Column St-Alexius in De Morgen van zaterdag 14 april 2018

Sint-Alexius

 

Er is niks mis mee als Club Brugge een van de komende speeldagen zoveel punten voorsprong vergaart dat ze niet meer bij te halen zijn door de concurrentie. Het zal al mei zijn voor Club Brugge voor de vijftiende keer kampioen wordt. Nogmaals, niet meer dan normaal.

Misschien is 2017-2018 een van de minst goede voetbalseizoenen van deze eeuw. Het allerslechtste volgens veel analytici, maar dat durven ze niet openlijk te zeggen uit vrees afgebrand te worden op de sociale media. Kan allemaal wel zijn, maar dat maakt de rekening niet van wie aan het eind bovenin staat.

Als dit het seizoen van de kneusjes is, dan heeft Club Brugge als enige van die kneusjes in de reguliere competitie bij momenten een overweldigende indruk nagelaten. Wedstrijden die zouden worden verloren, werden alsnog gewonnen of er werd een gelijkspel uit gepuurd. Andere wedstrijden tegen kwade belagers werden makkelijk gewonnen en in de herfst, toen alle andere zelfverklaarde grote ploegen in de Jupiler League het lieten afweten, stoomde Club Brugge onverdroten door.

Het meeste indruk maakte Club afgelopen zondag in de tweede helft in Gent, toen ze de thuisploeg vastzetten. Het 1-0-verlies was vanwege Club een betere wedstrijd dan de 1-4 van twee jaar geleden, toen Club ook in de eerste helft werd weggespeeld en daarna met twee gelukjes onterecht op 1-2 kwam. Wat Club zondag in de tweede helft toonde, was kampioenenvoetbal.

Hoewel er niks mis mee is als Club kampioen wordt, is er ook niks mis als het alsnog fout zou gaan. Zondag nam Sporza een tweet over (dat iemand op die redactie denkt dat hij/zij aan journalistiek doet door tweets af te schrijven, holy sh…) dat het een schande zou zijn als dit Belgisch competitieformat een andere kampioen zou kronen. Welnu, dat is dikke onzin. Het zou vreemd zijn, dat wel, en Club zou – een complete collaps uitgezonderd – nog steeds de beste ploeg van de competitie zijn, maar voetbal is nu eenmaal niet de sport die altijd de schoonste prijs aan de beste geeft.

Bovendien is de format wat hij is, is hij vooraf omstandig uitgelegd en is hij toe aan zijn negende seizoen en worden clubs inmiddels geacht te weten dat het zwaartepunt achteraan de competitie ligt. Daar moet dus rekening mee gehouden worden in de sportieve en trainingstechnische afwegingen.

Bon, dat gezegd zijnde, zou ik de meso- en microcycli weleens willen zien om waarschijnlijk te concluderen dat de trainingen van augustus (de start) tot mei (het einde) weinig verschillen. Veredelde bezigheidstherapie afgewisseld met tactische trainingen, veel meer valt daar niet uit op te maken.

Voetbalclubs die hun ego’s kunnen bezighouden en de neuzen in de juiste richting duwen, schieten al een heel eind op. Wat daar nog bij moet komen, is geluk. Niet te geloven dat we ons met zijn allen zo druk maken in deze sport – dat gevoel overvalt mij keer op keer in de lente – maar ook daar valt niks meer aan te veranderen.

‘Voorsprong Club slinkt.’ Dat was de teneur van de kranten maandag. ‘Club wordt zenuwachtig’, nog zo’n premisse. Vreemd, want de voorsprong van Club met nog acht wedstrijden te gaan is precies dezelfde als toen er nog tien wedstrijden moesten worden gespeeld. Het enige verschil is AA Gent, dat door een zes op zes drie punten heeft goedgemaakt en nu ook op zes punten staat. Anderlecht staat op 6,5, als het ware.

De teneur had dus moeten zijn: Club stap dichter bij titel. Alleen boeit dat niet en daarom worden de lezers voor oenen versleten en wordt hen voorgehouden dat de spanning terug is. Niet dus. De spanning was wel terug geweest als Uronen die strafschop niet had veroorzaakt in Club-Genk. In dat geval was het 0-0 gebleven en had Club nog vier punten voorsprong en zou het morgen, in geval van verlies op Anderlecht, daar nog maar één schamel puntje van overhouden.

Het zal niet gebeuren en ik wens het Club ook niet toe, en al helemaal voorzitter Bart Verhaeghe niet. Stel je voor: alles en iedereen controleren in het Belgisch voetbal en dan er niet in slagen om kampioen te spelen na een voorsprong van twaalf punten. Gesteld dat Murphy dat soort vreselijke plannen heeft met Club, is er nog één troost: van huize Verhaeghe is het niet al te ver naar Sint-Alexius.

St-Alexius

Advertenties

Valverde, of als de foutste de beste is in De Morgen van zaterdag 14 april 2018

Als de foutste de beste is

Geen wielrenner wint dit jaar meer dan Alejandro Valverde. Geen wielrenner heeft meer dopingboter op zijn hoofd. Toch zal een nieuwe overwinning in de Ardense klassiekers op bewondering worden onthaald.

Neen, de Amstel Gold Race van morgen heeft hij nog nooit gewonnen, maar hij was er al eens derde (2008) en twee keer tweede (2013, 2015). Een eerste AGR is hem op zijn oude dag (38 op 25 april) derhalve gegund. Een zesde Waalse Pijl aanstaande woensdag ook, tenslotte is er geen een in het peloton die rapper een muur omhoog kan rijden dan het mannetje uit Murcia van 61 kilogram.

Een vijfde Luik-Bastenaken-Luik volgende zondag zou dan weer heiligschennis zijn, want in dat geval komt Alejandro Valverde op gelijk hoogte van onze GOAT (greatest of all time) Eddy Merckx. Wat hij ook nog kan winnen dit jaar, is het loodzware wereldkampioenschap in Innsbruck: weinigen die hem kunnen lossen bergop en in de sprint is hij bij de allerrapsten van de lichte, sterke mannen.

Sinds zijn eerste deelname aan het WK in 2003, waarin hij meteen tweede werd na zijn landgenoot Igor Astarloa, heeft hij niet minder dan vijf andere podiumplaatsen versierd. In 2005 werd hij zelfs eens tweede in de sprint na Tom Boonen en verder nog vier keer derde. Bovendien, wie vier keer aan het eind van het seizoen de beste is van de ProTour of de WorldTour, mag ook eens wereldkampioen worden.

Dat Alejandro Valverde geen gewoon coureurtje is, wisten de kenners al sinds de jeugdreeksen toen hij tussen zijn tiende en dertiende alle wedstrijden won waar hij aan deelnam. Uit die tijd stamt zijn bijnaam El Imbatido of De Onverslagene. Drieëntwintig was hij toen het profpeloton hem leerde kennen door zijn twee ritoverwinningen in de Vuelta onder de vlag van Kelme en zijn derde plaats in de eindafrekening. Spanje had een alleskunner: eendagswedstrijden, korte en lange rittenkoersen, tijdritten, bergetappes, alles kon Valverde aan.

Y entonces?

Wat jammer dat hij toen bij Kelme koerste, is weleens geopperd. Kelme was samen met Euskaltel-Euskadi, de oranje mannetjes van het Baskenland, met afstand het foutste wielerteam in wat toen de ProTour heette. Spanje was het “het land van de brommertjes”, getuigden onze net iets minder foute renners. Alejandro Valverde was een Spaanse topper, voorbestemd om het speerpunt te worden van Kelme in de nationale concurrentiestrijd tegen Once en later Liberty Seguros, met Alberto Contador, en tegen Euskaltel met Iban Mayo.

In 2003 had Kelme pech, een bedrijfsongeval als het ware. Tijdens de zevende Tour-etappe van Lyon naar Morzine, gewonnen door Richard Virenque namens QuickStep, kwam ene Jesús Manzano ten val en werd semicomateus afgevoerd naar een ziekenhuis in de buurt. Wielrenners vallen wel meer, maar in maart 2004 deed Manzano een boekje open over de dopingpraktijken binnen zijn team en weet zijn levensbedreigende toestand van in de Tour aan experimentele bloeddoping door een dokter uit Madrid.

In Spanje was de reactie als vanouds – ¿y entonces? – maar de Tour had zes jaar na de Festina-affaire geen zin in een et alors?. De continentale ploeg Kelme werd deelname ontzegd (ook aan de Giro) en kreeg in dat jaar ook nog eens betalingsproblemen. In 2005 zou Valverde het schoenenmerk Kelme verwisselen voor Illes Balears, dat vanaf 2007 Movistar zou gaan heten, nog steeds zijn ploeg.

In 2006 was, als een laat gevolg van Manzano’s bekentenis, de politie binnengevallen bij een Madrileense gynaecoloog, die zichzelf tot sportarts had omgeschoold omdat daar meer geld en eer mee te verdienen viel. Manzano had Eufemiano Fuentes aangeduid als de man achter de bloeddoping, waarmee zijn team in 2003 was behandeld. Bij de raid onderzocht de guardia civil ook de bureaus van zijn buur en collega-arts José Luis Merino Batres, een hematoloog en bewaker van een bloedbank met zakken ‘diepgevroren’ rode bloedcellen. De opkuisactie heette Operación Puerto.

Fuentes en Merino Batres waren vooruitstrevend. De frozen red cell-techniek bestond al van in de jaren 90 en werd door Fuentes en enkele anderen, waaronder het labo Humanplasma in Wenen (bekend van Rabobank), gebruikt als alternatief nadat de opsporing van epo veel performanter werd en de transfusies met eigen bloed weer in zwang raakten. De klassieke transfusie, gebruikt door onder meer Lance Armstrong, voorzag in bloed aftappen en vier weken later weer opdruppelen. Bij Fuentes en co. ging dat minder omslachtig: rode bloedcellen konden jaren worden bewaard na toevoeging van glycerol, gevolgd door diepvriezen op min 80 graden.

