Verhaal over Tom Simpson in De Morgen van zat 17 juni 2017

Geofferd op het altaar van zijn sport

Hij kwam om de Tour te winnen en verliet Frankrijk in een doodskist. Als de Sagan van zijn tijd won Tom Simpson grote koersen en vermaakte de massa. Onterecht leeft hij voort als ‘de dopingdode van de Mont Ventoux’.

Vandaag, 17 juni 2017, rijden 2.500 Vlamingen namens sportfederatie Sporta in allerlei formules, van licht tot heel zwaar, op en rond de Mont Ventoux. Honderdnegenenzestig begonnen om negen uur aan de klim vanuit Bédoin in het witte shirt met zwarte blokjes van het ooit mythische Peugeot-team, een hommage aan hun gevallen strijder Tom Simpson, die vijftig jaar geleden in het zicht van de top bezweek.

In het selecte gezelschap aangevoerd door Toms jongste dochter Joanne, rijdt ook Eddy Merckx naar de top, en dat uitgerekend op zijn 72ste verjaardag. Merckx was als beginnende prof twee jaar de ploegmaat van Tom Simpson.

“Een grappige collega die een stuk ouder was dan ik en die mij wilde behoeden voor de valkuilen”, aldus de grootste wielrenner aller tijden. “Hij heeft mij dat jaar wel geflikt in Parijs-Nice door weg te springen zonder mij te waarschuwen, waardoor hij kon winnen en niet ik zoals het plan was, maar dat is nooit blijven hangen. Zo gaat het in de koers. Wat hem is overkomen, dat is níét de koers.”

Een jaar later werd in de steenwoestijn ter hoogte van de plaats waar Simpson is overleden een monument opgericht. Het initiatief kwam van het Britse tijdschrift Cycling, dat in een mum van tijd genoeg giften had ingezameld voor een gedenksteen. De Tour de France zelf zou pas in 1970 terugkeren naar de Ventoux en wie anders dan Eddy Merckx won de etappe met aankomst boven op de kale berg.

Er is die historische zwart-witfoto, ter hoogte van het monument. Met de top in zicht, achternagezeten door het hele peloton, neemt Merckx al rijdend zijn pet af voor Simpson, terwijl op de voorgrond Tour-baas Jacques Goddet naar het monument klautert. Die kransneerlegging was een van de weinige keren dat de Tour de France wilde herinnerd worden aan Tom Simpson, de Brit die naar Frankrijk was gekomen om te leren koersen zoals ze dat op het continent deden en al snel beter was dan de Fransen, Italianen en Belgen.

Geen bedevaart

Op 13 juli van dit jaar zal het precies vijftig jaar geleden zijn dat Tom Simpson in de dertiende rit overleed. Vorig jaar arriveerde de Tour de France op de Ventoux. Thomas De Gendt klopte toen Serge Pauwels in een door de mistralwind ingekorte rit die de geschiedenis in zou gaan als de meest chaotische bergrit ooit nadat Chris Froome achterop een motorrijder was geknald, waarop de geletruidrager zijn fiets weggooide en in paniek de berg opliep. In 2018, het Merckx-jaar met start in Brussel, komt de Tour wellicht ook terug. Deze editie niet en dat is geen toeval.

“Le Tour au Ventoux cinquante ans après Simpson? Jamais”, zei huidig Tour-baas Christian Prudhomme in 2013 in de beslotenheid van een UCI-commissie. “Ik wil geen bedevaart voor een gedopeerde.”

Joanne Simpson weet wat er speelt. “Van in het begin zaten ze met een dilemma. Ze hadden twee opties: of de Tour had mijn pa de dood ingejaagd, of dat had hij zelf gedaan. Daarom hebben ze na een autopsie vastgesteld dat zijn dood zogezegd is veroorzaakt door de amfetamines. Conclusie: hij heeft het dus zelf gedaan. En zo hebben ze hun zwarte pagina snel kunnen omdraaien.”

Joanne Simpson is de jongste dochter van Tom. Ze was amper vier toen hij bezweek aan hartfalen net onder de top. Zij is de realist van de familie. Bij onze afspraak woensdag in Mormoiron in de buurt van Bédoin, had ik twee boeken mee over haar vader. Het pas verschenen Major Tom Simpson van uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts kende ze uiteraard, want daar had ze zelf aan meegewerkt.

Het andere boek, daar had ze alleen over gehoord. Het heet Put Me Back on My Bike, wat volgens de overlevering de laatste woorden van haar vader zouden zijn geweest, maar ook daar bestaan verschillende versies over. Het is een sterk document, met veel feiten – mooi en minder mooi – maar uiteindelijk vol respect voor Simpson. Joanne heeft het nooit gelezen.

“Op een dag belde mama mij. ‘Joanne’, zei ze, ‘er is een boek uit van ene Fotheringham over je daddy. Don’t you ever read that book. It’s full of lies.’ Ik snap haar wel dat ze niet graag hoort dat papa ook fouten heeft gemaakt, dat hij doping heeft genomen, maar ik zie hem als een kind van zijn tijd, een slachtoffer van een cultuur.

“Ze namen allemaal amfetamines in die tijd, het zou pas vreemd zijn geweest als mijn papa dat niet had gedaan, ja toch, maar is hij daaraan doodgegaan? Ik denk het niet, maar ik heb jaren achter de waarheid gezocht. Ik heb via een advocaat het autopsierapport laten opvragen, maar dat zou vernietigd zijn. Ik denk dat ik het boek van Fotheringham toch eens ga lezen.”

Hoezeer Tom Simpson de wielermassa beroerde en wat hij betekende voor zijn sport, dat kwam allemaal samen in 1965. Dat jaar werd hij wereldkampioen in Spanje door Rudi Altig te kloppen. Kort daarna gaf hij een lang interview aan het Britse boulevardblad People en sprak open en bloot over het kopen en verkopen van koersen, over de dunne lijn tussen tonics (versterkers) en doping, en fileerde en passant ook enkele concurrenten. De Franse pers vertaalde de serie interviews, die drie weekends na elkaar voor opschudding zorgden, en suggereerde dat Simpson zijn WK-titel had gekocht. “Het cyclisme zal hem nooit vergeven”, concludeerde L’Equipe. Vijf dagen later won hij in Simpson-stijl – met een waanzinnige aanval – de Ronde van Lombardije.

Copyright © 2017 gopress. All rights reserved

Simpson maakte er zich van af met de melding dat zijn woorden waren verdraaid. Hij kwam er mee weg en bleef de allemansvriend, de exoot die een kampioen onder de kampioenen was geworden, eloquent in verschillende talen, aanvalslustig als geen ander en bovendien succesvol. In 1961 won hij als 23-jarige al de Ronde van Vlaanderen. Kort daarna werd hij Gentenaar.

Geen collega – levend of dood – die een kwaad woord over Simpson sprak of spreekt. Ook de jonge Merckx niet, want enkele dagen na zijn stunt in Parijs-Nice reed Simpson zich de ziel uit het lijf om zijn jonge collega aan zijn tweede overwinning op rij in Milaan-San Remo te helpen. Simpson had die zelf al in 1964 gewonnen, maar Parijs-Nice nog nooit. Winst in zijn eerste rittenkoers ooit was een prima voorteken voor zijn grote doel van 1967: de Tour de France winnen als kopman van de Britse ploeg.

Plaag van het peloton

Het exacte antwoord op de vraag wat haar vader precies is overkomen op die fatale dertiende juli 1967 zal Joanne Simpson nooit krijgen. Daarom alleen al is het onterecht om Tom Simpson als dopingdode te brandmerken. Jawel, hij had doping in zijn achterzak van zijn shirt en hij had wellicht doping genomen, maar is hij daaraan doodgegaan? Als het de wijdverspreide amfetamines waren, de plaag van het peloton vanaf de jaren 50 tot diep in de jaren 70, waarom is hij dan als enige bezweken?

Amfetamines hadden hun reputatie verworven tijdens de Tweede Wereldoorlog als energiepil voor de soldaten op het slagveld en de piloten in hun vliegtuigen. Ze werden vanaf de jaren 50 massaal geslikt in de sport en later ook in de maatschappij als eetlustremmer.

De beste, duurste versie was Tonedron (bijnaam tonton), die werkte op middellange termijn. Wilde je direct effect, dan nam je Pervitine (bijnaam tintin). Bij Simpson is Tonedron gevonden in zijn shirt en getuigenissen van ex-ploegmaats en verzorgers zijn eenduidig: hij was zoals veel renners van zijn generatie behoorlijk afhankelijk van de pillen om te presteren.

Maar er was meer aan de hand die dag of die week. Het was een zware Tour – 4.800 kilometer lang – en Simpson had een paar dagen eerder diarree opgelopen. Zijn mecanicien Harry Hall, die hem tijdens die klim terug op zijn fiets had geholpen en erbij was toen hij neerzeeg, had bij de start van de etappe nog getuigd hoe hij na de vorige rit met een tuinslang de spetters stront van zijn kader had moeten spuiten.

Zijn ploegleider bij Peugeot had hem die ochtend bij de start gezien en zag diepliggende ogen in een grauw gelaat: hij gaf hem de raad niet te diep te gaan. Simpson stond bekend als iemand van tot het gaatje en ver daar voorbij. Een jaar eerder was hem in de Vuelta een appelflauwte overkomen. Fietsen tot je erbij neervalt is evenwel geen kunst, maar een medisch probleem. Vandaag zou Simpson uitgebreid worden getest en misschien zelfs zijn vergunning worden geweigerd, want flauwvallen bij zware inspanningen wijst vaak op een hartprobleem.

‘Tom, ne fais pas le con’

Het was die dertiende juli ook nog eens bloedheet en in die tijd bestond de regel dat er twee flessen van een halve liter op de fiets mee mochten en nog eens twee mochten worden aangereikt bij de bevoorrading, maar alleen in hele lange ritten. Drank vanuit de volgauto was verboden en motoren met gekoelde blikjes cola en waterflesjes reden er toen ook niet rond. Bovendien deed in het peloton nog steeds het riedeltje de ronde dat veel drinken nergens goed voor was, behalve om dikke poten te krijgen en dat wilde je niet, renner zijnde.

In Bédoin aangekomen bestormde het dorstige peloton het Café de l’Observatoire en plunderden de helpers voor hun kopmannen het café. Simpson kreeg cola van zijn helper Colin Lewis en ook een halflege fles cognac die hij ook uitdronk, rekenend op verdoving door de alcohol. Die hele rit naar de voet van de reus van de Provence had hij afgezien en zijn droom om de Tour te winnen, was gaan vliegen. Maar dit was Tom Simpson: nooit opgeven was zijn handelsmerk. De uitdroging had haar sloopwerk al verricht. De elektrolyten, broodnodig voor de samentrekking van de spieren, waren samen met het vocht verdwenen en niet aangevuld. Het hart is ook een spier en uitdroging kan hartritmestoornissen veroorzaken.

Lucien Aimar, de uittredende winnaar, merkte in de klim na Chalet Reynard dat Tom Simpson helemaal op was. “We zagen af bij de beesten, maar hij wilde mij steeds weer losrijden, nam vijf meter en zakte dan zwijmelend terug tot bij mij. Ik zei: ‘Tom, ne fais pas le con, on reste ensemble.’ Hij wilde niet luisteren. Arme jongen, ik hield van Tom, wij hielden allemaal van Tom.”

Toen hij daar lag, als geofferd op het altaar van zijn sport, dachten alle renners die voorbijreden: o jee, zie daar Tom, weer eens te diep gegaan. Er is een poging tot reanimatie geweest door ene dokter Dumas. Volgens de overlevering maakte die fouten, maar ook dat klopt niet. Tom Simpson had vandaag misschien gered kunnen worden door een defibrillator, maar die hadden ze toen niet. De hartmassage en beademing haalden niks meer uit. Tom Simpson stierf die dag door een combinatie van factoren, maar niemand die ooit zal weten waar het echt aan lag.

Niet langer haatplaats

Behalve een bezoek aan het pas opgerichte monument samen met haar zus, mama en haar nieuwe man Barry Hoban, de beste vriend en een collega van Tom, is Joanne Simpson voor het eerst teruggegaan naar de Ventoux in 1997, twintig jaar na zijn dood.

