want hij had beloofd te blijven. Belofte maakt schuld, behalve als de drie miljoen die je in de zandbak in Nabije Oosten kon verdienen ineens vijf, zes of zeven miljoen wordt, in het Verre Westen, in een wereldstad in de snelst groeiende competitie van de wereld zonder wintervoetbal.

Dat hij ook naar China zou kunnen, zou dat geen verzinsel zijn? Zeker nadat de bankschroeven op de voetbalbestedingen zijn gezet, willen ze in China toch vooral grote namen en dat is de spelverdeler van KRC Genk, fiere leider in de elfde voetbaleconomie van de wereld, vooralsnog niet.

Gisteren verscheen Pozuelo op training. Dat was goed nieuws en slecht nieuws. Het slechte nieuws zijnde dat hij niet alleen was: hij had zijn huismakelaar mee om een klapke te doen met het management van Genk. Het is namiddag, de cross is begonnen en ik tik dit stukje. Straks moet ik nog weg en ik zal de iPad meenemen om dit desgevallend aan te passen. KRC Genk heeft gezegd dat vandaag niet meer wordt gecommuniceerd, maar ik gok dat hij weg is. Jammer is dat. Pozuelo was de beste speler van deze competitie en had weer eens voor een frisse kampioen kunnen zorgen.

Ik gok dat hij naar Canada trekt en daar valt wat voor te zeggen. Ik was al eens in Toronto en ik was ook al eens in Genk. Als ik moest kiezen zou ik het ook wel weten. Ja, de natuur rond Genk is mooi, maar die in Canada is nog net dat ietsiepietsie mooier. Zeker, in Genk wonen gemigreerde Spanjaarden, maar in Toronto alleen wonen meer Spanjaarden dan in heel België en dan heb je de andere hispanics nog niet meegerekend.

Twee uurtjes vliegen van Nueva York, Miami in dezelfde tijdzone of zo goed als en natuurlijk, niet te vergeten: minimaal vijf miljoen dollar als zogeheten designated player. Dat zijn spelers (drie per club) die niet onder het salarisplafond vallen en in sommige gevallen meer verdienen dan alle niet designated players in hun club samen.

Toeval wil nu dat een van die spelers, de Italiaan Sebastian Giovinco, net de club heeft verlaten om bij Al Hilal in Saoedi-Arabië nog wat geld te gaan scheppen. Hij was vorig seizoen de bestbetaalde speler in de hele MLS met 7,1 miljoen dollar of 6,3 miljoen euro. Dat geld, samen met zijn status als grootverdiener, komt vrij.

In plaats van vier keer per seizoen tegen de FC Slagers uit Deurne te moeten, niet wetende hoe zijn krakkemikkig kraakbeen dat overleeft, kan Pozo daar nog vijf jaar lekker voetballen in de zon, met een salaris maal vijf. Samengevat: vergeet de natuur, vergeet de Spaanse community, vergeet de tranen, Pozo heeft gelijk als hij gaat, jammer genoeg vijf maanden te vroeg.

 

Spaans hypocriet

Interview Mathieu van der Poel en de Roodhoofts in De Morgen van zaterdag 3 feb 2019

‘Dat vorige WK spoelde ik door met gin-tonics’

 

Wat maakt het uit of hij zondag wereldkampioen veldrijden wordt, dan wel wordt weggereden door de Belgen, zoals vorig jaar? Mathieu van der Poel zet het wielrennen op zijn kop. ‘Waarom ben jij zo negatief over cross?’

‘Haalt schouders op’ staat één keer in het interview, maar zou zo bij elk antwoord van Mathieu van der Poel kunnen. Niet te verwarren overigens met desinteresse of een dikke nek. Hooguit had het zondags- en wonderkind wat argwaan en lichte tegenzin voor dit gesprek omdat er nog wat op zijn lever lag. Zijn ploegleider Christoph Roodhooft: “Mathieu is bang voor jou. En een beetje boos als je het over parochianenkoers hebt.” De grapjas Roodhooft.

Ze mogen dan in de Kempen wonen, het gezin Van der Poel heeft zijn kinderen opgevoed met Nederlandse directheid en dus vraagt Mathieu gewoon: “Waarom ben jij zo negatief over cross?”

Geen internationale discipline, niet olympisch. Jouw Nederlands kampioenschap was niet eens live op de NOS.

Mathieu van der Poel: “Het klopt allemaal wat je zegt, maar dat wil niet zeggen dat je neerbuigend moet doen over cross. Het niveau wordt onderschat. Cross is echt heel moeilijk. Elke wegrenner en mountainbiker mag komen meerijden, ze zullen er niet aan te pas komen.

“We zitten hier in Otegem. Toon Aerts is Belgisch kampioen en geeft nu een persconferentie met taart. Ik zit in mijn camper met jou te praten. Hier loopt geen enkele Nederlandse journalist rond en ik ben ook nationaal kampioen geworden. Dat is het verschil tussen Nederland en crossland België.”

Point taken. Het valt wel mee met mijn negativisme, toch? Ik ben hier voor het WK cross, nu zondag in het Deense Bogense. Op een parcours dat niet door je pa is gebouwd, wat goed nieuws is voor jou.

Mathieu: “Dat klopt. De laatste twee WK’s wel en die zijn mij niet goed bevallen, al lag dat meer aan het weer dan aan het parcours. Op zo’n WK en vooral die tijd van het jaar is er altijd wel iets aan de hand. Zelfs in Tabor in 2015 toen ik won, lag het er helemaal anders bij dan we daar gewend zijn.

“Veel heeft ook te maken met al die categorieën die er een hele week over rijden en dan op zaterdag en zondag nog eens hun WK afwerken, waarna wij op een totaal kapotgereden parcours mogen. Twee jaar geleden in Bieles was het ook stukgereden, nota bene op een oud stort en toen waren de lekke banden ook nog eens niet te tellen.”

In Valkenburg vorig jaar werd je derde na Wout van Aert en moest je zelfs Michael Vanthourenhout laten voorgaan. Hoe heb je die afknapper verteerd?

Christoph Roodhooft: “Oei oei.”

Mathieu: (lacht) “Met alcohol. Echt doorge-spoeld. In Antwerpen, met gin-tonic en cocktails. Ik ben toen wel ziek geworden maar ik was dat WK snel vergeten, sneller alvast dan Luxemburg een jaar eerder.”

Het zou bepaald vreemd zijn als Wout van Aert weer wereldkampioen zou worden.

Mathieu: “Ik schrijf Wout echt niet af.”

Christoph: “Als hij de beste is, waarom niet? Maar het zou vreemd zijn als hij de betere zou zijn van een Mathieu in goeie doen. Ik vond het al vreemd in Bieles in 2017.”

Mathieu: “In Valkenburg ben ik op mijn waarde van die dag geklopt, in Luxemburg niet.”

Van Aert had toen mysterieuze groene tubes gemonteerd en reed niet lek.

Mathieu: “Ja.” (zucht)
Christoph: “Ik blijf erbij: dat was een schande. Over die dwaze groene dingen is al genoeg gezegd.” Is een tweede wereldtitel niet stilaan een obsessie?

Mathieu: “Helemaal niet. Als ik het nu nog nooit was geworden, dan misschien wel.”

Na Valkenburg raadde ik je aan om bij een sportpsycholoog langs te gaan.

Mathieu: “Na één ronde was het al duidelijk dat ik het niet zou worden, wat moet die psycholoog dan doen?”

Christoph: “Ik geloof in sportpsychologie, maar in zo’n intense bedoening als de cross is het onbegonnen werk om in te grijpen. Dat een sportpsycholoog mij kan helpen om met hem om te gaan, dat weet ik zeker. Ik ben trouwens zelf een paar keer naar een sessie geweest, om een kijk te krijgen op hoe ik moet functioneren.”

Toon Aerts gaat bij een mental coach.

Christoph: “We hebben dat ook gelezen. Mathieu is wel Toon Aerts niet. Bij Toon, toch meer een ander type, kan dat misschien lukken. Bij hem niet.”