De guardia ontdekte een gesofisticeerde centrifuge, de ACP 215, en bloedzakjes met daarop nummertjes, geen namen. Tot ze bij dokter Merino Batres in zijn portefeuille een printje vonden, waarbij naast de nummers van de bloedzakjes codenamen stonden. (Merino Batres was toen al vergeetachtig en later is bij hem alzheimer vastgesteld.)

Hijo de Rudicio was bijvoorbeeld zo’n codenaam, of Birillo, of Clasicomano Luigi. Die laatste werd lang toegewezen aan Fabian Cancellara, tot Thomas Dekker met zijn bekentenissen kwam. Hijo de Rudicio bleek de zoon van Rudy Pevenage te zijn, Jan Ullrich dus. Birillo was de naam van de hond van Ivan Basso, dus dat leek ook opgelost. Niet zo Valv. Piti, de zak met nummer 18-242, gedateerd van 23 mei, de dag van de inval nota bene.

De hond Piti

In de Tour van 2006 werd Jan Ullrich, Ivan Basso en Francisco Mancebo de start ontzegd. Alejandro Valverde, dat jaar voor het eerst winnaar van de dubbel Waalse Pijl-Luik-Bastenaken-Luik, hield zich gedeisd, maar had blijkbaar na een deugddoende rustperiode op 23 mei ook een zakje zuurstofrijk bloed afgestaan. Het plan was om dat bloed aan te wenden in de Tour van 2006, maar het bloed was in handen van de politie en in de derde rit viel Valverde: sleutelbeen gebroken en huilend uitgestapt.

Een jaar later volgden de eerste insinuaties aan zijn adres. Valv. Piti, zo lastig was het nu ook weer niet. Piti was zijn hond. “Ik heb geen hond die Piti heet”, maakte Valverde er zich vanaf, terwijl in juni 2006 in een reportage in de sportkrant AS, ‘Een dag met Valverde’, wel degelijk sprake was van de hond Piti.

Tot de dag voor het WK in Stuttgart was zijn deelname onzeker. Inmiddels had het Italiaans olympisch comité CONI via een legale weg bekomen dat ze de bloedzakken van Operación Puerto mochten onderzoeken. Daar zat een plan achter. In 2008 arriveerde de vijftiende rit van de Tour de France in Italië (Prato Nevoso) en op de daaropvolgende rustdag in Cuneo werd van Valverde bloed afgenomen door het Italiaans antidopingagentschap.

Het bewijs was geleverd: DNA van bloedzak 18 én van het bloed van Valverde matchten. Op 11 mei van 2009 werd Valverde voor twee jaar geschorst als wielrenner, maar alleen op Italiaans grondgebied. Nog een jaar later durfde de internationale wielerunie UCI het aan om de zaak zelf aanhangig te maken bij het WADA, het mondiale antidopingbureau. Alles gereden en gewonnen in 2010 werd hem retroactief afgenomen en hij werd tot eind 2011 wereldwijd geschorst.

Er zijn wel meer tijdgenoten van hem – zoveel rijden er niet meer en geen één van zijn niveau – die tegen de dopinglamp zijn gelopen. Ze zijn de laatsten van een generatie voor wie gericht doperen als beroepsernst gold en die daar ook voor uitkomen. Valverde evenwel blonk en blinkt uit in ontkenning.

Toen hij in 2012 terug in competitie kwam, bleef hij ontkennen: “Ik heb niks fout gedaan. Mijn geweten is zuiver, ik heb de wet gerespecteerd.” Later zou hij over zijn straf zeggen dat “ze is wat ze is en ze is achter de rug”. Maar nog vorige maand in een lang interview met het Franse (aan L’Equipe en dus de Tour gelieerde) magazine Vélo, geen woord over die zaak.

Wel over zijn nieuwe comeback, begin dit jaar, het gevolg van een zware val tijdens de openingstijdrit van de Tour vorig jaar, waarbij hij een knieschijf en enkel brak. Met 37 jaar is dat normaal fin de carrière, maar Valverde vocht terug en voert vandaag de individuele winnaarslijst van 2018 aan met negen overwinningen.

Spieren met een geheugen

Ondanks zijn verleden – hopelijk niet dankzij – wordt Alejandro Valverde vandaag door de meeste van zijn collega’s bewonderd. Zoals Thomas De Gendt nog tweette over zijn prestatie tijdens Dwars door Vlaanderen: “Da rennertje van Movistar is precies zo slecht nog nie. Daar gaan we nog veel van horen in de toekomst.” Ook commentatoren die hem in zijn superjaren vanaf 2013 (2012 ging behalve brons op het WK de mist in) altijd met wat dopingvoetnoten bedachten, lieten vanaf 2015 (winst in Luik en Waalse Pijl, herhaald in 2017) hun bewondering de vrije loop.

Valverde is voor sommigen het rondrijdende bewijs dat doping niet helpt, want hij is nu beter zonder dan met doping. Anderen zien dan weer het bewijs voor het tegenovergestelde: eens een dopeur, altijd een dopeur, zelfs al dopeer je niet meer.

Voor beide meningen valt iets te zeggen. Valverde was ongetwijfeld een supertalent, maar had problemen met grote rondes waarin hij altijd een of meerdere jours sans had. Een bloedzakje of twee onderweg had hem aan meer dan één groterondezege (Vuelta 2009) kunnen helpen.

Was hij een minimalist of een full-blown dopeur? Wie zal het zeggen? Is hij nu clean? Aangezien er geen (let op het woord ‘geen’) wondermiddelen bestaan, én hij een heel seizoen altijd voluntaristisch koerst, én de dopingcontroles veel performanter zijn, krijgt hij het voordeel van de twijfel.

Maar wat is clean? Recente studies hebben alvast aangetoond dat het erg waarschijnlijk is dat doping in het lichaam een blijvend effect heeft. Dat is bewezen voor spierversterkende middelen, waarmee Valverde voor alle duidelijkheid nooit in verband is gebracht.

Geldt dat ook voor epo? Hij is van na de epoperiode en heeft wellicht alleen bloedtransfusies meegemaakt. Bloedtransfusies dan? Er zijn studies opgezet om te bewijzen dat eens bepaalde systemen in het lichaam zijn geactiveerd, ook door illegale praktijken, het lichaam er sneller zou naar terugkeren. De spieren zouden met andere woorden dat hogere niveau van presteren in hun geheugen hebben opgeslagen.

“Ik was goed voordien en ik ben beter geworden. Niemand twijfelt aan mijn prestaties”, beweert Valverde. Dat laatste is overdreven, maar dat niemand twijfelt aan zijn passie voor de koers staat als een paal boven water. Toch is het wachten op de pensionering van deze oude dopingkrokodil, als het even kan zonder ongelukken, om een onzalige periode af te sluiten.

Hoewel, hij amuseert zich nog. “Zolang ik win, blijf ik koersen. Alvast tot Tokio 2020.” Daar is een verklaring voor. In Rio 2016 eindigde hij op negen minuten van winnaar Greg Van Avermaet en in geen enkele olympische race is hij al in het stuk voorgekomen. Dat kan beter.

Valverde

Over het hart van de wielrenner en andere sporters in De Morgen van dinsdag 10 april 2018

Als de stroom plots uitvalt

Het overlijden van de beloftevolle renner Michael Goolaerts roept veel vragen op. Was het een tragisch noodlot – het hart blijft immers onvoorspelbaar? Of stelt de wielersport veel te hoge eisen aan ons lichaam?

Zoals bij elk drama zijn lijstjes gemaakt. Die over het aantal schietpartijen op Amerikaanse scholen hielden nog een beetje steek. Die over het aantal doden dat het Vlaamse wielrennen heeft moeten betreuren, slaan nergens op. Ongelukkigen die in het verkeer stierven of door een val worden op één hoop gegooid met de hartdoden.

Jawel, Vlaanderen heeft regelmatig (hart)doden in het wielrennen, maar wielrennen is hier dan ook een buitensporig populaire sport. Jawel, Vlaanderen is ook een rampzalig onveilige regio om te fietsen. Jawel, wielrennen is een van de meest onveilige sporten voor het hart. Jazeker, het aantal (hart)doden is statistisch onverklaarbaar, maar kleine getallen geven vaak grote statistische afwijkingen.

De feiten nu. De laatste bekende studie (Bernat López, Universiteit van Barcelona) heeft het over 54 hartdoden in het wielrennen tussen 1970 en 2009: 27 Belgen, 12 Nederlanders, 4 Italianen, 3 Fransen, 2 Britten en dan telkens 1 wielrenner uit nog eens 6 landen.

In Duitsland overleden tussen 1981 en 1994 meer dan 2.000 mensen aan plotse hartdood bij inspanning: 628 van hen waren voetballers, 151 tennissers en 124 wielrenners. Dat lijkt niet abnormaal. Zet je al die Duitse wielerdoden op een rijtje, dan krijg je een ander verhaal. Kijk je naar elk geval apart, dan krijg je wéér een ander verhaal.

Het blijft bij de meeste van die gevallen een raadsel waarom een machine van 10.000.000.000 cellen die 100.000 keer per dag goed klopt, die ene keer in de problemen komt. Lange tijd werden de hartdoden in het wielrennen verklaard door dopinggebruik. Alle specialisten zijn het erover eens dat er geen verband is tussen doping en plotse hartdood. Plotse hartdood is ook niet het voorrecht van wielrenners, maar wordt meer gemediatiseerd dan die van pakweg voetballers.

De opvallendste hartdoden van deze eeuw waren trouwens geen wielrenners, maar voetballers: Miklos Feher (Benfica), Marc- Vivien Foé (Kameroen), Antonio Puerta (FC Sevilla) en recent nog Davide Astori, de kapitein van Fiorentina. Ook heel veel jonge voetballertjes bezweken/bezwijken aan hun hart nadat ze in actie onwel waren geworden.

Plotse hartdoden bij inspanning – zoals de ongelukkige Michael Goolaerts en eerder Daan Myngheer in Corsica – komen niet vaak voor in het wielrennen. De meeste hartdoden overlijden in hun slaap, zoals Jong Vlaanderen-renner Frederiek Nolf, die stierf in Qatar in februari 2009. Of Rob Goris in juli 2012. De recentste ongelukkige heette Bjarne Vanacker uit Torhout, hij was 20.