“Over daddy werd nog veel gepraat, maar de Ventoux, dat was voor ons Simpsons een no go-zone. Ik ben toch gegaan, na een jaar trainen. In twee uur was ik boven. Sindsdien doen we elke vijf jaar iets. In 2002 zijn we vanuit Gent vertrokken. Dertien etappes, ook geen toeval. Papa is op de dertiende gestorven in de dertiende etappe, met rugnummer 49 in ’67, wat telkens opgeteld ook dertien is.”

In 2007 bouwde ze trappen. Er waren er al twee, ze goot er elf bij, samen dertien. Kostprijs 15.000 euro. Daarvoor heeft ze vijf jaar lang elke avond tijdens de Gentse Zesdaagse de hand opgehouden. Ze kreeg van de Belgen 2.000 euro samen. Tot Cycling een artikeltje wijdde aan haar levensdoel en de Britse lezers in geen tijd 13.000 euro stortten, waarna ze de trappen kon laten afwerken. In 2012 beklom Joanne de Ventoux van de drie kanten en dat in één dag. Ze is daarmee Cinglé du Ventoux. En dit jaar staan er twee events op het programma.

“We hebben de trappen met graniet kunnen bekleden. Zomaar geschonken en gratis geplaatst, met gratis lijm, en nog wat hulp van andere mensen en van Sporta, dat de Memorial Tom Simpson organiseert.”

Zelf organiseert ze op 13 juli, de dag van zijn dood, een rit naar de top. Tweehonderd mensen zullen er zijn, onder wie ook twintig Australische familieleden. “En nadien houden we een groot feest.”

Vijftig jaar na die fatale dertiende juli die de levens van een jonge familie, maar ook van de jonge Britse wielernatie en bij uitbreiding de hele wielerwereld, even deed stilstaan, is de Ventoux niet langer de haatplaats van de Simpsons. Op de boekvoorstelling van Major Tom Simpson, een legende leeft voort klonk het zelfs zo: “Welke betere plek om dood te gaan voor een coureur dan de Ventoux?”

 

Tom Simpson

Column Jordan of Curry (NBA) in De Morgen van zat 10 juni 2017

Jordan of Curry?

Tijd voor een beetje (andere) sport. Als u deze ochtend wakker bent geworden, en dat is te hopen voor u, surf dan eens naar nba.com en check de uitslag van de vierde wedstrijd van de NBA finals tussen Golden State Warriors en Cleveland Cavaliers die afgelopen nacht is gespeeld in Cleveland.

Als Golden State de vierde wedstrijd heeft gewonen – op het veld van de Cavaliers – dan zijn ze het eerste team in de geschiedenis van de NBA dat de titel pakte door foutloze play-offs af te werken. 16-0: zestien keer gewonnen en geen enkele keer verloren. Dat zou na de overwinning van de Cubs in het baseball vorig jaar opnieuw een mijlpaal zijn in de Amerikaanse sportgeschiedenis.

Als u niet vertrouwd bent met de Amerikaanse sport: een team wordt kampioen als het vier wedstrijden in een maximale serie van zeven wint. In de NBA zijn aan die finale drie ronden voorafgegaan: tegen Portland, Utah en San Antonio werd telkens de serie met 4-0 gesweept, zoals de Amerikanen dat zo mooi zeggen.

Vorig jaar leidden de Warriors na een fenomenaal seizoen waarin ze in 82 wedstrijden maar 9 keer verloren, ook met 3-1 in de finale tegen diezelfde Cavaliers. Jammer genoeg verloren ze daarna drie keer op een rij. In de zevende beslissende wedstrijd, nota bene in eigen zaal, kregen ze een koude douche van LeBron James, die daarmee zijn derde NBA-ring haalde. De kans op nummer vier is microscopisch klein want nog nooit heeft een basketbalteam een 3-0-achterstand in de finale kunnen ophalen.

Drie ringen kan voorlopig volstaan, wat James betreft – net zoals het een opluchting was dat Kobe Bryant bleef hangen bij vijf – want anders laait de discussie weer op over wie nu de beste speler aller tijden is: Michael Jordan of LeBron James? Maar als de Warriors winnen, zal evengoed de discussie losbarsten welk team nu beter is: de Bulls van 95-96 of de Warriors van dit seizoen? De enige met ervaring in beide teams is de huidige coach van de Warriors, Steve Kerr. Hij speelde bij de Bulls van Jordan, Pippen en Rodman. Hij is er één keer over ondervraagd en wilde geen uitsluitsel geven.

Periodes vergelijken is ook onzinnig. Hoewel het met de fysieke capaciteiten van de bevolking achteruitgaat, staat het vast dat de outliers – de buitenbeentjes, de elite – nog steeds beter wordt. Het aanbod mag dan wel minder zijn – de jeugd is wereldwijd vadsiger, dikker en minder mobiel -, de natuurlijke talenten worden beter opgepikt en beter ontwikkeld.

Alleen al daarom zouden de Golden State Warriors van vandaag het wellicht halen van de Chicago Bulls van toen. De vista en spelintelligentie zal in twintig jaar misschien weinig zijn veranderd, maar de fysieke présence, snelheid van uitvoering en de hele medische begeleiding tot en met voeding is in een stroomversnelling terechtgekomen. Daardoor is het algemeen atletisch vermogen nog vergroot (althans in populaire sporten) en zoals bekend is fysiek nog steeds dé discriminerende factor in teamsport.

Michael Jordan of Stephen Curry, de spelverdeler van de Warriors, is nog zo’n discussie. Jordan heeft zes titels, Curry één. Curry kan/zal op twee komen, maar is pas 29. Jordan won toen pas zijn eerste titel. Jordan was ook een ander type speler, acht centimeter langer, speelde op een andere positie. Curry verknoeide dan weer die 3-1 vorig jaar en dat is Jordan nooit overkomen. Die domineerde, heerste, controleerde en won altijd als het er om ging.

Er zijn nog verschillen, zoals de reglementen. De Bulls profiteerden met hun triangle offense van een driepuntlijn die toen iets dichter lag dan vandaag, maar hadden dan weer het nadeel van de hand-checking. Verdedigers mochten tot 2004 een speler met de hand in de rug afhouden en zelfs wegduwen – te vergelijken met wat zich in het voetbal bij corners afspeelt. Is Curry spectaculairder dan Jordan? Soms wel, maar hij zou twintig jaar geleden nooit die open boulevards naar de ring hebben gekregen.

Dat Jordan ook vandaag zou hebben gedomineerd, dat staat wel vast. Net zoals Jesse Owens met zijn talent getransporteerd naar vandaag ook olympische finales zou lopen en misschien wel Usain Bolt kloppen. En Eddy Merckx in zijn tijd misschien trager de Tour reed dan vandaag en dus op papier niet mee zou kunnen, maar in de realiteit Chris Froome duchtig het vuur aan de schenen zou kunnen leggen.

 

 

Jordan of Curry

Portret/interview Thomas Pieters in De Morgen van zat 10 juni 2017

‘Van golfen kun je enorm gefrustreerd raken’

Aan golfetiquette heeft hij een broertje dood, aan Amerika ook, vliegtuigen haat hij, gras en bomen geven hem hooikoorts en de eenzaamheid valt hem soms zwaar. Maar dat weegt niet op tegen de ambitie van Thomas Pieters om de beste speler ter wereld te worden.

Wentworth Golf Club, ten zuiden van Londen, enkele weken terug. Twee dagen voor het PGA Championship valt nog maar weinig activiteit te bespeuren op de course. Alleen op de driving range wordt duchtig gemept door de keur van golfers van de European Tour. Veel jonge gasten, atletische lichamen en daartussen één basketbalspeler met het postuur van een NBA-guard. De lange jongen met de brede schouders en de gespierde, rechte rug staat bij een bordje met een Belgisch vlagje.

Elke concullega met wie hij oogcontact maakt, krijgt een hug, een aardig woordje of een vriendschappelijke tik met de iron 9. Tussendoor slaat hij twee keer een half uur ballen heel ver weg, verder dan een zwaar gehandicapt golfer kan bevroeden en vooral zoveel preciezer. Golf is vooral het moeilijkste, mentaal meest veeleisende spel ooit en een Belg, een Vlaming uit de middenklasse nog wel, wil de allerbeste worden. Thomas Pieters is zijn naam, zijn accent is onmiskenbaar Antwerps, zijn babbel rechttoe rechtaan.

Na de driving range stapt hij de baan op voor negen holes. In zijn zog Thomas Detry, Brusselaar, studiegenoot op de University of Illinois en een jaar jonger. Detry was net niet goed genoeg gerankt om op donderdag te mogen starten. “Thomas (Thomá uitgesproken) slaapt bij Thomas (met s, op z’n Vlaams) op de kamer. De Tour is duur voor een beginnend golfer en Thomas heeft graag gezelschap.” Aldus Lieselotte Pieters, zus van, maar ook manager, steun en menselijk schild.

De eerste kennismaking met de baan waar hij de eerste twee dagen op zal schitteren, verloopt voorspoedig. Dit is het tiende toernooi van het jaar, het is dicht bij huis en de course bevalt hem. Onderweg naar hole negen versnelt hij zijn anders al stevige pas bij het zien van bekende gezichten. Mama Pieters staat discreet opgesteld in de schaduw maar zoonlief heeft haar gezien en omhelst haar. Ook het neefje van acht maanden en schoonbroer delen in de groeten. De clan Pieters is gedeeltelijk herenigd, het toernooi mag beginnen. Lieselotte: “Hij wil er ons zo vaak mogelijk bij. Mijn broer lijkt dan wel erg afstandelijk, maar dat is eerder pose.”

Perfectionisme en oplapwerk

Op het toernooi in Wentworth hing zijn portret dinosaurushoog aan de grandstand, naast de groten der aarde in zijn sport. Mede het gevolg van zijn schitterende Ryder Cup die hij namens Europa afwerkte en waarin hij het beste rookieresultaat ooit neerzette, en van zijn vierde plaats op de Masters in Augusta, het Wimbledon van het golf. Hij had van de mural gehoord. Naar het schijnt hang ik om de hoek, was zijn reactie, en hij zou weleens gaan kijken. Veel van wat Pieters doet, lijkt op desinteresse, maar onder dat laagje vernis, dat airtje van ‘wtf, wie doet mij wat?’ borrelt een vulkaan van emoties. “Mijn broer is een perfectionist en perfectionisten zijn nu eenmaal niet makkelijk gelukkig te maken.”

Dat bleek op Wentworth, waar hij na dag twee mee aan de leiding stond, maar op dag drie een offday kende. Die avond kwam er heel wat oplapwerk aan te pas. Zus: “Eerst zat hij in zijn eentje wat op zijn kamer, maar dat mag niet te lang duren. Wij zijn hem gaan halen en hebben een uur of drie gepraat. Golf is zo’n eenzame sport. Het is vooral treurig als je hem volgt en je ziet hem struggelen en kopje onder gaan.” Een dag later herpakt hij zich en speelt een schitterende ronde. Nog geen jaar terug deed zich hetzelfde voor in Rio op de Spelen: twee goeie dagen en een desastreuze derde. Hij werd er nog vierde, net buiten de medailles.

Je zus zegt: hij staat daar dan mooi bovenin en dan legt hij zichzelf te veel druk op. Weer dag drie, gaat dat op den duur in het hoofd zitten?

Thomas Pieters (spottend lachje): “Het is te hopen van niet, maar het lijkt mij wel een werkpuntje. Het blijft ook een beetje een raadsel voor mij en ik kan alleen maar hopen dat het met de jaren beter wordt.

“Nu was de derde dag op Wentworth ook een hele bijzondere dag met vreemd weer. Niemand presteerde naar behoren, maar bij mij was het echt slecht. Van bij die eerste hole had ik niet het juiste gevoel en dat werd steeds erger.”

Golf is de totale mindfuck.

“Ze vergelijken golf soms met tennis, maar er is een groot verschil. Tennis is zo snel dat je altijd een nieuwe kans hebt. Verlies je tien minuten je concentratie in tennis, dan ben je een paar spelletjes kwijt. Doe je dat in golf, dan is je hele toernooi misschien om zeep of haal je de cut na dag twee niet en mag je naar huis. Golf is vier dagen op een zo hoog mogelijk niveau spelen, zonder diepe dalen.