Mathieu: “Hij moest van die mental coach op de maan gaan staan en dan naar links en rechts kijken en een keuze maken. Bij mij zou dat niet werken, maar als het voor Toon werkt, wie zijn wij dan om daar iets op te zeggen?”

Wat is het verschil met vorig jaar?

Mathieu: “Dat ik nu op niveau ben. Oké, de afgelopen jaren won ik ook vaak, maar ik had nooit een goeie basis kunnen leggen in de zomer. Ik ben een paar keer geopereerd aan de knie, niks structureels, maar het belet je wel om maximaal te gaan op training. Na een hele zomer in 2018 zonder problemen is mijn basis veel breder.”

Er is ook een vriendin, las ik.

Mathieu: (haalt de schouders op) “Ja. Blijkbaar was die vriendin groot nieuws. Dat ís een verandering, maar niet voor de cross. Neen, ook niet voor mijn maximale zuurstofopname.”

Christoph: “Straks gaat hij verhuizen, nog groter nieuws. Mag dat erin, Mathieu, dat je een huis hebt gekocht? Dat is nu het Belgische aan Mathieu: een baksteen in de maag.”

Mathieu: “Is dat Belgisch? Nederlanders kopen ook huizen hoor. Ik heb een huis gekocht in ‘s-Gravenwezel en in april ga ik daar wonen. Met mijn vriendin, ja. Is dat een aanpassing? Dat zal ik ook wel overleven. Die spaghetti die je hier ziet staan (we zitten in de camper een paar uur voor de cross in Otegem, HV), die heb ik zelf gekookt. Ons ma is hier niet, dus ik moet wel.”

Je wilt in Tokio op de Olympische Spelen voor goud gaan in het mountainbiken. Die combinatie leek al zwaar en nu ga je ook nog eens op de weg rijden. Vind je het raar dat we dat raar vinden?

Christoph: “Dat lijkt een bevlieging, maar meteen toen hij in 2018 op de weg was gaan rijden, heb ik tegen onze Philip (Roodhooft, broer en comanager van de ploeg Corendon-Circus, zie kader verderop, HV) gezegd: we gaan iets moeten doen want het gaat te makkelijk.

“Hij werd Nederlands kampioen met 0,0 specifieke voorbereiding, We waren voor dat NK op hoogtestage in Livigno (Italië) en daar heeft hij altijd met de mountainbike gereden en één keer de Stelvio naar boven met de wegfiets, plus nog een training van een klein uur achter de brommer. Ik was bang dat hij zich zou vervelen, vandaar dat wegprogramma.”

Mathieu: “Die mountainbiketraining is wel bijzonder hoor: je haalt op de weg nooit die vermogens die je op de mountainbike trapt. Het leek mij wel leuk om er nu al wat grote wegwedstrijden bij te nemen.”

Er loopt een rode draad door jouw succes en prestaties: afwisseling. Fietsen moet leuk zijn.

Mathieu: “Dat is zo. Niet dat ik altijd op die fiets moet zitten. Ze hebben nooit kunnen bewijzen dat ik een ADHD’er was, hoewel ik vroeger wel echt onrustig was. Nu kan ik al eens makkelijker gewoon op de bank gaan liggen met de benen omhoog. Zeker als ik voel dat ik vermoeid raak. Die trainingen worden ook steeds zwaarder.”

Je zondigt tegen de tradities, maar je komt ermee weg. Zoals twee jaar geleden ter ere van Tom Simpson op en af naar de Ventoux, die avond naar huis vliegen en een dag later tweede worden in de Elfstedenronde.

Christoph: “Die Elfstedenronde moest hij rijden. Hij was een maand eerderuit de Ronde van België gestapt om te gaan mountainbiken op de World Cup in Albstadt. Dat vond organisator Golazo niet plezant en we hadden hun toestemming nodig om te mogen starten in Albstadt. Dus zegden we toe voor de Elfstedenronde, ook Golazo.

“Mathieu had tijdens die Ronde van België nog grappend beloofd: ik zal eerst rap dat ritteke van vandaag winnen, dan is iedereen content. Hij won nog ook, tegen Philippe Gilbert onder meer. Hij zat toen echt in bloedvorm.

“Een paar dagen eerder in TsjechiëinNove Mesto op de World Cup mountainbike reed hij van helemaal achteraan (negentigste, HV) naar helemaal vooraan en werd achtste. Dat was het strafste wat ik hem heb zien doen”

Mathieu: (lacht) “Dat was een goeie dag. Jammer dat we daar geen waarden van hebben. Ik doe wel alles op training met vermogen en hartslag, maar op de een of andere manier nooit in wedstrijden. De laatste tijd wel meer.”

Je opa, ex-toprenner Raymond Poulidor, zag je liever een beetje vaker op de weg. Hij krijgt zijn zin.

Mathieu: “Er zijn wel meer mensen die mij hebben gezegd dat ik naar de weg moest, maar die hebben mijn beslissing niet beïnvloed, ook mijn opa niet.”

Stel, je zit een jaar op de maan zonder fiets en je landt op aarde en je gaat naar je garage en je ziet al je fietsen hangen. Welke neem je?

Mathieu: “De crossfiets, als ik thuis ben. Mag ik reizen, dan de mountainbike. En dan trek ik naar de bergen. Livigno omhoog, dat is daar zo mooi.”

Christoph: “Niemand komt waar die gasten naartoe rijden. Behalve ik, achter hen aan, maar dan op een elektrische mountainbike.”

Inzake acrobatiek en techniek krijgen Peter Sagan en Julian Alaphilippe een concurrent aan jou.

Mathieu: “Dat zijn wegrenners die goed met de fiets overweg kunnen, maar wat zij doen, is niks bijzonders. Dertig crossers doen hen dat na. Alleen al bij ons in de ploeg kan de helft wat Sagan en Alaphilippe kunnen, en in het mountainbiken kan iedereen dat.”

Is jullie ploeg sterk genoeg om jou in een finale te krijgen?

Mathieu: “Als het erop aankomt om iemand te brengen, zal onze ploeg niet moeten onderdoen voor de rest. Wij hebben één kopman en geen schaduwkopman waar je niks mee bent.”

Christoph: “Dat snap ik nu niet, dat jij die vraag stelt. Een ploeg is zeven man, een kopman met zes renners. Trek daarvan een halve kopman af en twee die rijden met in hun achterhoofd dat ze ook weleens hun kans willen wagen. Dat zijn nog drie man die werken voor de kopman. Wij hebber er zo zes, 100 procent voor Mathieu, een kopman die je in geen vijf ploegen vindt.”

Jij rijdt een programma dat nog niemand heeft aangedurfd. Wie bepaalt wat jij doet op training?

Mathieu: “Ik heb een trainingsschema, of wat dacht je, maar er wordt ook rekening gehouden met wat ik voel. Ik heb geleerd niet te trainen als het gevoel er niet is. Er is een tijd geweest dat ik een training misschien toch had gedaan, maar ik ben wijzer geworden. Ik ben nooit lui, ik zou eerder iets te veel doen dan iets te weinig.”

Christoph: “Er is een langetermijnplanning, een maand- en een weekplanning. We doen echt niet zomaar iets. Mathieu geeft misschien niet die indruk, maar hij kan heel goed volhouden. Neem nu stabilisatieoefeningen. Soms doet hij dat een tijdje minder, maar dan – als het erop aankomt – soms twee keer per dag. Hetzelfde met zijn voeding: soms laat hij het hangen, maar als er iets aankomt, is het weer voor de volle 100 procent.”

Mathieu: “Mij heeft nooit iemand moeten zeggen dat ik iets moest doen om de beste te zijn. Ik wil gewoon de beste zijn en daar doe ik dan alles voor.”

Christoph: “Soms moeten we hem afremmen, zeggen dat 75 kilogram ook goed is en het niet per se 74,5 moet zijn.”

Mathieu: “Nu? Ik zou niet weten hoeveel ik nu weeg. 75-76 schat ik. Ik weeg mijzelf niet meer zo vaak als vroeger. Toch niet in het crossseizoen. Voor de mountainbike wil ik die laatste kilo er wel nog afkrijgen. Ik moet daar bergop tegen jongens die tien kilo lichter wegen.”