Screening

Plotse hartdood is te vergelijken met een kortsluiting in de elektrische leidingen van een huis. Ineens gaat het fout en valt de stroom uit, waardoor het hart stopt. Oorzaken zijn vaak een slecht functionerende hartspier als gevolg van een genetische aandoening. Vooral die laatste hartaandoening treft gezonde, jonge mensen in hun slaap.

Een plotse hartdood bij inspanning komt dan weer zelden onaangekondigd, alleen moet men de symptomen kunnen herkennen. Flauwvallen na een inspanning, bijvoorbeeld, is geen goed teken.

Precies omdat het hart de beperkende factor is in het wielrennen, en ook het meest belaste onderdeel van het menselijk lichaam, worden wielrenners de jongste vijftien jaar speciaal gescreend. Om de twee jaar wordt er een elektrocardiogram bij inspanning of een echografie afgenomen bij alle renners, tot en met de amateurs. In Italië geldt dit voor alle sporters en is men ook strenger dan bij ons. Het is het Europees land met de minste hartdoden, maar Davide Astori bewees dat screening niet alle problemen detecteert. Elke minste aanwijzing voor een hartaandoening geeft in Italië wel aanleiding tot een sportverbod, denk maar aan de voetballer Thomas Foket die zijn transfer van Gent naar Bergamo zag opgeschort, waarna hij een operatie onderging in België.

Toch is er iets loos met de sport wielrennen. Iedereen die min of meer sportief fietst, weet dat je in tegenstelling tot in andere uithoudingssporten als lopen en zwemmen op de fiets over je toeren kunt gaan en dat zelfs gedurende lange tijd, om toch maar niet te moeten lossen. Het is de enige sport met een grote statische component (een krachtsport) én tegelijk een grote dynamische component (een uithoudingssport).

Geen sport stelt hogere eisen aan het hart dan wielrennen. Het hart moet veel bloed rondpompen aan een hoog hartdebiet, en tegelijk moet het hart dat bloed door sterk samentrekkende beenspieren duwen om alle vezels van voldoende zuurstof en voeding te voorzien. Dat alles in een lichaam dat gehoekt zit.

Onvoorspelbaar

Uit alle publicaties, onder meer van de Leuvense cardioloog Fagard, blijkt dat de structurele veranderingen in het hart van de wielrenners anders zijn dan bij andere uithoudingssporters. Afstandslopers krijgen ook een groter hart om veel volume te kunnen rondpompen, maar dat gaat niet gepaard met hypertrofie van het hart. Er treedt met andere woorden bij lopers en zwemmers geen verdikking van de hartspier op. Het hart van de wielrenner moet groter én sterker worden. Vooral dat laatste schept soms problemen.

Een goed hart wordt soms zonder duidelijke aanleiding een slecht hart en vertoont ritmestoornissen. In 2003 verscheen een artikel in The European Heart Journal van de hand van zeven topcardiologen uit Nederland en België. Het artikel was het gevolg van een studie besteld door de internationale wielerbond UCI. De werktitel was ‘Van koersen val je dood’, maar dat vond de UCI geen goed idee. De uiteindelijke titel werd: ‘High prevalence of right ventricular involvement in endurance athletes with ventricular arrhythmias’, of het vaak voorkomen van hartproblemen in de rechterkamer bij atleten met ritmestoornissen.

Zesenveertig uithoudingsatleten met hartritmestoornissen werden gedurende 4,7 jaar gevolgd, 80 procent van hen waren fietsers. Ongeveer 5 procent had een verdikte hartspier of een afwijking aan de kleppen of de kransslagaders. Tachtig procent van de hartritmestoornissen had een zogeheten ‘linkerbundeltakblok’, een vertraagde geleiding in de hartspier door slijtage van het geleidingsweefsel. In 59 procent van de atleten ging het om een stoornis in de rechterkamer, en in nog eens 30 procent was er een aanwijzing voor dat probleem. Achttien van de 46 atleten kregen een belangrijke hartritmestoornis. Negen van hen overleefden het niet. Alle doden waren wielrenners.

Wielrennen was de eerste sport die binnen haar medische commissie een cardiologische commissie installeerde. In een discussienota schreef de commissie al halfweg de jaren 90: “Het is de enige sport waarin zowel de aerobe als de anaerobe capaciteit wordt getraind tot de limiet en dat uren aan een stuk.”

De Nederlandse cardioloog Hoogsteen schreef in het Medisch Journaal van 2010: “Wat het hart zelf betreft, dat is de motor voor al deze prestaties. De linkerkamer is door de dikte van de spier voldoende beschermd tegen de hoogvolumebelasting, de rechterkamer daarentegen met haar dunne wanden kan deze vorm van volumebelasting soms moeilijk verdragen.”

Drie soorten harten

De wielergeschiedenis van Michael Goolaerts is niet erg bekend, behalve dat hij bij de juniores op de wielerbaan bij de beteren was in de achtervolging. Een zwaar nummer, maar dat verklaart natuurlijk geenszins dit tragisch einde.

Had men bij Goolaerts de problemen sneller kunnen detecteren? Het is niet bekend hoe intensief de screening in zijn geval is geweest. Niks is zeker in dezen en speculeren is uit den boze. Niet alles in het menselijk lichaam is te voorspellen en dat geldt zeker voor onze belangrijkste spier.

Een cardioloog verwoordde het ooit zo: “Er zijn drie soorten harten. Een slecht hart, dat je er zo uithaalt en direct kunt verbieden om aan sport te doen. Een goed hart, waar nooit iets mee gebeurt, hoe je dat hart ook belast. En ten slotte een goed hart, dat om onverklaarbare redenen in kortsluiting gaat en waarvan je kunt sterven.”

 

Kortsluiting in het hart

Column over Peter Sagan in De Morgen van maandag 9 april 2018

Geen sleper maar een kampioen

“Peter Sagan is zelf een sleper.” Het was niet duidelijk wat Tom Boonen had gedronken toen hij dat er uitspuwde, of wat hem anderzijds bezielde. “Een goeie vriend, de Peter,” aldus den Tom, maar er zijn twijfels over de oprechtheid van die bewering. Als hij de Slowaak onder de grond wilde stoppen, is dat toch enigszins anders uitgedraaid. Het is ook baarlijke nonsens: Peter Sagan is samen met Alejandro Valverde de meest spectaculaire renner van het hele profpeloton.

Het commentaarduo van de VRT vroeg zich af of hij dat verwijt van een sleper te zijn wel had meegekregen. Reken maar van wel, in deze tijden van sociale media en lopende vuurtjes. Reken ook maar dat hij zal hebben gedacht aan een nummertje om de puntjes op de i te zetten.

Die kans deed zich voor op goed vijftig kilometer van de streep. Ineens vertrok hij en de groep met alle groten aarzelde. “Ze laten hem rijden, ze geven hem een halve minuut”, zo klonk het. Dat is het eeuwige probleem: is het glas halfvol of is het halfleeg?

Het was wel degelijk halfvol, want er zat snee op Peter Sagan. De man die hem als eerste had kunnen achternasnellen, was onze Greg Van Avermaet, maar Greg keek naar de andere groten. En die keken naar hem. En de vreemde vogel met de rare brillen was gaan vliegen. Daarna draaide het wel rond, maar behalve op Carrefour de l’Arbre kregen ze niks meer van hun achterstand af. Van een nummer gesproken.

Toen hij bij de leiders kwam, met daarbij twee hardrijders buiten categorie als Jelle Wallays en Silvan Dillier, zal Peter Sagan ook wel verbaasd hebben opgekeken dat de moedige aanvallers op een enkeling na nog wel wat zin hadden in koers maken. Wij vonden het natuurlijk raar dat zo’n Wallays nog ettelijke kilometers vol meereed met de Slowaak, maar wielrennen is in de eerste plaats een sport van in beeld komen en wordt – althans in de klassiekers – niet met nationale ploegen gereden.

Wallays kreeg zijn five minutes of fame, maar de meest verbazingwekkende renner gisteren was Silvan Dillier. Na 218 kilometer in de aanval moest die op het einde op de wielerbaan maar een paar meter prijsgeven aan Peter Sagan.

Tien jaar nadat hij als junior onder de vod van de laatste kilometer werd gegrepen door de huidige B-renner Andrew Fenn, heeft wereldkampioen Sagan de wedstrijd gewonnen die hem tot nog toe het minst gunstig gezind was, maar waarin hij als ex-mountainbiker absoluut moest kunnen uitblinken. Voor een staaltje van zijn stuurmanskunst moet je terugspoelen naar de kasseistrook in Hem, waar hij als een acrobaat overvloog en ineens weer tien seconden extra bij elkaar trapte. Dillier in de vernieling rijden – duidelijk zijn bedoeling, zoals hij pas op het laatste de obstakels vermeed – lukte dan weer niet. Daarna leek het alsof de twee naar de wielerbaan cruiseden, alleen gaf de teller van de begeleidende motard continu snelheden van boven de vijftig aan.

Sagan een sleper, wat een onzin toch. Een smeerlapje, dat wel. Een showmannetje, dat zeker. Een doe-het-zelver, zoals hij aan zijn stuurpen begon te sleutelen terwijl de keur van het voorjaarspeloton hem als een roedel wolven achtervolgde. Een grote muil, helemaal. Maar in geen honderd jaar een sleper. Wel iemand die weet hoe hij winst moet binnenhalen, wat hij moet doen op welk moment in de koers. Een kampioen, kortom.

Hoe uitzonderlijk Peter Sagan wel niet is, bewijst hij dit voorjaar. In Gent-Wevelgem klopte hij rassprinters als Elia Viviani en Arnaud Démare. In Parijs-Roubaix reed hij weg van alle grote voorjaarsmotoren, onder wie Greg Van Avermaet, Sep Vanmarcke, Wout van Aert, Jasper Stuyven en Niki Terpstra, om uiteindelijk de maat te nemen van een Zwitser die met een pinkbreuk een tijdje out was. Die pinkbreuk en daardoor opgelegde rust en opgedane frisheid was trouwens de reden dat hij die monsterinspanning heeft volgehouden.