“Het is ook de sport waarvan je bijzonder gefrustreerd kunt raken. Die woedebeheersing heb ik wel moeten leren, maar ik heb bijvoorbeeld geen mental coach. Ik heb twee jaar geleden wel een paar bezoekjes gebracht aan Rudi Heylen (o.m. sportpsycholoog van Club Brugge, HV) om wat meer controle te krijgen, en hij heeft mij goed geholpen.

“Maar de beste manier om geen clubs meer over je knie te breken uit nijdigheid, is beter gaan spelen. En de boetes die mijn caddie mij oplegde: voor elke club die ik brak, moest ik 500 euro aan een goed doel schenken. Dat liep aardig op. Als je dat bovendien doet in primetime op televisie, krijg je ook nog eens een boete van de Tour. Uiteindelijk moet ik na een foute slag gewoon leren redeneren ‘het is maar golf’ en dat gaat mij steeds beter af.”

Tennissers klagen soms over hun eenzame, lange verplaatsingen, maar jullie golfers zijn de mijlenvreters van de sport.

“Dat valt dan bij mij nog mee omdat ik de toernooien meer en meer kan uitkiezen. Detry komt nog maar kijken en die heeft een helser schema.”

Hoezo? Als jij volgende week terugkomt van de US Open, heb je het voorbije jaar meer dan 220.000 kilometer gereisd.

(haalt de schouders op) “Je hebt gelijk: het reizen is een van de dingen die ik het meest haat aan mijn sport. Mijn lichaam kan daar trouwens niet goed mee om, ik voel dat. Dat vliegtuig met die ijle, gerecycleerde lucht en al die bacteriën die daarin hangen, een mens is daar niet voor gemaakt. Er moet er maar één in het vliegtuig zitten met een virus of foute bacteriën en iedereen deelt in de miserie.

“Mijn immuunsysteem reageert daar heel slecht op. Ik ben al zo vaak bij dokters geweest om mij wat sterker te maken, maar niks helpt. Zestig procent van de tijd heb ik wel iets: ontstekingen of verkoudheden, en als gevolg daarvan weer slaaptekort en zo hoopt dat zich op.

“Momenteel heb ik vooral last van pollenallergie. Als mijn vriendin ’s morgens naast mij wakker wordt, schrikt ze zich dood. Ook daaraan probeer ik wat te doen. Ik volg nu een drie jaar durende kuur en dan zou het moeten voorbij zijn. Deze periode is dramatisch, het is alsof het sneeuwt met al die pollen in de lucht. Eigenlijk ben ik best niet buiten in de natuur en kom ik maar beter niet in de buurt van gras en bomen. Behoorlijk lastig voor een golfer.”

Sommige golfers volstaan met een caddie, maar jij bent omringd door een heel team. Ik zag je bij de driving range druk in gesprek met je coach, maar je hebt zelfs een statisticus in dienst.

“Hoewel ik over het algemeen niet te vinden ben voor verandering, zijn we wat dingen aan het bekijken met de clubs, allemaal erg golftechnisch maar zo heb ik het graag: alles om de controle over mijn spel op te voeren.

“Die statisticus heeft al bewezen bij andere spelers dat hij hun spel kan verbeteren. ‘Beter’ betekent minder slagen nodig hebben om de achttien holes af te werken en daar kun je niet genoeg aandacht aan besteden.

“Ik heb volledig vertrouwen in de mensen rond mij. Als mijn coach op de driving range zegt ‘doe nu dit eens’, dan doe ik dat. Als mijn caddie zegt dat ik moet eten, dan eet ik. Over de clubs en hoe we een hole gaan spelen, beslissen we samen.”

Je familie moet er ook zo vaak mogelijk zijn?

“Ja, die zijn keibelangrijk. We wonen ook samen in hetzelfde gebouw. Mijn zus op het vierde, broer op het derde en ik op het tweede, samen op ’t Eilandje in Antwerpen. Toen ik 15 was en goed begon te worden, hadden we het er vaak over, mijn broer, mijn zus en ik: ik zou als prof gaan golfen, zij zou mijn management doen en mijn broer het creatieve. En zie, het is helemaal gelukt. Natuurlijk voel ik af en toe wel een bepaalde verantwoordelijkheid want ons bedrijfje draait niet als ik niet meer presteer, maar daar moet je niet te veel aan denken.”

Je houdt niet van de Verenigde Staten, maar ben je niet zelf een beetje op Amerikaanse leest geschoeid?

“Je bedoelt mentaal? Dat kan wel kloppen. Ik was zeer technisch, analytisch toen ik naar de University of Illinois trok en ik heb dat kunnen loslaten en ben daar iets meer emotioneel geworden. Never give up, val je zeven keer, sta acht keer op, dat soort peptalk. Allemaal oppervlakkig als je er dieper op ingaat, maar het positivisme van de Amerikaan helpt hen wel in de sport.”

Je presteert wel op grote momenten: vierde op de Spelen en nu de Masters, een opvallende Ryder Cup…

“Ik vind dat plezant (lacht), het gevoel het te doen als het moet. Ik leef daarvoor. Ik heb soms moeite om mij voor kleine toernooien op te laden. De Ryder Cup spelen is het beste gevoel dat je als golfer kunt hebben. Als je dan een paar weken later in Portugal speelt voor tien keer minder mensen, is dat toch iets anders.”

Body language, nog zoiets. Probeer jij te imponeren door je gestalte?

“Ik ben zo opgevoed. Schouders achteruit, tieten naar voren. Het klopt wel dat ik die body language ook gebruik en ik ga ook vaak fitnessen. Ik ben een van de langste spelers van het circuit en ik wil dat de andere met wie ik speel, ziet dat ik er sta. Het dient nergens toe om je schouders te laten hangen als het minder goed gaat, al was het maar als signaal naar je eigen hersenen. In golf moet je hard opletten voor zelfdestructie.”

Maar onderling gaat het er wel gezellig aan toe, heb ik de indruk. Weinig haat en nijd of afgunst.

“Dat komt omdat het zo vreselijk moeilijk is om op de Tour te komen en nog veel moeilijker om een toernooi te winnen. Dat gezellige geldt dan weer alleen voor Europa. Wij grappen onderling en gaan ’s avonds samen wat eten. In de VS zijn de spelers veel meer op zichzelf en gunnen ze de anderen zo weinig mogelijk. Daarom speel ik ook het liefst op de Europese tour, al zitten daar ook toernooien in het Oosten en Australië bij. Ik denk ook niet dat ik naar de Amerikaanse tour moet om nummer één te worden (hij is nu 24ste op de wereldranking, HV). Nick Faldo, Ian Woosnam, Bernhard Langer en Severiano Ballesteros zijn ook in Europa gebleven en zo eerste geworden. Oké, sinds Tiger Woods is het prijzengeld in de VS gigantisch gestegen. Ieder- een zegt dan: ga in Florida wonen en reis van daaruit, maar ik ben het liefst dicht bij de familie.

“Als die er zijn, én er zijn veel Belgen die mij volgen, zoals op de Spelen, dan voel ik mij ook verplicht – positief bedoeld dan – om iets terug te doen. Voor mensen die de halve wereld zijn afgereisd om mij te zien, mag je weleens je best doen.”

Dáárom ben je vierde geworden in Rio, voor de supporters. Het was de mooiste van alle vierde plaatsen die België behaalde.

“O ja. Voor mij was het de meest frustrerende vierde plaats ooit. Die deed veel meer pijn dan de vierde op de Masters. Een medaille kunnen winnen voor je land, is er iets mooiers in de sport?”

 

 

Thomas Pieters

Interview JM Dedecker over judoschandalen in De Morgen van zaterdag 3 juni 2017

‘De leeuw moet met zijn poten van het lam blijven’

Elke onthulling van grensoverschrijdend gedrag was een steek door het hart van de godfather van het judo. De conclusie van Jean- Marie Dedecker is zo direct als zijn ‘my way or the highway’-coaching destijds: het judo moet gered en trainer D.B. moet op de highway.

Disclaimer: interviewer en geïnterviewde hebben een voorgeschiedenis van dertig jaar, in een relatie als coach-journalist, coach- bobo, coach-ghostwriter (van zijn eerste boek Ik, Jean-Marie Dedecker), politicus-criticus en vandaag, na al die kilometers samen, weten we het niet meer. Als we met de fotograaf naar de rand van Plassendalevaart wandelen, glinstert in de verte de hoogbouw van Middelkerke. “Is het daar dat jij burgemeester gaat worden?”, vraag ik hem spottend.

“Zou kunnen”, zegt hij. “Het ziet er niet slecht uit, maar dat is nu wel het verste van mijn zorgen. Die judo, dat zit mij hoog.”

Nooit gedacht dat ik je nog eens zou moeten interviewen.

Jean-Marie Dedecker: “Neen, ik ook niet, en dan nog over iets waarvan ik zeventien jaar geleden definitief afscheid had genomen. Dacht ik.”

Je kunt de man uit het judo halen, maar niet omgekeerd. Volgens je zoon Dimitri trek je je dit erg aan.

“Ik vind het vreselijk. Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Ann Simons heeft mij op voorhand gewaarschuwd dat er van alles zat aan te komen. Ik heb haar de raad gegeven om de waarheid te vertellen en ik geloof haar verhaal. En daarna is het begonnen met dat weekenddossier in De Standaard. Ik was het voorbije weekend in de Ardennen, er even rustig uit met de familie dacht ik, maar ik hing de hele tijd aan de telefoon. Ik heb bijna iedereen gesproken die van iets wordt beschuldigd of die zelf beschuldigt.”

Wat zijn je conclusies?

“Dat de judobond een augiasstal is. Dat het judo – nota bene de meest succesvolle Belgische sport – sportief is afgegleden. En dat daar nog eens bovenop de moraal en de ethiek van een prachtige oosterse sport kapot is gemaakt.

“Twintig jaar na onze grootste triomf hier op het EK in Oostende (negen medailles, waaronder zes Europese kampioenen, HV), beleven we nu ons grootste debacle. Ik vind het vooral jammer voor al onze olympische, Europese en wereldkampioenen. Zelfs de moeder van Ulla Werbrouck heeft mij gebeld om te vragen wat er allemaal aan de hand is.”

Hoe is het zover kunnen komen? Weet je waar en wanneer het is begonnen?

“Op de topsportschool in Antwerpen, die ik heb helpen oprichten, daar is het grensoverschrijdend gedrag begonnen. Zes maanden later was ik weg uit het judo en een hele tijd later zijn daar drie trainers moeten vertrekken. Eén is veroordeeld voor ongepast seksueel gedrag en nog een andere voor dronkenschap. De details ken ik niet, maar het was verdorie een school en leraars horen onberispelijk te zijn en al helemaal bij de elite die topsport is.”

In 2006 werd Ann Simons voor het eerst geconfronteerd met trainer D.B. op het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité. Je wist dat?

“Ik heb dat toen vernomen, maar ik was daar niet bij betrokken. Ik heb altijd gedacht dat het was uitgepraat tussen die trainer en Ann.”

Als de judobond haar contacteert om een sportieve job in te vullen en daarbij meldt dat zij aan D.B. moet rapporteren, dan zou je er voor minder opnieuw over beginnen, Simons zijnde.

“Daar kan ik mij iets bij voorstellen. In het geval van Ann Simons en de expliciete opmerkingen aan haar adres, zal ik heel eerlijk zijn: in eerste instantie heb je de neiging om te zeggen dat ze daar niet zoveel spel van moet maken.

“Ikzelf heb dat soort opmerkingen over kleine of dikke borsten en seks nooit gemaakt ten aanzien van atleten, maar ik zou er toen, in wat ik onze harde periode noem, in het geval van een volwassen atlete als Ann niet zwaar aan hebben getild. Ik zou hebben gedacht dat het hoort bij het hardmakingsproces van topsport. Vandaag zie ik dat anders, zoals alles vandaag anders is dan twintig en dertig jaar geleden.”

Er zijn ook getuigenissen van ongewenste aanrakingen.