Conflicteren al die trainingen voor die verschillende disciplines niet met elkaar? Weg betekent uithouding, cross en mountainbike explosiviteit.

Christoph: “Wat we hebben gezien – en dat heeft ons verbaasd – is dat hij die uithouding gewoon heeft. We weten dus wat we moeten trainen.”

Gefeliciteerd met die genen.

Mathieu: “Dank u wel. Ik heb ook wel al veel gefietst in mijn leven en dat helpt ook. Ik fiets gewoon graag en dat fietsen mag lang duren. Het liefste ben ik een hele dag onderweg.”

Christoph: (diepe zucht) “Ik praat eigenlijk niet zo graag over hoe wij trainen en wat wij doen. Dat zijn onze kleedkamergeheimen. Wie interesseert zich daar nu voor?”

Ik. Geef eens een voorbeeld van een waarde.

Christoph: (zucht)”Allez, x watt gedurende vijf minuten.” (noemt een waarde die bij nalezing uit het interview moet) Mathieu: (lacht) “Kijk kijk, hij is al aan het rekenen.”

Dat is indrukwekkend. Je weet: wie 7 watt per kilo lichaamsgewicht haalt over 20 minuten, krijgt het etiket dopeur.

Christoph: “Ik zei toch vijf minuten?
Mathieu: “Wees gerust, ik haal geen 7 watt per kilo op een lange klim.”
Christoph: “Hij is net iets te zwaar om een nieuwe Anquetil te worden.”
Nu hebben we het over een Tour-winnaar, maar de parcours zijn niet meer zoals in de jaren 60.

Mathieu: “Dat geldt voor alle grote rondes en dat vind ik heel jammer. De echte allroundrenners komen er niet meer aan te pas. Het zijn de mannetjes van 50 kilo die winnen. Wat een slechte evolutie, die geitenpaadjes in de bergen, met een hellingsgraad van 20 procent.”

Christoph: “Zijn de koersen zoals in de tijd van Merckx, dan is hij misschien de nieuwe Merckx.”

Mathieu: “De Vuelta vorig jaar had slechts twee ritten van minder dan 2.000 hoogtemeters (aantal meters dalen en klimmen op een dag, red.), hoe verzinnen ze het? Van tijdrijden heb ik geen schrik. Ik doe het niet vaak, maar ik kan het wel. Meer zelfs: ik vind een korte, zware tijdrittraining leuker dan vijf uur rustig fietsen.”

Jij bent het grootste intrinsieke talent sinds Merckx. Juist opletten dat je geen dikke nek krijgt.

Mathieu: “Dat zal niet gebeuren.”

Christoph: “Dan zit ik hier niet meer.”

Ik zei ‘grootste talent sinds Merckx’ en je gaat er niet tegenin, je gaat ook niet zweven, het doet je niks dat ik dat zeg.

Mathieu: “Neen. Wat ben ik met die vergelijkingen? Roger De Vlaeminck zei laatst dat hij de grootste veldrijder aller tijden is. Als hij dat wil zijn, mij goed. Dat doet mij allemaal niks. Ja, mijn talent, dat heb ik nu eenmaal. Ik sta daar niet bij stil. Ik heb altijd gedomineerd, al van bij de jeugd, alleen dat eerste jaar bij de profs heeft Wout van Aert meer gewonnen dan ik. In zware crossen trok ik het toen niet, maar nu wel.”

Christoph: “Die gaat trainen en als hij een wedstrijd rijdt, doet hij mee om te winnen. Wij gaan trainen en er komt niks uit, winnen niks. Het is wat. (tegen Mathieu) Heb jij ooit nagedacht over hoe jij domineert?”

Mathieu: “Neen, eigenlijk niet. Ik ben het gewend. Daarom mountainbike ik ook graag. Technisch heb ik nog wat progressie te maken en er is er één (Nino Schurter, zevenvoudig wereldkampioen, HV) die vaker beter is dan ik. Soms meer dan één. Dat is een uitdaging. In het mountainbiken moet ik bergop beter worden. Dat heeft te maken met gewicht en dat wordt ook op de weg bergop een factor. Ik zal nooit een lichtgewicht zijn.”

Christoph denkt dat de Waalse Pijl je koers is.

Mathieu: “Waalse Pijl? Dat is die met aankomst op de Muur in Hoei? Ik denk dat dit net iets te hoog gegrepen is. Jaja, máár 800 meter, maar wel serieus bergop.”

Christoph: “Daar rijden ze hem er niet af en hij gaat versnellen als die anderen denken: dju!” Jij hebt dit jaar meer gewonnen dan ooit en je misschien minder ingespannen dan ooit.

Mathieu: “Dat zeggen ze: de eerste ziet het minst af. In de cross klopt dat zeker. Ik heb wel vaak controlerend de wedstrijd uitgereden: een gat slaan en dan het tempo aanpassen aan de achtervolgers.”

Christoph: “We hebben af en toe bloed geprikt na een wedstrijd en die lactaatwaarden (een graadmeter voor verzuring in de spieren, red.) waren zo laag dat het leek alsof hij intensieve uithouding had getraind en nooit echt diep was gegaan. Zélfs in de duinen van Koksijde.”

Waarom zit jij nog bij de Roodhoofts?

Mathieu: “Omdat ik het hier naar mijn zin heb. Omdat de ploeg rond mij is gebouwd. Omdat ik iets te zeggen heb. Stel dat ik naar Deceuninck-QuickStep ga, ben ik dan niet eerder een nummer, een van de vijf die een grote koers kunnen winnen? Dan krijg ik een collega mee in de koers die al op 100 kilometer demarreert en zorgt dat hij weg is en dan moet ik blijven zitten. En bij welke ploeg mag ik de drie disciplines combineren?”

Christoph: “Ik wil onze renners hun passie niet afnemen. De Deen Lasse Norman Hansen is bij ons komen rijden omdat hij van ons de piste met de weg mag combineren. Zo houden ze het langer vol.

“Mathieu heeft vorig jaar in vijf dagen tijd drie verschillende disciplines gereden, met drie verschillende fietsen en hij stond drie keer op het podium. Zo blijft hij wielrennen plezant vinden. Voor mij is het wel extra veel werk, want ik maak al zijn fietsen en vorig jaar heb ik er 28 kunnen optuigen.”

Jij bent een Nederlandse Belg of Belgische Nederlander, helemaal aanvaard en toch werd je ooit eens uitgejouwd, nog erger dan Richard Groenendaal, wereldkampioen in 2000.

Mathieu: “In Zolder op het WK 2016, toen ik met mijn voet in het wiel van Wout vast zat? Dat was heftig. Achteraf heb ik daar geen minuut van wakker gelegen. Tijdens de koers was ik wel onder de indruk, ik was ook jonger toen. Het was helemaal mijn schuld niet en dat ze boe roepen, tot daar aan toe, maar met bier of pis gooien of wat er ook in die bekers zat, dat vond ik er ver over. Het was ook geen echt crosspubliek die dag.”

Christoph: “Vorig jaar kreeg je het daar nog aan de stok met iemand, weet je nog?”

Mathieu: “Ja, ook in Zolder. Ik was verkouden en dat had in de pers gestaan. Bij het inrijden was er één die mij zakdoekjes aanreikte en vroeg of het al beter ging, echt de hele tijd spotten. Ik ben gestopt, teruggekeerd en heb hem gevraagd of hij nog nooit verkouden was geweest op zijn werk. Gewoon, heel rustig, en het gedoe was voorbij.”

 

De nieuwe André van Duin

Philip Roodhooft is de commerciële manager van de ploeg Corendon-Circus. Hij mocht het aan de sponsors gaan uitleggen dat het team Corendon-Circus van een derdeklasser een tweedeklasser met ambitie werd omdat Mathieu van der Poel de cross en de mountain bike ook nog eens met de weg zou combineren.