Voor de Belgen ziet het er stilaan benard uit dit voorjaar, al zijn de Amstel Gold Race en Luik-Bastenaken-Luik ook op maat van Tiesj Benoot, die al de Strade Bianche heeft gewonnen. Dat er weer geen Belg op het podium stond gisteren is hooguit een momentopname. Zolang een haperende ketting de stomme oorzaak is dat een kanjer als Wout van Aert op het laatst wegvalt, en niet een gebrek aan intrinsiek talent, kan het goed komen in de toekomst.

 

Sagan

Column Boxing Stars in De Morgen van zaterdag 7 april 2018

Boxing Stars

Op de Olympische Spelen mag elk land zes atleten afvaardigen. Dat heet de Olympische universaliteit maar die is aan beperkingen onderhevig. Iemand in het bmx laten starten zonder dat die lang genoeg een bmx-fiets heeft bereden, is ronduit gevaarlijk voor de gelegenheidsbmx-er en misschien nog meer voor alle anderen in zijn serie. 

Daarom geldt die universaliteit alleen in atletiek – ook niet polstokspringen maar het ongevaarlijke lopen – en zwemmen. Al is ook daar enig risico aan verbonden want ik heb in 2000 in Sydney in de eerste serie van de honderd meter vrije slag een Afrikaan haast zien verzuipen rond de 75 meter. Gelukkig had die de reflex om zich aan de koord vast te houden en naar adem te happen. De hele hal gierde het uit. 

Een absolute no-gosport voor die universaliteit is boksen. Stel je maar eens voor dat je een ongetrainde bokser tegen een getrainde in de ring zet: als het wat tegenzit kan die eerste binnen de minuut naar de neurochirurg van wacht. 

Donderdagavond keek ik televisie en hoopte ik dat het zou tegenzitten voor Faroek Özgünes. Die ochtend had ik in de krant een stukje gelezen over een programma dat al aan zijn tweede aflevering toe was: het heet Boxing Stars en het speelt op VTM. Faroek, justitiespecialist van die zender, had in dat krantenverhaaltje de tekst: “Ik wil klappen geven, pijn doen.” Van een bekentenis gesproken.

Faroek moest het in de zogeheten lichtgewichtklasse opnemen tegen ene Sieg De Doncker, naar het schijnt een BV. Nadat ze beiden in de ring waren geschreeuwd door de menselijke vleesboom Sergio, kreeg ik plotsklaps medelijden met Faroek. Daar stond hij dan, een klein, gezet mannetje met ronde schoudertjes, tegenover een atleet met een getrainde schouderpartij, minimaal tien kilo meer, tien centimeter langer, vijftien centimeter langere armen had en ook nog eens 25 jaar jonger. Een knoert van een mismatch die je alleen in de open categorie in het judo nog wel eens tegenkomt, maar zoals bekend is dat geen sport waarin je op elkaars gezicht moet/mag slaan.

Patser Faroek had evenwel de toon gezet met zijn quote en Sieg nam derhalve geen risico: hij haalde twee ronden lang de voorhamer boven zodat de justitiespecialist al in de eerste minuut tussen de benen van zijn beul belandde. Nadien ging het hoopje ellende genaamd Özgünes nog een paar keer door de knieën maar werd nog niet uitgeteld. Gelukkig gooide zijn trainer de handdoek. Justitieberichtgeving zal op VTM nooit meer dezelfde zijn. 

In datzelfde programma had Laura Tesoro eerst Bieke Ilegems van hot naar her geslagen maar eindigde ondanks haar overwicht ook met een bloedneus. In de omkadering vroeg Ann Lemmens vooraf aan Erik Goossens, de man van Ilegems: “Je hebt zo’n mooie vrouw, zo’n prachtig gezichtje, gaat daar straks iets van over blijven?” Voor beschaving, één afspraak: donderdagavond bij VTM. 

Ik begrijp dit programma niet. Ik begrijp niet dat een zender daar zendtijd voor vrijmaakt. Ik begrijp niet dat een gerespecteerd trainer als Hubert Fierens zich daar mee inlaat. Ik begrijp ook niet dat Freddy De Kerpel daar aan meewerkt. 

Ik begrijp nog minder referee Daniel Van de Wiele. De man heeft ooit kampen met Lennox Lewis en Vitaly Klitschko geleid en nu moet hij ervoor zorgen dat Bekende Vechters met hun straattechniek elkaar de hersens niet inslaan. Commentator Jan Van den Berghe (75), die ze voor de gelegenheid uit het rusthuis hadden gerold, begrijp ik dan maar al te goed. Die zou een moord begaan om op televisie te komen.

Getrainde boksers (m/v) verdienen het grootste respect voor hun fysieke en technische prestatie, maar boksen is een even moeilijke als gevaarlijke sport. Recreatief boksen – niet verwarren met recreatieve bokstraining – bestaat niet. De finaliteit van boksen is ten slotte elkaar zo hard op de hersens meppen dat het licht uitgaat en dat kan nooit gelegenheidsamusement zijn. En dan maar klagen over toenemend gratuit geweld in de maatschappij.

Boksen formatteren als een soort Wauters vs. Waes of Spel zonder Grenzen, is waanzin. Aan boksen zijn alleen maar grenzen en ongetrainden op elkaar los laten als twee pitbulls, is gekkenwerk. Ongetrainden die een kwarteeuw en ettelijke kilo’s verschillen op elkaar laten inhakken, in de hoop op mooie kijkcijfers, is zelfs misdadig.

 

Boxing Stars

Column Holland Boven in De Morgen van maandag 2 april 2018

Holland boven

Zondag op de luchthaven van Charleroi stond Eurosport op: de Ronde van Vlaanderen. Er was nog meer dan honderd kilometer te gaan toen onze vlucht werd afgeroepen voor boarding. Op dat moment passeerde een groep West-Vlaamse jongelui. Ze keken een minuut of wat en één vroeg “voor wie bij jij?” Zijn maat wees op Tim Declercq die voorop sleurde. “Voor QuickStep. Om het even wie mag winnen, als het maar die Terpstra niet is.” Het was lang vliegen maar taxiënd op de tarmac wist ik met dank aan de kostenloze roaming binnen de EU meteen hoe laat het was: Niki Terpstra had gewonnen.

Gisteren had L’Equipe een verhaal met ene Lefévère. Dat is Patrick Lefevere van wie de Fransen weigeren zijn naam te schrijven zoals die op zijn identiteitskaart staat. Waar die doorbraak van Terpstra ineens vandaan kwam en of dat zijn populariteit ten goede zou komen want had Terpstra niet een beetje een koud imago in het peloton?

Lefevere was eerlijk: Terpstra heeft het als Nederlander in een Belgische ploeg in een Vlaamse sport niet makkelijk om zich door te zetten. Hij betwijfelde of dat zou veranderen nu hij de mini-Ronde en de echte Ronde van Vlaanderen in hetzelfde jaar had gewonnen, na in 2014 ook al Parijs-Roubaix te hebben gewonnen.

Aan die laatste wedstrijd hangt een verhaal. Niki Terpstra sprong toen weg uit een groep van elf, waar nog twee andere QuickSteppers in zaten: Zdenek Stybar en Tom Boonen. De hiërarchie bij QuickStep was gekend: eerst Boonen, dan de rest. Van die groep was Boonen normaal de snelste sprinter, maar wat is normaal na 257 kilometer en 28 secteurs met pavés?

John Degenkolb bleek de snelste en Tom Boonen eindigde laatste van dat groepje, dat sprintte voor de tweede plek: Niki Terpstra was voorop gebleven en had twintig seconden voorsprong bijeen geharkt. Een overwinning van QuickStep, luidde het toen, toevallig behaald door de Hollander in dienst. De fans van Boonen hebben het de Hollander nooit vergeven. Boonen zelf? Dat is niet zo duidelijk. Bij QuickStep verbeten de Boonen-fans hun ergernis.

De ongemakkelijke waarheid is dat ze bij QuickStep al te lang hun bonen te weken hebben gelegd bij Boonen. Na 2012 is hij nog één keer in de buurt gekomen van een overwinning in een monument. In 2016 werd hij geklopt door Matthew Hayman in de sprint op de wielerbaan van Roubaix nadat hij zich als een nieuweling had laten insluiten.

In haast alle wedstrijden waarin hij na zijn superjaar 2012 startte, is de koerstactiek in functie van Tom Boonen uitgestippeld. Zelfs in zijn laatste jaren als wegkapitein werd gekoerst zoals hij het aanstuurde. Sinds Boonen weg is, rijden de QuickSteppers als een bende vrijbuiters. De gevreesde chaos is uitgebleven en de oude Mapei-leuze van vincere insieme – samen winnen – is terug. Zoals Yves Lampaert zich tijdens de E3 total loss reed om Terpstra zo goed mogelijk te lanceren, dat was het nieuwe QuickStep. Het oude QuickStep, dat was de Omloop 2015 toen drie QuickSteppers gokten op de sprint van Tom Boonen maar vergaten achter Ian Stannard te rijden. Bij die drie zat Terpstra, die toen ook veel kritiek kreeg.

Van 1986 is het geleden dat een Nederlander de Ronde van Vlaanderen heeft gewonnen. Een mijlpaal. Nederland heeft geen breed wielerheir zoals Vlaanderen, koestert ook niet dezelfde soms absurde passie voor de koers, maar klopt ons wel op alle vlakken en op alle fietsen en in alle wedstrijden.