“Die geruchten waren er destijds ook al. Het is pas helemaal erg als dit allemaal binnen de topsportschool is gebeurd zoals een paar meisjes vertellen. Heel vreemd dat niemand dat vroeger heeft gerapporteerd, want de directeur van de topsportschool was Frans Van Den Wyngaert en die stond bekend als erg streng.”

Klopt het dat D.B. nu meer vuilnis in zijn hoek krijgt dan hij verdient?

“In hoever er al of niet sprake is van een afrekening, moet worden uitgezocht. Eén van de getuigen, Niki Heylen, heeft in 2003 in de topsportschool geklaagd over het gedrag van D.B. en is daarop geschorst. Later heeft ook Dylan, de zoon van haar trainer en inmiddels ook haar man Luc Van Nuffel, een probleem gehad, in zijn geval een gemiste WK-selectie, ook door D.B. De rechter stelden hen in het gelijk. Er waren ook klachten tegen die club (het vroegere KV Judo en nu Antwerp United met zetel in Borsbeek, HV) vanuit het buitenland, waarna de bond is opgetreden. Maar wat daar allemaal van waar is en wat gefabriceerd is, moet worden onderzocht.

“Er is veel oud zeer tussen beide partijen en de laatste getuige – Cindy Dandois – komt óók uit die hoek. Om dat uit te klaren, weegt een tuchtcommissie te licht. Bovendien zit die bij de judofederatie vol met leden van de raad van bestuur. Een onafhankelijke onderzoekscommissie onder voorzitterschap van een magistraat kan dat beter reconstrueren en heeft meer kans om de waarheid te achterhalen.”

Het wordt woord tegen woord.

“Ja, lastig. Maar ik begrijp niet dat D.B. pas woensdag op non-actief is gezet. Ik begrijp nog minder zijn vreemde persbericht van dinsdag dat hij nooit ergens is van beticht. Dat is natuurlijk niet waar en uit de politiek weet ik: stilzitten, als je wordt geschoren.

“Ik twijfel er niet aan dat het voor hem binnen de judostructuren einde verhaal is. Dat persbericht, eigenlijk een soort patersbriefje waarin hij alles ontkent, was bijzonder ongelukkig. Hij zal wel niet tevreden zijn als hij dit leest en ook niet met wat ik bij Van Gils en gasten heb gezegd, namelijk dat hij weg moet, maar nogmaals: de hele zaak moet tot op het bot worden uitgeklaard.

“Anderzijds hebben enkele trainers mij bevestigd dat er wel degelijk sprake zou kunnen zijn van een vete en dat vooral zijn selectiepolitiek hem niet populair gemaakt heeft. Stel je maar één moment voor dat er inderdaad dingen zijn verzonnen, dan is er sprake van broodroof want die man is ook kinesitherapeut.”

Woensdag stond een opinie in onze krant van een professor die vindt dat selecties transparanter moeten worden en niet meer door één coach mogen worden gemaakt om afhankelijkheid van de atleet tegen te gaan.

(blaast en draait met zijn ogen) “O ja? Topsport is een aparte wereld, met aparte wetten. Topsport is geen democratie, maar een dictatuur. Wie nooit iets te maken heeft met topsport, zal nu op zijn achterste poten staan, maar wij zitten er lang genoeg in om te weten wat ik daarmee bedoel. Ach, dat is ook het probleem met die breed uitgesmeerde gevallen: iedereen heeft nu een opinie.

“Zeg tegen iemand die judo niet kent, dat er een sport bestaat waarbij je tussen de benen moet grijpen en met je biceps op de ballen van de andere moet duwen, dan denkt die meteen aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat je tegen die ballen duwt, is bedoeld om hem pijn te doen als hij beweegt. Om een signaal te geven dat die houdgreep dertig seconden moet duren want dan heb je gewonnen.

“Ik ben ook de eerste tien jaar als bondscoach op de training af en toe op mijn vrouwelijke atleten gaan liggen. Tot ik in 1991 een assistent kreeg, kon die dat doen. Dat was om hen beter te maken, maar het wordt natuurlijk een ander verhaal als je daarbij obscene gedachten en een erectie krijgt. Dan is het over en uit.”

Onder het mom van eigen wetten voor topsport kunnen we fout gedrag nooit minimaliseren.

“Neen, dat doe ik ook niet. Ik probeer het te objectiveren. Maar of het nu een beetje erg is of heel erg, het is erg genoeg om te zeggen: tot hier en niet verder. Opkuisen die boel.

“Er zitten overal foute mensen in de sport, dus ook in het judo. Neem nu de Nederlander Peter Ooms die ik destijds tegenover mij had als coach en die door drie atletes is beticht van seksueel misbruik. Ik ben vaak met hem en mijn atlete Ingrid Berghmans en zijn Irene de Kok als laatste overgebleven voor een of andere finale. Ik zag toen wel dat die twee een andere relatie hadden dan Ingrid en ik en dat er wat fout zat. Als je het achteraf allemaal hoort, schrik je wel.

“Tegen de Oostenrijker Peter Seisenbacher, twee keer olympisch kampioen, loopt een Europees aanhoudingsbevel voor aanranding van kinderen. Hij is gevlucht naar Georgië waar hij bondscoach is. En in Cuba hebben twee judoka’s een kind van dezelfde bondscoach en dat is dan weer een ander verhaal. In sommige landen raak je makkelijker in de selectie en mag je naar het buitenland als je je trainer pijpt.

“Momenteel loopt er nog een zaak in het Vlaamse judo. Bij een ontgroening zou een jongen met zijn bloot gat op het gezicht van een andere zijn gaan zitten. Daar wordt moord en brand over geschreeuwd. Dat zijn allemaal voorbeelden uit het judo, maar is dat nu typisch voor het judo of is dat toeval?”

Jouw erfenis wordt alvast besmeurd.

“Ja, maar ik sta zelf boven alle verdenking. Ik was allergisch voor dat soort gedrag. Never fuck your athlete vind ik een heilig principe en ik had geen moeite om mij daar aan te houden. Het is ook nooit bij mij opgekomen om met een atleet aan te pappen of zelfs dat soort opmerkingen maken. Ik ben zelfs tegen een relatie tussen coach en atleet, omdat je dan je gezag verliest. Je bent coach, vader, toeverlaat maar ook af en toe beul en wie je graag ziet, die kun je geen pijn doen.

“Grensoverschrijdend gedrag? Daar hadden wij geen regels voor. Ik wist wat er leefde en ik besliste wat kon en niet kon. Ik heb ooit een nieuwe kinesist weggestuurd die op stage in Hooglede een techniek toepaste om via de vagina het bekken recht te zetten. Het schijnt dat die techniek bestaat, maar dat kun je niet maken. Dus weg ermee.

“Het ergste is dat ook iedereen uit mijn tijd nu met de nek wordt aangekeken, ook de mensen achter de schermen die met de jeugd bezig waren. Neem nu Freddy Bellon, die twintig jaar lang de jeugd heeft opgeleid en afgeleverd aan mijn seniorenteam. Nooit ook maar één moment is die man in opspraak gekomen, maar nu is onze sport die van het grote misbruik. Daar wil ik tegenin gaan.”

De Ardeense saunastages, wat is daar van aan?

“Ik ken die man. Ik ken ook zijn vrouw. Die zijn altijd samen, ook in de sauna of de jacuzzi, en voor mij staan die boven alle verdenking. (Iets later belt de betrokkene om te klagen over hoe hij in de pers is opgevoerd, HV) Ik ben zeker dat die man niks kan worden verweten. Een sauna na een judotraining is welkom, maar vandaag, tegen een achtergrond van post-Dutroux-preutsheid, is naakt in de Ardennen in een sauna ineens fout. Daar doe ik niet aan mee.”

In de VS zijn mannen- en vrouwenjudoteams altijd gescheiden.

“Het gevaar bestaat dat straks het kind met het badwater wordt weggegooid. De gemengde trainingen waren juist het geheim van onze successen. Ik was de eerste die een vrouw meenam naar de judo-universiteit van Tokai, waar de grote sensei Sato de baas was. Ingrid Berghmans mocht niet op de mat tot hij haar had getest: hij woog meer dan honderd kilo en gebruikte haar als ventilator. Alle hoeken van de dojo heeft ze gezien, maar daarna mochten onze vrouwen meetrainen met de jongens en daardoor zijn ze zo goed geworden. Er zijn uiteraard ook relaties en huwelijken tussen atleten uit voortgevloeid, maar is daar iets verkeerd aan?”

Wat met de seks- en zuipcultuur die nu ook als bezwarend element wordt aangevoerd? Niet ontkennen, want ik was af en toe getuige.

(lacht) “Soms werd goed er gezopen en ontspand, zoals tijdens de olympische stage op Lanzarote, maar de dag erna trainden mijn judoka’s wel het hardst van alle olympiërs. Ik tilde daar niet zwaar aan omdat het erbij hoort. Wij deden veel inspanningen en dan is de ontspanning navenant.

“Na zes dagen op je kas te hebben gekregen in een dojo in Japan ging je de zevende dag naar Roppongi, de uitgaansbuurt van Tokio. Er zijn excessen geweest, maar nogmaals: ik had te maken met volwassen mensen. Dat bedoel ik dus met dingen die op een hoop worden gegooid.

“In de krant stond ook een getuigenis van Sissi Veys over een judoka die was verkracht in het buitenland. Ik ken Sissi goed en ik heb het haar op de vrouw af gevraagd wat er toen was gebeurd: bleek dat ze waren uitgegaan in het buitenland, te veel hadden gedronken, een groepje mannen tegengekomen en één zou zijn verkracht door één van die mannen. Heeft dus niks met de sport judo te maken, wel met uitgaan op een foute plek op een foute manier.”

De avonturen van Dirk Van Tichelt in Rio, die uiteindelijk bij de politie eindigde, is dat typisch judo?

“Deels wel. Ik moest wel lachen toen ik zijn uitleg hoorde. Ik weet niet precies wat er is gebeurd, maar ik herken het. Ooit klopten ze om 2 uur ’s nachts op mijn kamer in Valencia. Ik zag onmiddellijk dat er was gevochten. Het enige wat ik vroeg was: en wie heeft gewonnen? Jullie? Oké, om 7u kom je uitleggen wat er is gebeurd.

“Had er één touche in Boedapest en vroeg hij om even te mogen verdwijnen na de kampioenschappen, dan gaf ik toe: die dag zo laat is ons vliegtuig. Dat was de compensatie voor jarenlange ontbering. Judoka’s zijn geen voetballers die in chique golfhotels zitten en een uurtje per dag trainen. Wij zaten weken in Podolsk onder Moskou op stage, weken in Japan, Korea, Cuba, vaak in omstandigheden die op het randje waren. Kregen we eten na de training, dan waren we al blij. Ik had geen miljoenen om als premie uit te delen. Hun premie was die ontlading.”

Zou je het nu anders aanpakken?

“Neen, totaal niet. En my way or the highway zou nog steeds mijn devies zijn. Het was een dictatuur die werd verdragen omdat de resultaten er waren. Judo is een oosterse sport en in het Verre Oosten bestaat de totale onderwerping van de atleet aan de trainer. Sportieve onderwerping, voor alle duidelijkheid.

“Maar die machocultuur van toen zou nu niet meer kunnen. Ik stond heel af en toe met een stok op de mat en als het niet goed was, deelde ik een tik uit. Meer licht pedagogisch dan echt bestraffend en eerder een imitatie van wat ik had gezien in Japan en nog meer in Zuid-Korea, waar ze echt nijdig sloegen. Stel je voor dat ik vandaag met die stok langs de mat zou staan… ”

Je hebt ooit een homo gehad in de ploeg, maar die situatie noemde je onhoudbaar.

“Die jongen voelde zich bij ons niet thuis en hij is zelf opgestapt. Iedereen wist dat hij homo was en er werden opmerkingen over gemaakt. We stonden ook samen onder de douche en dan ging het al eens over wie een grote en kleine had. Die situatie zou vandaag niet anders zijn en ook nu zou die jongen vertrekken, maar hij zou ook meteen naar de pers stappen of naar een belangenvereniging.”

Wat vind je van de Vlaamse Judofederatie?