“We waren vertrokken met iedereen als continentaal team maar dan kwam er die upgrade naar pro-continentaal om ook op de weg mee te kunnen rijden. Hadden sponsors gezegd ‘we verhogen niet’, dan had ik geen poot om op te staan. De ene was al enthousiaster dan de andere. Ons budget is nu 3,3 miljoen euro, iets te weinig om te doen wat we doen. “Mathieu van der Poel ligt tot 2023 onder contract. Eerlijk, ik begrijp niet dat grote ploegen niet bij hem op de stoep hebben gezeten om hem te nemen. Mathieu zit nu bij ons en ik ben daar heel blij om. We gaan er alles aan doen om hem te houden en rond hem een structuur uit te bouwen. 

“Wij zijn een Belgische ploeg en hij is een Nederlander die met een Kempens accent spreekt, dus een halve Belg. Dat is eerder een voordeel dan een nadeel. Noem mij nog eens een Nederlander die in de twee landen zo bekend is? Niemand. In België is hij de populairste Nederlander sinds André van Duin. Wij verkopen meer mutsen van de ploeg dan toen Niels Albert nog bij ons reed. Dat zijn allemaal Vlamingen die zeggen: ik ben supporter van een Hollander. Mathieu is een sociologisch fenomeen en het ergste is, hij doet daar niks voor. Of toch wel: zichzelf zijn.”

 

 

Interview MVDP

 

 

Column over de reclame op gokken in De Morgen van zaterdag 2 feb 2019

Gokreclame

Waarom, denkt u, is voetbal, een paar decennia nadat de eerste rugbyspelers op het idee kwamen om de bal meer te shotten dan te gooien, de populairste sport van de planeet geworden? Niet omdat het spel zo aantrekkelijk is. Evenmin omwille van het spektakel. De eerste interland eindigde gewoon op 0-0.

Ook niet omdat het spel zo edel is. Al snel nadat het zich had afgescheurd van het ruwe rugby gleed soccer af op de ethische waardeladder en is sindsdien niet opgehouden met afglijden. Voetbal is in den beginne populair geworden puur en simpel omdat er kon op worden gegokt. Zoals op de paarden, maar dan op mensen van vlees en bloed die je ook nog persoonlijk kon aanspreken op hun presteren, of desgevallend uitschelden, iets wat met paarden toch net iets lastiger is.

De onvoorspelbaarheid van voetbal zit ingebakken in het DNA van die sport. Een handicap zoals bij paardenwedrennen is in voetbal niet nodig, ook niet als twee ploegen van verschillende sterkte tegen elkaar spelen. Voetbal heeft een intrinsiek competitief evenwicht en daardoor werd voetbal einde 19de eeuw de grootste sport van de planeet.

Dik 150 jaar later wil de politiek van dit land een firewall tussen de gokbedrijven en de sport – lees het voetbal en in mindere mate wielrennen. Het alarm is in deze lange, hete zomer van de worldcup afgegaan toen bleek dat de helft van de geregistreerde spelers in België voor het eerst gokte en dat het grootste deel van die nieuwe gokkers bestond uit jongeren. Allemaal samen zouden die voor meer dan 330 miljoen euro hebben ingezet.

“Ja, en dan?” Dat is de reactie van de goksceptici – die heb je ook. Zij halen de schouders op en willen geen betutteling omdat ze denken dat er geen probleem is. Dat staat haaks op hoe de ervaringsdeskundigen het zien. Van de week nog werd Arne (zoon van Luc) Nilis gequoot, een degelijke voetballer die ten onder ging aan gokken. Hij voorspelde in Knack dat er een epidemie van gokverslavingen zit aan te komen.

Ik wil hem best geloven en in één moeite aannemen dat het wetsvoorstel dat de volgende weken in het Vlaams Parlement ter tafel ligt de allerbeste bedoelingen heeft, maar er zijn nog enkele obstakels te nemen. Ten eerste is het lang niet zeker dat gokken geregionaliseerde materie is. Daar moet de Raad van State zich nog over buigen en als die besluit dat gokken nationale bevoegdheid is, kan de hele handel terug naar af.

In het voorstel is ook opgenomen dat alle reclame voor gokproducten wordt gebannen, uitgezonderd die van de Nationale Loterij. Let maar op, dat wordt een hernieuwd tripje Raad van State. Als het erom te doen is gokverslaafden van hun probleem af te helpen, of niet via elke sportreportage te confronteren met hoe leuk en makkelijk gokken wel niet is, dan moet ook de marketingcommunicatie van de Nationale Loterij aan banden worden gelegd. De Nationale Loterij is dan weer de subsidie-melkkoe van de Belgische cultuur en sport, en zo hangt alles aan elkaar.

België is niet het enige land dat denkt aan een verbod. Italië heeft vanaf dit jaar een ban op reclame voor sportweddenschappen en in Engeland denkt men erover na. In het Belgisch voetbal, dat ook al met zijn gunstige sociale lasten en fiscaliteit onder vuur ligt, spreekt men van een potentieel bloedbad als de Betwins, Napoleons en Betfirsts van deze wereld geen reclame meer mogen maken.

Vandaag hebben de meest eersteklassers een deal met een gokbedrijf. Cercle Brugge niet, omdat voorzitter Frans Schotte ook voorzitter is van de Gezinsbond en die al langer ijvert voor een strenger beleid tegen gokkantoren en -sites. Gemakshalve wordt voorbijgegaan aan het feit dat Cercle eigendom is van AS Monaco, dat als partenaire Parions en Ligne heeft, de site van La Française des Jeux. Ook Eupen heeft geen goksponsor, officieel omdat eigenaar Qatar dat niet wil, want in strijd met het officiële gokverbod in de streng islamitische wereld.

In de VS maakten ze onlangs de omgekeerde beweging. Voor elke dollar die de vier grote sporten in de VS omzetten, worden er vijf uitgegeven aan betting and gambling, legaal. Nog eens hetzelfde bedrag wordt illegaal gegokt. Als gokkers verslaafd zijn aan gokken, dan de sportcompetities aan het gokgeld.

Maar in 2016 is na bijna een eeuw verbod van gokken op de grote Amerikaanse competities de ban opgeheven en sindsdien hebben de NBA en NFL zich zelfs ingekocht bij de marktleiders van het sportgokken. Omdat de VS honderd jaar voorsprong hebben in het reguleren van sport is het interessant om hun beweegredenen tegen het licht te houden. Laten we deze business tegen de borst drukken, zeggen ze daar, dan zitten we op de eerste rij om de zaak te controleren.

 

Gokreclame

Pro League vol op de rem in De Morgen van zaterdag 26 januari 2018

Pro League trapt vol op de rem

profvoetbal vol op de rem

Over de exacte bedragen wil de Profliga nog wel eens moeilijk doen, maar ook zij kunnen de berekeningen niet tegenspreken die onomstotelijk aantonen dat de eersteklassers elk jaar ongeveer 70 miljoen euro cadeau krijgen in de vorm van verlaging van sociale lasten. Dat voordeel bestaat al vijftig jaar.

Tel daarbovenop nog 50 miljoen euro directe belastingen (bedrijfsvoorheffing) die de werkgevers sinds 2008 teruggestort krijgen en die in de plaats kwamen van een werknemersvoordeel. Opgeteld: 120 miljoen, maar andere berekeningen begroten het totale voordeel op zelfs 130 miljoen.

Ter vergelijking: diezelfde voordelen leveren het volleybal amper 600.000 euro op jaarbasis op. Dat is tweehonderd keer minder
dan het voetbal, waar het gemiddeld salaris van een kernspeler 350.000 euro bedraagt. “Jammer, maar helaas”, antwoordden de professionele voetbalclubs, de grote vijf op kop. “Als men ons deze voordelen wil afnemen, zal dat ten koste gaan van onze positie in Europa.”

Off the record werd zelfs gedreigd met politieke stemmingmakerij tegen politici die het voetbal wilden aanpakken. De CD&V’ers Roel Deseyn en Stefaan Vercamer durfden het toch aan en formuleerden in de zomer van 2018 een voorstel waarbij de sociale lastenverlaging alleen nog zou gelden voor maandsalarissen lager dan 6.800 euro. ‘Lage’ salarissen, kleinere clubs en minder kapitaalkrachtige profsporten (lees basket- en volleybal) zouden hierdoor worden gespaard.