Bij de vrouwen: Holland boven. Te veel namen om op te noemen, maar ze waren 1, 2, 3 in de Ronde. Tijdrijden: Holland boven met Tom Dumoulin en Jos van Emden. Grote rondes: Holland boven met opnieuw Tom Dumoulin, Wilco Kelderman, Bauke Mollema, Wout Poels, Steven Kruijswijk en er komen er nog aan. Sprinten: welke Belg klopt Dylan Groenewegen? Klassiekers: over de laatste vijf jaar staat het 3-2 voor Nederland, met twee keer Terpstra en Poels in Luik-Bastenaken-Luik. Baanwielrennen: Holland boven. BMX: Holland boven en ga zo maar door. Alleen in veldrijden zijn we Nederland nog de baas, althans in die ene wedstrijd.

Hoog tijd dat de technisch departementen van Belgian Cycling en Cycling Vlaanderen een kijkstage organiseren over de grens. Een suggestie voor een insteek: hoe talent afwerken.

DM-COL-Holland boven-mail

Column Pa(lani Road) in De Morgen van zaterdag 31 maart 2018

Pa(lani Road)

Toen alle argumenten om hem aan het bewegen te krijgen op waren en hij almaar meer klaagde over zijn verlamde onderbenen, vond ik de ultieme aansporing. Ik zei: “Pa, moest Marc Herremans in zijn voeten een tiende voelen van wat jij nu voelt, hij springt een gat in de lucht.”

Pa knikte, zuchtte en probeerde nog eens uit zijn stoel te komen. Het heeft niet mogen baten, het immobilisme met daarbovenop een infectie werden hem fataal en donderdag heb ik afscheid genomen van de man die mij leerde sporten en door wie ik in de journalistiek ben terechtgekomen omdat ze mij bij de krant Vooruit herkenden als ‘de zoon van’.

Op de pagina hiernaast staat zijn overlijdensbericht en neen, alstublieft, u hoeft mij niet te condoleren, daarvoor schrijf ik dit niet. Ik was zelfs al een andere column begonnen over het waanzinnige idee om Marc Coucke voorzitter van de Profliga te maken, maar toen opende ik de digitale editie van Het Nieuwsblad en zag ik Marc Herremans (44) in volle glorie.

Nou ja, volle glorie, de kop liet iets anders vermoeden: “Griep, longontsteking en zware brandwonden: ‘Maar ik blijf relativeren.'” Ik las het verhaal, stuurde hem een sms’je. Prompt kwam een bedankje terug. Marc Herremans had een maand in het ziekenhuis gelegen, nadat hij tijdens een griep een warmwaterkruik op zijn verlamde benen had gelegd. Die was ontploft. Gevolg: derdegraadswonden en ziekenhuis binnen. Nog erger: hij kreeg er de ziekenhuisbacterie.

Nu is hij volgens de eigen Facebook terug: from zero to human again. Again is een stopwoordje geworden voor Marc Herremans.

Ik doe dit vak al een tijdje en sommige atleten hebben op mij diepe indruk gemaakt. Michael Jordan bijvoorbeeld – ik doe nu een knieval -, die ik zowat verafgoodde. Eddy Merckx was al gestopt toen ik hem beter leerde kennen, maar naar hem keek ik op als de man die mijn jeugd had gekleurd. Johan Cruijff ben ik nog gaan interviewen als broekje, toen hij coach van Ajax was. Eén vraag heb ik gesteld en hij ratelde mijn bandje in de walkman vol. In trance stapte ik Voorland buiten.

Jordan, Merckx, Cruijff, dat waren de ordinary people. Daar nog iets boven staan de buiten categorie, omdat ik met hen emotionele momenten heb beleefd en buitengewone gesprekken gevoerd: Robert Van de Walle is daar een van, Marc Herremans is een andere.

Ik stond in 2001 tijdens de halve triatlon van Brasschaat precies op de plek waar hij instortte tijdens het lopen. Hij, de ex- paracommando en ex-daklegger, toen nog voorzien van alle fysieke capaciteiten waarmee hij was geboren, zou enkele maanden later deelnemen aan de Ironman van Hawaï. Ik dacht no way, maar hij werd toch mooi zesde en wilde daarna nog maar één ding: Hawaï winnen.

Dat was in 2001. Op 28 januari van 2002 viel hij op Mirador de Haria op Lanzarote naast de weg op een rots en raakte verlamd. Geen tien maanden later stond hij opnieuw aan de start in Kona, als rolstoelatleet. Toen hebben ze hem doodziek uit het water moeten vissen, maar niet in 2003 en daar was ik bij.

Kijk naar de foto. Ziet u de diepte achter hem? Dat is geen optisch effect, maar het eerste stukje van Palani Road tot Kuakini Highway, een hobbel van 100 meter, stijgingspercentage haast 20 procent. Marc Herremans deed er vijf minuten over om zich naar boven te hijsen. Ik lag op het bloedhete asfalt met open mond te kijken: nooit heb ik meer pure wilskracht gezien als die dag bij het begin van zijn afsluitende marathon. Nog een geluk dat ik achter een knoert van een telelens lag, zo kon niemand mijn tranen zien.

Zoek op YouTube op ‘to walk again’ en aan het eind van de trailer van de echte film, die iedereen in de sport móét hebben gezien, zit die bewuste klim.

Marc Herremans is terug thuis en ik weet zeker dat hij erbovenop komt. Hij is het ultieme rolmodel voor elke sporter, van recreant tot prof: nooit opgeven, altijd terugvechten en beseffen dat pijn en afzien een voorrecht is. Marc Herremans is mijn held, een voorbeeld, een weldoener via zijn stichting en een ongelooflijke inspirator. Volgende week komt het allemaal samen, als ik op Lanzarote zit. Per fiets bovengekomen aan de Mirador, waar Marc is gevallen, mijn eigen bedevaart van de wilskracht, zal ik hem eren zoals de afgelopen vijftien jaar.

 

DM-COL-Pa(lani Road)

Interview Oliver Naesen in De Morgen van zaterdag 31 maart 2018

‘Dagen op de fiets zijn altijd mooie dagen’

Woensdag viel hij nog uit met een gehavende knie, morgen wil hij alweer vol aan de bak als kopman in de Ronde van Vlaanderen. Maar nationaal kampioen Oliver Naesen (27) zul je niet horen klagen over zijn ‘zwaar beroep’, integendeel. ‘Koers moet hard zijn.’

De zelfverklaarde wielerkrant Het Nieuwsblad zette hem voor haar Wielergids van 2018 als een stripfiguur op de cover en gaf hem een column, terwijl alle andere media zijn voordeur platliepen (en nog steeds) voor interviews en quotes. Iets maakt deze jongen hotter dan hot en dat zijn niet alleen zijn positieve en intelligente babbels. Zijn palmares dan? Drie gewonnen koersen, dat kan het ook niet zijn. Zijn leeftijd? Hij is al 27 en toch voorspellen insiders hem een mooie toekomst, houden wielervolgers van hem en prijzen fietsende collega’s hem om zijn onuitputtelijk voluntarisme.

Dat is in niks veranderd sinds die dag dat hij opviel omdat hij als amateurke twee profs onder hun voeten gaf omdat ze in een kermiskoers niet met hem naar de meet wilden rijden. “Hé mannen, ik heb wel congé moeten pakken om te koersen en nu willen jullie niet rijden?” Hij won die koers en werd prof. Een ploegleider had tegen zijn baas gezegd dat hij een hele straffe had gezien.

Hoewel Oliver Naesen ook dit voorjaar nog niet heeft gewonnen, stapte deze krant aan de vooravond van de Vlaamse hoogmis af in Wanzele. Stel u een nieuwbouwflat voor op de begane grond, een doorgangswoning in afwachting van de bouw van het eigen huis. Het tuintje is van kunstgras, comfort voorop. De garage is een fitnessruimte. In een lichtrijke hoek van de woonkamer waar elke andere bewoner een bankstel of een tafel neerzet, staan een fiets, een smart trainer en een scherm.

Oliver Naesen: “Eerst rij ik hier voor het ontbijt ’s ochtends een uurtje op, of langer, samen met de anderen.” De anderen, dat zijn de Zwift-aficionado’s die hij samen met zichzelf in realtime op het grote scherm voor hem ziet. “Het stikt van de profs op Zwift. Op een dag stond Leon van Bon (oud-wielrenner en tegenwoordig sportfotograaf, HV) hier voor de deur. Hij werkt ook voor Zwift en vroeg of hij zo’n set-up mocht installeren. Natuurlijk mocht dat. En of ik er een scherm bij wilde. (lacht) Ik zei ‘doe maar’.”

Ik heb veel goede interviews met jou gelezen ter voorbereiding. Zou een slecht interview met jou kunnen?

Oliver Naesen: “Ik denk het wel. Eens proberen? (lacht) Goh, ik probeer zo eerlijk mogelijk te antwoorden op de vragen, maar de laatste tijd zijn daar veel dezelfde bij en dat maakt het toch wat saaier en voorspelbaarder. Ik praat graag over meer dan over hoe mijn benen voelen.”

Ik begin toch met een moeilijke. Niemand met jouw beperkte palmares wordt geïnterviewd door Humo, Knack en alle kranten.

“Eerlijk waar: ik begrijp het ook niet goed. Ik heb drie echte koersen gewonnen, naast kermiskoersen die niet tellen, en toch komen jullie allemaal. Maar ik doe in al die eendagswedstrijden wel mijn ding en ik maak mee koers en ik rij mooie ereplaatsen. Ik ben geliefder bij de fans om mijn koersstijl dan om mijn overwinningen.

“Ik hoopte dit voorjaar op een goeie uitslag, maar tot nog toe is dat niet gelukt. Die vierde plaats in de E3 Harelbeke is mooi, en ik kan alleen maar speculeren wat het was geweest als ik niet achterop was geraakt door die valpartij. Ik denk niet dat iemand van verder is teruggekeerd dan ik en toch word ik nog vierde. Wielrennen is een groot stuk geluk, maar als je eind april geen prijs hebt en je zegt dat je toch goed hebt gereden, voelt er toch iets niet juist.