“Die reageert zoals de Kerk. Ze hadden beter meteen zelf maatregelen aangekondigd. Ze wilden de jonge judoka bewuster maken van fout gedrag, wat een onzin. Als trainer heb je macht en je atleet kijkt naar je op. Als je dat misbruikt, ben je een paljas. Jij bent de leeuw en de atleet is het lam. De leeuw moet met zijn poten van het lam blijven en het is niet aan het lam om de leeuw tot orde te roepen.

“Ach, die hele raad van bestuur zou beter opstappen. Het gaat ook nog eens sportief erg slecht met het judo. Geen enkele sport heeft 40 procent van zijn topsportgeld moeten inleveren, behalve het judo. En dat terwijl er een medaille is gewonnen in Rio. Als performance manager zou Dirk Van Tichelt prima zijn, een master bewegingswetenschappen, medaillewinnaar en volgens mij klaar met topsport.”

En met jou als voorzitter?

“Neen, maar ik wil wel een goeie kandidaat chaperonneren. Op de terugweg van Van Gils en gasten verraste mijn zoon Dimitri mij. Pa, zei hij, wat zou je ervan denken moest ik proberen die boel daar mee op te kuisen en te moderniseren? Ik zei: doe maar, mijn steun heb je. Hij is advocaat en ex-Belgisch judokampioen: Dimitri heeft het ideale profiel.”

Een beetje een beladen familienaam wel.

“Misschien, maar de grote schoonmaak is meer dan nodig.”

 

Dedecker

Column Subcultuur in De Morgen van 4 juni 2017

Subcultuur

Goed gezien om het promofilmpje tegen grensoverschrijdend gedrag in de sport te laten beginnen met een zwemmer, vervolgens een judoka aan het woord te laten en te eindigen met een taekwondoka. Het is wel niet zeker of die stemmen allemaal even relevant zijn.

Die laatste is een brave gast die wellicht nooit heeft geweten dat de grootste vergrijpen zich op zijn topsportschool hebben voorgedaan, weliswaar niet in zijn sport. De judoka is een van de moedige vrouwen die al jaren willen getuigen maar die niet of nauwelijks werden gehoord. De zwemmer komt dan weer uit de inner circle van de initiatiefneemster. Drie ervaringsdeskundigen en/of slachtoffers was nog een sterker signaal geweest.

Maar prima dus dat het begon met een zwemmer want ik heb nooit grotere ogen getrokken over wat zich afspeelt in de coulissen van de sport dan bij het zwemmen. Mijn wake-upcall kwam die warme juli-avond in Barcelona in 1992 toen ik aan de voet van Montjuich op advies van enkele van onze eigenste atleten – ik was perschef van de Belgische ploeg – het adidas-dorp ontdekte. Of ik binnen mocht? Dat mocht, zei de halfnaakte hostess, want ik was Olympic Family. Ik verbleef in het olympisch dorp en toen zag ik er nog uit als een atleet.

Ik ben er drie keer geweest, in de befaamde/beruchte tweede olympische week als de zwemmers en judoka’s klaar zijn, en elke avond werd de hoop groter. Ik bedoel de hoop zwetende lichamen die onder de gratis alcohol (en tapas) op elkaar lagen te wriemelen, met daartussen coaches en officials van allerlei kunne en geslacht. Het was daar één grote dronken hoerenboel en overal rook je cannabis.

De jongste atlete die ik daar zag roken en die toen ook haar eerste lief binnendeed (of zelf werd binnengedaan) was de veertienjarige zwemgodin Franziska Van Almsick. In haar biografie en in latere interviews had ze het over Barcelona en de adidas-party’s als een heftige stap in haar volwassenwording. Drie dagen voor het einde van de Spelen moest adidas het bezoek contingenteren en werd de alcohol gerantsoeneerd. Vier jaar later was van een open dorp geen sprake meer.

Er werd gegrabbeld en gegraaid in de topjes en de broekjes dat het een lust was, maar was dat grensoverschrijdend gedrag?
Dan moeten we eerst weten waar de grens ligt. Is die leeftijdsbepaald? Ik ken sporters van zestien met een volwassen blik op de maatschappij en gymnastes van twintig met de levenservaring van een kind van de lagere school. Door heel wat sporters en coaches wordt de grens voor laakbaar gedrag – verbaal of fysiek – op achttien gelegd. Dat is een vergissing. Elk gedrag waarbij in een coach- atleetrelatie seks en/of geweld voorkomt, overschrijdt een grens.

Neem nu de coach die sms’jes stuurt naar een atlete: ‘Als je onder de douche staat, mag ik dan naar je borstjes komen kijken?’ Is dat fout als ze zestien is, omdat ze dan van slag kan geraken en moet ze daar kunnen om lachen als ze twintig is? Welnu, ze was twintig en ze raakte zo van slag dat ze niet meer presteerde. Moeilijk.

In onze weekendbijlage Zeno verdedigt Jean-Marie Dedecker zijn sport, probeert tussen het amalgaam aan beschuldigingen het kaf van het koren te scheiden, kadert ook een en ander in een tijdgeest en legt uit hoe de subcultuur van de (top)sport in elkaar steekt. Die is hormoongedreven, gericht op dominantie van de ene atleet tegenover de andere en onderwerping van de atleet aan de trainer. De hele handel en wandel in die wereld en het taalgebruik zijn navenant.

Dat kan allemaal wel kloppen, maar de topsport en bij uitbreiding de sport moet op zijn tellen letten. De sportwereld heeft er een handje van weg om het zo voor te stellen dat wat geldt voor de rest van de maatschappij niet zou gelden voor de sport. Zo’n jarenlange uitzonderingspositie is geen verworven recht en met de tijd heeft de maatschappij de sport op alle domeinen gecorrigeerd, zij het niet altijd even oordeelkundig.

Neem de soms onmenselijke werkomstandigheden in de eerste zesdaagsen en de vroege Tour de France. De wereld rond de sport en niet de sport zelf heeft ingegrepen. Of het arbeidsrecht. Ook daar heeft de sport een aparte status, al is die in 1995 uitgehold met het Bosman-arrest, ook een ingreep van de buitenwereld. De genderproblematiek: sport wil een strikte scheiding van de seksen en dus is er voor sommige transgenders en interseksen geen plaats in topsport. Daar komen processen van. Maar het beste voorbeeld van een subcultuur die een eigen weg was ingeslagen was de overmedicalisering, c.q. doping. Ook daar zijn buitenstaanders nodig geweest om de sport terug in de juiste koers te krijgen.

Al die uitzonderingen voor de sport staan onder druk en dat geldt ook voor de relaties tussen de atleten onderling en tussen coaches en atleten. In de problematiek van de transfers en de overmedicalisering heeft de sport nagelaten zichzelf te reguleren en het resultaat was een set maatregelen die inmiddels hun doel ver zijn voorbijgeschoten. De sport neemt dit probleem van grensoverschrijdend gedrag best ernstig want als de maatschappij er zich mee bemoeit, meestal niet bezwaard door al te veel kennis en opgejaagd door de (sociale) media, slaat de slinger door.

Column poep/kakstop in De Morgen van zaterdag 27 mei 2017

Poep- of kakstop

Nu hij zijn roze trui (hopelijk tijdelijk) kwijt is, borrelt de kwestie weer op: dat ze van de week hadden moeten wachten op Tom Dumoulin. Het zijn die twee minuten die hij verloor in de klim van de Umbrail die hem nu zuur opbreken. Vervolgens ging het nog een stap verder: wie weet is Dumoulin wel geflikt, misschien is er hem een besmet flesje aangereikt onderweg of heeft iemand met last van diarree met opzet zijn handen niet gewassen terwijl hij het ontbijt van de roze trui in het hotel bereidde. Wie zal het zeggen?

Bullshit. Er was geen complot en neen, Nibali en Quintana moesten niet wachten. Vallen door een stom toeval en daar even op wachten in een wedstrijdsituatie die dat toelaat, is een compleet ander verhaal dan pech hebben door eigen schuld. Bijvoorbeeld vallen omdat je een bocht in een afdaling als een gek hebt willen nemen, of nog – zoals Steven Kruijswijk vorig jaar – een stuurfout maakt als je onder druk staat.

Moeten afstappen omdat je moet poepen/kakken – met dank aan Eurosport zijn we nog eens op de verschillen in het Noord- en Zuid- Nederlands vocabularium gewezen – maakt wezenlijk deel uit van de wielrennerij. Als dat op een slecht moment gebeurt, heb je dat aan jezelf te danken. Niemand hoeft dan op jou te wachten. Als je bovendien ook nog eens een fietsbroek met bretellen hebt, wetende dat je af en toe op de pot moet, dan heb je een groot probleem.

Ik zit nog met wat vragen, maar misschien is dat de beroepsmisvorming. Tom Dumoulin heeft zondagavond chocoladecake als dessert gehad. Moet kunnen, was zijn laconiek commentaar. Zeker, en dat is misschien nog net te behappen voor het stelsel van een zwakke verteerder, maar wat te denken van die pannenkoeken op de rustdag? Ik ben ook een zwakke verteerder en ik heb ook ooit een keer proberen presteren op pannenkoeken. Dat was in de marathon van Peking. Twee Imodiums genomen, maar tevergeefs. Twee keer van het parcours gemoeten: één keer in een McDonald’s en één keer in het enige bosje van Peking, dat zich ergens tussen de derde en vierde ring in bevindt, voor wie het interesseert. Sindsdien weet deze jongen: nooit meer pannenkoeken rond wedstrijden, want te vet.

De uitleg achteraf voor de poep- of kakstop was ook vreemd. Waar ze het vandaan hebben dat Tom Dumoulin boven de 2.000 meter geen zuurstof meer heeft voor de werking van zijn darmen, is een raadsel. Of ze hebben bij Sunweb de wetenschap op haar kop gezet en daar nog niks over gepubliceerd, of ze denken ons met een kluitje in het riet te kunnen sturen.

Het kan een stuk eenvoudiger, zoals: Dumoulin heeft alles om een topper te zijn – het vermogen, de kop, de benen, de babbel, de hersens – maar misschien niet de maag en darmen. De spijsvertering is een discriminerende factor in een uithoudingssport en bepaalt ook finaal de recuperatie. De cyclus van Krebs zullen we u besparen, maar via maag en darmen komt de glucose in het bloed terecht en na wat chemische processen arriveert de energie in de spieren. Groterondewinnaars zijn zonder uitzondering goede verteerders: wat je er boven ingooit, wordt efficiënt verbrand en komt er onderin uit als energie en niet als kak halfweg tijdens een sanitaire noodstop. Lance Armstrong bijvoorbeeld was een fenomenale verteerder. Eddy Merckx ook. Greg LeMond was wellicht de ergste. Die at burrito’s en burgers tijdens de Tour.

Minder goede verteerders kunnen nog altijd superkampioenen zijn en grote rondes winnen, maar dan moet alles meezitten. Het is niet bekend hoe het voedingsplan van Dumoulin eruitziet, en of hij er wel een heeft, maar Team Sunweb heeft wel degelijk een nutritionist in dienst dus mag je aannemen dat ze daarnaar hebben gekeken. Als Dumoulin alsnog de Giro wint, dan heeft hij dat nagenoeg in zijn eentje geklaard, tegen Nibali en Quintana die steeds op helpers konden rekenen. Zo’n experiment is niet voor herhaling vatbaar: Tom Dumoulin moet naar een topteam of hij moet door betere renners worden omringd en dan is de Tour de France met zijn lopende cols ook een haalbare kaart.

Column Diskrediet in De Morgen van zat 20 mei 2017

Diskrediet

Ves. Carlien Cavens (30) gaat uit eten met Victor Campenaerts (25). Daten heet dat bij de millennials. Maar niet op zijn Amerikaans, waar daten dan weer betekent dat je minimaal kust en maximaal flikflooit. Nooit seks all the way van de eerste keer want dat is slecht voor je rep. Rep, zoals in reputatie.

Omwille van de professie volg ik de avonturen van Carlien en Victor via de niet-selectieve pers. De selectieve pers bericht daar niet over, maar nu dus wel met dit stukje. Welaan, hier gaat het over: omdat Victor Campenaerts van Team LottoNL-Jumbo de tijdrit reed met opengeritst shirt met op zijn borst in stift geschreven ‘Carlien daten?’ staan de niet-selectieve kranten al dagen vol met hun belevenissen. Die avond van de tijdrit heeft Carlien ja gezegd, maar gewoon om te gaan eten. Want, zo legt ze uit: er is meer nodig opdat ze verliefd wordt.