Nog volgens het voorstel zou de verlaagde bedrijfsvoorheffing (80 procent vermindering) aan strengere voorwaarden worden gekoppeld en alleen nog kunnen dienen voor de opleiding van min-19-jarigen, in plaats van vandaag voor alle spelers jonger dan 26. Ten slotte wilden de twee parlementsleden de drempel verhogen voor niet-EU-voetballers: voortaan zou naar analogie met Nederland een minimumsalaris van net geen 500.000 euro gelden in plaats van de 80.000 vandaag.

Makelaars aanpakken

Minister van Sociale Zaken Maggie De Block (Open Vld) blokte het voorstel meteen af, drong aan op dialoog en vroeg de voetbalsector naar constructieve voorstellen. De problematiek kreeg een extra dimensie door het voetbalschandaal rond matchfixing, belastingontduiking en witwassen met enkele makelaars als spilfiguren.

Uit hoorzittingen in het parlement bleek al snel dat de voetbalsector (lees de clubs) vooral de makelaars wilde aanpakken, onder meer door de spelers de makelaars te laten betalen (wat in strijd is met de wet), maar anderzijds niet van plan was veel toe te geven op de voordelen.

Onlangs lekte uit dat hun ideeën rond sociale lasten compleet het tegenovergestelde beoogden van het voorstel Deseyn-Vercamer. De profclubs wilden het salaris waarop RSZ moest worden betaald verdubbelen van ongeveer 28.000 tot net geen 56.000 euro. Er was wel een uitzondering: voor spelers jonger dan 23 die drie jaar vóór hun achttiende verjaardag in België waren opgeleid – meestal Belgen – zou niks veranderen.

Een snelle rekensom leerde dat de 70 miljoen sociale lastenvermindering zou slinken tot 64 miljoen. De kleinere profclubs stonden op hun achterste poten: een lastenverhoging zou voor de laagste salarissen proportioneel veel hoger uitvallen dan voor de hoogste.

Over de bedrijfsvoorheffing deed de Profliga geen voorstellen. Of toch wel: afblijven, want de financiën van de sector profvoetbal mochten niet worden gehypothekeerd. Om een deeltje van die eerdere 6 miljoen extra sociale lasten te recupereren, liet de Profliga een ander ballonnetje op bij het paritair comité: dat het een concurrentieel nadeel was dat, in tegenstelling tot andere landen, trainers en technische stafleden niet als zelfstandigen mochten worden aangeworven.

Trainers en co. worden vandaag belast en betalen sociale lasten zoals gewone bedienden. Een terugkeer naar het zelfstandigenstatuut, waarmee in het verleden is geëxperimenteerd en waarvoor onder meer Leekens en Club Brugge en Sollied en KAA Gent hebben geboet, zou voor de voetbalwerkgevers een totale besparing van 3 miljoen aan sociale lasten betekenen en vooral ook minder ‘gedoe’ bij eventuele ontslagen.

Samengevat zijn dit de posities. De voetbalclubs willen dat alles bij het oude blijft of zijn hooguit bereid tot microscopische aanpassingen. De ministers van Werk en Sociale Zaken willen tegelijk hun kiezers tonen dat ze het probleem aanpakken én de kool en de geit sparen. De kleine sporten willen dan weer ontzien worden van elke verandering. De spelers hebben zoals wel vaker geen mening.

Zand in de ogen

Sporta, de spelersvakbond die resideert onder het ACV, deed het meest verregaande voorstel. In het paritair comité van 18 januari achtte Sporta een geleidelijke aanpassing van de RSZ onvermijdelijk, om zo te komen tot een RSZ betaald op het volledige salaris. Overigens was dat in 2001 al het advies van de Nationale Arbeidsraad: afschaffing van het lage forfait en een gefaseerd voorstel om uiteindelijk te landen bij sociale zekerheidsbijdragen op het volledige loon.

Copyright © 2019 Belga. Alle rechten voorbehouden

In datzelfde paritair comité kwam de Pro League met een rangschikking van landen volgens het sociaal zekerheidsregime voor voetballers. Op de eerste van zes slides stond België als het op vier na meest gunstige land van de achttien hoogst gerangschikte landen op de UEFA-ranking. Alleen Kroatië, Denemarken, Rusland en Oekraïne waren nog gunstiger.

In die laatste twee landen moeten voetballers het maar uitzoeken hoe ze zich verzekeren tegen ziekte. Denemarken stond daar onterecht en dat was al een eerste grote zandkorrel in de ogen. Sociale lasten worden daar voor een groot deel gefinancierd via de zeer hoge Deense belastingen, waar ook voetballers aan onderworpen zijn.

Naarmate de slides vorderden, zo weet een voetbalinsider, steeg België in de rangschikking. Bij de zesde slide met een rangschikking van de hoogste sociale lasten stond België niet langer vijftiende (veertiende min Denemarken) maar vijfde, na Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en Portugal. “Nog een slide en we stonden bovenaan als duurste land, maar dat hebben ze niet gedurfd.”

Het leek op een mooi stukje volkstheater. Niet alleen werd uitgegaan van een salaris van 650.000 euro, wat weinig realistisch is, maar werd ook in de laatste slide de groepsverzekering meegenomen. Die staat minder ter discussie omdat de materie ingewikkeld is, maar ze is naast de vermindering op sociale lasten en bedrijfsvoorheffing (belastingen) het derde grote voordeel van voetballers tegenover andere bedienden en voetbalclubs tegenover andere werkgevers.

Voetballers mogen tot 40 procent van hun salaris wegstorten en worden na hun carrière (andere werknemers die veel minder verdienen, mogen pas wegstorten bij hun pensionering) uitbetaald en op 20 procent belast. Bovendien werd in de berekening niet meegenomen dat veel clubs een groot deel van het salaris uitkeren als tekengeld of getrouwheidspremie (bij meerjarige contracten), en dat creatief boekhouden en ontwijking eerder de regel dan de uitzondering zijn.

De conclusie van de Pro League: als België op het echte salaris sociale lasten zou heffen, zou het de hoogste lasten van heel Europa krijgen. Over de verlaagde belastingen geen woord. Een ander argument in het pleidooi van de Pro League: onze clubs zijn zelden rendabel. Bepaald vreemd, met tv-rechten die dit decennium zijn verzesvoudigd en salarissen die zijn verdubbeld.

Import-export

De Profliga argumenteerde verder dat de voordelen die aan de sport zijn toegekend tot doel hadden de ontwikkeling van de sport te versterken. Wat daar destijds precies mee werd bedoeld, ook daar kan over worden gediscussieerd, maar een deel (de sociale lastenverlaging) had alvast te maken met het bevorderen van de jeugdwerking en die is er niet op vooruitgegaan.

De financiën wel, althans de omzet. Tot 2008 bedroegen de gemiddelde omzetten van de Belgische eersteklassers altijd net iets meer dan de helft van de Nederlandse. Ook het gemiddeld salaris bedroeg het dubbele. Vanaf 2009 stegen de Belgische omzetten sneller dan de Nederlandse, die zeven jaar lang ongeveer gelijk bleven. In het seizoen 2016-2017 zat België Nederland op de hielen met een gemiddelde omzet van 21,7 tegen 23,3 miljoen en de salarisverschillen waren uitgevlakt. Meer zelfs, het gemiddeld salaris zakte de laatste jaren in Nederland, terwijl het in België steeg en nu ver boven het Nederlandse gemiddelde piekt.

Nog een effect dat aan de gunstmaatregelen kan worden toegeschreven: de toegenomen handel in buitenlandse voetballers. In 1982-1983 verdienden geen 20 procent buitenlandse spelers hun boterham op Belgische velden. Twintig jaar later was dat 43 procent. Vandaag, na de wintermercato, bestaan de kernen van de zestien Belgische clubs uit bijna 65 procent buitenlanders.