“Ik heb dit jaar wel al meer pech gehad dan in al de jaren ervoor en alleen de val in Valencia was mijn schuld. Voor de rest – in de Ruta del Sol, in de E3 Harelbeke en woensdag in Dwars door Vlaanderen – was ik op het verkeerde moment op de verkeerde plaats, met als resultaat een neusbreuk, twee gekneusde knieën en nu deze pijnlijk gezwollen knie. Maar goed, ik weet ook wel dat sommige collega’s nog veel meer pech hebben, dus ik klaag niet. Het is wel zonde, want ik ben in vorm.”

En in Milaan-Sanremo werd je ook al opgehouden.

“Ja, pech, maar ik zat toen ook iets te ver. Mark Cavendish vliegt daar in de lucht op het moment dat ik met een spurtje naar voren wil schieten. Daar stond ik dan, stil, hand tegen die rotswand.

“Ik sta wel wat verbaasd van Milaan-Sanremo. Dat is geen echte koers. Ik had altijd gehoord van de Cipressa en de Poggio en daar stel je je dan iets bij voor, maar… (neemt zijn laptop) Ik zal je laten zien wat ik heb moeten presteren: de eerste 200 minuten van de koers had ik 160 watt gemiddeld. Op de Cipressa duwde ik 400 watt gedurende acht en een halve minuut. Dat is niks. En nu het totaal: 211 watt over bijna 300 kilometer. Milaan-Sanremo was mijn gemakkelijkste training van het seizoen. Ik ben nog naar boven geknald en zat net onder de top dicht bij de kopgroep, maar ik kreeg het niet meer dicht.

“Om je een idee te geven: vorig jaar in de kermiskoers van Heusden reden we 170 kilometer met gemiddeld 360 watt. Nu begrijp ik Peter Sagan al wat beter. In elk interview zegt hij dat hij zich soms stierlijk verveelt op de fiets. Dat heb ik ook. Koers moet hard zijn. In Milaan-Sanremo rijden misschien tien renners niet uit die niet zijn gevallen. In Roubaix komen er maar zeventig aan van de tweehonderd. De rest roept op zijn moeder.”

QuickStep-manager Patrick Lefevere vond het dom van jou om zolang bij te tekenen bij AG2R.

“O neen, daarin vergist hij zich. QuickStep is collectief sterker, maar ik zit heel goed bij AG2R. Een heel voorjaar ben ik de kopman, waar zou ik dat nog zijn? Silvan Dillier, Alexis Gougeard, Stijn Vandenbergh, Tony Gallopin en reken mij erbij, dat zijn vijf van de zeven die voor mijn rekening rijden.

“AG2R is ook een goed gestructureerde ploeg. De Franse slag? Nooit iets van gemerkt. Ik kom van een Zwitserse ploeg, IAM Cycling, en er is nauwelijks verschil. Bij IAM spraken we meer Engels, maar ook bij AG2R wordt meer en meer Engels gesproken. Ze hameren er zelf op dat we internationaler moeten worden. Sindsdien communiceren we nu ook op sociale media in het Engels.”

Is een Franse ploeg niet vooral gericht op de Tour?

“Uiteraard is dat het hoofddoel, maar ze nemen het voorjaar er niet zomaar bij. Het eerste deel van het jaar worden de meeste eieren in mijn mandje gelegd. Eén keer de Amstel achter de rug, gaat het alleen nog over de Tour: verlies twee kilo, maak dat je goed bent in de Dauphiné en uiteraard ook in de Tour.

“Twee kilo is niks voor mij. Gewoon wat minder fitnessen en ik ben die zo kwijt. Eten? Ik eet gezond, maar ik behoor niet tot de gasten die alles met een weegschaaltje afwegen. Uiteindelijk is het een rekensom: input min output. Verbrand meer dan je opneemt en je vermagert. De ene heeft een beter metabolisme dan de andere, dat klopt, maar ik denk dat je het ook kunt stimuleren door je training. Ik geloof niet in marathontrainingen met lage intensiteit. Ik rij vaak met hoge intensiteit en ik fitness ook superveel. Spieren vreten energie. Als je één kilo spieren bijkomt, verbruik je in een donkere kamer als je op je rug blijft liggen al honderd kilocalorieën meer.”

Hoe vaak denk je nog: een ploeg die voor mij rijdt, wat overkomt mij hier allemaal?

“Als ik het analyseer, kan ik niet anders dan tot de conclusie komen dat ik in die wedstrijden de beste van de ploeg ben. Dat merk je aan het koersverloop en aan de uitslagen. Als je aan het einde nog met dertien bent en daar zit jij als enige bij van je ploeg, dan liegt dat niet. Vorig jaar is ook nooit iemand van AG2R voor mij geëindigd.

“Hoe ik de renner ben geworden die ik nu ben, dat is wel een raadsel. Ik ben natuurlijk al 27, wellicht een laatbloeier. Ik was 18, ging de zomer in als een manneke van 1m70 en iets later was ik 1m84. Rap rijp, rap rot, zeggen ze, maar ik was laat rijp. Ik hoop dus nog een jaar of tien dit niveau te kunnen aanhouden.”

Hoe heb je het samenwonen verteerd?

“Dat is geen probleem. We wonen hier nu anderhalve maand, nadat we afwisselend bij mij of bij Dorien thuis samen verbleven. Toen besloten we om grond te zoeken, maar we waren vergeten dat het twee jaar duurt om zo’n huis te bouwen. Voorlopig huren we dit hier.

“Het huis wordt een wielerhuis, jawel. Helemaal onderkelderd voor de fiets en op zolder komt de fitnessruimte. Ook een douche voor als ik van training kom en een hoogtekamer. De slaapkamer wordt gewoon op lage druk gebracht door het motortje in de kelder en zo hebben we geen last van het lawaai en moeten we ook niet in zo’n zweettent gaan liggen. Voor een jong koppel is dat geen aanrader.” (lacht)

Jij was een skater. Verklaart dit je relaxte houding tegenover je vak?

“Ik denk het wel. Ik heb een heel normale jeugd gehad, zoals mijn maten. Ik deed eigenlijk nauwelijks aan sport. Op mijn zestiende ben ik dan beginnen koersen, maar nog met die skate-attitude: we doen fanatiek ons best, maar het is niet erg als het niet goed gaat, als het maar plezant is.

“Ik heb nog nooit zoveel voor mijn sport gedaan als vandaag. Toen ik studeerde, was ik half student en half wielrenner en ik deed niks goed. In de drie examenperiodes zat ik een maand lang niet op mijn fiets, wat gewoon belachelijk was, want elke dag een uurtje fietsen had mij goed gedaan. Die conditie was ik volledig kwijt. Eigenlijk brak ik elk seizoen drie keer mijn sleutelbeen, daarmee kun je het vergelijken. Zo haal je nooit niveau.”

Je bent ook de allemansvriend van het peloton.

“Ik ben graag gezien, allee, denk ik toch. Van de tien die ik tegenkom, zeggen er negen spontaan goeiedag. Als het rustig is in het peloton, heb ik nooit moeite om een gesprekje aan te knopen. Nadien wil ik ze wel allemaal kloppen, ook Greg Van Avermaet en mijn andere trainingsmaten.

“Misschien ben ik vorig jaar iets te gretig geweest om te tonen dat ik met de beste kan meekoersen. In de E3 Harelbeke werd ik geklopt in de spurt nadat ik meer dan mijn deel van het werk had gedaan. Ik zal in de toekomst dat deel blijven doen, maar ik zal mij toch op het laatst sparen om nog wat extra over te houden. Nu scheelde het maar dertig meter, in een spurt met tegenwind nog wel.”

Waar zit jij in de hiërarchie van het peloton?

“Voor de klassiekers net onder de absolute toppers. Wat het verschil is, kan ik moeilijk uitleggen. Of toch: als ik doe wat Peter Sagan vorig jaar heeft gedaan in de Tour, dat manoeuvre waarbij Cavendish valt waarna hijzelf eerst wordt uitgesloten, zal ik niet achteraf in eer worden hersteld. Sagan wel.

“Ik ben tevreden met mijn plaats in het peloton. Bij de Oliver Naesen van Topsport Vlaanderen durfden ze al eens een vuile binnenbocht af te steken (onder- en binnendoor komen, HV). Bij de Oliver Naesen van AG2R doen ze dat niet meer. Ik heb de indruk dat er nu veel zijn die denken: laat maar, achter hem zitten we ook goed. En ik zit dan weer achter mijn piloot Stijn Vandenbergh. Die is twee meter lang en tegen hem komt echt niemand wringen. Achter Stijn de Omloop rijden, dat is een dag vakantie. Af en toe denk ik dan: zie mij hier zitten, wie had dat gedacht?”

Nog niet zo heel lang geleden besloot je van de ene dag op de andere om te stoppen met studeren.

“Dat was de bodem. Ik kon beginnen aan het derde jaar bewegingswetenschappen aan de UGent, maar geraakte maar niet door die biochemie van het eerste en biomechanica van het tweede jaar. Ik kwam thuis en zei dat ik zou stoppen. Groot huishoudelijk drama en teleurstelling alom natuurlijk, want ik was de beste student van de twee. Mijn broer Lawrence is inmiddels wel afgestudeerd als bachelor lichamelijke opvoeding en dat had ik ook beter gedaan. Ik ben werk gaan zoeken. Ik schreef mij in bij uitzendbureau Adecco en de eerste job die ik kreeg, heb ik anderhalf jaar volgehouden: was ophalen met een camionette.”

Oei, een white van man, de schrik van Vlaamse en andere wegen.

“Viel wel mee hoor. Mijn camionette kon maar 90 per uur. Ik moest tien uur op een dag werken, maar de ronde was zo berekend dat iemand van 60 jaar en 100 kilogram ze ook moest kunnen afwerken. Ik haastte mij en was dus sneller klaar.

“Rond die tijd leerde ik mijn vriendin kennen. Zij studeerde farmacie. Haar ouders vonden het ook wat vreemd dat ik niet meer wilde studeren en vroegen haar om mij wat aan te moedigen om het opnieuw te proberen. Maar ik wilde werken en trainen en kijken waar ik kon landen als wielrenner. Uiteindelijk kwam ik bij Topsport Vlaanderen terecht als prof. Daar heb ik veel gastjes horen klagen over hoe lastig hun bestaan als betaalde coureur wel niet was, terwijl ik dacht: je hebt geen flauw idee van wat echt werken is.