Kijk eens aan, zoveel assertiviteit behoort te worden geduid en dus volgde donderdag zowaar een portret van Carlien. Ze is amper 30 maar al zo gelouterd door het leven dat ze managers leert deconnecteren van het stressvolle leven. Kijk eens aan, bis.

Het is me een verhaal, maar heeft die brave Campenaerts – een ex-triatleet dus per definitie een licht autistische zonderling – er al één moment aan gedacht welk onheil hij over zichzelf en zijn would-belief heeft afgeroepen? Bijvoorbeeld dat er bij hun eerste date vast een fotograaf in de struiken zal zitten? Dat de boekskes hun vervolgverhaal – hij wil wel, maar wil zij? – zullen overnemen? Of was dat de bedoeling?

Verder wens ik hen alle geluk toe, samen of niet samen, en ik zal het blijven volgen, want het wielrennen kan dat soort nieuws ook gebruiken naast alle dagelijkse treurnis. Van de week las ik nog een ontroerend verhaal opgetekend in Filottrano, de gemeente met de naam als een tranendal waar Michele Scarponi woonde, fietste en verongelukte. Franky de papegaai is al zes dagen niet meer naar huis gekomen. Toen de kinderen van Scarponi voor het eerst terug naar school gingen, zat hij hen nog op te wachten aan de schoolpoort.

Nog meer treurnis van de week in het wielrennen in de Ronde van Californië. Daar smakte de Let Toms Skujins van Team Cannondale in een afdaling zo hard tegen het asfalt dat hij compleet groggy was. Nog voor hij opstond, waren vier motoren bij hem gestopt, waarvan een van de neutrale technische bijstand. Kijkt u het zelf maar na. Surf naar YouTube en tik Tom Skujins in. Begin met de versie vanuit de helikopter en doe daarna die vanaf de grond.

Skujins staat recht, wordt daarbij geholpen door de man van de neutrale moto die zijn fiets opraapt; hij is als een bokser die nog snel vóór de tien tellen recht wil maar weer door zijn knieën gaat. Wat doet de scheidsrechter in een beestige sport als boksen? Hij stuurt de ongelukkige naar zijn hoek, afgelopen met boksen.

Niet in het wielrennen, niet Skujins, en zeker niet die vier motoren. Die lieten Skujins gewoon doen. Terwijl op centimeters het peloton langs hem zoefde, keken ze gefascineerd toe. Zoals de bokser zijn mondstuk zoekt, grabbelde hij naar zijn bril, die hij tussen de lappen opperhuid op het asfalt vond, en weer viel hij, tot hij na drie pogingen toch op eigen benen stond, en alsnog op die fiets sukkelde. Niemand hield hem tegen.

En nu komt het ergste, want dat ziet u niet: Skujins is nog een heel eind verder gereden waarna hij toch moest afstappen. Pech, zijn sleutelbeen was ook gebroken. Wielrennen wordt soms heroïsch genoemd omwille van dat vallen, opstaan en weer doorgaan, maar achterlijke taferelen als deze van Skujins zijn juist het manco van die sport die haar kinderen in sneltempo verslindt.

De motards in de Ronde van Californië, allemaal met een licentie van een of andere wielerbond, zijn niet terechtgewezen. Victor Campenaerts in de Giro wel. Hij heeft een boete van 100 Zwitserse frank gekregen. Omdat hij het wielrennen in diskrediet heeft gebracht, kwam een (Vlaamse) koerscommissaris uitleggen. “Enfin zeg, met stift op zijn blote borst iets schrijven, straks doet iedereen dat.” Misschien wordt het tijd dat ze bij de wielerbonden hun prioriteiten herzien.

Maria en de Meldonium in De Morgen van zat 20 mei 2017

De wraak op Bitchova

Maria is een bitch, verdient te veel en is te mooi. Misschien zijn dat de redenen waarom ze door het tenniscircuit wordt uitgespuwd. Aan dat meldonium alleen kan het niet liggen want dat is geen doping. Maria Sjarapova is onterecht zwaar gestraft.

Toch één die nuchter bleef in de heisa rond haar comeback van de afgelopen weken. Hij heet Steve Simon en is algemeen directeur van de WTA, de Women’s Tennis Association, een associatie van speelsters die het reguliere tenniscircuit aanstuurt.
Het grandslamtoernooi Roland Garros, een van de weinige toernooien die vallen onder de auspiciën van de ITF, de internationale tennisfederatie, had net besloten dat Maria Sjarapova (net 30 geworden) niet welkom was in Parijs, waar volgende week de Franse Open van start gaan. Technisch gezien kreeg ze geen wildcard maar dat kwam op hetzelfde neer als ‘wij willen jou niet’ omdat ze met haar voorlopig nog lage ranking (WTA 211) niet in de kwalificatietabel kan.

Simon was het niet eens met de beslissing en zei: “Een speelster die al is gestraft hoeft niet nog eens te worden gestraft.” Maar Bernard Giudicelli, de voorzitter van de Franse tennisbond – de nationale bonden en koepelbond ITF leveren een voortdurende machtsstrijd tegen de WTA – zag dat anders: “Er zijn wildcards voor speelsters die terugkeren na een blessure, maar niet na een dopingschorsing.”

MaSha (voor de weinige vrienden) liet het niet aan haar hart komen: “Ik zal dat soort spelletjes niet laten verhinderen dat ik mijn dromen verwezenlijk en ik heb nog veel dromen.” Een van die dromen bestond er volgens haar managementbureau in dat ze na haar loutering op de strafbank toenadering zou zoeken tot de collega’s.

De Française Kristina Mladenovic speelde tegen haar in haar comebacktoernooi in Stuttgart, waarvoor ze wel een wildcard kreeg, maar merkte daar niks van. “Toenadering? Vanaf de eerste dag dat ze in de vestiaires kwam, heeft ze tegen niemand goeiendag gezegd. Ze is in haar hoekje gebleven, at nooit in het spelersrestaurant en liet haar eten brengen. Zoals vroeger.” Mladenovic klopte Sjarapova in de halve finales en behalve de obligate handdruk kon er wederzijds geen woord af. Tegen L’Equipe Magazine legde ze uit wat haar had gemotiveerd: “Ze is een bedriegster. Punt. En dat vinden velen met mij. Hoeveel berichtjes ik niet heb gekregen: ‘komaan’, ‘verslind haar’, ‘zet haar op haar plaats’.”

Hartbeschermend middel

Op 7 maart van vorig jaar liet Maria Sjarapova op een persconferentie in Los Angeles een bom ontploffen met de melding dat ze op de Australian Open positief had getest op meldonium, een tot dan compleet onbekend en alleen in Oost-Europa populair middel, dat door het Wereldantidopingagentschap (WADA) voor 2016 op de lijst met verboden middelen was gezet. “Ik had het moeten weten of iemand had het mij moeten komen melden, maar ik neem het al tien jaar ter bescherming van mijn hart. Ik nam Mildronaat en blijkbaar is dat een merknaam van meldonium. Ik nam het in Australië, mij van geen kwaad bewust.”

In eerste aanleg kreeg Sjarapova twee jaar, omgezet op 6 oktober van vorig jaar door het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) in vijftien maanden. Het was een vreemd arrest dat samengevat kon worden als: ze had het moeten weten, was dus nalatig, maar is ook een beetje onschuldig want ze kon het moeilijk weten. Al snel na de veroordeling van de tennisdiva doken de eerste vreemde geruchten op rond de opsporing van dat middel waar niemand in het Westen het bestaan van af wist. Gaat het wel om doping? Is de opsporing wel oké? En wat met de timing?

Om een product als doping te kwalificeren bestaan drie criteria: prestatiebevorderend, tegen de geest van de sport en een gevaar voor de gezondheid. Aan twee van de drie criteria moet voldaan zijn en dan kan het product door het zogeheten lijstcomité van WADA op de lijst worden gezet. Dat gebeurde in het geval van meldonium (merknaam Mildronaat) in september van 2015 en ging in vanaf januari 2016.

Die zomer was in de British Journal of Sports Medicine een artikel verschenen van de hand van professor Wolfgang Schobersberger van het sportmedisch instituut in Innsbruck, gespecialiseerd in alpinesporten, in samenwerking met het Oostenrijks dopinglab in Seibersdorf. Uit dat artikel bleek dat meldonium heel vaak werd teruggevonden in urines: met 2,2 procent (3.625 stalen van 2015 bevatten meldonium) was het meer dan dubbel zo vaak gerapporteerd dan het tweede product in de monitoring. Het artikel ging ook in op de werking van het medicijn dat in Rusland op de lijst is gezet van vitale medicijnen die voor elke Rus toegankelijk moeten zijn. In verband met sportprestaties werd gemeld dat er geen studies voorliggen die bewijzen dat het een effect zou hebben op getrainde atleten.

“Heb ik ook nooit beweerd”, zegt de Letse chemicus-uitvinder Ivars Kalvins die het product op de markt bracht in de jaren 70. “Het verbetert de weerstand en de doorbloeding. Het is een verzekeringspolis tegen hartdood door overbelasting van het hart. Mildronaat zorgt ervoor dat de cellen niet doodgaan.” Dat wordt gestaafd door het BJSM-artikel. “Mildronaat of meldonium heeft een aantoonbaar effect als anti-ischemisch (ischemie is gebrek aan doorbloeding, HVDW) en hartbeschermend middel.”

Russen pesten

Hoe in godsnaam is meldonium dan op de verboden lijst geraakt als het volgens de huidige stand van zaken niets meer is dan een soort antioxidant, weze het dan met een andere chemische structuur? De research komt van de PCC, het Amerikaanse Partnership for Clean Competition, een tot dan onder de radar gebleven onderzoekseenheid opgericht in 2008 door het Amerikaans olympisch comité en de Amerikaanse dopingautoriteit USADA, in samenwerking met – en nu komt het – de Major League Baseball en de National Football League, twee sportcompetities die nota bene vergeven zitten van de doping en die zich van de internationale regels helemaal niks aantrekken.

 

Een olympische bron spreekt uit de biecht op voorwaarde van anonimiteit: “WADA heeft de bevindingen van dat Amerikaanse PCC zomaar overgenomen zonder grondig te checken. Het is duidelijk dat ze veel atleten uit dezelfde landen wilden betrappen, terwijl WADA in eerste instantie een voorlichtende functie heeft. Meldonium staat op de lijst om de Russen te pesten, niks meer en niks minder. WADA kreeg maar geen grip op de Russische autoriteiten nadat ze de fraude in Sotsji hadden ontdekt en alleen dáárom hebben ze dat product halsoverkop op de lijst gezet. Om enkele maanden later met hun rapport te komen over de echte doping en de echte fraude. Maar daar heeft meldonium niks mee te maken, het was een glijmiddel om de publieke opinie voor te bereiden.”

Er was nog meer aan de hand dat erop wees dat het WADA overhaast te werk was gegaan. Het moest toegeven dat de merknaam Mildronaat niet op de lijst stond die naar de atleten was gecommuniceerd, maar wel op de lijst voor de pers. Ook de ITF en de WTA hebben geen melding gemaakt naar hun tennissers van verandering aan de dopinglijst, hoewel meldonium wel was opgenomen in de categorie niet-specifieke substanties. RUSADA, de Russische antidopinginstantie, meldde wel de twee namen, maar RUSADA was eind 2015 geschorst.

Hoewel ze in andere sporten wel bij de les waren, bleven de positieve gevallen vreemd genoeg toestromen. Honderdachtenvijftig waren er tegen begin april al tegen de lamp gelopen, zonder uitzondering atleten uit de republieken van de voormalige Sovjet-Unie waar het middel eerst was gebruikt onder de troepen die Afghanistan waren binnengevallen.

Toen topgymnast Nikolai Kuksenkov ook positief testte, maar beweerde al in geen acht maanden aan de meldonium te hebben gezeten, ging in Montreal bij het WADA een belletje rinkelen. Men keek nog eens van nabij naar de excretiewaarden van het product en jawel hoor, ai Montreal, we hebben een probleempje: meldonium bleef maanden in het lichaam hangen.