Het lijkt er sterk op dat de gunstmaatregelen alvast in het voetbal niet zijn aangewend waarvoor ze waren bedoeld – onder meer de jeugdwerking. Wél om het Belgisch voetbal een concurrentieel voordeel te geven tegenover het buitenland en om de import-export van buitenlands voetbaltalent te financieren.

 

Column over Sporting Lokeren in De Morgen van zaterdag 26 januari 2018

Het relict Lokeren

FC Luik werd in 1896 de eerste kampioen en in hun zog hebben zestien verschillende voetbalclubs in meer dan honderd jaar Belgisch voetbal een landstitel behaald. Elf verschillende voetbalclubs speelden kampioen na de Tweede Wereldoorlog, zes de laatste kwarteeuw en vijf deze eeuw.

KSC Lokeren Oost-Vlaanderen nooit. In de lijst met bekerwinnaars staat Lokeren wel met twee recente overwinningen, die iedereen buiten Lokeren al lang is vergeten: 2012 en 2014. Twee keer met een flauwe 1-0, tegen KV Kortrijk en tegen Zulte-Waregem.

Lokeren was begin de jaren 80 dé club van Oost-Vlaanderen, een frivole hemelbestormer waar goed voetbal te zien was: de drie L’en voorin waren van het beste dat België had te bieden. Lato-Larsen-Lubanski speelden twee seizoenen samen en vermaakten het publiek overal waar ze kwamen. Lokeren haalde in die tijd ook Arnór Gudjohnsen weg uit IJsland, Bouke Hoogenboom – een Amsterdamse grote mond – stond in doel, de sierlijke, valse trage Raymond Mommens op het middenveld naast kilometervreter- regulator René Verheyen en laten we er de sympathieke Eddy Snelders ook maar bij nemen, dát Lokeren was een heerlijke ploeg.

1980-1982 was zowat de topperiode toen steevast de kop van de klassering werd aangevallen en ook Europees enkele goede resultaten werden neergezet. Dichter dan een tweede plek in het seizoen 1980-1981 kwamen ze evenwel nooit en ook dat was nog veraf, want Anderlecht eindigde dat jaar met een straat voorsprong eerste. Neen, dan deed eeuwige Waaslandse rivaal SK Beveren het een stuk beter met die titels in 1978 en 1984, óók met goed voetbal en vooral met veel meer Belgen in de ploeg.

Lokeren was al van in die jaren 80 in de eerste plaats een doorgangshuis voor buitenlands talent. In 2003 werd Lokeren nog eens derde. Na 2010 leek het er zelfs even op dat de club toe was aan een heropleving met twee bekerzeges en drie keer deelname aan play-off 1. Het bleek de zwanenzang.

Vandaag vecht Sporting Lokeren tegen de degradatie en wat zo erg is: niemand – behalve dan die paar duizend Lokeren-fans – zou het erg vinden als deze club, met deze voorzitter, met deze reputatie, met dat stadion, met deze trainer, zou zakken. Jammer voor die fans, de spelers, jammer voor het olijke duo Olli en Steve vooral, maar geen mens buiten Groot-Lokeren zal een traan laten om Sporting.

Glen De Boeck is er nu komen aanwaaien met zijn trackrecord van onmogelijke opdrachten tot een goed einde brengen én (bij zijn collega’s) de reputatie van arrogante zak. De redding van Lokeren zou een mirakel zijn, de degradatie evenwel de logica en de emanatie van een economische realiteit.

Als de eigenaar-voorzitter met zijn rollator moet worden binnengerold, waar ben je dan mee bezig? Roger Lambrecht is 87, zou van zijn oude dag moeten genieten, maar woelend in zijn bed speelt hij ’s nachts de wedstrijden opnieuw en overdag zoekt hij naar een overnemer. De hele eerste klasse B is al aan de man gebracht en zit bij al of niet schimmige buitenlanders, maar voor Sporting Lokeren vindt Lambrecht geen koper. Een blik op de verkorte jaarrekening zal waarschijnlijk volstaan om af te haken.

Het sterfhuis Lokeren is niks meer waard en niet alleen daarom is het ronduit verbazingwekkend hoe Lambrecht door een deel van
de media nog steeds op een voetstuk wordt geplaatst. Hij heeft geen enkele verdienste aan de successen uit het verleden en heeft tegelijk zowat alle schuld aan de ellende waarin de club vandaag zit. Oké, hij werd in 1994 voorzitter en na drie jaar tweede klasse haalde hij Lokeren als kampioen terug naar eerste. De vicekampioen in tweede klasse dat jaar mocht ook promoveren. Dat was KRC Genk, en die hebben het met drie landstitels en een vierde op komst heel wat beter gedaan. Wat presteerde Lambrecht in die 25 jaar? Hij haalde en ontsloeg 25 trainers.

Wat is niet fout aan Sporting Lokeren? Lokeren en Lambrecht zijn de oude voetbalcultuur. Zijn financieringstrucs hebben mee het Belgisch voetbal verziekt. Zelfs wie ooit de inhoud van het befaamde zwarte koffertje heeft meegekregen, is het eens met die analyse. Ik heb het koffertje bij toeval ooit zien staan, geopend, dus ik weet waarover ik spreek.

Van de scheepsladingen Afrikanen die de laatste jaren over het Belgisch voetbal zijn uitgestort en waarvan sommigen in de illegaliteit verdwenen, was één op de twee boten bestemd voor Lokeren en hun toenmalige sportief manager/mensenhandelaar/passeur Willy Verhoost. Dit Sporting Lokeren – als er geen overnemer wordt gevonden – is een relict uit het verleden, klaar voor bijzetting in het museum van de industriële voetbalarcheologie.

 

het relict lokeren

Interview Shane McLeod (hockey Red Lions) in De Morgen van 19 januari 2019

‘Neen, dikke nekken overleven niet bij ons’

Hoe een hockeyende kiwi naar Europa kwam, als bij toeval in België belandde, er zijn vrouw leerde kennen en er de knapste prestatie van alle Belgische bondscoaches ooit neerzette. Shane McLeod begint vanmiddag met zijn wereldkampioenen aan de nieuwe Pro League.

Soft-spoken. Als één Engelse omschrijving bij Shane McLeod (49) past, dan wel deze. “Je zult er een goede gesprekspartner aan hebben”, had 199-voudig international Loïck Luypaert voorspeld. “Geen woord hoger dan het andere, maar hij weet ons altijd weer te raken”, zei Arthur Van Doren, de beste speler van de wereld en van het voorbije WK.

De man die gaat zitten in de Beerschot Tennis en Hockey Club, nadat hij zelf de lattes is gaan halen en heeft betaald – “please by my guest” – is every inch de gentleman die ze hadden beschreven. Voor een goed gesprek en de obligate fotosessie gaf hij zelfs zijn lunch op. Het is wennen aan de pas verworven status van wereldkampioen en team van het jaar, niet alleen voor deze globetrotter.

Shane McLeod: “Het zat eraan te komen, die grote prijs, na al die verloren finales, maar toen ik hoorde dat we op het balkon van het Brusselse stadhuis moesten verschijnen hield ik mijn hart vast. Was dat niet wat overmoedig? Het blijft tenslotte hockey en wat als daar hoop en al twintig man met een vlagje hadden gestaan?”

No worries mate. Ze waren met duizenden, een bomvolle Grote Markt zong, danste en juichte hen toe, en toen wist McLeod het zeker. “We hebben iets speciaals gepresteerd voor dit land.”

Zeg dat wel. De eerste Belgische bondscoach die wereldkampioen wordt, en daarvoor moesten we u nog wel helemaal vanuit Nieuw- Zeeland halen.

Shane McLeod: “Wel, het was eerder toeval dat ik hier belandde. Ik speelde hockey in Nieuw-Zeeland voor de nationale ploeg en zoals de meeste mensen down-under gaat dat isolement aan de andere kant van de wereld tegensteken. Dus willen wij zien wat er boven de evenaar te beleven valt.