“Mijn werk is het mooiste dat er is. Jaarlijks 35.000 kilometer met de fiets rijden, waarvan 15.000 in wedstrijd in iets meer dan negentig dagen. Dagen op de fiets zijn altijd mooie dagen, al heb ik in Parijs-Nice in de koude regen ook wel eens zitten vloeken als ik in de opspattende spray zat van de renner voor mij. Gelukkig moest ik vaak op kop rijden voor onze klimmers en dan krijg je minder water binnen.”

Weet jij dat je mooi op je fiets zit?

“Euh ja. Ik let daar ook op. Het is een combinatie van genen en trainen. De genen bezorgden mij mijn lange benen, want met korte beentjes ziet dat er toch anders uit. Trainen slaat dan op core stability, waardoor ik in een correcte houding stil zit op de fiets. Verder heb ik het stuur zo laag mogelijk en het zadel in de juiste positie.”

Hoe kijkt een jonge renner naar het fenomeen doping? Je reed lang bij de elites zonder contract.

“Als ik die mannen van vroeger op televisie zie, dan denk ik: die hebben allemaal gepakt. Zijn dat daarom slechte mensen? Neen, dat waren kinderen van hun tijd. Als je vandaag aan de anabolica zou zitten, dan ben je wel slecht bezig. Gepakt worden op echte doping is crimineel, maar dan heb ik het niet over een neusspray of een pufje te veel. Als renner heb ik nooit iets gemerkt. Echt waar, ik zweer het, ook niet bij de elites zonder contract.”

Stel: jij bent een Rus die van nergens uit via een klein ploegje meedoet om de overwinning in de zwaarste klassiekers. Hoe zouden we jou bekijken?

“Wellicht argwanend, ik begrijp dat. Michael Valgren Andersen wint de Omloop in dienst van Astana en wat ik daarna allemaal las op sociale media, niet mis hoor. Er wordt veel heen en weer beschuldigd, ook bij de liefhebbers: den dienen es nen blazer, hij is al gepakt bij de profs tien jaar geleden. Wat moet je daar mee?”

Wat vind je van de problemen van Sky?

“Ik ken daar het fijne niet van, hoewel ik het wel probeer te volgen. (krijgt de bewuste therapeutische uitzondering uit 2012 van Wiggins te lezen) Pff, dat zijn wel veel middelen voor zijn probleem en is die spuit met triamcinolon niet overdreven? Ik ken ook renners die behandeld worden met dat middel, maar ik ken ook hun medisch probleem. Van Wiggins niet en oordelen wordt dan moeilijk.

“Hier zie, salbutamol staat daar ook tussen, dat is het middel van Chris Froome. Sorry, maar ik gebruik dat ook. De helft van het peloton die Le Samyn heeft gereden bij min vier graden riskeert inspanningsastma. Dus ja, ik puf af en toe voor een wedstrijd: twee keer, en daar heb ik geen attest voor nodig. Ik weet niet of er een andere goeie uitleg is voor de urinewaarden waar Froome op werd betrapt, behalve dan dat hij het middel in pilvorm zou hebben genomen.

“Ik hoop het wel voor hem, want het is een hele aardige gast. Froome in interviews is waardeloos, maar als je hem privé hebt, is dat een hele andere. Het is natuurlijk een item: in de Ruta del Sol stapte ik uit de bus en niemand die wilde weten hoe het met mij was. Wel of ik vond dat hij mocht starten. Ik heb hem gevraagd om een tweetje te sturen met de vraag om zijn collega’s met rust te laten met zijn geval. Hij excuseerde zich.”

DM-INT-Naesen

Column over Armstrong in De Morgen van zaterdag 24 maart 2018

Vlaamsch cyclisme

 

De Heilige Vlaamse Wielerweek, die van de week is begonnen met een Driedaagse van één dag en gisteren voor echt met de E3 Harelbeke, is een opgeklopt marketingconcept. Een hype, ontsproten aan de hersenen van event managers en koerseigenaars, die wortel schoot in de tweede helft van de jaren 90 met Johan Museeuw, de Leeuw van Vlaanderen. Kort nadat die van zijn voetstuk viel, nam Tom Boonen de rol over. De sportwoestijn Vlaanderen – in alles klein behalve de koers – plooide zich definitief terug op zichzelf. Zo rap mogelijk op kasseien fietsen, al of niet bergop, werd een religie en kleine en grote renners zwoeren voortaan bij de Kwaremont, de Paterberg en de Haaghoek.

Eddy Merckx heeft nooit last gehad van hypes. Hij was de beste die we ooit hebben gehad en van de monumenten won hij onder meer zeven keer Milaan-Sanremo (dus geen loterij), drie keer Lombardije en vijf keer Luik-Bastenaken-Luik. De Ronde van Vlaanderen won hij maar twee keer: in 1969, kort na het begin, en in 1975, kort bij het einde. De Ronde was toen een klassieker als een andere, nog lang geen bedevaart van het Vlaamsch cyclisme zoals nu. De beste na Eddy Merckx weigerde zelfs te starten. Bernard Hinault had één keer die onzin van een Koppenberg onder de wielen gekregen en liet ‘Vlaanderen’ daarna links liggen.

Hypocrisie

Tijden zijn veranderd. Vincenzo Nibali komt nu speciaal naar België voor de Giro delle Fiandre. Zelfs Lance Armstrong komt, niet met de fiets maar met de laptop voor een klapke en ongetwijfeld een podcast achteraf. Eerlijk? Ik had verwacht dat hij alsnog had afgezegd, maar de commotie is sneller gaan liggen dan kon worden vermoed. De Vlaming keek al snel de andere kant op. De hypocrisie is van ons, net als de koers.

De Amerikaanse journalisten, die zich bij de bekendmaking van Lance’ grote oversteek nog hadden verbaasd over het gebrek aan ethiek en historisch besef bij de organisatoren om de grootste dopingzondaar uit de geschiedenis van het wielrennen zomaar op het schild te hijsen, laten niet meer van zich horen.

Hoewel, van de week nog een mail gekregen van B., die altijd naar de Tour kwam en voor ESPN The Magazine werkt. “Lance is not an issue any more. Cycling is not an issue any more. We moved on.” “Lance en wielrennen interesseren ons niet meer. Dat hebben we gehad.” Wij blijkbaar niet. Dat Lance hen niet meer interesseert, is ook weer gelogen. De meeste journalisten aan de andere kant van de oceaan hopen dat hij in mei wordt veroordeeld in het proces waar hij riskeert 100 miljoen dollar (81 miljoen euro) te moeten teruggeven. Eerst de andere kant opkijken en je dan verkneukelen, ook zielig dat make a hero, break a hero.

Het uitnodigen van Lance Armstrong door Wouter Vandenhaute voor een commerciële omkadering van de Ronde van Vlaanderen en op zondag bij de wedstrijd als eregast (wat later werd ingetrokken, weeral die hypocrisie) valt niet uit te leggen aan iemand bij het volle verstand. Je denkt eerst aan opportunistische wereldvreemdheid van zakenmannetjes, die in een ivoren Vilvoords torentje een plannetje uitvogelen om aan die Ronde van Vlaanderen eindelijk eens een echte euro te verdienen. Tot het bij nader inzien gewoon gaat om een opgestoken middenvinger naar de wielrennerij in het algemeen en in het bijzonder naar de Fransen met hun gestrengheid tegenover doping van buitenlanders. Daar valt iets voor te zeggen. Het gemak waarmee de Tour Armstrong heeft uitgevlakt, maar zijn Franse helden Richard Virenque, Bernard Thévenet en Laurent Jalabert met of zonder dopingbekentenissen in de armen heeft gesloten, doet pijn aan de ogen.

Lance Armstrong ging in zijn doping niet verder dan zijn tijdgenoten, dat klopt, maar er was meer aan de hand dan doping. Als u van deze fijne man en zijn fijne kompanen het fijne wilt weten, moet u volgende week donderdagavond afzakken naar de Aula van de UGent in de Volderstraat. Daar wordt avondvullend gedebatteerd over het fenomeen-Armstrong en bij uitbreiding doping.

Surf naar sportartsen.be en u vindt alle info. Het kost een cent, jawel, en voor mij hoeft u niet te komen. Ik zal als lid van het debatpanel proberen mijn mond te houden omdat genoeg eminente sprekers aanwezig zijn. Zoals onder meer David Walsh, de auteur van (te) veel boeken waarvan de eerste (L.A. Confidentiel) er echt toe deed. Dat boek luidde de val van Armstrong in. Op dat debat zal uit de doeken worden gedaan wie Armstrong echt was en wat hem kan worden verweten behalve bloed- en andere doping.

Lance Armstrong op het schild hijsen in de wielergekste regio van de wereld is en blijft een erg fout signaal, dat de klok vele jaren terugdraait en de inspanningen rond zuiver sporten teniet doet. Het wel erg lauwe protest vanuit de wielerinstanties en het ministerie van Sport is niet te begrijpen. Als het hen menens was met de strijd tegen de doping, méér dan met de eigen populariteit bij de achterban, dan hadden ze hun hakken in het zand gezet, maar neen.

Fenomeen en klootzak

Wie was die Armstrong echt? Wel, een fenomeen, en als iemand Armstrong probeert te herleiden tot een chemisch experiment dat zonder epo of bloedzak geen brug zou over zijn geraakt, zoals weleens wordt beweerd, zal ik mij verplicht zien tegengas te geven. Als iemand Armstrong daarentegen neerzet als de grootste klootzak van zijn generatie, die een heel peloton terroriseerde, die bijna in zijn eentje een sport naar de vaantjes heeft geholpen en die een werelddeel heeft vervreemd van een sport nadat ze die hadden omarmd, zal niemand dat tegenspreken.