“Een fout”, geeft Peter Van Eenoo van het DoCoLab in Gent toe. “De chemische formule wijst op het eerste gezicht op een snelle uitscheiding, maar het blijkt nu dat er maanden nadien nog sporen kunnen opduiken, genoeg om alarm te slaan. Dat had beter onderzocht moeten worden.” Het WADA kon niet anders dan alleen atleten te vervolgen die hadden toegegeven ook na januari nog aan de meldonium te hebben gezeten, zoals de lichtjes naïeve Sjarapova die als enige grote naam toch werd gestraft.

Anderen liepen spitsroeden na die negatieve publiciteit. Zo trok de vrijgesproken zwemster Joelia Jefimova naar de Spelen in Rio en werd daar voortdurend uitgefloten en aangepakt door haar collega-zwemsters. Na haar zilver op de 100 meter schoolslag gaf ze toe dat het huilen haar nader stond dan het lachen.

Nog frappanter was het geval van de twee volleybalspelers van Dinamo Moskou die beiden op meldonium waren betrapt na 1 januari: de Rus Alexander Markin werd uitgesloten van de Spelen in Rio, want geen medelijden met Russen, maar zijn Amerikaanse clubmaat Maxwell Holt trad vrolijk aan voor de Amerikaanse ploeg in Rio omdat het USADA had hem wel gecleard.

Het kwaad is geschied, het zorgvuldig gecultiveerd imago van de tennisdiva Maria Sjarapova is beschadigd en ze zal nog een tijd op de blaren moeten zitten. De nauwelijks onverholen kritiek in het tenniscircuit houdt niet op, ook niet na haar te zware straf te hebben uitgezeten. De Canadese Eugenie Bouchard noemde haar vlakaf een bedriegster toen ze haar klopte in Madrid. “Ik sta daarboven”, glimlachte Sjarapova.

Het is een kunstje, een overlevingstruc: Sjarapova staat al heel haar leven boven alles en iedereen, van de dag dat ze met haar pa vanuit de streek van Tsjernobyl als zevenjarige langpootmug naar de academie van Nick Bollettieri in Florida verhuisde. Al snel leerde ze accentloos Amerikaans en al even snel kreeg ze daar de bijnaam Bitchova van enkele ouders van Amerikaanse collega-talentjes, maar ook dat kon haar niet deren.

‘Unstoppable’

Jaloersheid is haar deel en van de hypocrisie weet ze vandaag op haar dertigste dat die geen grenzen kent. Eergisteren nog vond haar tennissponsor Head het terecht van Roland Garros om haar geen wildcard te geven omdat dopingzondaars geen wildcard verdienen. In dezelfde paragraaf vond de CEO het onterecht dat meldonium op de lijst stond omdat er geen wetenschappelijk bewijs is dat het prestatiebevorderend zou zijn.

In september verschijnt haar biografie en die heet toepasselijk Unstoppable, niet tegen te houden. Haar vastberadenheid om terug te keren aan de top heeft ook te maken met het product en het imperium Sjarapova. Precies wat de concurrentie de ogen uitsteekt. Wie heeft nog contracten met Nike, Porsche, Evian en al die andere bedrijven? Niemand. Wie ziet er beter uit dan Sjarapova in de talloze spots, over alle sporten heen? Niemand. Welke sportvrouw heeft ooit beter verdiend? Niemand. Welke speelster willen alle toernooidirecteurs? Maria Sjarapova.

Sinds 2001 heeft ze 270 miljoen euro bij elkaar getikt alleen aan prijzengeld. Vorig jaar nog berichtte Forbes dat haar jaarinkomen rond de 20 miljoen euro draaide. Ze stond daarmee 88ste op de ranking en was gezakt onder Serena Williams die vorig jaar met 26 miljoen euro naar huis kwam. Al de jaren daarvoor stond Sjarapova netjes eerste met een gelijkaardig bedrag. Haar totale inkomsten worden geschat op een half miljard.

De dopingschorsing heeft haar maar twee contracten gekost: het horlogemerk TAG Heuer en cosmeticabedrijf Avon haakten af. Alle anderen bleven aan boord, zoals Nike met zijn achtjarige deal voor 60 miljoen euro. Zolang het eerste sportmerk er vertrouwen in heeft, zal het wel loslopen voor mooie Maria.

VER-Sjarapova

Column De Bal is Bijzaak in De Morgen van zaterdag 13 mei 2017

De bal is slechts bijzaak

Een man van Anderlecht reageerde van de week op iets wat hij had gelezen over zijn club en wat hem niet was bevallen. Hij vroeg of ik soms ging golfen samen met Michel Preud’homme en Marc Degryse. Gaan die twee dan golfen, vroeg ik mij af? En waar zou dat dan zijn? In Damme wellicht, of sporadisch in Knokke of De Haan misschien, wie weet occasioneel Oostduinkerke. En als ze gaan golfen, zouden ze dan over voetbal spreken? Die kans lijkt groot. Neen, ik golf niet met Degryse en Preud’homme, maar ik weet waarom ik die sneer kreeg. Ik had Anderlecht een bleke kandidaat-kampioen genoemd en dat vinden ze bij Anderlecht niet leuk.

Van de week verscheen in Voetbalmagazine een verhaal over René Weiler en Anderlecht en onder meer over hoe ze omgingen met de kritiek. Toen het voetbal niet om aan te zien was, en (aldus Weiler) de pers Weiler had opgegeven, gaf Weiler de pers op. Sindsdien verschijnt Weiler niet meer standaard op persconferenties voorafgaand aan de wedstrijden. Het is vooralsnog niet duidelijk of we daar veel bij inschieten.

Anderlecht ís een van de slechtst voetballende kampioenen van de laatste jaren, áls ze al kampioen worden, want gerede twijfel daarover is meer dan op zijn plaats. Daartegenover staat dat Anderlecht voorlopig de terechte kampioen is, tenzij Club in de laatste drie wedstrijden, te beginnen morgen, ongenadig uithaalt en Anderlecht alsnog helemaal inzakt. Gezien die stevige uitwedstrijd bij Gent laatst lijkt dat onwaarschijnlijk, maar met het Anderlecht van dit jaar weet je nooit en je krijgt ook niet echt de indruk dat hun sportieve baas René Weiler het weet.

Wie Anderlecht analyseert, heeft er een hele klus aan. Er valt geen peil op te trekken. Het is een rijke verzameling aan talent waar achteraan een stevig slot op staat, met voorin een spits die oorlog maakt. Daartussen doet iedereen maar wat en gezien het overaanbod aan talent komt daar af en toe voetbal uit. Af en toe. Er zit geen enkele lijn in dit Anderlecht, maar er loopt wel een rode draad door de prestaties: tegen goed voetballende ploegen is Anderlecht top, tegen ploegen die zich tactisch slim instellen op Anderlecht, is het bagger. Tegen Zulte Waregem vorige week was het bij momenten dweilen met de kraan open. De linies opereerden zelfstandig, zonder consideratie voor wat de rest van de ploeg van plan was, en de enige verbindende factor was marathonman Leander Dendoncker.

Anderlecht had 40 procent balbezit, op het eigen veld alstublieft. Nu is balbezit geen voorspellende factor voor winst of verlies. De twee Belgische ploegen met het meeste balbezit zijn Genk (niet in play-off I) en Gent (bijna niet in play-off I). De enige statistiek die voor meer dan 90 procent correleert met winst of verlies, is het aantal schoten tussen de doelpalen en daar is Anderlecht dan weer erg goed in. Dat heet efficiëntie. En hun voetbal heet reactievoetbal, géén countervoetbal, wat het natuurlijk wel is. En aan gegenpressing – een fancy woord voor snel, hoog, gegroepeerd druk zetten – doen ze ook al niet echt. De echte gegenpressing heeft één gouden regel: door de tegenstander de bal te gunnen, laat je hem in de waan dat hij aanvalt en dan is hij niet met verdedigen bezig. Die bal onverhoeds weer afnemen, gebeurt bij voorkeur zo hoog mogelijk op de helft van de tegenstander, maar dat doet Anderlecht ook niet (behalve onlangs op Gent). Ze plooien heel gewillig terug en proberen de bal pas vanaf de middenlijn te veroveren om dan razendsnel van de ontstane ruimte gebruik te maken.

Van de week stond in een krant een interessante statistiek. Van alle ploegen in play-off I heeft Anderlecht het minste balbezit in uitwedstrijden: 46 procent. Eén procentje meer dan Club, dat soms een beetje voetbalt als Anderlecht maar meestal twintig meter hoger. Maar, en nu komt het: van alle thuisploegen heeft Club Brugge het minste balbezit: 47 procent. Morgen spelen twee ploegen tegen elkaar die de bal liever bij de tegenstander zien maar die zoveel intrinsiek talent hebben dat er soms geen andere keuze is dan goed te voetballen. Op papier is Club-Anderlecht van morgen opgeteld 93 procent balbezit. Eén, twee, drie, wie wil de bal? Wie zal die 7 procent opeisen?

Verhaal over Leander Dendoncker in De Morgen van 13 mei 2017

VEDETTE ZONDER KAPSONES

Geen tattoo (die we mogen zien). Geen hamster of inkeping op zijn hoofd. Geen Facebook, Twitter of Instagram. Leander Dendoncker (22) uit Passendale ging kapot van heimwee, maar werd hét talent van Brussel.

Het minste wat je kunt zeggen, is dat ze danig waren geschrokken op de boerderij van de Dendonckers. Van Passendale – la Flandre très très profonde – naar Roeselare was al een beetje een cultuurschok en dan lijkt de Club van Brugge het volgende veilige station voor een West-Vlaams voetbaltalent. Leander, de middelste van drie zonen, koos de andere weg. “Ze zijn allemaal geweest: Standard, Club Brugge, Genk, maar ik wilde naar Anderlecht. Die ene training met Romelu Lukaku op die school met daarnaast dat voetbalveld en ik was verkocht.”

Vanuit de varkenshouderij van Dirk Dendoncker zie je de contouren van Tyne Cot Cemetery, de grootste begraafplaats van soldaten van het Gemenebest op het Europese vasteland. “Ik ben er maar één keer geweest”, zegt zoon Leander. “Natuurlijk weet ik wat er is gebeurd honderd jaar geleden. Ooit kwam een Australische filmploeg zoeken naar skeletten onder onze boerderij.” Historie was in die beladen omgeving voor de broers Dendoncker nooit de prioriteit nummer één, wel het voetbal. Veel belangrijker is, dus: promoveert KSV De Ruiter van Andres, pakt Leander zijn eerste titel en hoe vergaat het kleine Lars?

Alleen die laatste vraag kreeg al een antwoord: Lars (16) tekende zijn eerste profcontract. Bij Club Brugge. Dus wordt hij angstvallig in de luwte gehouden. Andres greep naast de titel in tweede provinciale, maar zit nog verwikkeld in een eindronde. Ook hij doet er liever het zwijgen toe. En Leander had met Royal Sporting Club Anderlecht een paar weken geleden de titel voor het grijpen, maar moet nu nog vol aan de bak bij Club Brugge. Hem lijkt het allemaal niet zo heel veel te doen. Omdat het beste nog moet komen?

Hoe dit ook afloopt, aan de middelste Dendoncker zal het alvast niet liggen als Anderlecht de titel nog uit handen geeft. Hij is dé speler van het jaar bij paars-wit. Vergeet al wie al is vertrokken uit dit plots zo vruchtbare voetballand – op Kompany, Hazard en De Bruyne na misschien – en vergeet wie nog zal vertrekken, met alle respect voor de Tielemansen van deze wereld, maar Leander Dendoncker en niemand anders is ’s lands volgende uithangbord.

“Het grootste Belgische talent. Zeer intelligent, zeer sober, sterk, die heeft alles. Als hij speelt, draaien de anderen rond hem beter en niet omgekeerd. Leander Dendoncker van Anderlecht kan die nieuwe grote Belgische speler worden.”