“Ik ging in Frankrijk spelen en kwam uiteindelijk na een paar jaar naar België. Ik werd verliefd op het land en op mijn vrouw, toevallig net op het moment dat ik terugkeerde om daar te gaan coachen. Mijn vrouw, toen mijn vriendin, is mij achterna gereisd en ik ben er nog zes jaar gebleven om onder meer de Nieuw-Zeelandse ploeg te coachen. Na twee Olympische Spelen zijn we dan terug naar België gekomen. Een goeie plek.”

O ja? Ik heb het weerbericht voor Hamilton (NZ) gedownload: 28 graden, verspreide bewolking en dat de hele week. Tegen het weekend geen wolken.

“Exactly. (lacht) Dat is dan het enige, het is daar nu zomer. Maar begin februari spelen we met de Red Lions in Australië en Nieuw- Zeeland, en dan blijf ik om familie te bezoeken. Niet lang, hooguit tien dagen, heb ik mijn vrouw beloofd. Ze is zwanger van ons derde kind en ze is uitgerekend voor begin maart. Straks heb ik drie kleine kinderen thuis en een jonge vrouw als cardioloog in opleiding in een ziekenhuis, dat wordt aanpoten. Nu weet je waarom ik zo grijs ben geworden.”

Niet door het coachen?

“Ook. Maar dit is een heel volwassen selectie en het coachen op zich is niet stresserend. Het meest vervelende aan mijn job zijn de telefoontjes elke keer weer als ik een selectie moet maken. ‘Jij bent erbij’, dat valt nog mee om te melden. Een jongen opbellen nadat die zich heeft dubbelgeplooid en hem koudweg meedelen dat ik hem thuis laat, dát haat ik als de pest. Als ik dat aan iemand anders zou kunnen overlaten, direct, maar dat zou niet eerlijk zijn.”

Ik ken kiwi’s als hard.

“Yeah, well. Als het gaat om pijn verbijten misschien, dat zit in onze sportcultuur die teruggaat op de waarden van het rugby. De ‘she’ll be right, mate’-mentaliteit, die herken ik bij mijzelf ook. Waar je niet van doodgaat, daar word je sterker van, dat geloof ik ook.

“Dat rugby is een zegen en een vloek, voor hockey dan. Het zijn beide Commonwealth-sporten, maar rugby staat onbedreigd op één. In 1976 waren wij met het hockey olympisch kampioen en die droom jagen we nu nog steeds na. Jammer genoeg gaan de beste atleten naar het rugby. Wie te klein en te licht is – zoals ik – zoekt een andere uitweg.”

Rugby en hockey hebben één ding alvast gemeen: een compromisloos hoog tempo.

“Dat is in hockey vooral iets van de laatste jaren. De Australiërs zijn daarmee begonnen, gewoon door meer en beter te trainen. Iedereen is gevolgd. Onze spelers hebben nooit meer in de powerzaal gezeten en lopen vaker dan ooit, naast hun veldtraining. Het voordeel in onze sport is dat wij tijdens de wedstrijd kunnen wisselen, waardoor het tempo hoog blijft.”

Klopt het dat u live in de wedstrijd de intensiteit van de inspanningen monitort en daarop besluit te wisselen?

“We krijgen voortdurend de sprintsnelheid, de afstand en de daaraan gekoppelde hartslag binnen via de gps die de spelers dragen. Wisselen doen we als we zien dat iemand lang in het rood blijft en geen snelheid meer kan maken. Maar om eerlijk te zijn, het is niet de computer die wisselt. Meestal hebben we dat met het blote oog al gezien of geeft de speler het zelf aan.

“Ik denk niet dat veel sporten zich zo opnieuw hebben uitgevonden als hockey. Daarom was het ook belangrijk dat wij met België die extra stap konden zetten met ons programma. Dat betekende nog meer trainen en vooral heel veel samen trainen, iets wat veel andere landen niet doen.”

Uw Red Lions zijn onze All Blacks, een team met een missie: streven naar excellentie, met behoud van waarden.

“Bedankt, dat is een mooie vergelijking. De All Blacks hebben een cultuur ontwikkeld die erop gericht is om de atleet tegelijk met de mens achter de atleet beter te maken. Dat proberen wij ook: wij stimuleren onze spelers naast al dat trainen om toch te studeren en een diploma te halen.”

Better people make better Lions is een van uw mantra’s, maar dat hebt u…

“… gehaald bij de All Blacks, dat klopt. Toen ik naar Nieuw-Zeeland terugkeerde en in 2007 coach werd van de nationale mannenploeg, de Black Sticks, kreeg ik een mentor toegewezen en dat was Graham Henry. Dé Graham Henry, jawel, de man die de All Blacks hun grandeur van weleer teruggaf en de basis legde voor de dominantie van vandaag. We hadden allebei een achtergrond als leraar en dat creëerde een band.

“Onze filosofie over het team en hoe het individu daartoe moet bijdragen, dat spoorde meteen. Het verschil tussen hockey hier en rugby in Nieuw-Zeeland is dat ik hier te maken heb met mannen van een zogeheten keurige achtergrond, meestal goed opgevoed. In het rugby bij ons krijg je al eens ruwe types binnen, talenten, diamanten zelfs, maar je moet ze eerst breken voor ze je volgen. Dat probleem heb ik niet. Onze ploeg is zoals de crèche waar mijn dochter zit: thuis is ze in haar eentje niet te controleren, maar in de crèche gaat ze rustig op de mat zitten als iedereen gaat zitten. Ze blijft binnen de grenzen van het team. Verbazingwekkend.”

No dickheads, zei Henry. Geen dikke nekken toegelaten.

“Neen, klopt. Die hebben we niet. (aarzelt) Ze zouden niet overleven. Ik ken spelers die in het team hadden kunnen zitten, maar die ik om die reden niet heb geselecteerd. Omdat ze zichzelf boven het team zouden plaatsen en dat kan niet.”

Nadat ik Arthur Van Doren, de Messi van het hockey, had gesproken, bedankte die mij voor de moeite om tot hem te komen.

“Zie je, dat hoor ik graag. Als nieuwe talenten bij het team komen en ze zien hoe ook de beste speler van de wereld nederig is, creëert dat een cultuur. Ik wil met de Red Lions een legacy nalaten: dit zijn onze normen en waarden, hier staan we voor. Leave the jersey in a better place is ook een mantra van de All Blacks.

“Na de worldcup kwamen de spelers mij vinden om te overleggen over de individuele prijzen die waren gewonnen – daar was geld aan verbonden – en wat ze daarmee wilden doen. Ik zei: zeg het maar. Dat geld hebben ze in een collectieve pot gestopt, te gebruiken voor en door het team. Als ze straks in Melbourne twee dagen extra willen blijven rondhangen zal dat uit die pot worden betaald. De geldprijs van Van Doren als beste speler – toch 60.000 euro – is ook in die pot gegaan.”

De psycholoog die er al jaren bij was hebt u de wacht aangezegd.

“De hoofdpsycholoog van een ploeg moet de coach zijn. Bij de Red Lions was een situatie gegroeid dat de communicatie tussen coach en spelers via de psycholoog verliep. Ik heb daar redelijk abrupt afscheid van genomen en het is goed uitgepakt. Meer zelfs, ik denk dat het een van de redenen is geweest voor ons succes.”

U hebt ook de nationale vrouwenploeg gecoacht. Wilt u vergelijken?

“Vrouwen en mannen willen allebei presteren, maar om verschillende redenen. Vrouwen doen het voor de coach, voor hun fans of voor hun moeders en vaders. Mannen spelen meer voor zichzelf, voor het prestige.

“In de coaching zijn er kleine accentverschillen. Vrouwen krijgen iets meer instructies, ze willen die ook, ze vragen erom. Als ik mannen zou coachen zoals vrouwen worden die gek van mij. Omgekeerd zou het ook niet werken.

“Communicatief moet je goed opletten. Zeg in een groep dat je niet tevreden bent over iemand zonder die bij naam te noemen en alle mannen denken: oké, dit gaat over iemand anders. De vrouwen zullen denken: oeioei, nu heeft hij het over mij.