Armstrong en co. hebben niet alleen bedrogen en gelogen, gedreigd en gemanipuleerd, ze hebben de grenzen van het fatsoen meer dan één keer overschreden. David Walsh heeft de slechtheid van de bende van Armstrong aan den lijve ondervonden toen ze hem ridiculiseerden met zijn overleden zoontje. Dat dieptepunt hebben ze nog eens bereikt vorig jaar, door in de laatste maanden van zijn leven te proberen al hun vuilnis in de hoek van de ten dode opgeschreven ex-UCI-voorzitter Hein Verbruggen te vegen. Kom luisteren donderdag en u zult al heel wat wijzer worden.

 

Vlaamsch cyclisme

Verhaal 7 remedies voor Belgisch voetbal in De Morgen van zaterdag 17 maart 2018

7 remedies voor patiënt Voetbal

Het was een bewogen laatste speeldag in de Jupiler Pro League, vorige zondag. Eupen maakte ‘verdacht’ veel goals, Moeskroen gaf ‘cadeaus’, spelers zouden gokken op eigen matchen, en KV Mechelen was boos. Insinuaties vlogen over en weer. Het Belgische profvoetbal is een mesthoop. Valt er iets aan te doen? Zeker wel.

Verboden te gokken

Gokken is geen probleem voor wie 1 miljoen verdient. Zulke spelers laten zich niet verleiden voor een snel verdiende 500 euro. Gokken is wel een probleem in de lagere regionen, maar wat heet lager: dit seizoen stonden in 1A weer af en toe spelers in het veld die nauwelijks het leefloon verdienen.

Men kan discussiëren over de bedragen en de toedracht, maar gokken heeft dezelfde lading als doping: je blijft er ver van af. De spelers van Eupen plaatsten weleens een gokje en dat deden ze dan in trainingspak van de club, hoe dom kun je zijn? Er loopt
nu een onderzoek, maar de kans is zeer klein dat gokken van invloed was op het resultaat van de degradatiestrijd. Gokken is een algemeen probleem in de sport, maar zoek je geen problemen als je toestaat dat de meeste eersteklasseclubs en de koepel Profliga een gokbedrijf als hoofd- of cosponsor hebben?

Rijk zorgt voor arm

Elk G5-team (Ander-lecht, Brugge, Gent, Genk en Standard) verdient meer aan televisiegelden dan de hele 1B samen. In alle Europese voetballanden is de solidariteit toegenomen bij de herverdeling van tv-gelden. In de Premier League verdient de zakkende club die als twintigste eindigt nog 60 procent van de kampioen. In 2000 was dat (een ook al royale) 40 procent en bij elke verhoging van de tv-gelden ging meer naar de kleine dan naar de grote clubs.

In België is deze eeuw een tegenovergestelde beweging in gang gezet onder druk van de topclubs die vreesden in Europa te worden weggespeeld. Aanvankelijk kreeg de kampioen maar 30 procent meer dan de laatste in eerste klasse. Vorig seizoen verdiende Anderlecht (7,75 miljoen) 460 procent meer dan Eupen (1,691 miljoen). De concurrentiepositie in Europa is inderdaad verbeterd, met een rechtstreeks ticket voor de Champions League. De vraag blijft evenwel waar het belang ligt van de Jupiler Pro League: bij de clubs die Europees ho-pen een ronde te overleven of bij het totale businessmodel Jupiler Pro League en 1B? Als men het profvoetbal herleidt tot een jungle met de kleinste clubs die elkaar onderaan de voedselketen ver-scheuren om wat kruimels, is dat vragen om wantoestanden.

Verjaag de koopman(nen)

De finaliteit van het Belgisch profvoetbal is in de eerste plaats import-export van voetbaltalent. Kan er af en toe een prijs gepakt worden, dan is dat meegenomen, maar de corebusiness is een soort Chinese economie: goedkope grondstoffen inkopen en zo duur mogelijk weer verkopen.

De tussenhandelaars maken in België de dienst uit. Zij heten makelaars.

Er zijn er die beweren dat ze het goed voor hebben met hun spelers en niet in de eerste plaats aan hun eigen bankrekening denken en daar ook naar handelen. Anderen staan dan weer bekend voor hun agressieve aanpak. Soms zijn ze verdoken mede-eigenaar van een club, regelen dingen bij andere clubs, hebben trainers in hun portefeuille en bepalen zo mee het wel en wee van een competitie, volgens KV Mechelen-coach Dannis Van Wijk zelfs wie degradeert. Ze verkopen spelers in packagedeals en als het niet lukt, nemen ze goederen terug, wel tegen een lagere prijs. Het prototype van de makelaar-regelaar is Mogi Bayat, broer van de Charleroi-voorzitter en KBVB-ondervoorzitter Mehdi Bayat. Hij is de man met het meest uitgebreide netwerk en incontournabel voor heel veel clubs.

De makelaars-regelaars-mensenhandelaars aan banden leggen moet internationaal worden geregeld, maar België kan met de Europese Unie aan de voordeur wel wegen op de beslissingen.

Een drastische maatregel is het verbod op transfersommen: je verjaagt de koopmannen uit de tempel en wie overblijft, wordt spelersbegeleider.

Koop en run zelf uw clubs

Dit is het lastigste gebod. Met de promotie van Cercle Brugge dat eigendom is van AS Monaco, zullen volgend seizoen vijf van de zestien ploegen in 1A in buitenlandse handen zijn. In Eerste B waren dit seizoen zes van de acht in buitenlandse handen, gaande van een Rus, een Saoedi, de Qatarese staat en een Thai tot een Chinese broer en zus.

Het is hen te doen een buitenpost te verwerven midden in de Europese voetbalmarkt: talenten goedkoop importeren, laten rijpen en duur exporteren. Nog nooit is een club met een buitenlandse eigenaar kampioen geworden in België, maar die dag is niet meer veraf. Ook voor de Belgische rijken zijn clubs een investering. Een Brabander kocht Club Brugge, een West-Vlaming heeft Antwerp gekocht nadat hij bot ving in Gent, en wilde daarna ook Anderlecht. Die Brabantse club ging dan weer naar een Oost-Vlaming.

Het Duitse systeem is te overwegen. Een privé-eigenaar kan doorgaans nooit meer dan 49 procent van de aandelen bezitten, tenzij hij al twintig jaar lang de club rechthoudt. De 50+1-regel behoudt de rest van de aandelen voor aan de supportersvereniging. Een van de meest succesvolle clubs ter wereld – Bayern München – controleert via zijn vzw 75 procent van de aandelen. Adidas, Audi en Allianz

Copyright © 2017 Belga. Alle rechten voorbehouden

hebben elke 8,33 procent. Het Duitse model staat evenwel onder druk van de grote rijke clubs die de Engelse clubs steeds rijker zien worden.

Een eerlijke competitie

Bijvoorbeeld door te verbieden dat spelers worden uitgeleend aan clubs in dezelfde divisie. Bijvoorbeeld door voor zuiverheid te kiezen, zowel in het beheer van je competitie als in een eerlijke, gestandaardiseerde financiële rapportering. Ten slotte is de staat de hoofdsponsor van de 1A, met een geschatte 100 miljoen euro aan verminderde sociale lasten en gerecupereerde belastingen, en daar mag wat transparantie tegenover staan.

Bijvoorbeeld door over een verandering van competitieformule ernstig na te denken, het liefst ook door buitenstaanders, en niet de agressiefste club te volgen. Wil men meer competitief evenwicht of wil men dat altijd dezelfde clubs kampioen worden en in de vetpotten van de Champions League kunnen graaien?

Bijvoorbeeld door gebruik te maken van testwedstrijden bij puntengelijkheid. De situatie van afgelopen zondag is te gek voor woorden: een door Eupen uitgeleende speler verzuimde te scoren voor zijn nieuwe club KV Mechelen, waardoor Eupen in eerste klasse bleef, waarna diezelfde speler Moeskroen betichtte van het spel niet eerlijk te hebben gespeeld.

Eigen voetbalvolk eerst

Zes op de tien spelers op de Belgische velden van 1A zijn buitenlanders en zelden omdat ze beter zijn. Wel omdat ze goedkoper zijn. Belgische clubs hebben geen opleidingscultuur zoals in Nederland of Frankrijk. Het rendement moet onmiddellijk zijn of de speler wordt afgeserveerd. Het geeft geen pas om een minimumaantal Belgische spelers op het wedstrijdblad te eisen, of clubs die de meeste zelf opgeleide spelers opstellen te belonen met meer televisiegeld, als ook Afrikanen die tussen hun 18de en 21ste in België voetbalden, meetellen als ‘in België opgeleid’.

Wij hebben van alle kleine voetbaleconomieën veruit het hoogste percentage buitenlanders (60 procent) op de velden lopen.

De instapdrempel voor spelers uit landen van buiten de Europese Unie moet drie keer hoger, naar het Nederlandse voorbeeld. Nu kopen clubs vooral heel goedkope Afrikanen voor wie ze ook nog eens de belastingen recupereren, die ze herinvesteren in weer nieuwe, goedkope spelers.

Koester de ref

Breng de scheidsrechterij compleet onafhankelijk van de voetbalbond en de profliga in een aparte entiteit onder, om te beletten dat zoals vandaag de club met de grootste en fanatiekste aanhang en met de ondervoorzitter van de voetbalbond in de rangen met de vinger wordt gewezen door andere clubs.

In Jan Breydel zouden de scheidsrechters minder durven te fluiten tegen de thuisploeg Club Brugge. Gratuit of niet, elk weekend worden dat soort beschuldigingen geuit tussen clubs, tegen scheidsrechters, gaande van onkunde over schrik tot vooringenomenheid. Trainers kunnen ongehinderd de autoriteit van de scheidsrechters aantasten zonder noemenswaardige straf. Een veralgemening van de videoref zoals volgend seizoen is gepland, is een prima zaak maar de discussies zullen blijven. Betaal ten slotte de scheidsrechter een degelijk salaris, maak het vak aantrekkelijk en stimuleer professionalisme.

 

DM-VER-7 remedies voor voetbal-mail