Dat waren tegenover deze krant eind vorig seizoen de woorden van de Waregemse wijze man Mbaye Leye en hij heeft sindsdien alleen maar gelijk gekregen. Leander Dendoncker is uitgegroeid tot de stabiele factor en het enige altijd brandende lichtpunt in misschien het lelijkste Anderlecht van de laatste vijftig jaar, op de periode van Ivic na dan. Bij de vreselijke thuisoverwinning tegen Zulte Waregem van vorige zondag liep hij zich voor de 55ste keer dit seizoen de ziel uit het lijf, gaten dichtend, bijsturend, ploegmaats coachend, ballen afpakkend, aanjagend en als het even kon ook nog gevaar creërend, al leek het alsof zijn coach hem uitdrukkelijk had verboden te ver over de middenlijn te komen.

Net 22 geworden, is hij nu al de aorta van Anderlecht. Bij leven en welzijn zal hij in de mogelijke kampioenenclash bij Club bij de rust aan zijn 5.000ste minuut in zijn 56ste wedstrijd van dit seizoen komen, en in elk van die wedstrijden startte hij in de basis en werd nooit gewisseld.

Zonder EK of WK kan Dendoncker uitkomen op 60 wedstrijden in één seizoen als hij in de twee volgende competitiewedstrijden en ook bij de twee interlands met de Rode Duivels in actie komt. Lionel Messi, om maar even buiten categorie te gaan, speelde dit seizoen 53 wedstrijden, en 400 minuten minder. In meters gelopen met en zonder bal zal middenvelder Dendoncker ongetwijfeld aan het dubbele zitten.

“Leander is een genetisch fenomeen. Hij recupereert zo makkelijk dat hij drie wedstrijden per week aankan, zelfs op zijn veeleisende positie.” Dat zegt Jochen De Coene, hoofd van het medisch departement van Anderlecht. “Wij zien op onze data tijdens de wedstrijd dat hij enorm snel herstelt van hoogintensieve inspanningen na elkaar en daags na de wedstrijd is hij bij wijze van spreken al weer klaar voor de volgende.”

Wat heb jij speciaal?

Leander Dendoncker: “Ik heb altijd al goed kunnen lopen. Ik denk dat het aangeboren is. Ik loop graag, dat helpt. Ik voel mij ook nooit zo vermoeid. Vorig jaar had ik wat last van de heupbuigers, maar dat probleem is verholpen door oefeningen. En door liggend te spelen op de PlayStation. Ik speel elke dag en ik deed dat zittend op een stoel, voorovergebogen. Ze dachten dat het daar van kon komen.”

Hoe verklaar je dat Anderlecht de ene week super is en er de andere week totaal niks van bakt?

“Totaal niks vind ik overdreven. We hebben onze mindere momenten. Het dieptepunt vond ik in de eerste ronde het verlies thuis tegen Westerlo, 0-2 nog wel. Vreselijk. Ik pieker daarover, maar ik heb geen verklaring, behalve misschien dat we niet genoeg leiders in de ploeg hebben die opstaan en de zaak op scherp kunnen zetten.”

Ben jij een leider?

“Dat denk ik wel. Misschien dat je het niet merkt, maar ik praat voortdurend. Ik probeer altijd positief te zijn, maar als iemand in de fout gaat, zal ik er toch iets van zeggen. Ook op mijzelf kan ik sakkeren en dat blijft nog wel even doorwerken, zodat ik nooit kan slapen na de wedstrijd. Ik hoef die ook niet terug te zien. Al mijn acties heb ik in mijn geheugen geknipt en achter elkaar gezet. En dan ga ik nadenken: dit had beter gekund, dit had ik zo moeten oplossen, waarom heb ik daar dat niet gedaan? Ik ben best wel zelfkritisch.”

Heb je jezelf verbaasd met wie je nu bent en wat je presteert?

“Ja en neen. Ik bedoel: je komt naar Anderlecht met de hoop in het eerste elftal te geraken en ze zagen het wel in mij. Neen, omdat ik het in het begin wel lastig had. Ik kwam in 2009 bij de U15 en na een maand trainen of zo kwam Jean Kindermans (jeugdopleider, HV) bij mij en zei: de trainer (Yannick Ferrera, nu KV Mechelen, HV) verwacht wel wat meer van jou.

“Doodongelukkig was ik en bang. Ik heb dat nog nooit aan mijn ouders verteld. Toen zeker niet, omdat ik hen niet nog meer pijn wilde doen. Ze hadden het al zo lastig om mij te laten gaan en er was ook zo veel werk op de boerderij waar ze al genoeg kopzorgen over hadden. Ik zag het toch een beetje als mijn luxeprobleem.”

Maar je was echt ongelukkig?

“Behoorlijk. Ik was een moederskind en ineens was ik ver van huis. We reden naar Brussel om mij weg te brengen en dat was het dan: ik móést daar blijven slapen en het leek wel voor altijd. Die eerste maand kon ik echt niet aarden. Er waren dagen dat ik drie keer per dag naar huis belde met tranen in de ogen. Ik wist dat ik mijn moeder pijn deed, maar ik kon niet anders. Ma zag daar echt van af. Mijn pa ook wel, maar die verborg dat meer.

“Dat lag niet aan het gastgezin, want dat waren hele warme mensen, en ook niet aan de omgeving. Ik was veertien en alles kwam in één keer bij elkaar: nieuwe club, nieuwe stad, nieuwe school, nieuwe taal, nieuwe spelers. De oefenwedstrijden waren ook niet te best en mijn pa had dat gezien toen hij kwam kijken: jij kunt beter, zei hij. Toen was het nog vakantie en het is eigenlijk beginnen beteren toen ik naar school ging. Dat was een openbaring, hoe ze mij daar meteen aanspraken en opnamen in de klas. Zo open, helemaal niet zoals in West-Vlaanderen, waar ze eerst weken de kat uit de boom kijken in een nieuwe omgeving. Iets wat ik natuurlijk wel doe en nog steeds.” (lacht)

Had je vooroordelen?

“Wat dacht je? Ik was gewend van met de bus van Passendale naar Roeselare te rijden om bij de broeders naar school te gaan. Daar zat één zwarte jongen, één zwart meisje en één Turk. In Brussel was het omgekeerd. Je leert heel snel hoe je daarmee moet omgaan, ook met de verschillende godsdiensten en met bepaalde groepjes jongeren. Zoals? Soms moet je oogcontact absoluut vermijden, want anders krijg je gegarandeerd ruzie, maar dat zal wel aan de grootstad liggen. Brussel, een urban jungle? Een beetje wel, maar inmiddels voel ik mij hier thuis.”

Werd jij aanvaard met je West-Vlaams accent?

“Er werd vaak iets over gezegd. Niet echt uitgelachen, maar wel lacherig gedaan: zo van, wat heb jij een apart accent. Ik ben dan maar dat Brabantse taaltje gaan aannemen dat ik nu spreek als ik interviews geef, maar zodra ik met West-Vlamingen praat, of thuis kom, draai ik de knop onmiddellijk om en is het plat-West-Vlaams.

“Op school ging het best. De eerste vier jaar deed ik aso, maar ik was vaak met de nationale ploeg weg en voor wiskunde, chemie en fysica kreeg ik problemen. Hoewel ik een A-attest haalde, raadde men mij toch aan om technisch onderwijs te volgen en zo kwam ik op Sint-Guido terecht. Of de school van Lukaku.

“Toen was ik al een beetje ingeburgerd en bekend met andere culturen en rassen, maar Sint-Guido was nog een stap verder. Ik was de enige blanke Belg in de klas; we waren op die hele school misschien maar met tien. Maar het was een gouden tijd. Ik had ook geen enkel probleem met de studies: ik was weer vaak weg, maar ik was altijd de eerste van de klas.

“Alleen waren mijn ouders toch weer ongerust, want die hadden natuurlijk De school van Lukaku op televisie gezien en nu zat hun zoon daar. Die ook ineens zo raar sprak. Ik gaf rond die tijd een interview voor de tv na een wedstrijd en mijn moeder begreep er niks van. ‘Waarom spreek jij geen West-Vlaams?’, vroeg ze.”

Tja, waarom niet?

“Omdat je integratie dan een stuk makkelijker verloopt natuurlijk. Ma vond het toch lastig hoor. Zij is erg gesteld op West-Vlaanderen en het boerenbestaan. Wij hebben varkens thuis en bij haar thuis waren het kippen.

“Ruiken, zeg jij? (lacht) Neen hoor, varkens en kippen stínken, allebei, maar ik heb het niet anders geweten en ik ben ook trots op mijn afkomst. Mijn vader werkt dagen van meer dan twaalf uur en vooral de laatste jaren zijn heel moeilijk geweest voor boeren met varkens. Ik heb een eindeloos respect voor mijn ouders. Ik ben blij dat ik wat heb kunnen terugdoen.”

Bedoel je materieel?

“Ook. Het is bekend dat tekengeld vaak naar de ouders gaat. Maar ik heb hen ook fierheid en een bepaalde rust gegeven. Ik ben nu een vaste basisspeler terwijl ik onder John van den Brom maar moeilijk in de ploeg geraakte. Dat was vooral lastig op familiefeesten. Wanneer ga je spelen? Zou je niet beter worden uitgeleend? Daar word je op den duur gek van, ook als ouder.”

Je pa legde ooit een voetbalveld aan en daar zijn jullie alle drie groot geworden.

“Ik mag drie wedstrijden in een week hebben gespeeld, als ik nog eens thuis kom en een van mijn broers is er ook, trek ik andere kleren aan en ga ik sjotten. Op dat veldje heb ik uren getraind. Samen met mijn oudere broer en nog een buurjongen, die bij Passendale doelman is. Hele dagen heeft die in de goal gestaan voor ons. Ik ben hem daar erg dankbaar voor. Neen, ik denk niet dat hij al is komen kijken en ik vraag het hem ook niet, omdat hij niet zal willen. Hij is een hevige Club-supporter. Nu ik bij Anderlecht speel, zegt hij: ik supporter nooit voor Anderlecht, maar wel voor jou. Toch chique. Ik heb veel aan hem te danken.”

Zou jij naar je broer Lars gaan kijken in Brugge?

“Ik ben vorig jaar nog eens geweest. Sommige mensen kijken dan raar op, maar ik heb geen nare reacties gekregen. Waarom ook? Ik probeer normaal te doen. Voetbal is bijzaak. Ik word straks ook liever herinnerd als een goed mens dan als een goed voetballer.”

Dat is mooi, maar voetbal is vooral business en in jouw geval big business.

“Kan zijn, maar ik weet daar het fijne niet van. Mijn ouders trekken zich dat aan, samen met mijn management. Eerlijk, tegen mijn pa zeg ik: ik hoef niet te weten hoeveel ik meer ga verdienen en ik hoef daar ook niet bij te zijn als het wordt besproken. Als jullie denken dat het oké is, dan kom ik wel af om te tekenen.

“Dat materiële, ik heb daar niks mee. Dat zal dan wel mijn afkomst zijn, maar dure horloges, een Porsche of een Ferrari, dat zegt mij allemaal niks. Ik leef gewoon goed, maar zonder overdrijven. Als ik met een witte Porsche Cayenne in Passendale zou aankomen, je zou mijn ouders nogal horen. Ik rij met een Audi Q5 van de club en dat is al een heel mooie auto.

“De grote valkuilen liggen in de jeugdreeksen: ik heb veel jongens gezien met heel veel talent die vandaag in vierde klasse spelen of geen ploeg meer hebben. Gefaald op mentaliteit. En het blijft altijd oppassen dat je jezelf niet verliest, want wat gaat het ongelooflijk snel. Ik kijk soms naar mijzelf en dan kan ik het niet geloven: het is alsof ik gisteren ben vertrokken uit Passendale en ineens woon ik in een villa in Groot-Bijgaarden. En ik ben net 22 geworden.”

En nu, het buitenland? Jij bent Barcelona-fan, welnu, ze kunnen je daar goed gebruiken.

“Ik denk dat Barcelona niet eens weet wie ik ben. Denk je van wel? Ach ja, we zien wel. Spanje, Engeland, Duitsland, dat zijn voor mij de mooiste competities. FC Barcelona is natuurlijk de mooiste club en dat vind ik al van toen ik met de Balbalschool uit Ieper op stage ging naar Barcelona. We bezochten toen Camp Nou en ik was meteen verkocht.”