“De notie ‘team’ is bij vrouwen nog sterker ontwikkeld dan bij mannen. De kracht van het team, daar draait het om, en die wordt mee bepaald door de macht die de coach krijgt van het team. In Nieuw-Zeeland noemen ze dat met een Maori-woord de mana.”

Is elke Nieuw-Zeelander, zelfs van Schotse afkomst zoals uzelf, een halve Maori?

“Nieuw-Zeeland is een heel bijzonder land met een aparte inheemse cultuur die wij moeten koesteren. De Maori’s hebben voor ondefinieerbare begrippen mooie woorden. Mana bijvoorbeeld, dat kun je haast niet vertalen. En mooie symbolen natuurlijk, de haka kent iedereen. Het brengt het team in hogere sferen. Neen, een Belgische haka is onbespreekbaar, dat hoort bij mijn land.

“Whanau(spreek uit: váanau, HVDW) is nog zo’n begrip bij ons. Het staat voor familie, maar in de brede betekenis. De whanau is een groep mensen op wie je steeds terugvalt, in goede en slechte tijden. Ooit selecteerde ik bij de Black Sticks een jong talent van de eilanden. In het hotel had hij zijn hele whanau op zijn kamer uitgenodigd. Op het bed had hij zijn uitrusting van de nationale ploeg gelegd, als een soort relict, om aan zijn naasten te tonen. Deel zijn van dat team, van die cultuur: op slag was zijn leven veranderd.”

De Red Lions zijn alsnog team van het jaar geworden nadat de stemming was heropend. Dat had ook gemoeten voor coach van het jaar. Dat had u moeten zijn.

“Eerst en vooral dit: ik ben op het juiste moment gekomen. Deze ploeg was al heel erg goed gecoacht door twee Nederlandse bondscoaches. De spelers hadden veel ervaring en er kwam talent bij. Het programma dat we draaien is top: er is geld en er zijn mogelijkheden om te doen wat we willen. We hebben een internationale topstaf met onder meer een Zuid-Afrikaan en een Nederlander.

“Bottomline: ik ben maar een radertje in het geheel. De coach van het jaar moet een Belg zijn, vind ik persoonlijk. Neen, Roberto Martínez is ook geen Belg, dat klopt. Ik was al heel blij dat onze ploeg die prijs heeft gewonnen, dus mocht ik toch even dat podium op. Willen ze mij die prijs eind 2019 geven, dan zal ik die blij aanvaarden, want dat zal betekenen dat we het goed hebben gedaan op het EK in eigen land in augustus.”

 

shane mcleod

Column De Onzindokter in De Morgen van zaterdag 19 januari 2019

Onzindokter

Bijna zes jaar geleden kwam de Rotselaarse huisarts Chris Mertens in opspraak nadat was uitgelekt dat tegen hem onderzoek werd gevoerd. Mertens was De Ozondokter, voorpaginanieuws in alle media: hij zou renners hebben gedopeerd. Al snel werd het: hij hád renners gedopeerd en het Belgische wielrennen had zijn nieuwe grote dopingzaak. Twee jaar later wisten we meer.

Uit het verhoor van de dokter bleek dat het ging om bagatellen en – veel erger – dat de onderzoekers bijzonder weinig afwisten van doping. Ze verweten de dokter onder meer dat hij ijzerspuiten had voorgeschreven aan een renner en dat hij daarmee de wet had overtreden. Dat was meer dan één keer onzin, maar wie spreekt de arm der wet op dat moment tegen?

In het verhoor was maar één passage bijzonder interessant: die waarbij hij per mail een renner aanraadde om corticoïden te spuiten zo dicht mogelijk bij een wedstrijd. Die renner had een medisch probleem, maar je zou kunnen verwachten dat cortico’s sneller worden toegediend, precies om tegen de wedstrijd dat medisch probleem te hebben verholpen.

Dit leek grijze zone en over de tinten kan worden gediscussieerd: onder voorwendsel van een medisch probleem gebruikmaken van het euforiserend effect van cortico’s. Daar vielen de flikken niet over want daarvoor moest je al iets van doping kennen. Ik stond in dubio: ik wist van het medisch probleem, dus wat als? Wat als alles te goeder trouw was gebeurd, als er geen poging was tot bedrog, als er wel medische noodzaak was tot spuiten dicht bij de wedstrijd? Dat was toegelaten met een attest en dat had de renner. Ik hield het verhaal achter. Te veel twijfel, te veel potentiële nevenschade.

Later kregen ook collega’s dat verhoor te zien. Ook zij verkozen niet te publiceren, met een andere ‘wat als?’ in het achterhoofd.
Wat als ze wel zouden schrijven en de renner deed hen in de ban? Geen onterechte vrees. Ik heb twee jaar geleden (in 2017) één lovenswaardige poging ondernomen om die renner te spreken, maar dat is niet gelukt. Ik denk nog steeds dat het te maken heeft met deze zaak.

Ondertussen waren journalisten die niet verkozen te schrijven over de Belg en de grijze zone wel streng voor andere renners die ze toch nooit te spreken zouden krijgen. Zoals voor Bradley Wiggins en zijn corticobehandeling tegen allergie – gestaafd door een sluitend medisch attest. Of Chris Froome, ‘betrapt’ op een te grote hoeveelheid van een astmamiddel waarvan nooit terdege is bepaald hoe groot die hoeveelheid nu wel mag zijn, maar wel is bewezen dat het niet helpt als je geen astma hebt. Twee door de media opgeblazen non-events.

In mei 2015 moesten de renners uit het grote dopingdossier van de ozondokter voor het dopingtribunaal van de wielerbond verschijnen. Ze werden één na één vrijgesproken. Van ozondokter tot onzindokter. Op deze plek verscheen toen:

…Politie en gerecht zijn internationaal een troef in de dopingbestrijding, helaas niet in België. Ook hier weer heeft de berg een muis gebaard. Dat die dokter eens goed op de vingers wordt getikt, geen probleem. Dat zijn patiënten/klanten even worden bijgepraat, evenmin. Maar géén zaak hebben en er dan tóch een zaak van maken: dat is dom. De onderzoeksrechter heeft onnodig veel overheidsgeld verprutst…

Dat was mei 2015. Een normaal denkend mens redeneert dan als volgt: als gespecialiseerde rechters – doorgaans strenge beoordelaars met veel dopingkilometers – geen graten zien in de behandelingen die de renners hebben gekregen én overwegende dat de dopingreglementen strenger zijn dan het strafwetboek, lijkt het logisch dat ook de dokter vrijuit gaat.

Niet in dit land. Hoe dat precies zit met mensenrechten laat ik aan anderen over, maar in sportgerelateerde zaken is het duidelijk: wereldvreemde rechters bestaan. Ooit was er een die een duidelijk geval van mensenhandel en identiteitsfraude met Nigeriaanse voetballers onbestraft liet. Van de week was het andersom: een andere heeft gemeend zes maanden voorwaardelijk te moeten geven aan dokter Mertens en een boete van 1.200 euro.

Dat betekent een strafblad voor de dokter, maar omdat hij in 2013 al op weg was naar de brandstapel anderzijds evengoed een vrijspraak. Misschien gaat Mertens wel in beroep om echt vrijspraak te krijgen. Die is hem gegund. Mertens heeft zijn straf al ruimschoots uitgezeten door publiekelijk spitsroeden te moeten lopen.

De meeste zwaar gemediatiseerde ‘sportschandalen’ volgen hetzelfde scenario: lek, bom, sisser. Het zou de media sieren als ze wat terughoudender zouden zijn met kwalificaties als schandaal, zaak, bom en affaire. In negen van de tien gevallen, ook in ‘de zaak- Mertens’, was de vlag veel te groot voor de lading.

Dat hebben de hockeyers van de week nog ondervonden. ‘Red Lions gokten illegaal op eigen wedstrijden!’ Zo stond het in de kop. Voorlopig neen dus. En indien ja, so what? Ze hebben verdorie alles gewonnen. Geld inzetten omdat je zeker bent dat je wereldkampioen zult worden, dat zou zo on-Belgisch blufferig zijn dat ik het onmogelijk kan afkeuren.

de onzindokter